nr. 5
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG
Ontvangen 16 oktober 1997
De regering heeft er met instemming kennis van genomen dat de leden van
de GPV-fractie de wenselijkheid onderschrijven het constitutionele begrip
voogdij zoveel mogelijk in overeenstemming te brengen met de betekenis van
dit begrip in het Burgerlijk Wetboek en dat zij ermee instemmen dat in het
bijzondere geval van de minderjarige Koning een Raad wordt ingesteld die toeziet
op voogdij en ouderlijk gezag.
De leden van de CDA-fractie hebben gevraagd in hoeverre de opvatting juist
is dat het begrip voogdij in de Grondwet een ruimere betekenis heeft dan in
het Burgerlijk Wetboek. Zij merkten op dat de Grondwet de grondslag dient
te leggen voor een in verband met het koningschap van het burgerlijk Wetboek
afwijkende regeling.
Het constitutionele begrip voogdij heeft betrekking op de burgerrechtelijke
belangen van de minderjarige Koning maar tevens op de daaraan verbonden publieke
belangen en op publiekrechtelijke belangen als het beheer van het ambtsinkomen.
Op grond van deze overwegingen dient de Grondwet de grondslag te bevatten
voor een in verband met het koningschap van het Burgerlijk Wetboek afwijkende
regeling.
Voorts vroegen deze leden of de wijziging van de Grondwet niet vooraf
had moeten gaan aan de wijziging van het Burgerlijk Wetboek.
De wetgever heeft bij het wetsvoorstel tot aanpassing van de wetgeving
aan de wijziging van het Burgerlijk Wetboek aangegeven dat deze wijziging
van het Burgerlijk Wetboek overeenstemt met de Grondwet. Er bestond derhalve
geen noodzaak om de Grondwet te herzien voordat het Burgerlijk Wetboek werd
gewijzigd. Er waren destijds evenmin andere redenen die daartoe aanleiding
gaven.
Voor het antwoord op de vragen van de genoemde leden naar de plaats van
de Raad die toeziet op voogdij en ouderlijk gezag in de Grondwet en de formulering
inzake het toezicht verwijzen wij naar de beantwoording van de vragen van
de leden van de GPV-fractie over de Raad.
De leden van de GPV-fractie namen aan dat de voorgestelde tekst onverlet
laat dat de eventuele benoeming van een voogd ook in de toekomst in beginsel
bij wet zal gebeuren. Dit leek de genoemde leden voor de hand te liggen omdat
de voogd tevens regent zal kunnen worden.
De voorgestelde tekst laat toe dat de eventuele benoeming van een voogd
ook in de toekomst bij wet zal gebeuren. Het voorstel beoogt niet om op dit
punt enigerlei wijziging te brengen in de bestaande situatie en de praktijk
van de benoeming van de voogd bij wet die hierbij altijd is gevolgd. De benoeming
van de voogd en de benoeming van de regent vinden plaats bij afzonderlijke
wetten maar dit sluit niet uit dat degene die tot voogd wordt benoemd tevens
wordt benoemd als regent. In de gevolgde praktijk heeft de wetgever steeds
dezelfde persoon benoemd tot voogd en tot regent, namelijk de achterblijvende
ouder.
Voorts vroegen de leden van de GPV-fractie of het niet logischer zou zijn
om te spreken van het ouderlijk gezag en de voogdij omdat de voogdij in de
nieuwe betekenis van het woord zich het minst vaak zal kunnen voordoen.
De voorgestelde formulering van het artikel is niet gebaseerd op de mate
van waarschijnlijkheid dat een van beide situaties, voogdij of ouderlijk gezag
over de minderjarige Koning, zich voordoet. Aan veronderstellingen daaromtrent
komt naar ons oordeel ook geen constitutionele betekenis toe. De voorgestelde
volgorde sluit aan bij de gebruikelijke formuleringen en wetgeving door het
van oudsher bekende begrip voogdij voorop te plaatsen. Deze volgorde brengt
tevens direct op de duidelijkste wijze tot uitdrukking dat het in artikel
34 gaat om de specifieke begrippen die in het Burgerlijk Wetboek worden gehanteerd.
De genoemde leden stelden verder de vraag in hoeverre de regering delegatie
geoorloofd acht bij de regeling van de inrichting, samenstelling en bevoegdheid
van de Raad. Zij wilden weten of de leden van de Raad bij wet moeten worden
benoemd of zal kunnen worden volstaan met het aantal leden en het geven van
een indicatie van hun kwaliteiten. De leden van de CDA-fractie vroegen ook
naar de plaats van de Raad in de Grondwet alsmede naar de formulering inzake
het toezicht.
De regering is van opvatting dat de vermelding van de Raad niet achterwege
kan blijven in de Grondwet omdat dit de waarborg bevat dat het toezicht wordt
uitgeoefend door een college dat fungeert op een bij of krachtens de wet te
bepalen wijze. Hiermee wordt aangesloten bij de praktijk waarbij de wetgever
steeds een Raad van Voogdij heeft ingesteld voor de toeziende voogdij. Wij
achten het onjuist dat de Grondwet op dit punt de mogelijkheid zou bieden
dat slechts een persoon met het toezicht op de voogdij en het ouderlijk gezag
over de minderjarige Koning wordt belast. Eveneens achten wij het onjuist
dat de grondwetsbepaling de ruimte zou laten voor toezicht op de voogdij en
het ouderlijk gezag over de minderjarige Koning door meerdere personen zonder
dat er duidelijkheid bestaat over hun benoeming, onderlinge verhouding, onderscheiden
verantwoordelijkheden en werkwijze. De vermelding in de Grondwet van de Raad
als toezichthouder en de wettelijke regeling van zijn inrichting, samenstelling
en bevoegdheid achten wij derhalve van wezenlijke betekenis. De regering is
van opvatting dat de voorgestelde bepaling geen wijziging brengt in de bestaande
praktijk van de wetgeving inzake de voogdij over de minderjarige Koning. Dit
houdt in dat de wet die de inrichting, samenstelling en bevoegdheid regelt
van de Raad die toeziet op voogdij en ouderlijk gezag, een regeling zal kennen
die analoog is aan de voorschriften over de Raad van Voogdij in de voorgaande
voogdijwetten.
Tenslotte vroegen de leden van de GPV-fractie of de beide in dit artikel
genoemde wetten eerst tot stand zullen worden gebracht wanneer de mogelijkheid
van een minderjarige Koning zich zal kunnen voordoen en of daarbij voor beide
wetten het vereiste geldt van de beraadslaging en besluitvorming door de Staten-Generaal
in verenigde vergadering.
De beide onderwerpen die volgens artikel 34 een wettelijke regeling vereisen,
zullen, in overeenstemming met de gebruikelijke praktijk, geregeld worden
in een wet die tot stand komt zodra de mogelijkheid van een minderjarige Koning
zich zal kunnen voordoen. Daarvoor geldt het vereiste van beraadslaging
en besluitvorming door de Staten-Generaal in verenigde vergadering. Artikel
34, tweede volzin, van de Grondwet blijft ongewijzigd gehandhaafd.
De Minister-President, Minister van Algemene Zaken,
W. Kok
De Minister van Binnenlandse Zaken,
H. F. Dijkstal
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager