25 332
Wet Transportongevallenraad

nr. 1
KONINKLIJKE BOODSCHAPAAN DE TWEEDE KAMER DER STATEN-GENERAAL

Wij bieden U hiernevens ter overweging aan een voorstel van wet Transportongevallenraad.

De memorie van toelichting, die het wetsvoorstel vergezelt, bevat de gronden waarop het rust.

En hiermede bevelen Wij U in Godes heilige bescherming.

's-Gravenhage

29 april 1997

Beatrix

nr. 2
VOORSTEL VAN WET

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is te komen tot een herziening, bundeling en harmonisatie van het ongevallenonderzoek in de transportsector en daartoe op te richten de Transportongevallenraad, alsmede te komen tot implementatie van richtlijn nr. 94/56/EG van de Raad van de Europese Unie van 21 november 1994, houdende vaststelling van de grondbeginselen voor het onderzoek van ongevallen en incidenten in de burgerluchtvaart (PbEG L 319);

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goed gevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

HOOFDSTUK 1. BEGRIPSBEPALINGEN

Artikel 1

1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. Onze Minister: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat;

b. de raad: de Transportongevallenraad, genoemd in artikel 2, eerste lid;

c. kamer: kamer van de raad als bedoeld in artikel 4;

d. schip: vaartuig, sleepschip, dok of ander dergelijk drijvend voorwerp, dat over water naar zijn bestemming wordt gesleept;

e. Nederlands schip: schip dat op grond van de Nederlandse rechtsregels gerechtigd is de vlag van het Koninkrijk der Nederlanden te voeren;

f. luchtvaartuig: toestel, dat in de dampkring kan worden gehouden ten gevolge van krachten die de lucht daarop uitoefent, met inbegrip of met uitzondering van bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen toestellen;

g. Nederlands luchtvaartuig: luchtvaartuig als bedoeld in artikel 1, onder e, van de Luchtvaartwet;

h. scheepvaartongeval: elk voorval aan een schip overkomen, waarbij dodelijk of ernstig letsel of schade van betekenis is veroorzaakt;

i. railwegongeval: elk voorval op een railweg of op een daarmee vergelijkbare geleider, waarbij dodelijk of ernstig letsel of schade van betekenis is veroorzaakt;

j. wegenverkeersongeval: elk voorval aan een verkeersdeelnemer overkomen op een voor het verkeer feitelijk openstaande weg, waarbij dodelijk of ernstig letsel of schade van betekenis is veroorzaakt;

k. luchtvaartongeval: elk voorval dat samenhangt met het gebruik van een luchtvaartuig en plaatsvindt tussen het tijdstip waarop een persoon zich aan boord begeeft met het voornemen een vlucht uit te voeren en het tijdstip waarop alle personen die zich met dit voornemen aan boord hebben begeven, zijn uitgestapt, en waarbij:

1°. een persoon dodelijk of ernstig gewond raakt als gevolg van het zich in het luchtvaartuig bevinden, direct contact met een onderdeel van het luchtvaartuig, inclusief de onderdelen die van het luchtvaartuig zijn losgeraakt of directe blootstelling aan de uitlaatstroom van de reactoren, behalve wanneer de letsels een natuurlijke oorzaak hebben, door de persoon zelf of door anderen zijn toegebracht, of wanneer de letsels verstekelingen treffen die zich buiten de normale voor passagiers en het personeel bedoelde ruimten ophouden, of

2°. het luchtvaartuig schade of een structureel defect oploopt, waardoor afbreuk wordt gedaan aan zijn soliditeit, prestaties of vluchtkenmerken en die normaliter ingrijpende herstelwerkzaamheden of vervanging van het getroffen onderdeel noodzakelijk zouden maken, behalve wanneer het gaat om motorstoring of motorschade en de schade beperkt is tot de motor, de motorkap of motoronderdelen, dan wel om schade die beperkt is tot de propellers, de vleugelpunten, de antennes, de banden, de remmen, de stroomlijnkappen of tot deukjes of gaatjes in de vliegtuighuid, of

3°. het luchtvaartuig vermist wordt of volledig onbereikbaar is;

l. ongeval: scheepvaart-, railweg-, wegenverkeers- of luchtvaartongeval;

m. incident: voorval, dat geen ongeval is, en

1°. dat samenhangt met het functioneren van een luchtvaartuig en afbreuk doet of zou kunnen doen aan een veilige vluchtuitvoering, of

2°. dat samenhangt met het functioneren van een schip en waarbij de veiligheid van personen in gevaar is gebracht, of

3°. dat zich heeft afgespeeld op een railweg of een daarmee vergelijkbare geleider en waarbij de veiligheid van personen in gevaar is gebracht, of

4°. dat aan een verkeersdeelnemer is overkomen op een voor het verkeer feitelijk openstaande weg en waarbij de veiligheid van personen in gevaar is gebracht;

n. ernstig incident: incident dat zich voordoet onder omstandigheden die erop wijzen dat bijna een luchtvaartongeval heeft plaatsgevonden;

o. dodelijk letsel: letsel door een persoon bij een ongeval opgelopen, dat binnen dertig dagen na het tijdstip van het ongeval de dood tot gevolg heeft;

p. ernstig letsel: letsel door een persoon bij een ongeval opgelopen, dat:

1°. opneming in een ziekenhuis gedurende meer dan 48 uur vereist, welke aanvangt binnen zeven dagen na het oplopen van het letsel, of

2°. de breuk van een bot tot gevolg heeft, uitgezonderd enkelvoudige breuken van vingers, tenen of de neus, of

3°. gepaard gaat met scheurwonden die ernstige bloedingen of beschadigingen van zenuwen, spieren of pezen veroorzaken, of

4°. gepaard gaat met letsel aan een inwendig orgaan, of

5°. gepaard gaat met tweedegraads of derdegraads brandwonden of brandwonden over meer dan 5% van het lichaamsoppervlak, of

6°. gepaard gaat met geconstateerde blootstelling aan besmettelijke stoffen of schadelijke straling;

q. oorzaken: handelingen, verzuimen, gebeurtenissen, omstandigheden of een combinatie daarvan die tot het ongeval, het ernstige incident of het incident hebben geleid;

r. betrokkene: natuurlijk persoon, rechtspersoon of bestuursorgaan wiens handelen of nalaten blijkens het voorlopig oordeel van de raad heeft bijgedragen tot het ontstaan van het ongeval of incident, of de nabestaanden van een natuurlijk persoon als hiervoor bedoeld;

s. veiligheidsaanbeveling: voorstel van de raad op basis van uit onderzoek voortvloeiende informatie met de bedoeling ongevallen en incidenten te voorkomen;

t. exploitant van een luchtvaartuig: persoon, organisatie of onderneming die een of meer luchtvaartuigen exploiteert of voornemens is te exploiteren;

u. onderneming: iedere natuurlijke persoon, iedere rechtspersoon met of zonder winstoogmerk of ieder overheidslichaam met of zonder rechtspersoonlijkheid;

v. staat van ontwerp: staat die rechtsmacht heeft over de organisatie die verantwoordelijk is voor het ontwerp van een luchtvaartuig;

w. staat van vervaardiging: staat, die rechtsmacht heeft over de organisatie, die verantwoordelijk is voor de vervaardiging van een luchtvaartuig;

x. staat van het voorval: staat op of boven het grondgebied waarvan, de territoriale wateren daaronder begrepen, een ongeval of incident plaatsvindt;

y. staat van de exploitant: staat waarin de exploitant van een luchtvaartuig zijn voornaamste plaats van bedrijvigheid heeft of, bij gebreke daarvan, de exploitant is gevestigd;

z. vluchtrecorder: elk soort, ter vergemakkelijking van onderzoeken van ongevallen en incidenten, in het luchtvaartuig geïnstalleerd registratietoestel.

2. Deze wet is niet van toepassing op een ongeval of incident waarbij geen ander schip, luchtvaartuig of voertuig is betrokken dan een schip, luchtvaartuig of voertuig dat in gebruik is ten behoeve van Onze Minister van Defensie dan wel van een buitenlandse krijgsmacht.

3. Met een Nederlands luchtvaartuig wordt gelijkgesteld een luchtvaartuig dat door een in Nederland gevestigde onderneming wordt geëxploiteerd.

4. Het bepaalde bij of krachtens deze wet ten aanzien van de staat van de exploitant is slechts van toepassing indien:

a. het betrokken luchtvaartuig is geleased door, gecharterd door of de beschikking daarover door uitwisseling is verkregen door een staat die niet tevens de staat is waar het luchtvaartuig is ingeschreven, en

b. deze staat, geheel of gedeeltelijk, de functies en verplichtingen van de laatstbedoelde staat, die voortvloeien uit annex 13 bij het op 7 december 1994 te Chicago tot stand gekomen Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart (Trb. 1973, 109), vervult.

HOOFDSTUK 2. TRANSPORTONGEVALLENRAAD

§ 1. Instelling en taak

Artikel 2

1. Er is een Transportongevallenraad.

2. De raad bezit rechtspersoonlijkheid.

Artikel 3

1. De raad heeft, met het uitsluitende doel toekomstige ongevallen of incidenten te voorkomen, tot taak te onderzoeken en vast te stellen wat de oorzaken of vermoedelijke oorzaken van individuele of categorieën ongevallen en incidenten zijn en, indien de uitkomsten van een en ander daartoe aanleiding geven, daaraan veiligheidsaanbevelingen te verbinden.

2. De raad stelt een onderzoek in naar ongevallen en ernstige incidenten met:

a. luchtvaartuigen op of boven Nederlands grondgebied met inbegrip van de territoriale zee;

b. Nederlandse luchtvaartuigen boven volle zee;

c. Nederlandse luchtvaartuigen in het buitenland, indien de betrokken staat geen onderzoek instelt, indien deze het onderzoek aan de Nederlandse autoriteiten overlaat of indien niet kan worden vastgesteld dat de plaats van het voorval binnen het grondgebied van enige staat ligt en niet met een andere staat wordt overeengekomen dat deze het onderzoek verricht.

3. De raad stelt een onderzoek in naar ongevallen met:

a. schepen, varende in Europese wateren onder Nederlandse jurisdictie;

b. Nederlandse schepen, varende op volle zee of in wateren onder niet-Nederlandse jurisdictie, indien de daartoe bevoegde staat, de Nederlandse Antillen of Aruba geen onderzoek instelt of het onderzoek aan de Nederlandse autoriteiten overlaat.

4. De raad kan een onderzoek naar een incident dat niet een ernstig incident met een luchtvaartuig is, alleen instellen voorzover dat van belang kan zijn voor het doen van veiligheidsaanbevelingen.

5. De raad kan een onderzoek naar een wegenverkeersongeval alleen instellen voorzover dat van belang kan zijn voor het doen van veiligheidsaanbevelingen.

6. De raad kan het onderzoek naar een luchtvaartongeval of een ernstig incident met een ander dan een Nederlands luchtvaartuig geheel of gedeeltelijk overlaten aan de staat waar het luchtvaartuig is ingeschreven of de staat van de exploitant indien deze naar zijn oordeel op voldoende deskundige wijze het onderzoek zal verrichten.

§ 2. Inrichting en samenstelling

Artikel 4

Onder de raad ressorteren vier kamers, te weten:

a. een kamer voor scheepvaartongevallen,

b. een kamer voor luchtvaartongevallen,

c. een kamer voor railwegongevallen en

d. een kamer voor wegenverkeersongevallen.

Artikel 5

De raad bestaat uit ten minste veertien en ten hoogste zeventien leden, de voorzitter daaronder begrepen.

Artikel 6

1. Elke kamer van de raad bestaat uit ten hoogste vijf leden, de voorzitter daaronder begrepen.

2. Voor elke kamer worden ten hoogste vijf plaatsvervangende leden benoemd.

Artikel 7

1. De leden van de raad en van de kamers worden bij koninklijk besluit benoemd, geschorst en ontslagen, de raad gehoord.

2. De keuze van de leden geschiedt op zodanige wijze dat alle relevante deskundigheid in de raad en in de kamers aanwezig is. Bij algemene maatregel van bestuur worden terzake nadere regels gesteld.

3. De benoeming geschiedt voor een periode van vier jaar. De leden van de raad en van de kamers kunnen worden herbenoemd.

4. Op eigen verzoek wordt aan de leden ontslag verleend uiterlijk met ingang van de eerste dag van de derde kalendermaand na de dag waarop Onze Minister het verzoek om ontslag heeft ontvangen.

5. Het eerste tot en met het vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing op de plaatsvervangende leden van de kamers.

Artikel 8

1. Een van de leden van de raad wordt bij koninklijk besluit benoemd tot voorzitter.

2. De raad wijst één van de voorzitters van de kamers aan als plaatsvervangend voorzitter van de raad.

3. Een lid is niet tegelijkertijd voorzitter van de raad en van een van de kamers.

Artikel 9

1. Van elk van de kamers wordt een der leden bij koninklijk besluit benoemd tot voorzitter.

2. Een kamer wijst één van zijn leden aan als plaatsvervangend voorzitter.

Artikel 10

Van elk der kamers zijn de voorzitter en een of twee andere leden tevens lid van de raad.

Artikel 11

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent:

a. de wijze van beëdiging van de voorzitter en de overige leden van de raad alsmede van de voorzitters en de overige leden van de kamers;

b. de vergoeding, waaronder de vergoeding van reis- en verblijfkosten, van de onder a bedoelde personen.

§ 3. Ondersteuning

Artikel 12

1. Aan de raad is een secretaris verbonden.

2. Aan de raad wordt een bureau toegevoegd. Van het bureau maakt voor elke vervoerssector waarvoor een kamer is ingesteld, ten minste één deskundige deel uit.

3. De secretaris geeft leiding aan het bureau.

Artikel 13

1. De secretaris noch een van de medewerkers van het bureau, genoemd in artikel 12, tweede lid, is lid van de raad of van één van de kamers.

2. De secretaris is voor de uitoefening van zijn taak uitsluitend verantwoording schuldig aan de raad.

Artikel 14

1. Onze Minister kan op voordracht van de raad een of meer onder hem ressorterende deskundigen aanwijzen, die met inachtneming van de door of namens een kamer gegeven aanwijzingen de kamer tijdens het verrichten van een nader aangeduid onderzoek bijstaan.

2. De personen, benoemd op grond van het eerste lid, vallen tijdens het verrichten van het betrokken onderzoek onder de verantwoordelijkheid van de betrokken kamer.

Artikel 15

1. De medewerkers van het bureau, genoemd in artikel 12, tweede lid, alsmede de op grond van artikel 14, eerste lid, benoemde personen melden onverwijld aan de voorzitter van de betrokken kamer dat het onderzoek:

a. henzelf of hun bloed- of aanverwanten tot en met de vierde graad aangaat dan wel,

b. instellingen of rechtspersonen betreft bij welke zij werkzaam zijn of belang hebben.

De kamer beslist of zij zich om deze reden van deelneming aan het onderzoek moeten onthouden.

2. Indien de voorzitter van een kamer op grond van het eerste lid daarom verzoekt vervangt Onze Minister in het betreffende onderzoek een of meer personen benoemd op grond van artikel 14, eerste lid.

Artikel 16

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de bezoldiging en de vergoeding van reis- en verblijfkosten van de op grond van artikel 14, eerste lid, aangewezen personen.

Artikel 17

1. De rechtspositie van de secretaris en de medewerkers van het bureau, genoemd in artikel 12, tweede lid, is in overeenstemming met de regels die gelden voor ambtenaren die zijn aangesteld bij ministeries, met dien verstande dat waar in deze regels een bevoegdheid is toegekend aan een andere minister dan Onze Minister van Binnenlandse Zaken, deze bevoegdheid wordt uitgeoefend door het bestuur van de raad, bedoeld in artikel 20.

2. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden afgeweken van de in het eerste lid genoemde regels.

§ 4. Werkwijze

Artikel 18

1. De leden van de raad en van de kamers hebben zitting zonder last.

2. De leden van de raad en van de kamers onthouden zich van deelneming aan de behandeling van een onderzoek, dat:

a. henzelf of hun bloed- of aanverwanten tot en met de vierde graad aangaat dan wel,

b. instellingen of rechtspersonen betreft bij welke zij werkzaam zijn of belang hebben.

Artikel 19

De raad stelt, binnen een half jaar na zijn instelling, onder goedkeuring van Onze Minister, een bestuursreglement vast.

§ 5. Beheer

Artikel 20

De voorzitter van de raad en de voorzitters van de kamers vormen tezamen het bestuur van de raad.

Artikel 21

De raad wordt in en buiten rechte vertegenwoordigd door de voorzitter van de raad en, bij afwezigheid van deze, door de plaatsvervangend voorzitter van de raad.

Artikel 22

De inkomsten van de raad bestaan uit een jaarlijkse bijdrage ten laste van de begroting voor het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.

Artikel 23

1. De bestuur van de raad stelt vóór 1 november een begroting vast voor het volgende boekjaar alsmede een financieel meerjarenbeleidsplan.

2. De begroting en het financieel meerjarenbeleidsplan behoeven de goedkeuring van Onze Minister.

Artikel 24

1. Het bestuur van de raad brengt jaarlijks aan Onze Minister vóór 1 april een financieel verslag uit, dat vergezeld gaat van een verklaring omtrent de getrouwheid en de rechtmatigheid, afgegeven door een accountant als bedoeld in artikel 393 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

2. De raad stelt de in het eerste lid bedoelde stukken algemeen verkrijgbaar.

Artikel 25

Bij ministeriële regeling worden voorschriften gesteld over de inrichting van de begroting, het financiële meerjarenbeleidsplan en aandachtspunten voor de accountantscontrole.

Artikel 26

1. De raad stelt jaarlijks vóór 1 juli een verslag op van de werkzaamheden, het gevoerde beleid in het algemeen en de doelmatigheid en doeltreffendheid van zijn werkzaamheden en werkwijze in het bijzonder in het afgelopen kalenderjaar.

2. In het jaarverslag wordt in ieder geval een overzicht gepubliceerd van de onderzochte ongevallen of incidenten, de conclusies daaromtrent in de eindrapporten en de daaraan verbonden veiligheidsaanbevelingen. Het jaarverslag bevat tevens het onderzoeksprogramma van de raad.

3. Het jaarverslag wordt aan Onze Minister toegezonden en algemeen verkrijgbaar gesteld.

Artikel 27

1. De raad verstrekt desgevraagd Onze Minister de voor de uitoefening van diens taak benodigde inlichtingen. Onze Minister kan inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is.

2. Onze Minister verstrekt de raad de inlichtingen die deze voor zijn taakuitoefening nodig heeft.

3. Onze Minister stelt een informatiestatuut vast. Het informatiestatuut bevat inhoudelijke en procedurele voorschriften met betrekking tot de in het eerste en het tweede lid bedoelde informatieverstrekking.

HOOFDSTUK 3. MELDING

Artikel 28

1. Bij algemene maatregel van bestuur worden de personen of instanties aangewezen, die verplicht zijn tot het melden van bij die aanwijzing aangeduide ongevallen en ernstige incidenten.

2. De in het eerste lid bedoelde aanwijzing kan ook betrekking hebben op de melding van een incident met uitzondering van een incident als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel m, onder 4.

3. De melding geschiedt aan de raad en bevat in elk geval de aanduiding van de plaats van het ongeval of het incident, de aard daarvan, de gevolgen wat betreft schade en letsel, de omstandigheden waaronder het ongeval of incident heeft plaatsgevonden, alsmede de bij algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens. De raad geeft de melding door aan Onze Minister.

4. De verplichting tot melding, bedoeld in het eerste en het tweede lid is niet van toepassing op de krachtens het eerste lid aangewezen personen, voorzover zij weten dat één van de andere krachtens het eerste lid aangewezen personen melding heeft gemaakt van het in het eerste lid bedoelde ongeval of van het in het tweede lid bedoelde incident.

Artikel 29

1. Indien een melding een ongeval of ernstig incident met een luchtvaartuig op of boven het Nederlandse grondgebied, met inbegrip van de territoriale zee, betreft, doet Onze Minister terzake zo spoedig mogelijk een melding toekomen aan:

a. de staat waar het luchtvaartuig is ingeschreven;

b. de staat van de exploitant;

c. de staat van ontwerp;

d. de staat van vervaardiging;

e. de staat waarvan onderdanen bij het ongeval of incident zijn omgekomen of zwaar lichamelijk letsel hebben opgelopen en

f. indien het gaat om een luchtvaartuig met een startmassa van meer dan 2250 kg, de internationale burgerluchtvaartorganisatie.

2. Indien een melding een ander ernstig incident met een luchtvaartuig dan bedoeld in het eerste lid betreft doet Onze Minister terzake een melding toekomen aan de onder c en d bedoelde staten alsmede aan de staat op of boven het grondgebied waarvan, met inbegrip van de territoriale zee, het incident zich heeft voorgedaan.

3. Bij ministeriële regeling worden nadere voorschriften gegeven omtrent de in het eerste en het tweede lid bedoelde melding.

HOOFDSTUK 4. INFORMATIEMATERIAAL

Artikel 30

1. De burgemeester draagt er zorg voor dat de situatie ter plaatse van een ongeval niet wordt gewijzigd dan na overleg met de voorzitter van de betrokken kamer of degene die door deze is aangewezen, tenzij uit een oogpunt van openbare orde en veiligheid, van de bescherming van leven en gezondheid van personen en dieren of van de beperking van de schade, het treffen van maatregelen onverwijld geboden is.

2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen terzake van het bepaalde in het eerste lid nadere regels worden gesteld.

3. Het eerste lid is niet van toepassing op een wegenverkeersongeval.

Artikel 31

1. De overblijfselen van een vervoermiddel dat bij een ongeval betrokken is, alsmede daarbij aangetroffen voorwerpen afkomstig uit het vervoermiddel blijven ter beschikking van de kamer voor de duur van het onderzoek of zoveel korter of langer als de kamer nodig oordeelt.

2. Het is een ieder verboden onbevoegdelijk overblijfselen van een vervoermiddel dat bij een ongeval betrokken is, bij een ongeval weg te nemen of op andere wijze aan het onderzoek te onttrekken.

3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen terzake van het bepaalde in het eerste lid en terzake van de teruggave van zaken nadere regels worden gesteld.

4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot van overheidswege te verlenen bijstand bij het weer ter beschikking krijgen van overblijfselen als bedoeld in het eerste lid.

5. Het eerste en tweede lid gelden niet voor wegenverkeersongevallen.

HOOFDSTUK 5. HET ONDERZOEK

§ 1. Bevoegdheden van de onderzoekers

Artikel 32

In deze paragraaf wordt verstaan onder een onderzoeker: de leden en de plaatsvervangende leden van een kamer, de medewerkers van het bureau, genoemd in artikel 12, tweede lid, voorzover als zodanig bij hun aanstelling aangewezen, en de op grond van artikel 14, eerste lid, benoemde personen.

Artikel 33

1. Bij de uitoefening van zijn taak draagt een onderzoeker een legitimatiebewijs bij zich, dat is uitgegeven door de raad.

2. Een onderzoeker toont zijn legitimatiebewijs desgevraagd aanstonds.

3. Het legitimatiebewijs bevat een foto van de onderzoeker en vermeldt in ieder geval zijn naam en hoedanigheid.

Artikel 34

Een onderzoeker maakt van zijn bevoegdheden slechts gebruik voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak nodig is.

Artikel 35

Onze Minister kan algemene aanwijzingen geven voor de uitoefening van de aan een onderzoeker toekomende bevoegdheden.

Artikel 36

1. Een onderzoeker is bevoegd, met medeneming van de benodigde apparatuur, elke plaats te betreden, met uitzondering van een woning zonder toestemming van de bewoner.

2. Zo nodig verschaft hij zich toegang met behulp van de sterke arm.

3. Hij is bevoegd zich te doen vergezellen door personen die daartoe door hem zijn aangewezen.

4. De bevoegdheid, bedoeld in het eerste en derde lid, wordt met betrekking tot militaire luchtvaartterreinen, die krachtens hun aanwijzing of een terzake verleende ontheffing mede door burgerluchtvaartuigen mogen worden gebruikt, en met betrekking tot gedeelten van militaire fabrieken, werkplaatsen en aangehorigheden, waar zich burgerluchtvaartuigen bevinden, uitgeoefend in overeenstemming met Onze Minister van Defensie.

Artikel 37

1. Een onderzoeker is bevoegd inlichtingen te vorderen.

2. Een onderzoeker is bevoegd inzage te vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden.

3. Hij is bevoegd van de gegevens en bescheiden kopieën te maken.

4. Indien het maken van kopieën niet ter plaatse kan geschieden, is hij bevoegd de gegevens en bescheiden voor dat doel korte tijd mee te nemen tegen een door hem af te geven schriftelijk bewijs.

Artikel 38

1. Een onderzoeker is bevoegd zaken te onderzoeken, aan opneming te onderwerpen en daarvan monsters te nemen.

2. Hij is bevoegd daartoe verpakkingen te openen.

3. Indien het onderzoek, de opneming of de monsterneming niet ter plaatse kan geschieden, is hij bevoegd de zaken voor dat doel mee te nemen tegen een door hem af te geven schriftelijk bewijs.

4. De genomen monsters worden voor zover mogelijk teruggegeven.

Artikel 39

1. Een ieder is verplicht aan een onderzoeker alle medewerking te verlenen die deze redelijkerwijs kan vorderen bij de uitoefening van zijn bevoegdheden.

2. Zij die uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift verplicht zijn tot geheimhouding kunnen het verlenen van medewerking weigeren, voor zover dit uit hun geheimhoudingsplicht voortvloeit.

3. Met betrekking tot het recht zich te verschonen van het verlenen van medewerking zijn de artikelen 218 en 219 van het Wetboek van Strafvordering en artikel 191, tweede lid, onder a, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige toepassing.

§ 2. Het onderzoek door de kamer

Artikel 40

1. De raad besluit tot het instellen van een onderzoek.

2. De raad kan daarbij aspecten aanwijzen die moeten worden onderzocht. In geval van een onderzoek als bedoeld in artikel 3, tweede of derde lid, kan deze aanwijzing geen limitatief karakter hebben.

Artikel 41

1. Het onderzoek wordt verricht door de kamer die voor de betrokken vervoerssector is ingesteld. Indien vervoerssectoren die onder meer dan één kamer vallen, zijn betrokken, treft de raad terzake een voorziening. Hij treft daarbij mede een voorziening terzake van de verplichtingen en bevoegdheden die aan een kamer bij de uitvoering van een onderzoek toekomen.

2. De kamer wordt in het onderzoek bijgestaan door het bureau, genoemd in artikel 12, tweede lid, en, in voorkomende gevallen, door personen als bedoeld in artikel 14, eerste lid.

3. De raad kan bepalen dat het onderzoek naar een incident wordt uitbesteed aan een instantie, die het onderzoek onder toezicht van de betrokken kamer uitvoert. De raad voorziet in dat geval in, door Onze Minister goed te keuren, garanties voor de onafhankelijkheid van het onderzoek.

Artikel 42

1. Indien een onderzoek wordt ingesteld terzake van een ongeval of ernstig incident met een Nederlands luchtvaartuig met een startmassa van meer dan 2250 kg zendt de raad zo spoedig mogelijk een melding terzake aan:

a. de staat van de exploitant,

b. de staat van ontwerp,

c. de staat van vervaardiging en

d. de internationale burgerluchtvaartorganisatie.

2. Bij ministeriële regeling worden nadere voorschriften gesteld omtrent de in het eerste lid bedoelde melding.

Artikel 43

1. De raad kan toestaan dat op verzoek van een staat één of meer gevolmachtigde vertegenwoordigers aan het onderzoek deelnemen. De raad kan ook een dergelijk verzoek tot een andere staat richten.

2. De vertegenwoordigers kunnen zich door deskundigen doen bijstaan.

3. De vertegenwoordigers en deskundigen hebben toegang tot de tijdens het onderzoek vergaarde gegevens en informatie, mits zij zich tot geheimhouding verplichten en zij in de staten die zij vertegenwoordigen, niet aan een ruimere openbaarheid van gegevens zijn gehouden dan ingevolge deze wet mogelijk is. Zij geven aan de raad alle relevante informatie die zij ter beschikking hebben.

4. Bij ministeriële regeling wordt bepaald in welke gevallen de raad in verband met internationale afspraken verplicht is toepassing te geven aan het eerste lid.

5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de bevoegdheden van de gevolmachtigde vertegenwoordigers en de deskundigen die hen bijstaan.

Artikel 44

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nader aan te duiden rechten terzake van een onderzoek worden toegekend aan een staat waarvan burgers dodelijk of ernstig letsel hebben bekomen.

Artikel 45

De raad is bevoegd ten behoeve van het onderzoek naar een luchtvaartongeval, naar een ernstig incident of naar een incident met een luchtvaartuig, de bijstand in te roepen van instanties en organisaties uit de andere lidstaten van de Europese Unie of een van de overige staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte voor het beschikbaar stellen van:

a. installaties, voorzieningen en apparatuur voor:

1°. het technische onderzoek van wrakstukken en boordapparatuur en andere voor het onderzoek belangrijke voorwerpen,

2°. de verwerking van informatie afkomstig van vluchtrecorders en

3°. de elektronische opslag en verwerking van gegevens over luchtvaartongevallen;

b. deskundigen die gespecialiseerd zijn in onderzoek naar ongevallen of incidenten, teneinde hun welomschreven werkzaamheden toe te vertrouwen en zulks uitsluitend bij een onderzoek naar aanleiding van een belangrijk luchtvaartongeval.

Artikel 46

1. Binnen dertig dagen na de datum van een ongeval met een luchtvaartuig met een startmassa van meer dan 2250 kg waarnaar de raad een onderzoek instelt, wordt, voorzover van toepassing, door de kamer een voorlopig bericht toegezonden aan:

a. de staat van registratie,

b. de staat van ontwerp,

c. de staat van vervaardiging,

d. de staat van de exploitant,

e. de staat die overeenkomstig artikel 43 betrokken is bij het onderzoek of relevante informatie of faciliteiten heeft verstrekt,

f. de staat waar het ongeval heeft plaatsgevonden,

g. de internationale burgerluchtvaartorganisatie;

2. Bij ongevallen of ernstige incidenten met luchtvaartuigen met een startmassa van 2250 kg of minder, waarnaar de raad een onderzoek instelt, kan de raad besluiten een voorlopig bericht toe te zenden aan de staten, genoemd in het eerste lid, onder a tot en met f.

3. Bij ministeriële regeling worden nadere voorschriften gesteld omtrent het voorlopige bericht, bedoeld in het eerste en het tweede lid.

4. Het voorlopig bericht is niet openbaar.

Artikel 47

1. Zo spoedig mogelijk zendt de kamer, ingeval een onderzoek een ongeval met een luchtvaartuig met een startmassa van meer dan 2250 kg betreft, het rapport met de uit het onderzoek naar voren gekomen gegevens betreffende het ongeval naar de internationale burgerluchtvaartorganisatie.

2. Het rapport, bedoeld in het eerste lid, is niet openbaar.

3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing indien een onderzoek een ernstig incident met een luchtvaartuig met een startmassa van meer dan 5700 kg betreft, indien het onderzoek zaken aan het licht heeft gebracht die van betekenis kunnen worden geacht voor andere staten.

Artikel 48

1. De kamer kan een zitting houden.

2. Van plaats, dag en uur van de zitting doet de kamer schriftelijk mededeling aan:

a. Onze Minister,

b. de betrokkenen en

c. de vertegenwoordigers van de staten die aan het onderzoek deelnemen.

Artikel 49

Indien de kamer besluit een zitting te houden, hebben betrokkenen het recht de op het ongeval of incident betrekking hebbende stukken in te zien en daarvan afschrift te maken. Zij zijn anders dan ter voorbereiding van de behandeling ter zitting tot geheimhouding van deze informatie verplicht.

Artikel 50

1. De kamer houdt zitting in het openbaar.

2. De kamer kan om gewichtige redenen besluiten de behandeling van een zaak of een gedeelte daarvan niet in het openbaar te houden.

3. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de orde van behandeling van zaken door een kamer.

Artikel 51

1. De voorzitter van de kamer roept de personen die hij als getuige of deskundige wenst te horen, op. Zonodig kan de voorzitter van een kamer de oproepingen bij deurwaardersexploot doen betekenen. Tussen de dag waarop de oproeping is betekend en die van de zitting liggen tenminste twee weken.

2. Een ieder die als getuige of deskundige is opgeroepen, is verplicht voor de kamer te verschijnen.

3. Indien de getuige of deskundige aan wie de oproeping is betekend, niet verschijnt, wordt daarvan proces-verbaal opgemaakt, hetwelk een nauwkeurige beschrijving van de oproeping bevat en door de voorzitter van de kamer wordt ondertekend.

4. Het proces-verbaal van niet-verschijning levert behoudens tegenbewijs, volledig bewijs op van hetgeen daarin staat vermeld.

5. De voorzitter van een kamer kan de officier van justitie bij de arrondissementsrechtbank binnen welker rechtsgebied de raad zitting houdt, verzoeken de getuige of deskundige bij niet verschijnen ter zitting van de kamer te dagvaarden en daarbij te voegen een bevel tot medebrenging.

6. Betrokkenen hebben het recht op hun verzoek als getuigen ter zitting te worden gehoord indien zij niet door de kamer zijn opgeroepen. Andere belanghebbenden kunnen op hun verzoek ter zitting worden gehoord.

Artikel 52

1. De kamer kan het verhoor van een getuige, mits deze de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt, niet doen plaatsvinden dan nadat deze eerst in handen van de voorzitter de eed of de belofte heeft afgelegd dat hij de gehele waarheid en niets dan de waarheid zal zeggen. Indien een getuige met gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke storing van zijn geestesvermogens, naar het oordeel van de raad, de betekenis van de eed niet voldoende beseft, wordt hij op straffe van nietigheid, niet beëdigd, doch aangemaand de gehele waarheid en niets dan de waarheid te zeggen.

2. De kamer kan het verhoor van een deskundige niet doen plaatsvinden dan nadat deze eerst in handen van de voorzitter de eed of de belofte heeft afgelegd dat hij zijn verslag naar beste weten zal uitbrengen.

3. Getuigen en deskundigen zijn verplicht desgevraagd door de voorzitter van de kamer de eed of belofte te doen en getuigenis af te leggen of hun diensten als deskundige te verlenen, een en ander behoudens verschoning wegens ambts- of beroepsgeheim.

4. Met betrekking tot het recht zich te verschonen van het geven van getuigenis of het beantwoorden van vragen zijn de artikelen 218 en 219 van het Wetboek van Strafvordering en artikel 191, tweede lid, onder a, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige toepassing.

5. Van het verhoor van getuigen en deskundigen wordt een proces-verbaal opgemaakt, dat door de voorzitter van de kamer en de secretaris wordt ondertekend.

Artikel 53

De kamer kan aan de getuigen en deskundigen een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen schadeloosstelling toekennen.

Artikel 54

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels omtrent het onderzoek van de kamer of een instantie als bedoeld in artikel 41, derde lid, gesteld.

Artikel 55

1. Ter afronding van zijn onderzoek stelt de kamer een rapport op.

2. Het rapport bevat:

a. een analyse van de toedracht van het ongeval of van het incident alsmede de gegevens waarop deze analyse berust, en

b. de vaststelling van de oorzaken althans van de vermoedelijke oorzaken van het ongeval of van het incident.

3. Indien de kamer daartoe aanleiding ziet kan hij in het rapport aantekeningen opnemen omtrent door hem vermoede structurele veiligheidstekorten.

Artikel 56

1. De kamer doet het rapport toekomen aan de raad.

2. Indien de kamer geen zitting heeft gehouden, zendt hij het rapport tevens aan de betrokkenen. Deze hebben dertig dagen de tijd schriftelijk commentaar te leveren. Zij zijn tot geheimhouding van het rapport verplicht.

3. Indien ingevolge het tweede lid ontvangen commentaar daartoe aanleiding geeft, kan de kamer het rapport aanpassen.

4. Het rapport alsmede de documenten die zijn benut voor de vaststelling daarvan, zijn niet openbaar.

§ 3. Het onderzoek door de raad en de kamer

Artikel 57

1. De raad beziet, in overleg met de kamer, of het rapport van de kamer aanleiding geeft tot het signaleren van structurele veiligheidstekorten en het formuleren van veiligheidsaanbevelingen.

2. De raad stelt het eindrapport vast.

3. Het eindrapport bevat:

a. een analyse van de toedracht van het ongeval of van het incident, alsmede de gegevens waarop deze analyse berust,

b. de vaststelling van de oorzaken althans de vermoedelijke oorzaken van het ongeval of van het incident en,

c. indien daartoe aanleiding bestaat, de constatering van structurele veiligheidstekorten en veiligheidsaanbevelingen.

4. Wat betreft de onderdelen, bedoeld in het derde lid onder a en b, neemt de raad het, eventueel ingevolge artikel 56, derde lid, gewijzigde, rapport van de kamer over.

5. De raad kan besluiten bepaalde informatie niet in het eindrapport op te nemen. Artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur is hierbij van overeenkomstige toepassing. Het eindrapport vermeldt niet de naam, het adres of identificatiegegevens van gelijksoortige aard ten aanzien van de personen, die betrokken zijn bij een ongeval of incident.

6. Bij ministeriële regeling worden nadere voorschriften omtrent het eindrapport vastgesteld.

Artikel 58

1. Ingeval van een onderzoek betreffende een ongeval of een incident met een luchtvaartuig zendt de raad het eindrapport in concept aan alle staten die hebben deelgenomen aan het onderzoek met de uitnodiging zo spoedig mogelijk, doch in ieder geval binnen zestig dagen hun commentaar van betekenis te geven.

2. Indien het ingevolge het eerste lid ontvangen commentaar daartoe aanleiding geeft, kunnen de kamer en de raad zijn rapport onderscheidenlijk het eindrapport aanpassen.

Artikel 59

De raad streeft ernaar het eindrapport binnen twaalf maanden na het tijdstip van het ongeval of incident uit te brengen.

Artikel 60

1. De raad maakt het eindrapport openbaar.

2. De raad zendt in elk geval een afschrift van het eindrapport aan betrokken bestuursorganen en de betrokkenen.

3. Voorzover het een luchtvaartongeval, een ernstig incident of een incident met een luchtvaartuig betreft, zendt de raad een afschrift van het eindrapport tevens aan de Commissie van de Europese Unie. Voorzover het een luchtvaartongeval betreft, zendt de raad een afschrift van het eindrapport tevens aan de staat waarvan onderdanen bij het ongeval zijn omgekomen of ernstig zijn verwond en aan de staten, genoemd in artikel 46, eerste lid, onder a tot en met e. Voorzover het luchtvaartongeval betreft met een startmassa van meer dan 5700 kg, zendt de raad tenslotte een afschrift van het rapport aan de internationale burgerluchtvaartorganisatie.

4. Een ieder kan een afschrift van het eindrapport verkrijgen. De raad kan besluiten dat voor een afschrift kosten in rekening worden gebracht. De kosten worden berekend volgens de normen van het Besluit tarieven openbaarheid van bestuur.

Artikel 61

Een veiligheidsaanbeveling behelst niet een vermoeden van schuld aan of aansprakelijkheid wegens een ongeval of een incident.

Artikel 62

Indien noodzakelijk voor onverwijld optreden om ongevallen of incidenten te komen, doet de raad reeds tijdens een onderzoek voorstellen voor preventieve maatregelen.

§ 4. Heropening van het onderzoek

Artikel 63

Indien na de sluiting van het onderzoek nieuwe feiten aan het licht komen, die van wezenlijk belang zijn met betrekking tot de in het eindrapport neergelegde conclusies of veiligheidsaanbevelingen, besluit de raad tot heropening van het onderzoek.

§ 5. Afstemming met de ongevallenraad Defensie

Artikel 64

In geval van een ongeval of incident, naar de oorzaak waarvan tevens ingevolge de Wet ongevallenraad Defensie onderzoek wordt verricht, draagt de raad zorg voor onderlinge afstemming van de werkzaamheden van de raad en van de ongevallenraad Defensie.

HOOFDSTUK 6. VERVOLG OP VEILIGHEIDSAANBEVELINGEN

Artikel 65

Indien de raad aan een bestuursorgaan een veiligheidsaanbeveling heeft gedaan, bepaalt het bestuursorgaan tot wie de veiligheidsaanbevelingen zich richten, binnen een jaar zijn standpunt daaromtrent. Hij maakt dit standpunt kenbaar aan Onze Minister. Hij zendt een afschrift van zijn bericht aan Onze Minister aan de raad.

Artikel 66

1. Indien de raad aan een ander dan een bestuursorgaan een veiligheidsaanbeveling heeft gedaan, deelt deze binnen een jaar aan Onze Minister mee op welke wijze hij gevolg aan de aanbeveling zal geven en zendt hij afschrift van deze mededeling aan de raad.

2. Onze Minister beraadt zich of nadere maatregelen noodzakelijk zijn.

HOOFDSTUK 7. AFSTEMMINGSBEPALINGEN

§ 1. Identificatie

Artikel 67

1. Het onderzoek naar de identiteit van de slachtoffers van een ongeval wordt uitgevoerd door het Korps landelijke politiediensten.

2. Het Korps landelijke politiediensten is bevoegd ten behoeve van het identificatieonderzoek alle plaatsen te betreden waar zich resten van het luchtvaartuig, weg-, railvoertuig, schip en slachtoffers bevinden.

3. Het Korps landelijke politiediensten stelt de raad in kennis van de identiteit van de slachtoffers van een ongeval.

§ 2. Verhouding tot het strafrechtelijk onderzoek

Artikel 68

1. Onze Minister kan op voordracht van de raad en in overeenstemming met Onze Minister van Justitie regels stellen ten aanzien van de samenwerking tussen de raad, het openbaar ministerie, het Korps landelijke politiediensten en de regionale politiekorpsen.

2. De in het eerste lid bedoelde regels betreffen in elk geval het overleg en de coördinatie indien naar aanleiding van een ongeval of een incident ook een strafrechtelijke onderzoek wordt ingesteld of overwogen, alsmede de ter beschikking stelling van in beslag genomen voorwerpen.

§ 3. Verhouding tot gedingen

Artikel 69

Gegevens die in het kader van het onderzoek zijn ontleend aan een vluchtrecorder, een cockpit voice recorder en de transscripten daarvan, alsmede de daarop gebaseerde conclusies kunnen niet als bewijs in een rechtsgeding worden gebruikt.

HOOFDSTUK 8. ONDERZOEK IN EEN ANDERE STAAT

Artikel 70

1. Indien een ongeval of ernstig incident buiten Nederland, de territoriale wateren daaronder begrepen, een Nederlands luchtvaartuig betreft of een luchtvaartuig waarvan de exploitant in Nederland is gevestigd, geeft Onze Minister zo spoedig mogelijk aan de staat van het voorval alle relevante informatie over het betrokken luchtvaartuig en zijn bemanning.

2. In het geval, bedoeld in het eerste lid, deelt Onze Minister de staat van het voorval ook mede of Nederland vertegenwoordigd wil zijn bij het onderzoek. Indien Nederland dit wil, geeft hij ook de verwachte datum van aankomst van de vertegenwoordiger aan.

Artikel 71

Indien een ongeval of een ernstig incident buiten Nederland, deterritoriale wateren daaronder begrepen, een luchtvaartuig betreft dat in Nederland is ontworpen of vervaardigd, wordt door Onze Minister, indien de staat van het voorval verzoekt om deelneming aan het onderzoek, aan deze staat medegedeeld:

a. ingeval het gaat om een ongeval of ernstig incident met een luchtvaartuig met een startmassa van meer dan 100 000 kg, de naam van de gevolmachtigde vertegenwoordiger alsmede of hij aanwezig zal zijn bij het onderzoek en, zo dit het geval is, de verwachte datum van zijn aankomst;

b. ingeval het gaat om een ongeval of ernstig incident met een ander luchtvaartuig, of Nederland een gevolmachtigde vertegenwoordiger zal aanwijzen alsmede, indien Nederland dit doet, zijn naam, of hij aanwezig zal zijn bij het onderzoek en, zo dit het geval is, de verwachte datum van zijn aankomst.

Artikel 72

1. Indien een onderzoek terzake van een ongeval of ernstig incident met een ander dan een Nederlands luchtvaartuig waarvan de exploitant in Nederland is gevestigd of waarvan Nederland de staat van ontwerp of vervaardiging is, wordt ingesteld door de staat waarin het luchtvaartuig is ingeschreven, geeft Onze Minister desverzocht aan deze staat alle relevante informatie betreffende het betrokken luchtvaartuig en zijn bemanning.

2. In het geval, bedoeld in het eerste lid, deelt Onze Minister de staat waarin het luchtvaartuig is ingeschreven, ook mee of Nederland vertegenwoordigd wil zijn bij het onderzoek. Indien Nederland dit wil, geeft hij ook de verwachte datum van aankomst van de vertegenwoordiger aan.

Artikel 73

Indien de staat die een onderzoek verricht terzake van een ongeval met een luchtvaartuig met een startmassa van meer dan 2250 kg dat in Nederland is ingeschreven, waarvan de exploitant in Nederland woont of waarvan Nederland de staat van ontwerp of vervaardiging is, verzoekt om deelneming door Nederland, wijst Onze Minister een gevolmachtigde vertegenwoordiger terzake van het onderzoek aan.

Artikel 74

1. De raad kan aan een onderzoek naar een luchtvaartongeval of een ernstig incident buiten Nederland dat door een andere staat wordt ingesteld, deelnemen, voorzover die staat daarvoor toestemming geeft.

2. Onze Minister kan aan de raad opdracht geven deel te nemen aan een onderzoek naar een ongeval of ernstig incident met een luchtvaartuig in een andere staat.

Artikel 75

Op verzoek van de staat die een onderzoek terzake van een ongeval of incident met een luchtvaartuig verricht, verschaft Onze Minister alle relevante informatie die hij beschikbaar heeft.

Artikel 76

1. Indien voorafgaand aan een ongeval of incident met een luchtvaartuig gebruik is gemaakt of normalerwijze gebruik zou moeten zijn gemaakt van faciliteiten of diensten in Nederland en Onze Minister informatie heeft die belangrijk is voor het onderzoek, verschaft hij deze aan de staat die het onderzoekt verricht.

2. Indien een onderzoek een ongeval of incident betreft met een luchtvaartuig dat in Nederland is ingeschreven of waarvan de exploitant in Nederland is gevestigd, verschaft Onze Minister op verzoek van de staat die het onderzoek verricht, de wezenlijke informatie waarover hij beschikt, over elke organisatie waarvan de activiteiten direct of indirect de vlucht van het vliegtuig kunnen hebben beïnvloed.

Artikel 77

Ingeval er sprake is van een ongeval of ernstig incident met een Nederlands luchtvaartuig of een luchtvaartuig waarvan de exploitant in Nederland is gevestigd, in een andere staat landt dan die waarin het ongeval of het incident zich heeft voorgedaan, verschaft Onze Minister, op verzoek van de staat die het onderzoek verricht, aan deze staat de opnamen van de vluchtrecorder en, indien nodig, van de verbonden vluchtrecorders.

Artikel 78

1. Op verzoek van een andere lid-staat van de Europese Unie of een van de overige staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte die een onderzoek naar een luchtvaartongeval, naar een ernstig incident of naar een incident met een luchtvaartuig leidt, kan Onze Minister de raad opdragen, binnen de grenzen van zijn mogelijkheden, bijstand te verlenen.

2. Ingeval een luchtvaartongeval heeft plaatsgevonden in volle zee in de nabijheid van Nederland, geeft Onze Minister aan de staat die het onderzoek verricht alle mogelijke bijstand.

3. Op verzoek van de Nederlandse Antillen of Aruba kan de raad bijstand verlenen aan een vanwege de autoriteiten van een van die landen verricht onderzoek betreffende een scheepvaartongeval.

Artikel 79

Onze Minister en de raad maken een ontwerp-rapport dat zij hebben verkregen gedurende een onderzoek, verricht door een andere staat, niet openbaar tenzij zij daartoe uitdrukkelijk toestemming hebben gekregen van die staat of het betrokken stuk door die staat reeds openbaar is gemaakt of is vrij gegeven.

Artikel 80

Indien Nederland veiligheidsaanbevelingen of andere voorstellen voor preventieve maatregelen krijgt van een andere staat, deelt Onze Minister de betrokken staat, met redenen omkleed, mede welk gevolg aan de aanbevelingen of de voorstellen zal worden gegeven.

HOOFDSTUK 9. STRAF- EN OPSPORINGSBEPALINGEN

Artikel 81

1. Degene die handelt in strijd met het bepaalde in de op grond van artikel 28, eerste lid, gegeven algemene maatregel van bestuur, of in strijd met artikel 31, tweede lid, 49, 51, tweede lid, en 66, eerste lid, wordt gestraft met een geldboete van de tweede categorie.

2. De krachtens het eerste lid strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen.

Artikel 82

1. Met de opsporing van de bij artikel 81 strafbaar gestelde feiten zijn, onverminderd de ambtenaren, bedoeld in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering, belast de ambtenaren aangewezen bij besluit van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat en Onze Minister van Justitie. Deze ambtenaren zijn tevens belast met de opsporing van de feiten strafbaar gesteld in de artikelen 179 tot en met 182 en 184 van het Wetboek van Strafrecht, voor zover deze feiten betrekking hebben op een bevel, vordering of handeling, gedaan of ondernomen door henzelf.

2. Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.

HOOFDSTUK 10. EVALUATIE

Artikel 83

Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet en vervolgens telkens na vijf jaar aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en doelmatigheid van het functioneren van de raad.

HOOFDSTUK 11. TAAKVERWAARLOZING

Artikel 84

1. Indien de raad ernstig in gebreke blijft in de uitoefening van zijn taak wat betreft de onderzoeken, bedoeld in artikel 3, tweede en derde lid, kan Onze Minister de taak waarnemen. In dat geval zijn op de door Onze Minister aan te wijzen personen de artikelen 32 tot en met 39 van overeenkomstige toepassing. Onderzoeken worden verricht met inachtneming van de artikelen 42 tot en met 64.

2. Onze Minister doet van zijn besluit tot waarneming van de taak van de raad schriftelijk mededeling aan de raad. Dit besluit wordt gepubliceerd in de Staatscourant.

HOOFDSTUK 12. OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 85

Onderzoeken naar ongevallen of incidenten ingevolge de Luchtvaartongevallenwet, de Binnenvaartrampenwet en de Spoorwegwet die zijn begonnen voor de datum van inwerkingtreding van deze wet, worden door de raad afgehandeld.

Artikel 86

In afwijking van artikel 7, eerste lid, geschiedt de benoeming van de leden van de raad voor de eerste maal zonder dat de raad wordt gehoord.

Artikel 87

De Binnenvaartrampenwet wordt ingetrokken.

Artikel 88

De artikelen 27a tot en met 27d van de Spoorwegwet vervallen.

Artikel 89

De Binnenschepenwet wordt gewijzigd als volgt:

A

In artikel 1, eerste lid, wordt de puntkomma aan het slot van onderdeel i vervangen door een punt en vervalt onderdeel j.

B

In artikel 4, eerste lid, onderdeel b, worden de woorden «bedoeld in de Schepenwet» vervangen door: afgegeven krachtens de Schepenwet.

C

Artikel 30 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt de zinsnede «de commissie, bedoeld in artikel 3 van de Binnenschepenwet» vervangen door: Onze Minister.

2. In het tweede lid wordt «de commissie» vervangen door: Onze Minister.

D

De artikelen 31 tot en met 38 vervallen.

Artikel 90

In artikel 22, onderdeel b, onder 3, van de Wet vervoer binnenvaart, wordt de zinsnede «als bedoeld in artikel 3 van de Schepenwet (Stb. 1932, 86)» vervangen door: , afgegeven krachtens de Schepenwet.

Artikel 91

Artikel 28 van de Wet voorkoming verontreiniging door schepen vervalt.

Artikel 92

In artikel 2, eerste lid, onderdeel a, laatste gedachtestreepje, van de Deltaschadewet, wordt de zinsnede «bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder a, van de Schepenwet» vervangen door: afgegeven krachtens de Schepenwet.

Artikel 93

In artikel 11 van de Vaarplichtwet vervalt het cijfer 1 voor het eerste lid, alsmede het tweede lid.

Artikel 94

In het Wetboek van Koophandel worden de volgende wijzigingen aangebracht:

A

Artikel 407, vierde lid, wordt vervangen door:

4. Tegen besluiten van het hoofd van de Scheepvaartinspectie op grond van het tweede en derde lid kan iedere belanghebbende beroep instellen bij de Minister van Verkeer en Waterstaat.

B

In artikel 411, tweede lid, vervallen de woorden «of verkoopen ten bate van de instelling ten behoeve van zeelieden, aangewezen door den voorzitter van den Raad voor de scheepvaart».

C

Artikel 412, derde lid, vervalt.

D

Artikel 450, vierde lid, wordt vervangen door:

4. De zeewerkgever die meent dat een of meer van de schepelingen ten aanzien van de schipbreuk grove schuld treft, kan zich wenden tot de kantonrechter met het verzoek hem van zijn in het eerste lid bedoelde verplichting tegenover de betrokken schepelingen te ontheffen.

Artikel 95

In artikel 2:2, eerste lid, van de Arbeidstijdenwet worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. Onderdeel b komt te luiden:

b. een ongeval als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel l, van de Wet Transportongevallenraad.

2. De onderdelen e en f vervallen.

3. Onderdeel g wordt geletterd e.

4. In het nieuwe onderdeel e worden de woorden «bedoeld onder a tot en met f» vervangen door: bedoeld onder a tot en met d.

Artikel 96

De Luchtvaartongevallenwet wordt ingetrokken.

Artikel 97

In het tweede lid, onderdeel a, van artikel 74 van de Wet op de Lijkbezorging wordt de zinsnede «de vooronderzoeker, bedoeld in artikel 4 van de Luchtvaartongevallenwet» vervangen door: de voorzitter van een kamer van de Transportongevallenraad, genoemd in artikel 2 van de Wet Transportongevallenraad.

Artikel 98

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Bij koninklijk besluit kan worden bepaald dat deze wet op een later tijdstip in werking treedt ten aanzien van het onderzoek naar ongevallen en incidenten met een zeeschip. Indien dit geschiedt, treden de bepalingen van deze wet die verband houden met de opheffing van de Raad voor de Scheepvaart, ook eerst met ingang van dat latere tijdstip in werking.

Artikel 99

Deze wet wordt aangehaald als: Wet Transportongevallenraad.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven

De Minister van Verkeer en Waterstaat,

Naar boven