nr. 121
BRIEF VAN DE MINISTER EN DE STAATSSECRETARIS VAN BINNENLANDSE ZAKEN
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
's-Gravenhage, 12 december 1997
Ondersteund door de leden Van der Hoeven, Schutte, Scheltema-de Nie en
De Cloe, vraagt de heer Remkes aan het kabinet hoe wordt omgegaan met het
verzoek van de Eerste Kamer, gedaan in het nader voorlopig verslag over de
Interimwet provincie Rotterdam. Dat verzoek luidt als volgt.
«De commissie geeft de staatssecretaris in overweging de beantwoording
van het nader voorlopig verslag op te schorten totdat van de regering en de
Tweede Kamer zekerheid is verkregen over de taken en bevoegdheden van de beoogde
stadsprovincie.»
Het kabinet heeft op 5 december 1997 dit verzoek in de ministerraad besproken
en besloten deze overweging niet over te nemen. Het kabinet zal een nadere
memorie van antwoord opstellen en die binnen enkele weken aan de Eerste Kamer
aanbieden. Het behoort tot de verantwoordelijkheid van het kabinet om een
wetsvoorstel dat aan de Eerste Kamer wordt aangeboden te verdedigen. Naar
de mening van het kabinet is het een verantwoordelijkheid van de Eerste Kamer
om vervolgens een politiek oordeel over dat wetsvoorstel uit te spreken.
Het kabinet en de Tweede Kamer hebben zich uitgesproken voor de vorming
van de stadsprovincie Rotterdam. De Tweede Kamer heeft dat bij de behandeling
van de Interimwet in augustus van dit jaar nog eens bekrachtigd door te stellen
dat bij aanvaarding van de Interimwet een politieke wilsverklaring wordt afgegeven.
Het kabinet behandelt het voorstel van wet bijzondere bepalingen provincie
Rotterdam (lex specialis) op 12 en 19 december 1997 in de ministerraad en
zal het voorstel nog dit jaar om advies aan de Raad van State aanbieden. Met
betrekking tot de Instellingswet (splitsing van de provincie Zuid-Holland)
blijft de procedure gericht op vaststelling van een voorstel van
wet in februari 1998 waarna de Raad van State om advies wordt gevraagd.
Mevrouw Van der Hoeven vraagt wat de consequenties zijn voor Zuidoost-Brabant,
aangezien de ontwikkelingen in Zuidoost-Brabant gekoppeld zijn aan de voortgang
van Rotterdam. Die consequenties zijn er naar de mening van het kabinet niet.
Conform afspraak blijft de planning er op gericht om in het voorjaar van 1998
een concept-ontwerp Wet bijzondere bepalingen provincie Zuidoost-Brabant gereed
te hebben.
De Minister van Binnenlandse Zaken,
H. F. Dijkstal
De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken,
A. G. M. van de Vondervoort