25 311
Wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening

nr. 20
AMENDEMENT VAN HET LID VERBUGT

Ontvangen 10 juli 1998

De ondergetekende stelt het volgende amendement voor:

I

Artikel I, onder RR, onderdeel 3, komt te luiden:

3. Het zesde tot en met tiende lid worden vervangen door vijf leden, luidende:

6. In afwijking van het tweede lid kunnen burgemeester en wethouders de aanlegvergunning verlenen indien het werk of de werkzaamheid niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan of met de in voorbereiding zijnde herziening daarvan.

7. In afwijking van het tweede lid kunnen burgemeester en wethouders de aanlegvergunning eveneens verlenen indien het werk of de werkzaamheid in strijd is met het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan of met de in voorbereiding zijnde herziening daarvan, mits het werk of de werkzaamheid is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vergunning geen bezwaar hebben. Artikel 19a, eerste, vijfde tot en met twaalfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

8. In afwijking van het eerste lid kunnen burgemeester en wethouders de aanlegvergunning eveneens verlenen indien het werk of de werkzaamheid in strijd is met het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan of met de in voorbereiding zijnde herziening daarvan en het betreft:

a. een werk of werkzaamheid ten aanzien waarvan artikel 17 wordt toegepast;

b. een geval als bedoeld in artikel 19, tweede of derde lid.

Op de voorbereiding van het besluit tot vergunningverlening is de in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure van toepassing, met dien verstande dat

a. de aanvraag gedurende twee weken ter inzage ligt, en

b. gedurende de termijn van terinzagelegging een ieder schriftelijk zijn zienswijze omtrent de aanvraag kenbaar kan maken.

9. Onverminderd het zesde en zevende lid, kunnen burgemeester en wethouders, in afwijking van het vierde lid, de aanlegvergunning verlenen indien het werk of de werkzaamheid niet strijdt met het in voorbereiding zijnde ter bescherming van het beschermde stads- of dorpsgezicht strekkende bestemmingsplan en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen dat zij tegen het verlenen van de vergunning geen bezwaar hebben.

10. De in het zevende en negende lid bedoelde verklaringen worden gelijktijdig bekendgemaakt. Artikel 19a, negende lid, eerste volzin, is alsdan niet van toepassing. Alvorens het besluit omtrent de in het negende lid bedoelde verklaring te nemen, horen gedeputeerde staten de Rijksdienst voor de Monumentenzorg. Van het besluit wordt onverwijld mededeling gedaan aan genoemde dienst. Artikel 10:31, tweede en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing. Gedeputeerde staten kunnen een verklaring weigeren wegens strijd met een goede ruimtelijke ordening.

II

In artikel I, onder SS-3, wordt in het voorgestelde artikel 55, onder a, «46, zesde of negende lid» vervangen door: 46, zevende of negende lid.

III

Artikel II, onder B, komt te luiden.

B

Artikel 50 komt te luiden:

Artikel 50

1. In afwijking van artikel 46, eerste lid, houden burgemeester en wethouders de beslissing op een aanvraag om bouwvergunning aan indien er geen grond is om de vergunning te weigeren en voor het gebied, waarin het bouwwerk zal worden uitgevoerd, voordat de aanvraag is ingekomen een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 21 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in werking is getreden, een ontwerp voor een bestemmingsplan of voor een herziening daarvan ter inzage is gelegd, een bestemmingsplan of een herziening daarvan is vastgesteld, dan wel een bestemmingsplan of een herziening daarvan na vaststelling ter inzage is gelegd.

2. De aanhouding duurt totdat het voorbereidingsbesluit overeenkomstig artikel 21, vierde of zesde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening is vervallen, de termijn, genoemd in artikel 25 van die wet is overschreden, de termijn voor terinzagelegging genoemd in artikel 26 van die wet is overschreden dan wel het bestemmingsplan of de herziening daarvan in werking is getreden.

3. In afwijking in zoverre van het tweede lid, duurt de aanhouding voort indien nog niet is voldaan aan een verplichting als bedoeld in artikel 30 of 40a van de Wet op de Ruimtelijke Ordening of een ingevolge artikel 30, 40a of 40b van die wet vastgesteld plan nog niet in werking is getreden. De aanhouding eindigt in elk geval indien binnen een jaar na het verlopen van de termijn, bedoeld in artikel 30 van genoemde wet, geen ontwerp van een bestemmingsplan of van een herziening daarvan ter inzage is gelegd.

4. In afwijking van het eerste lid kunnen burgemeester en wethouders de bouwvergunning verlenen indien het bouwplan niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan of met de in voorbereiding zijnde herziening daarvan. Burgemeester en wethouders beslissen omtrent de aanvraag om bouwvergunning overeenkomstig artikel 46.

5. In afwijking van het eerste lid kunnen burgemeester en wethouders de bouwvergunning eveneens verlenen indien het bouwplan in strijd is met het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan of met de in voorbereiding zijnde herziening daarvan, mits het bouwplan is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vergunning geen bezwaar hebben. Het besluit tot vergunningverlening bevat een beschrijving van het betrokken bouwplan, de ruimtelijke onderbouwing en de afwegingen die aan het verlenen van vergunning ten grondslag liggen. Artikel 19a, eerste, en vijfde tot en met twaalfde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening is van overeenkomstige toepassing. Het besluit houdende verlening van de verklaring van geen bezwaar wordt geacht voor de mogelijkheid van beroep ingevolge hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht deel uit te maken van de beschikking waarop het betrekking heeft.

6. In afwijking van het eerste lid kunnen burgemeester en wethouders de bouwvergunning eveneens verlenen indien het bouwplan in strijd is met het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan of met de in voorbereiding zijnde herziening daarvan en het betreft:

a. een bouwvergunning als bedoeld in artikel 45;

b. een geval als bedoeld in artikel 19, tweede of derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening.

Op de voorbereiding van het besluit tot vergunningverlening is de in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure van toepassing, met dien verstande dat

a. de aanvraag gedurende twee weken ter inzage ligt, en

b. gedurende de termijn van terinzagelegging een ieder schriftelijk zijn zienswijze omtrent de aanvraag kenbaar kan maken.

7. Na het verstrijken van de aanhoudingsduur, bedoeld in het tweede lid, na de bekendmaking van de verklaring van geen bezwaar, bedoeld in het vijfde lid, of na de terinzagelegging bedoeld in het zesde lid, beslissen burgemeester en wethouders omtrent de aanvraag om bouwvergunning overeenkomstig artikel 46.

IV

Artikel II, onder C, komt te luiden:

C

Artikel 51 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het derde lid wordt «artikel 50, vijfde en zesde lid» vervangen door: artikel 50, vierde en vijfde lid.

2. In het vierde lid wordt «artikel 50, vijfde lid» vervangen door «artikel 50, vierde lid» en komt de zevende volzin te luiden: Gedeputeerde staten kunnen een verklaring weigeren wegens strijd met een goede ruimtelijke ordening.

Toelichting

Artikel 50 Woningwet regelt voor bouwwerken, wat artikel 46 Wet op de Ruimtelijke Ordening regelt voor andere werken en werkzaamheden die op basis van een bestemmingsplan aan een vergunning zijn gebonden.

Via het aanhoudingssysteem wordt voorkomen dat ongewenste, maar nog wel legale activiteiten gedurende het planproces worden gerealiseerd. Na vaststelling van het plan volgt een formele weigering.

Veel activiteiten zijn echter helemaal niet ongewenst, maar worden door dit stelsel geblokkeerd. Het gemeentebestuur heeft daarom de bevoegdheid deze blokkade op te heffen, maar heeft daarvoor toestemming van de provincie nodig, dit ondanks het feit dat de activiteit in overeenstemming is met het vigerende plan en het in procedure zijnde plan niet het oogmerk heeft deze activiteit te weren.

Gekozen is voor een strakke regeling:Alle bouwaanvragen die passen in het geldende bestemmingsplan worden aangehouden totdat het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan van kracht wordt. Doorbreking van deze aanhouding is altijd mogelijk. Alleen als het bouwplan niet past in het toekomstige plan is er reden de provincie bij de vergunningverlening te betrekken, tenzij het gaat om de zogenaamde «kruimellijsten» van het Bro en van Gedeputeerde Staten. De verklaring van geen bezwaar is alleen vereist bij aanleg- of bouwactiviteiten die niet overeenstemmen met de projecten die vallen onder de zware projectprocedure als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO. Achtergrond hiervan is dat de provincie en de rijksoverheid soms voor de realisering van hun eigen ruimtelijk beleid zelf besluiten hebben die met artikel 21 WRO worden gelijkgesteld.

Artikel 46 WRO vormt, evenals dit het geval is met artikel 50 Woningwet, het spiegelbeeld van artikel 19 WRO.

Verbugt

Naar boven