25 298
Wijziging van de Politiewet 1993 en de LSOP-wet in verband met de invoering van de inspectiefunctie op rijksniveau en de invoering van een stelsel van kwaliteitszorg bij de politie, alsmede enkele aanpassingen van deze en andere wetten van technische aard

A
ADVIES RAAD VAN STATE EN NADER RAPPORT1

Hieronder zijn opgenomen het advies van de Raad van State d.d. 3 december 1996 en het nader rapport d.d. 3 april 1996, aangeboden aan de Koningin door de Minister van Justitie, mede namens de Ministers van Binnenlandse Zaken en van Defensie. Het advies van de Raad van State is cursief afgedrukt.

Bij Kabinetsmissive van 31 juli 1996, no.96.003882, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Justitie, mede namens de Minister van Binnenlandse Zaken en de Minister van Defensie, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet met memorie van toelichting tot wijziging van de Politiewet 1993 en de LSOP-wet in verband met de invoering van inspectie op rijksniveau en de invoering van een stelsel van kwaliteitszorg bij de politie, alsmede enkele aanpassingen van deze en andere wetten van technische aard.

Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw Kabinet van 31 juli 1996, no. 96.003882, machtigde Uwe Majesteit de Raad van State zijn advies inzake het bovenvermelde voorstel van wet rechtstreeks aan mij te doen toekomen. Dit advies gedateerd 3 december 1996, no. W03.96.0344, bied ik U, mede namens mijn ambtgenoten van Binnenlandse Zaken en van Defensie, hierbij aan.

1. In het voorgestelde artikel 53a, eerste lid, onder a, van de Politiewet 1993 wordt aan de Minister van Binnenlandse Zaken de bevoegdheid toegekend tot het toetsen van de wijze waarop de beheerders van de politiekorpsen voorzien in de kwaliteit van de taakuitvoering, de resultaten en het beheer van de politie.

Informatie omtrent de bij deze toetsing te hanteren maatstaven wordt verschaft in de memorie van toelichting (Deel I, paragraaf 3), in een brief van 3 juli 1995 van de Ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal (kamerstukken II 1994/95, 21 461, nr. 67) en in de in voormelde brief genoemde bijlage van de achtste voortgangsrapportage van de toenmalige Ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie van 17 mei 1994 (kamerstukken II 1993/94, 21 461, nr. 63).

Uit die informatie blijkt dat deze toetsing betrekking heeft op het nakomen van op termijn wettelijk vast te leggen afspraken, die door het veld en het Rijk zijn gemaakt ten aanzien van de kwaliteitszorg bij de politie (onder meer over de opzet van een systeem van integrale kwaliteitszorg). Voorts heeft deze toetsing betrekking op het nakomen van bepaalde door de korpsbeheerders en de beide ministers met elkaar te maken minimumafspraken over de kwaliteit zelf van de Nederlandse politie.

Het zou, zo meent de Raad van State, bevorderlijk zijn voor een juist inzicht in de draagwijdte van de hier aan de Minister van Binnenlandse Zaken gegeven toetsingsbevoegdheid, indien in de toelichting op het wetsvoorstel dieper zou worden ingegaan op de aard, de inhoud en de wijze van totstandkoming van de hier bedoelde reeds gemaakte en nog te maken afspraken tussen het veld en het Rijk.

De Raad beveelt dan ook aan de memorie van toelichting in die zin aan te vullen.

1. Met de Raad zijn wij van oordeel dat de memorie van toelichting en de daarin genoemde stukken onvoldoende duidelijkheid geven ten aanzien van de aard, de inhoud en de wijze van totstandkoming van de op termijn wettelijk vast te leggen afspraken met het politieveld over de kwaliteitszorg bij de politie, alsmede over de met het politieveld te maken minimumafspraken over de kwaliteit zelf van de Nederlandse politie. Wij hebben de memorie van toelichting op dit punt aangevuld. Voor alle duidelijkheid merken wij op dat vooruitlopend op de wettelijke vormgeving, de totstandkoming van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 53c, tweede volzin, in samenwerking met het politieveld is gewerkt aan de ontwikkeling van een stelsel van kwaliteitszorg en het niveau van kwaliteit waaraan de politie tenminste moet voldoen. In dat verband moeten de afspraken worden gezien die met het politieveld zijn gemaakt en die door de Raad worden genoemd. Het is echter uitdrukkelijk de bedoeling de eisen die het stelsel van kwaliteitszorg stelt en het niveau van kwaliteit waaraan de politie tenminste moet voldoen, op te nemen in een algemene maatregel van bestuur. Daarnaast is vooruitlopend op een wettelijke grondslag alvast een begin gemaakt met de invoering van de kwaliteitszorg bij de politiekorpsen op basis van afspraken. Deze afspraken zullen, zoals gezegd, tevens uitgangspunt zijn bij het opstellen van genoemde algemene maatregel van bestuur. Dit laat onverlet dat op rijksniveau de uiteindelijke regulering plaatsvindt. Allerlei ontwikkelingen kunnen voorts leiden tot wijzigingen in de wijze waarop de politiekorpsen moeten voorzien in de kwaliteit van de taakuitvoering en het beheer. Dit brengt niet alleen mee dat bedoelde algemene maatregel van bestuur voldoende ruimte moet laten voor flexibiliteit, maar ook dat de algemene maatregel van bestuur, op termijn, kan afwijken van de thans gemaakte afspraken.

2. In het voorgestelde artikel 53a, eerste lid, onder b, van de Politiewet 1993 wordt aan de Minister van Binnenlandse Zaken voorts de bevoegdheid gegeven tot het toetsen van specifieke onderdelen van de taakuitvoering dan wel het beheer van de politie.

Volgens de memorie van toelichting wordt hier met name gedacht aan het thematisch toetsen van onderwerpen die betrekking hebben op de bedrijfsvoering, dan wel gericht zijn op specifieke onderdelen van de in artikel 2 van de Politiewet 1993 neergelegde taak van de politie. In voormelde brief van 3 juli 1995 (onder III, 1) wordt in dit verband gesproken over landelijke themaonderzoeken, waartoe door de inspectie een jaarplan wordt opgesteld, dat ook aan de regio's wordt voorgelegd, en dat wordt vastgesteld door de Minister van Binnenlandse Zaken in overeenstemming met de Minister van Justitie.

Mede gelet op de omvang van het in dit artikellid omschreven toetsingsveld (het gaat hier immers om de taakuitvoering, ook los van de beheersvraag) acht de Raad het nodig dat meer inzicht wordt verschaft in de maatstaven, waaraan de vorengenoemde onderwerpen zullen worden getoetst en in de wijze waarop die maatstaven totstandkomen, waarbij de Raad ervan uitgaat dat niet is bedoeld deze maatstaven neer te leggen in de in artikel 53c genoemde algemene maatregel van bestuur. De Raad adviseert dan ook de memorie van toelichting daartoe aan te vullen.

2. Overeenkomstig het advies van de Raad is in de memorie van toelichting nader ingegaan op de maatstaven waaraan op grond van artikel 53a, eerste lid, onder b, wordt getoetst en de wijze waarop die maatstaven tot stand komen. De veronderstelling van de Raad dat niet is bedoeld deze maatstaven neer te leggen in de in artikel 53c genoemde algemene maatregel van bestuur verdient enige nuancering. Het geheel van regelgeving voor de Nederlandse politie vormt een toetsingskader bij de uitoefening van de inspectiebevoegdheid. Ook de genoemde algemene maatregel van bestuur maakt daarvan onderdeel uit.

3. In het voorgestelde artikel 53a, eerste lid, onder c, van de Politiewet 1993 wordt aan de Minister van Binnenlandse Zaken de bevoegdheid toegekend tot het verrichten van onderzoek, indien daar in bijzondere gevallen aanleiding toe is, naar ingrijpende gebeurtenissen met betrekking tot de politie.

Indien de hier gebruikte formulering naar de letter wordt genomen zouden voorwerp van onderzoek kunnen zijn gedragingen van niet tot de politie behorende ambtsdragers, die op de politie betrekking hebben.

Mede op grond van de aanhef van dit artikellid veronderstelt de Raad dat dit laatste niet de bedoeling is. De Raad geeft in overweging de wettekst aan te passen en in ieder geval in de toelichting op dit punt volledige duidelijkheid te verstrekken.

3. De Raad merkt op dat de formulering van artikel 53a, eerste lid, onder c, er strikt genomen toe kan leiden dat ook onderzoek kan worden gedaan naar niet tot de politie behorende ambtsdragers. Ter voorkoming van misverstanden is de tekst van het desbetreffende artikellid verduidelijkt. Gelet op de aanhef van het artikel is, zoals de Raad ook heeft opgemerkt, het uitdrukkelijk de bedoeling dat de bevoegdheid wordt uitgeoefend in het kader van een goede taakuitvoering en een doelmatig en effectief beheer van de politiekorpsen. Dit betekent dat bij het onderzoek naar een ingrijpende gebeurtenis de gedragingen van niet tot de politie behorende ambtsdragers worden betrokken die het politieoptreden bij die gebeurtenis hebben beïnvloed. Daarbuiten zijn de gedragingen van niet tot de politie behorende ambtsdragers geen zelfstandig onderwerp van onderzoek. Het vorenstaande is in de memorie van toelichting tot uitdrukking gebracht.

4. In het voorgestelde artikel 53a, derde lid, van de Politiewet 1993 wordt bepaald dat de onderzoeksbevoegdheid, genoemd in het eerste lid, onder c, in bepaalde gevallen eveneens toekomt aan de Minister van Justitie. Niet is voorgeschreven dat deze bevoegdheid dient te worden uitgeoefend in overeenstemming met de Minister van Binnenlandse Zaken. Een dergelijk voorschrift lijkt de Raad niettemin met het oog op de noodzakelijke onderlinge afstemming van de toetsings- en onderzoeksprioriteiten evenzeer geboden als in de in het tweede lid bedoelde situatie. De Raad adviseert het wetsvoorstel dienovereenkomstig aan te passen.

4. Naar aanleiding van de opmerking van de Raad is in verband met de noodzakelijke afstemming een nieuw vierde lid in artikel 53a ingevoegd, waarin is bepaald dat de Minister van Binnenlandse Zaken en van Justitie hun bevoegdheid een onderzoek in te stellen naar ingrijpende gebeurtenissen slechts na overleg met de ambtgenoot zullen uitoefenen. Tevens is tot uitdrukking gebracht dat de in het vijfde lid bedoelde ambtenaren ook zijn belast met de uitvoering van de werkzaamheden in het kader van de onderzoeksbevoegdheid van de Minister van Justitie, bedoeld in het derde lid. Dit is noodzakelijk in verband met de uitoefening van de bevoegdheid genoemd in het vijfde lid.

5. Het voorgestelde artikel 53a, eerste lid, van de Politiewet 1993 voorziet in toetsing en onderzoek, beide van rijkswege. In de memorie van toelichting wordt ingegaan op de mogelijkheden van de Ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie om op te treden tegen bij die toetsing of bij dat onderzoek gebleken onvolkomenheden. Vermeld worden de mogelijkheden tot sturing en verbetering en de mogelijkheid om richtinggevend te zijn indien de ontwikkelingen daartoe aanleiding geven. Omtrent die mogelijkheden wordt in de memorie van toelichting nog vermeld dat hierover, voorzover daartoe op basis van de bevindingen van de inspectie aanleiding is, overleg zal worden gevoerd met de betrokken politiekorpsen. Afhankelijk van de ernst van de bevindingen kunnen nadere maatregelen worden overwogen. Zo is het mogelijk dat door de inspectie een nader onderzoek wordt ingesteld bij een politiekorps. Naast het feit dat de openbaarmaking van een rapport van de inspectie al een positief effect kan hebben, kan het politiekorps op basis van de rapportage ook een aantal suggesties voor verbetering worden gegeven. Tevens kan blijken dat het nodig is de op grond van de Politiewet 1993 vastgestelde regels bij te stellen, aldus de memorie van toelichting.

Het wetsvoorstel voorziet echter niet in nieuwe bevoegdheden van de Ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie om op te treden tegen bij toetsing of onderzoek aan de dag getreden onvolkomenheden.

Onverlet de in de Politiewet 1993 neergelegde primaire verantwoordelijkheid van de korpsbeheerders en het bevoegd gezag voor een goede en efficiënte uitvoering van de taken en van het beheer van de politie, rijst de vraag of de beperkte bevoegdheden tot correctie, die de Politiewet 1993 thans aan de Ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie toekent, dienen te worden uitgebreid.

De Raad adviseert in de toelichting mede te delen of over deze vraag nadere bezinning heeft plaatsgevonden en zo ja, om van het resultaat van die bezinning te doen blijken in het voorstel van wet dan wel in de memorie van toelichting.

5. De Raad merkt op dat het wetsvoorstel niet voorziet in nieuwe bevoegdheden van de Ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie om op te treden tegen bij toetsing of onderzoek aan de dag getreden onvolkomenheden. De vraag rijst of de beperkte bevoegdheden tot correctie dienen te worden uitgebreid. Overeenkomstig de suggestie van de Raad is in de memorie van toelichting hierop nader ingegaan, waarbij is aangeven dat de combinatie tussen de bevoegdheden die dit wetsvoorstel geeft, in samenhang met de in de nota «De Politiewet 1993; een eerste beoordeling» aangekondigde voorstellen, vooralsnog voldoende waarborgen in zich hebben om waar nodig de politiekorpsen bij te sturen.

6. In het voorgestelde artikel 53a, vierde lid, van de Politiewet 1993 wordt bepaald dat de Minister van Binnenlandse Zaken de ambtenaren aanwijst, die worden belast met de werkzaamheden, die in het kader van het eerste lid van dat artikel worden uitgevoerd. In de memorie van toelichting (onder I, 3) wordt in dit verband gesproken over een inspectie politie. Die inspectie zal volgens de toelichting weliswaar onder volledige ministeriële verantwoordelijkheid opereren, maar in de praktijk zal ruimte worden gegeven om zelfstandig tot bevindingen te komen en daarover zelfstandig te rapporteren. De ministeriële zeggenschap zal derhalve terughoudend worden uitgeoefend, aldus de memorie van toelichting. Voorts wordt vermeld dat het hoofd van de inspectie jaarlijks een verslag zal opstellen van de werkzaamheden, welk verslag op grond van het voorgestelde artikel 53b jaarlijks door de Minister van Binnenlandse Zaken aan de Staten-Generaal wordt toegezonden.

De Raad wijst in de eerste plaats op de spanning, die bestaat tussen de inhoud van het voorgestelde artikellid en die van de toelichting daarop. Indien metterdaad wordt beoogd een inspectie politie op te richten en die inspectie in zekere mate intern te verzelfstandigen, verdient het omwille van de kenbaarheid van de verhouding ministerinspectie naar de mening van de Raad de voorkeur om aan de instelling van die inspectie een grondslag in de Politiewet 1993 te geven en om de bevoegdheden van die inspectie in een wettelijke regeling neer te leggen. Het college geeft dan ook in overweging het wetsvoorstel in die zin aan te vullen.

De tweede opmerking, die de Raad in dit verband wil maken, heeft meer in het bijzonder betrekking op de taak van de inspectie politie in het kader van de in artikel 53a, derde lid, bedoelde onderzoeksbevoegdheid bij ingrijpende gebeurtenissen op het terrein van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde dan wel de taken ten dienste van de justitie. De vraag rijst hoe die taak zich verhoudt tot die van de Rijksrecherche, zoals die wordt verricht in opdracht van de procureur-generaal. De Raad adviseert in de toelichting op deze vraag in te gaan.

6. Naar aanleiding van de opmerkingen van de Raad over de wettelijke vormgeving van de inspectie merken wij op dat het niet de bedoeling is te komen tot een interne of externe verzelfstandiging. De inspectiefunctie wordt in artikel 53a geattribueerd aan de Minister van Binnenlandse Zaken (en van Justitie). Deze draagt de volle verantwoordelijkheid voor de juiste uitoefening van deze taak door een aan hem ondergeschikte dienst. Voor de goede orde merken wij op dat de wet de inspectiefunctie regelt, doch niet de organisatie hiervan. Een expliciete grondslag in de Politiewet 1993 is niet noodzakelijk. Teneinde over het vorenstaande geen misverstand te laten bestaan, is de desbetreffende passage in de memorie van toelichting verduidelijkt.

Naar aanleiding van de opmerking van de Raad is in de toelichting ingegaan op de verhouding tussen de onderzoeksbevoegdheid bij ingrijpende gebeurtenissen en de taak van de rijksrecherche. De taak van de rijksrecherche is het doen van onderzoek in het kader van een disciplinair of strafrechtelijk onderzoek. Het onderzoek van de inspectie bij ingrijpende gebeurtenissen staat in het kader van de ministeriële verantwoordelijkheid voor de politie in het algemeen. Naar ons oordeel is de scheidslijn tussen beide onderzoeksbevoegdheden voldoende helder. Overigens is niet duidelijk waarom de Raad deze opmerking beperkt tot de onderzoeksbevoegdheid genoemd in artikel 53a, derde lid. De bevoegdheid genoemd in 53a, eerste lid, onder c, heeft eveneens betrekking op onderzoek naar ingrijpende gebeurtenissen.

7. In het voorgestelde artikel 53a, vierde lid, van de Politiewet 1993 worden aan de ambtenaren, die door de ministers zijn aangewezen en die belast zijn met werkzaamheden, die in het kader van het eerste lid worden uitgevoerd, de bevoegdheden toegekend, die zijn neergelegd in de artikelen 5:12 tot en met 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht. Het komt de Raad voor dat niet al deze bevoegdheden, waaronder die om zich de toegang tot woningen te verschaffen met behulp van de sterke arm, om monsters te nemen en om vervoermiddelen te onderzoeken, nodig zijn voor alle werkzaamheden, die worden uitgevoerd in het kader van het eerste lid van dit artikel.

Het college geeft dan ook in overweging de hier toe te kennen bevoegdheden te beperken tot hetgeen noodzakelijk is en die noodzaak in de toelichting te motiveren.

7. De Raad geeft in overweging niet alle bevoegdheden die in de artikelen 5:12 tot en met 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht zijn neergelegd, toe te kennen aan de ambtenaren die door Onze Minister van Binnenlandse Zaken op grond van artikel 53a, vierde lid, worden aangewezen. Aangezien bijvoorbeeld de inhoud van de onderzoeken naar ingrijpende gebeurtenissen zich niet goed laat voorspellen, menen wij dat het wenselijk is vast te houden aan het wetsvoorstel. Wij voorzien overigens geen problemen, omdat bij het gebruik van deze bevoegdheden uiteraard voldaan moet worden aan de eisen van het recht. Wij hebben de memorie van toelichting met het vorenstaande aangevuld.

8. In artikel II, onderdeel A, wordt voorgesteld om in artikel 9, vierde lid, van de LSOP-wet de elementen «benoemd» en «ontslagen» uit te breiden met de elementen «bevorderd» en «geschorst». Dat geschiedt volgens de toelichting bij dit artikel om de redactie van dit artikellid in overeenstemming te brengen met gelijksoortige bepalingen in de Politiewet 1993. De Raad beveelt aan van deze gelegenheid gebruik te maken om niet alleen hier, maar in alle desbetreffende bepalingen van beide wetten zoveel mogelijk dezelfde elementen op te nemen.

8. Artikel II, onderdeel A, strekt ertoe de reactie van artikel 9, vierde lid, van de LSOP-wet in overeenstemming te brengen met gelijksoortige bepalingen in de Politiewet 1993. Wij menen met de Raad dat het wenselijk is niet alleen hier, maar in alle desbetreffende bepalingen van beide genoemde wetten zoveel mogelijk dezelfde elementen op te nemen. Deze aanpassingen zullen evenwel worden meegenomen met de aanpassing van genoemde wetten aan de voorstellen op het gebied van de rechtspositie van het politiepersoneel die zijn aangekondigd in de nota «De Politiewet 1993; een eerste beoordeling».

9. Met betrekking tot de voorgestelde wijzigingen van artikel 2, derde lid, onder b, van de Wet persoonsregistraties (WPR) en van artikel 2 van de Wet politieregisters (artikelen VII en VIIIA), merkt de Raad het volgende op. In de memorie van toelichting bij de Wet politieregisters (kamerstukken II 1985/86, 19 589, nr.3, blz.2, onder B) is impliciet als uitgangspunt genomen dat persoonsregistraties in eerste instantie onder het regime van de WPR vallen. Pas wanneer aan bijzondere kenmerken wordt voldaan vallen deze registraties onder de Wet politieregisters. Gelet op dit uitgangspunt adviseert de Raad in de memorie van toelichting te motiveren waarom verzamelingen van persoonsgegevens ten behoeve van de in artikel 1, eerste lid, onder 1, sub g, van de Politiewet 1993 onder 1° en 2° genoemde «taken ten dienste van de justitie» wel en die ten behoeve van de onder 3° genoemde taak niet onder de WPR vallen.

9. Naar aanleiding van de opmerking van de Raad ten aanzien van de voorgestelde wijziging van artikel 2, derde lid, onder b, van de Wet persoonsregistraties en van artikel 2 van de Wet politieregisters is in de memorie van toelichting ingegaan op de vraag waarom verzamelingen van persoonsgegevens ten aanzien van de taken ten dienste van de justitie in het ene geval onder de werkingssfeer van de ene wet en in het andere geval van de andere wet moeten vallen. Dit verschil hangt samen met een in de praktijk gegroeide situatie, die deels te verklaren is uit het gegeven dat ook andere overheidsdiensten zijn belast met de uitvoering van bepaalde taken ten dienste van de justitie.

10. In de toelichting op artikel VIII, onderdeel B, wordt opgemerkt dat in artikel 15, eerste lid, onder b, van de Wet politieregisters «om wille van de duidelijkheid» wordt bepaald dat de burgemeester niet alleen in verband met de zeggenschap over de politie de beschikking kan krijgen over gegevens uit politieregisters, maar ook in het kader van zijn algemene, in de Gemeentewet neergelegde taak de openbare orde te handhaven.

De Raad heeft geen bezwaar tegen de voorgestelde aanvulling van artikel 15, eerste lid, onder b, maar merkt wel op dat het hier niet slechts gaat om een verduidelijking, maar om een uitbreiding van de verstrekkingsgronden, die geen grondslag kan vinden in enige andere regeling dan de onderhavige wet zelf. De Raad adviseert zulks in de memorie van toelichting tot uitdrukking te brengen.

10. Overeenkomstig het advies van de Raad is in de artikelsgewijze toelichting een passage opgenomen, die ingaat op de voorgestelde wijziging van artikel 15, eerste lid, onder b, van de Wet Politieregisters. Voor een goede uitoefening van de algemene, in de Gemeentewet neergelegde taak van de burgemeester om de openbare orde te handhaven, is het noodzakelijk dat de burgemeester acht kan slaan op de gegevens uit politieregisters.

11. Voor enkele redactionele kanttekeningen verwijst het college naar de bij het advies behorende bijlage.

11. De redactionele kanttekeningen van de Raad zijn verwerkt in het wetsvoorstel en de memorie van toelichting met uitzondering van de eerste gedachtestreep. Wij menen dat de terminologie die wordt gehanteerd in artikel I, onderdeel E, beter past binnen de systematiek van de Politiewet 1993. Het gaat immers om de aan het beheer gerelateerde bevoegdheden. Met betrekking tot de tweede gedachtestreep merken wij op dat naar aanleiding van het advies van de Raad in het opschrift van Hoofdstuk VIII niet meer wordt gesproken over «inspectie», maar over: inspectiefunctie.

12. Van de gelegenheid is gebruik gemaakt de memorie van toelichting te actualiseren en een kleine technische aanpassing in artikel 53c aan te brengen.

De Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.

De Vice-President van de Raad van State,

W. Scholten

Ik moge U, mede namens mijn ambtgenoten van Binnenlandse Zaken en van Defensie, verzoeken het hierbij gevoegde gewijzigde voorstel van wet en de gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, te zenden.

De Minister van Justitie,

W. Sorgdrager

Bijlage bij het advies van de Raad van State van 3 december 1996, no. W03.96.0344, met redactionele kanttekeningen die de Raad in overweging geeft.

Artikelen.

– Artikel I, onderdeel E: «is belast met het beheer van de ambtenaren van politie» wijzigen in: is beheersmatig verantwoordelijk voor de ambtenaren van politie.

– In Artikel I, onderdeel G, «Beheersbevoegdheden op rijksniveau, inspectie en kwaliteitszorg», wanneer uit de artikelen 53a tot en met 53c niet blijkt dat het om een inspectie gaat, vervangen door: Beheersbevoegdheden en kwaliteitszorg op rijksniveau.

– Artikel I, onderdeel I: in artikel 53a, vierde lid, de nummering van de artikelen van de Algemene wet bestuursrecht actualiseren.

– Artikel I, onderdeel J: Borsele niet vervangen door: Borssele.

– Artikel IV, onderdeel J: in de leden van artikel 566 van het Wetboek van Strafvordering de juiste nummering aanbrengen.

Memorie van toelichting.

– In paragraaf I.3 de vindplaats van het model Nederlandse kwaliteit vermelden en de afkorting PIOV verklaren.

– In de toelichting op Artikel I, onderdeel C, vermelden dat als het gaat om personen ondergebracht in een penitentiaire inrichting, de ambtenaren die zijn belast met hun vervoer, de bevoegdheid tot het gebruik van onder andere geweld ontlenen aan de artikelen 15 en 35 van de Penitentiaire beginselenwet.

– «Kamerstukken» vervangen door: kamerstukken (aanwijzing 219 van de Aanwijzingen voor de regelgeving).

– In de toelichting op Artikel VIII, vijfde regel «te herstellen» vervangen door: op te heffen.

– In de toelichting op Artikel VIII, onderdeel B, vermelden dat artikel 15 van de Wet politieregisters vóór de invoering van de Politiewet 1993 bepaalde dat aan leden van het openbaar ministerie gegevens werden verstrekt uit een politieregister, voorzover zij deze nodig hadden voor de uitoefening van hun taak.


XNoot
1

De tekst van het voorstel van wet en van de memorie van toelichting zoals voorgelegd aan de Raad van State is ter inzage gelegd bij de afdeling Parlementaire Documentatie.

Naar boven