Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2019-202025295 nr. 424

25 295 Infectieziektenbestrijding

Nr. 424 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 16 juni 2020

De uitbraak van COVID-19 heeft tot een flinke toename in de vraag naar desinfectiemiddelen geleid, waardoor tekorten dreigden. Door middel van deze brief wil ik uw Kamer informeren over de maatregelen die ik genomen heb om het aanbod van desinfectiemiddelen in korte tijd te kunnen vergroten. Daarbij lag de focus eerst vooral op het verzekeren van voldoende middelen voor de zorgsector. Recent heb ik twee vrijstellingsbesluiten vastgesteld die het risico wegnemen dat een gebrek aan desinfectiemiddelen een belemmering zou gaan vormen voor het hervatten van economische en maatschappelijke activiteiten in andere sectoren. Graag benadruk ik hierbij dat het betrokken bedrijfsleven, met name de producenten verenigd in de branchevereniging NVZ, hier een onmisbare bijdrage aan hebben geleverd en nog leveren, door de met de vrijstellingen geboden ruimte ook optimaal te benutten.

Ten slotte wil ik ook in deze brief nogmaals benadrukken dat reinigen met water en zeep de basis vormt van een goede hygiëne en dat onnodig gebruik van desinfectiemiddelen onwenselijk is.

Wetgevend kader desinfectiemiddelen

Desinfectiemiddelen zijn biociden, een groep van producten die schadelijke of onwenselijke organismen vernietigen, weren, onschadelijk maken of de effecten ervan voorkomen. Het op de markt brengen en het gebruik van biociden is gereguleerd via de Europese Biocidenverordening (Verordening (EU) 528/2012) en de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden.

Een biocide wordt alleen toegelaten tot de Nederlandse markt als de toepassing geen onaanvaardbare risico’s oplevert voor mens, dier of het milieu én afdoende werkzaam is. De werkzame stoffen worden Europees beoordeeld. In Nederland is het College voor de toelating van Gewasbeschermingsmiddelen en Biociden (Ctgb) verantwoordelijk voor de beoordeling en de toelating van biociden.

Omdat de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat daarin stelselverantwoordelijk is, kan ik in noodsituaties een vrijstelling verlenen waarmee biociden, tijdelijk en onder strikte voorwaarden, zonder een reguliere toelating geproduceerd, verkocht en gebruikt mogen worden. Hierdoor is het mogelijk om in uitzonderlijke situaties, zoals de recente uitbraak van COVID-19, snel en accuraat te reageren.

Vrijstellingen in het kader van uitbraak COVID-19

Vanwege de uitbraak van COVID-19 konden er in Nederland onvoldoende regulier toegelaten desinfectiemiddelen aangeboden worden om aan de toegenomen vraag te voldoen. Om het beschikbare middelenpakket tijdelijk te vergroten zijn er verschillende vrijstellingen afgegeven (zie bijlage voor een overzicht daarvan).

Bij het verlenen van de vrijstellingen heb ik de volgende uitgangspunten gehanteerd:

  • Een vrijstelling voor desinfectiemiddelen wordt alleen afgegeven als de noodzaak daartoe aannemelijk is gemaakt, en wordt generiek geformuleerd, zodat er met iedere vrijstelling een groot volume middelen beschikbaar komt en geen bevoordeling plaats vindt van individuele bedrijven;

  • Een vrijstelling mag niet ten koste gaan van de beschikbaarheid van middelen voor de zorgsector. Het bedienen van de zorgsector staat in deze crisis centraal en mag niet in het gedrang komen;

  • Er worden geen extra middelen voor consumenten beschikbaar gesteld omdat daar het gebruik van water en zeep afdoende is;

  • Vrijgestelde middelen moeten betrouwbaar (werkzaam) en veilig te gebruiken zijn, waartoe ik mij laat adviseren door het Ctgb en het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM);

  • De besluiten zijn handhaafbaar, omdat – juist nu er buiten de begaande paden wordt getreden – er risico’s kunnen ontstaan; daartoe laat ik mij adviseren door de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT). Waar nodig worden hier andere inspectiediensten door de ILT bij betrokken.

Met de eerste vrijstelling zijn handdesinfectiemiddelen beschikbaar gesteld die al als veilig waren beoordeeld voor de bestrijding van bacteriën en gisten, maar nog niet voor de bestrijding van dit type virussen. Met de tweede en derde vrijstelling zijn niet-toegelaten formuleringen voor handdesinfectiemiddelen, zoals voorgesteld door onder andere de World Health Organization (WHO), vrijgesteld. Met het vierde besluit zijn toegelaten middelen zonder virusclaim vrijgesteld voor een toepassing tegen het coronavirus op harde oppervlakken. Met de vijfde vrijstelling is het voor producenten eenvoudiger geworden om hun producten op de markt te brengen, bijvoorbeeld door grootverpakkingen of andere productielocaties te gebruiken.

Op verzoek van de Minister van VWS is besloten om de professionele zorg prioriteit te geven. De eerste vijf vrijstellingen zijn dus in eerste instantie alleen verleend voor toepassing in de zorgsector. Begin april zijn in het zesde besluit de vrijstellingen aangepast zodat ook de farmaceutische industrie over de vrijgestelde desinfectiemiddelen kon beschikken. Recentelijk is met het zevende besluit een aantal vrijstellingen voor handdesinfectiemiddelen verder uitgebreid voor gebruik in een bedrijfs- of beroepsmatige omgeving in de overige sectoren. Met het achtste – en vooralsnog laatste – besluit zijn niet-toegelaten handdesinfectiemiddelen op basis van minimaal 70% alcoholen tijdelijk vrijgesteld voor alle sectoren. Bij alle vrijstellingen is het leveren aan de consumentenmarkt dus uitgesloten.

Al deze besluiten zijn het resultaat van een nauwe samenwerking met het Ministerie van VWS, het RIVM, het Ctgb, de ILT en de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA). Mede dankzij deze vrijstellingen en de inzet van de producenten en leveranciers, zijn de tekorten van desinfectiemiddelen in de zorg en in andere vitale sectoren snel en veilig wegenomen of in ieder geval tot een minimum beperkt gebleven.

Generieke vrijstellingen

In overleg met het Ministerie van VWS heb ik ervoor gekozen geen vrijstellingen voor afzonderlijke middelen op te stellen, maar om de vrijstellingen zó te formuleren zodat in één besluit meerdere middelen werden vrijgesteld. Hierdoor zijn er snel grote volumes desinfectiemiddelen beschikbaar gekomen. Dit heeft er wel toe geleid dat sommige (lokale of specifieke) initiatieven niet zijn vrijgesteld. Alle goede intenties ten spijt, moet ik, als stelselverantwoordelijke, erop kunnen vertrouwen dat desinfectiemiddelen werkzaam en veilig zijn. Normaliter wordt dit ondervangen door een uitgebreide toelatingsprocedure en beoordeling door het Ctgb. In dit geval van nood is daar veel minder tijd voor en kan er alleen een verkorte en versnelde beoordeling worden uitgevoerd. Het afzonderlijk beoordelen en vrijstellen van specifieke middelen had niet snel genoeg de benodigde extra middelen beschikbaar kunnen stellen. Nu er met de generieke vrijstellingen voldoende middelen beschikbaar zijn, zullen alle overige, afzonderlijke, aanvragen tot vrijstelling zo snel mogelijk worden afgehandeld.

Alle vrijstellingen zijn tijdelijk. Bedrijven die de Nederlandse markt willen blijven bedienen, zullen dus via de reguliere toelatingsprocedure een toelating voor hun producten aan moeten vragen bij het Ctgb.

Handhaving

Handhaving is een belangrijk middel om de risico’s te beperken. De ILT controleert samen met de NVWA de handel in desinfectiemiddelen en de daartoe verleende vrijstellingen. De ILT richt zich primair op bedrijven die desinfectiemiddelen aanbieden aan de professionele gebruiker/sectoren en de NVWA op bedrijven die leveren aan de consumentenmarkt. Hiervoor vindt regelmatig afstemming plaats.

In één geval heb ik de ILT een aanwijzing gegeven, die ertoe strekt tijdelijk niet te handhaven op een overtreding van artikel 95 van de Europese biocidenverordening. Producenten kunnen hun werkzame stoffen tijdelijk afnemen bij een leverancier die niet geregistreerd staat op de artikel 95 lijst van ECHA. Ik heb u daarover eerder geïnformeerd.1

Zowel de inzet van de ILT als de NVWA op het handhaven op desinfectiemiddelen is de laatste maanden vergroot. De focus van ILT ligt op het zoveel mogelijk waarborgen van de kwaliteit van de producten en de veiligheid bij de productie van de desinfectiemiddelen. De ILT probeert onder andere aan de hand van (verplichte) meldingen een zo compleet mogelijk beeld te krijgen van de producten die worden aangeboden en van bedrijven die werken onder de vrijstellingen.

Hygiëne

Deze periode is het belang van goede hygiëne sterk naar voren gekomen. Desinfectiemiddelen zijn daar een klein onderdeel van. De basis van hygiëne is het gebruik van water en zeep. In de meeste situaties zijn water en zeep voldoende, en in veel gevallen zelfs beter, om ziekteverwekkers zoals het coronavirus onschadelijk te maken. Want bij het gebruik van water en zeep verwijder je die ziekteverwekkers door afspoeling, ook bij vieze handen en oppervlakken.

Als uitzondering daarop worden, in aanvulling op reinigen met water en zeep, desinfectiemiddelen gebruikt op plekken waar heel veel ziekteverwekkers voorkomen en waar mensen kwetsbaar zijn, zoals in ziekenhuizen of in situaties waarbij water en zeep langere tijd niet beschikbaar zijn. Het is dan wel essentieel dat er alleen toegelaten middelen worden gebruikt en dat de gebruiksaanwijzingen nauwkeurig worden opgevolgd. Alleen dan kan worden gegarandeerd dat de middelen werkzaam en veilig zijn.

Onnodig en onzorgvuldig gebruik van desinfectiemiddelen kan leiden tot het ontstaan van resistentie tegen deze middelen. Bovendien kunnen desinfectiemiddelen bij verkeerd gebruik schadelijk zijn voor het milieu en voor de mens. De Gezondheidsraad heeft hier op verzoek van VWS ook een advies over uitgebracht dat op 22 december 2016 aan uw kamer is aangeboden door de Minister van VWS*.

Ik begrijp waarom in de huidige situatie al snel zekerheidshalve desinfectiemiddelen worden gebruikt, maar het is zaak om onnodige inzet van desinfectiemiddelen te vermijden en de hygiëneregels van het RIVM te volgen. Daar wordt ook vanuit de branchevereniging3 en de overheid op gewezen. Op de website van het RIVM staan algemene hygiënevoorschriften en is er ook een pagina specifiek over hygiëne en COVID-194.

Tot slot

Ik ben onder de indruk van de inzet en hulpvaardigheid van alle reguliere en tijdelijke producenten van desinfectiemiddelen. Tegelijkertijd gelden de vrijstellingen als tijdelijke noodmaatregel en moeten we gaan werken aan een normalisering, waarin alleen regulier toegelaten desinfectiemiddelen op de markt worden aangeboden die alleen gebruikt worden wanneer het echt nodig is. Ik ben hierover samen met de betrokkenen in gesprek, om ervoor te zorgen dat ook op de lange termijn voldoende desinfectiemiddelen beschikbaar zijn.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, S. van Veldhoven-van der Meer