25 264
Regels voor de niet-openbare arbeidsbemiddeling en het ter beschikking stellen van arbeidskrachten (Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs)

nr. 4
VERSLAG

Vastgesteld 30 mei 1997

De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid1, belast met het voorbereidend onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen van haar bevindingen. Onder het voorbehoud dat de hierin gestelde vragen en gemaakte opmerkingen genoegzaam zullen zijn beantwoord, acht de commissie de openbare beraadslaging over dit voorstel van wet voldoende voorbereid.

ALGEMEEN

1. Inleiding

De leden van de PvdA-fractie kunnen in grote lijnen instemmen met de strekking van dit wetsvoorstel. Mede in relatie met het op blz. 6 en 8 van de memorie van toelichting opgemerkte ten aanzien van verdrag nr. 96 van de International Labour Organisation (ILO) vragen deze leden de regering of de zienswijze dat de Nederlandse wetgeving (nog steeds) in overeenstemming is met het verdrag ook gedeeld wordt door de ILO.

De leden van de CDA-fractie hebben met grote belangstelling kennisgenomen van onderhavige wetsvoorstel. De regering zou eerst volledig op eigen kracht de zaak regelen. Toen dat niet lukte is de Stichting van de Arbeid om advies gevraagd. De Stichting heeft op veel punten een baanbrekend compromis gesloten. Deze leden waarderen het zeer dat de regering de voorstellen van de Stichting van de Arbeid bijna volledig heeft overgenomen.

De FNV en de ABU hebben verschillend gereageerd op de positie van het uitzendwezen. Cruciaal daarbij is de vraag welke CAO voorrang heeft de CAO voor het uitzendwezen of de CAO van de inlener. Op dit punt zouden de leden van de CDA-fractie graag een principiële beschouwing van de regering vernemen. Deze leden hebben zelf de neiging voorrang te geven aan de CAO voor het uitzendwezen.

De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van dit wetsvoorstel. Deze leden vinden het positief dat het vergunningensysteem voor uitzendarbeid kan komen te vervallen. Op grond van ILO-verdrag nr. 96 dient de arbeidsbemiddeling vergunningplichtig te blijven, en dit contract loopt tot het jaar 2002. Voorts worden overigens, nu reeds via andere wetten, geldende regelingen opgenomen in deze nieuwe wet. Voor een meer algemene reactie op de nieuwe regelingen voor flexibilisering van de arbeidsmarkt verwijzen deze leden naar hun inbreng inzake wetsvoorstel 25 263 (Flexibiliteit en zekerheid).

Allereerst vragen de leden van de VVD-fractie zich af waarom een nieuwe wet nodig is. Is het niet mogelijk om andere bestaande wetten te wijzigen, zoals het Burgerlijk Wetboek (BW) en de Arbeidsvoorzieningswet. De aan het woord zijnde leden zouden die lijn prefereren boven deze nieuwe wet. Immers er wordt een zekere deregulering beoogd, en dan lijkt een extra nieuwe wet op zijn minst onlogisch.

De leden van de D66-fractie hebben met instemming op hoofdlijnen kennisgenomen van onderhavige wetsvoorstel. Dit voorliggende wetsvoorstel houdt nauw verband met het wetsvoorstel Flexibiliteit en zekerheid (25 263) en moet hiermee dan ook in samenhang worden gelezen.

Ook de in dit wetsvoorstel opgenomen voorstellen van wijzigingen zijn vrijwel geheel overgenomen uit het akkoord over flexibiliteit en zekerheid dat de Stichting van de Arbeid vorig jaar bereikte. De Stichting adviseerde onder meer over de rechtspositie van arbeidskrachten op flexibele contracten, waaronder uitzendkrachten en stelde dat wanneer deze op verbetering van de rechtspositie gerichte voorstellen zijn ingevoerd, het vereiste van een vergunning voor het ter beschikking stellen van arbeidskrachten alsmede de daarmee verbonden maximum-termijn voor het uitzenden van een arbeidskracht kunnen vervallen. De regering heeft dit advies overgenomen en is bij de opzet van dit wetsvoorstel uitgegaan van de wenselijkheid van een zo vergaand mogelijke deregulering. Wat aan de private sector kan worden overgelaten, valt buiten de bemoeienis van de overheid. Alleen daar waar basisniveaus van bescherming en ordening in het geding zijn, ligt er een taak voor de overheid. Dit geldt voor arbeidsbemiddeling omdat de verdragsverplichting (ILO-verdrag nr. 96) dit nog vereist, en voor het ter beschikking stellen van arbeidskrachten omdat de regering van oordeel is dat het belang van goede verhoudingen op de arbeidsmarkt alsmede het belang van een correcte incasso van loonbelasting en sociale premies een zekere specifieke ordening wenselijk maken. De leden van de D66-fractie kunnen zich op deze hoofdlijnen van dit wetsvoorstel goed vinden.

Een ander argument om het huidige stelsel te herzien is dat regulering van de intermediairs beperkingen oplegt aan de marktwerking. De markt van intermediairs kent thans een toetredingsdrempel en de activiteiten van de toegelaten dienstverleners zijn nauwkeurig gereglementeerd. Een laatste, belangrijk argument voor de regering is dat zij het onjuist acht regels in stand te houden die niet of slechts tegen enorme kosten, te controleren en te handhaven zijn. Ook deze argumenten worden door de leden van de D66-fractie volledig onderschreven.

De leden van de fractie van GroenLinks hebben met belangstelling kennisgenomen van dit wetsvoorstel. Het voorstel valt eigenlijk in twee delen uiteen. Het eerste deel betreft de liberalisering van de regelgeving rond arbeidsbemiddeling en het tweede deel wordt gevormd door een wijziging van de regelgeving met betrekking tot het ter beschikking stellen van arbeidskrachten. Beide functies kunnen in de praktijk in elkaar overlopen. Zo kan een bedrijf onder het mom van het ter beschikking stellen van arbeidskrachten feitelijk aan bemiddeling doen. Onderkent de regering dat en zo ja, in hoeverre voorziet het wetsvoorstel in een duidelijk en voor alle betrokkenen kenbaar onderscheid?

De leden van de SGP-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel en de daarbij behorende toelichting. Zij constateren dat de regels met betrekking tot de niet-openbare arbeidsbemiddeling met het voorliggende wetsvoorstel uit de sfeer van de Arbeidsvoorzieningswet 1996 wordt gehaald en in een aparte regeling wordt ondergebracht. Deze leden kunnen het waarderen dat er ten aanzien van de intermediairs een afzonderlijke regeling wordt getroffen. Naar hun oordeel komt dit ten goede aan de helderheid van de wetgeving ten aanzien van arbeidsbemiddeling in het algemeen en de niet-openbare arbeidsbemiddeling in het bijzonder. Dit neemt niet weg dat er naar aanleiding van dit voorstel bij de leden van de SGP-fractie enige vragen zijn gerezen, die zij gaarne aan de regering zouden willen voorleggen.

De leden van de GPV-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het onderhavige wetsvoorstel. Ze zijn met de regering van mening dat onderhavig wetsvoorstel niet los kan worden gezien van het wetsvoorstel Flexibiliteit en zekerheid (kamerstuk 25 263). Volgens deze leden is het laten vervallen van het vergunningvereiste voor het beschikbaar stellen van arbeidskrachten alleen verdedigbaar als tegelijkertijd de rechtspositie van deze arbeidskrachten wordt verbeterd. Is de aanvaarding van het wetsvoorstel Flexibiliteit en Zekerheid voor de regering een voorwaarde voor de invoering van het onderhavige wetsvoorstel?

De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel. Zij constateren dat de regering de bemiddeling en het ter beschikking stellen van arbeidskrachten heeft onderworpen aan de inmiddels van haar bekende uitgangspunten: terugtredende overheid, marktwerking en deregulering.

Die toets leidt wat betreft de bemiddeling tot handhaving van het vergunningensysteem en wat betreft het verstrekken van arbeidskrachten tot afschaffing van het vergunningsysteem en tot opheffing van de maximumduur van 6 maanden.

De leden van de SP-fractie betreuren het opheffen van de controle van overheidswege op het uitzendwezen. Het wetsvoorstel betekent op dit onderdeel dat «iedereen» een uitzendbureau kan beginnen.

Nu is het aantal uitzendkrachten in de achterliggende jaren sterk gestegen. Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft vorig jaar cijfers bekendgemaakt over het aantal uitzendkrachten in ons land. Dit ligt op 3%. Waarschijnlijk zal dit percentage nog stijgen doordat de Wet uitbreiding loondoorbetalingsplicht bij ziekte (Wulbz) uitnodigt tot het inschakelen van uitzendkrachten. Onderschrijft de regering dit laatste? Zijn haar nieuwe cijfers bekend?

De leden van de SP-fractie stellen voorts vast dat met name onder uitzendkrachten veel bedrijfsongevallen voorkomen.

Dit alles brengt hen tot de conclusie dat er ook thans voldoende redenen zijn de bemoeienis van de overheid met het uitzendwezen te handhaven. In de memorie van toelichting merkt de regering weliswaar op dat het toezicht niet of nauwelijks werd uitgeoefend en dat het effectueren van het toezicht hoge kosten met zich brengt, de leden van de SP-fractie stellen daartegenover dat het ontbreken van een effectieve overheidscontrole ook zijn kosten heeft. Te denken valt hierbij aan de kosten verbonden aan de vele bedrijfsongevallen (Ziektewet (ZW), Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), schadeclaims). Zij vernemen graag de visie van de regering hierop.

De leden van de SP-fractie willen ook nog wijzen op een ander aspect. De rechtspositie van de uitzendkracht is (nog) niet goed geregeld. Met name het opheffen van de maximumtermijn van 6 maanden vergemakkelijkt het werkgevers om uitzendkrachten aan te trekken, maar ook om onder de bepalingen van het arbeidsrecht uit te komen, in het bijzonder het aangaan van een normale arbeidsovereenkomst. De door de regering inmiddels bij de Kamer ingediende voorstellen tot aanpassing van het arbeidsrecht (flexibiliteit en zekerheid) maken het werkgevers nog gemakkelijker om uitzendkrachten aan te trekken voor langere duur, en houden voor de werknemer anderzijds in dat hij nog langer als uitzendkracht moet werken. Zij zouden graag een reactie van de regering vernemen op dit punt.

Nu zegt de regering in de memorie van toelichting dat 90% van het uitzendwerk eindigt binnen de huidige maximumduur. Dit zegt naar de mening van de leden van de SP-fractie nog niet hoe de verhouding komt te liggen als juist de maximumduur wordt opgeheven. Wil de regering daarop reageren?

2. Achtergronden van het wetsvoorstel

De leden van de PvdA-fractie onderschrijven in algemene zin dat in de verdeling van de verantwoordelijkheden tussen het publieke domein en het private domein de overheid zich dient te beperken tot haar kerntaken. Waar echter opgemerkt wordt dat in de vigerende regulering van de intermediairs op de arbeidsmarkt elementen schuilen die de regering thans niet meer tot het publieke domein zou reken, krijgen deze leden graag de voorbeelden die de regering hier meent te moeten hanteren. Dit vooral om met de regering in dit wetsvoorstel de taken van de overheid goed te kunnen vaststellen.

Ten aanzien van de passage in de memorie van toelichting over de omstandigheid dat de regulering van de intermediairs beperkingen oplegt aan de marktwerking, hebben de leden van de fractie van de PvdA graag een nadere verduidelijking. Allereerst waarin zich die beperking tot nu toe dan geuit heeft. Verder denken zij waar te hebben genomen dat de markt voor uitzendkrachten en intermediairs in de afgelopen tientallen jaren enorm gestegen is. Wat wordt bedoeld als geschreven staat dat «door deze rigiditeiten de kans bestaat dat er geen optimaal werkende markt voor allocatieve diensten tot stand komt».

De leden van de PvdA-fractie onderschrijven de (derde) reden van de regering inhoudende dat het onjuist is regels in stand te houden die niet of slechts tegen aanzienlijke kosten, te controleren en te handhaven zijn. Is het niet zo dat de gegroeide praktijk en daarmee de werkelijkheid de regelgeving op dit punt ingehaald heeft en dat daarmee vastgesteld kan worden dat een gedoogbeleid ten aanzien van vigerende regelgeving soms in de praktijk van alle dag tot nieuwe beter te handhaven regelgeving kan leiden?

Deze leden vinden dit wetsvoorstel geen voorbeeld van deregulering, maar wensen het uitgangspunt te hanteren dat niet op voorhand minder regels beter zijn, maar dat nodige en uitvoerbare regels gesteld moeten worden.

De leden van de VVD-fractie merken op dat de vergunningplicht voor uitzendarbeid mede vanwege handhavingsproblemen wordt afgeschaft. Hebben deze handhavingsproblemen tot ongewenste situaties geleid?. Zo ja, welke? Zo nee, dan is de term uitvoeringsprobleem wel enigszins merkwaardig. Zullen er overigens bij deze wet geen handhavingsproblemen optreden?

De leden van de RPF-fractie merken op dat de regering van oordeel is dat de vigerende regulering van intermediairs niet meer van deze tijd is, omdat in die regulering elementen schuilen die zij thans niet meer tot het publiek domein zou rekenen. Deze leden verzoeken de regering deze stelling nader te onderbouwen en expliciet aan te geven om welke elementen het gaat.

Een andere reden om de bestaande regelgeving te herzien betreft de handhavingsproblemen. Is het de bedoeling dat onder de werking van de nieuwe wet meer werk zal worden gemaakt van controle en handhaving?

De leden van de SGP-fractie constateren dat de regering in de memorie van toelichting met zoveel woorden de noodzaak van het voorliggende wetsvoorstel heeft aangegeven. Een van de argumenten luidt dat de regulering van intermediairs dusdanig belemmerend kan werken dat er kans bestaat op een niet-optimaal werkende markt voor allocatieve diensten. Daarvan gaat een nadelige invloed uit op het geheel van de arbeidsmarkt en dus op de werkgelegenheid. De aan het woord zijnde leden zouden deze veronderstelling van de regering gaarne met feiten onderbouwd zien. Kan de regering aantonen, dat de tot nu toe bestaande regulering inderdaad een nadelige invloed heeft uitgeoefend op de arbeidsmarkt? Welke omstandigheden leiden ertoe dat dit in de toekomst het geval zou kunnen zijn? Is de regering ervan overtuigd, dat het bieden van meer ruimte aan marktwerking bij allocatieve diensten garant staat voor een positieve impuls op het werkgelegenheidsbeleid? Naar de mening van de leden van de SGP-fractie wordt aan de veronderstelde meerwaarde van marktwerking ten opzichte van de bestaande structuur te weinig aandacht besteed. Dit dringt naar hun oordeel te meer, omdat een van de zwaarwegende argumenten van de zijde van de regering om tot het onderhavige wetsvoorstel te komen juist was het belemmerende karakter van de bestaande regulering van intermediairs. Gaarne zien zij dan ook op dit punt een beschouwing van de regering tegemoet.

De leden van de SGP-fractie tonen zich verbaasd over het standpunt van de regering, dat regels die niet of slechts tegen aanzienlijke kosten te controleren en te handhaven zijn niet in stand moeten worden gehouden. Zij hopen in elk geval dat dit geen algemeen uitgangspunt van regeringsbeleid zal worden. Indien dat wel zo is, zien deze leden op termijn nog veel meer regelingen verdwijnen, waarvan de wenselijkheid echter onbetwist is. In dit verband vragen zij de regering aan te geven hoe de precieze kosten-baten analyse met betrekking tot de bestaande regelgeving, die kennelijk tot het bedoelde standpunt heeft geleid, eruit heeft gezien. Voorts nemen de aan het woord zijnde leden aan dat een systeem ongeloofwaardigheid inboet, indien handhaving daarvan ten enenmale ontbreekt. Wat zijn de oorzaken van een kennelijk gebrekkige handhaving? Waarom spreekt de regering zich niet uit over een intensivering van de controle en handhaving? Tot welke resultaten zal dat leiden? Zullen bijvoorbeeld de inspanningen van extra controle en scherpere handhaving wel opwegen tegen de daaruit voortvloeiende baten? Deze elementen missen de leden van de SGP-fractie node in de afwegingen van de regering. Daarom nodigen zij de regering uit in de beantwoording hieraan aandacht te besteden.

3. Resterend/nieuw systeem van ordening

De leden van de PvdA-fractie hebben graag een nadere verduidelijking van de passage over het (mogelijk?) opzeggen van het ILO-verdrag 96 tegen 2002.

Het handhaven van artikel 85, tweede lid, onder b, van de Arbeidsvoorzieningswet 1990 met betrekking tot het verbod om bemiddeling te verlenen tot het plaatsen van een werkzoekende in een bedrijf waar een collectief arbeidsconflict heerst, heeft grote instemming van deze leden.

Eveneens steunen zij de regering bij de beslissing om het verbod tot het vragen van een vergoeding aan een werkzoekende te handhaven.

De aan het woord zijnde leden willen weten of bij de door het Centraal Bestuur van de Arbeidsvoorziening nader te stellen regels nog andere voorbeelden te geven zijn dan genoemd in artikel 5, derde lid.

De leden van de fractie van de PvdA zijn het eens met het handhaven van het vergunningenstelsel voor de sector kunsten, amusement en beroepssport. Wel vragen zij zich af hoe het toezicht op het handhaven van deze regels wordt geregeld. Wordt er een evaluatie van het handhaven van deze regels voorzien als de regering schrijft dat als op een later tijdstip mocht blijken dat het vergunningenstelsel in deze sector niet langer nodig of effectief is. Wanneer komt de hier genoemde algemene maatregel van bestuur en is de regering bereid deze voor te hangen.

Met betrekking tot de loonverhoudingsnorm wordt door de FNV en de ABU (brieven van respectievelijk 14 en 24 april) nogal verschillend gedacht over de mogelijke toepassing van artikel 8 van dit wetsvoorstel. Het lijkt de leden van de PvdA-fractie goed als de regering ingaat op de hier aan de orde zijnde meningsverschillen.

Deze leden stemmen in met het voornemen van de regering om voor de bouwnijverheid vooralsnog een overgangsregeling te treffen. De regering handhaaft echter de eerder in de nota flexibiliteit en zekerheid (kamerstuk 24 543) vastgelegde datum van beëindiging van 1 januari 1998. Deze leden vragen de regering of niet beter aangesloten kan worden bij de «Randvoorwaarden experiment uitzendarbeid afbouw- en afwerksector», zoals door CAO-partners is overeengekomen. Zij vinden dat ook beter in overeenstemming met de op 26 oktober 1996 aangenomen motie-Van Nieuwenhoven/Van Rooy (24 543, nr. 6).

De leden van de VVD-fractie constateren dat de regering voorstelt dat de vergunningplicht voor particuliere arbeidsbemiddeling uitsluitend wordt gehandhaafd zo lang de ILO-verdrag Nederland daartoe verplicht. Deze leden vragen zich daarom af waarom de betreffende artikelen dan niet in looptijd worden begrensd tot het jaar 2002, anders moet te zijner tijd de wet weer worden gewijzigd. Overigens komt ook de vraag op waarom het ILO-verdrag nr. 96 niet per direct kan worden opgezegd, dan wel een creatieve interpretatie wordt gekozen. Dit laatste is van belang omdat de regering dit blijkbaar wel doet ten aanzien van een ook internationale plicht om uitzendarbeid aan een vergunning te binden. Zie ook de memorie van toelichting op blz. 8 onder paragraaf 3.2. Zou door een wat creatievere interpretatie ook de vergunningplicht voor arbeidsbemiddeling niet reeds nu kunnen worden afgeschaft? Welke budgetten vallen de komende jaren (tot aan 2000) bij de Regionaal Directeur Arbeidsvoorzieningsorganisatie (RDA) vrij vanwege de voorgenomen deregulering?

De leden van de VVD-fractie vragen zich, evenals bij wetsvoorstel 25 263 (Flexibiliteit en zekerheid), af in hoeverre de definities inzake arbeidsbemiddeling en ter beschikking stellen van arbeidskrachten voldoende duidelijk en rechtvaardig zijn. Bij arbeidsbemiddeling wordt ook betrokken de dienstverlening bij het tot stand komen van andere overeenkomsten dan een arbeidsovereenkomst. Dat betekent dat ook het bemiddelen voor «freelancers» hieronder valt, in elk geval voor de willekeurig ogende opsomming van sectoren genoemd onder artikel 1, vierde lid, en waarvoor zelfs nog nadere regels kunnen gelden conform artikel 4. Wil de regering voor artikel 4, voor zover die gehandhaafd zou worden, een voorhangprocedure toezeggen? Een zelfde probleem doet zich voor bij ter beschikking stellen van arbeidskrachten. De omschrijving in artikel 1, onder e, is volgens de leden van de VVD-fractie weer ruimer dan in wetsvoorstel 25 263 gehanteerd als het gaat om uitzendarbeid. Ook in art. 15 en 16 wordt weer een andere definitie van de uitlener gegeven. De VVD bepleit grotere duidelijkheid op dit punt en beperking van de regeling tot «echte» arbeidsovereenkomsten en een ruime interpretatie als het gaat om ter beschikking stellen van arbeidskrachten.

Voorts is de vraag van de VVD-fractie, ook gelet op de samenhang met wetsontwerp 25 263, of voldoende eenduidig is geregeld wie werkgever is van ter beschikking te stellen arbeidskrachten. Immers, ten aanzien van de CAO is het tamelijk tweeslachtig geregeld (in artikel 8), terwijl de verantwoordelijkheid voor afdracht belasting en sociale premies, zoals nu ook reeds het geval, volledig bij de inlener licht. Daarnaast speelt voor deze leden een rol dat de sector er blijkbaar vanuit gaat dat er een algemeen verbindend verklaring voor de uitzend-CAO komt. In dat geval wordt niet gedereguleerd, maar wordt de vergunningplicht slechts vervangen door een algemeen geldende CAO. Daar voelen de leden van de VVD-fractie niet voor. Zij krijgen daarom graag de toezegging van de regering dat de uitzend-CAO in elk geval niet algemeen verbindend zal worden verklaard.

De aan het woord zijnde leden vragen nog aandacht voor het verbod om de kosten van arbeidsbemiddeling al of niet gedeeltelijk te verhalen op de arbeidskracht die werk zoekt. Mede gelet op het advies van de Sociaal-Economische Raad (SER) om dit verbod op te heffen, verzoeken zij de regering om de voor- en nadelen nog eens aan te geven. Komt dit verschijnsel overigens niet reeds voor? Zou een experimenteer-artikel op dit punt zinvol kunnen zijn?

De leden van de D66-fractie merken op dat het verbod om bemiddeling te verlenen tot het plaatsen van een werkzoekende in een bedrijf waar een collectief arbeidsconflict heerst, gehandhaafd blijft. De regering neemt het advies van de SER en de Stichting van de Arbeid hiermee over. Deze leden scharen zich achter dit standpunt.

In navolging van het SER-advies handhaaft de regering het verbod om aan een werkzoekende een tarief voor verleende arbeidsbemiddeling in rekening te brengen. De SER wil de mogelijkheid van ontheffing van dit verbod openen. De regering handhaaft vooralsnog het verbod. Zou zij desalniettemin nog eens willen ingaan op deze mogelijkheid tot ontheffing?

De leden van de D66-fractie komen in dit verband op de volgende afweging. Aan de ene kant bestaat de mogelijkheid dat de arbeidsparticipatie door ontheffing van dit verbod wordt vergroot; het zal intermediairs stimuleren actiever te gaan zoeken naar geschikte vacatures. Aan de andere kant zou de ongelijkheid tussen werkzoekenden in kansen bij het zoeken van werk kunnen toenemen. Hoewel ook veel te zeggen valt voor een ontheffing op dit verbod, menen deze leden vooralsnog het regeringsstandpunt te moeten steunen. Het argument dat ongelijkheid tussen werkzoekenden in kansen bij het zoeken van een baan zal optreden, is ook voor deze leden het meest zwaarwegende argument.

De bevoegdheid van het CBA om gedragsregels voor de vergunningplichtige dienstverleners vast te stellen, vervalt. De leden van de D66-fractie zijn het hiermee eens. Met de regering achten deze leden het niet passend dat de verordenende bevoegdheid van het CBA betrekking zou hebben op dezelfde materie als in de Arbeidsvoorzieningswet. De materie die het CBA door middel van nadere regels kan ordenen, dient uitsluitend betrekking te hebben op het functioneren van het vergunningensysteem als zodanig. Essentiële gedragsnormen voor vergunninghouders horen in deze nieuwe situatie niet via de verordenende bevoegdheid van het CBA te worden vastgelegd, maar in de wet zelf: onderkruipersverbod, loonverhoudingsnorm.

Met betrekking tot het ter beschikking stellen van arbeidskrachten acht de regering zich niet gebonden aan een uit internationaal recht volgende verplichting van een vergunningensysteem. De regering acht geen reden meer aanwezig om de ondernemers die deze dienst op de arbeidsmarkt aanbieden aan een vergunningvereiste te onderwerpen. De leden van de D66-fractie hebben reeds aangegeven dit standpunt van de regering te delen.

De inlenersaansprakelijkheid is een belangrijke bouwsteen van het beleid inzake fraude en blijft dan ook als beginsel gehandhaafd. Inleners-aansprakelijkheid houdt in de aansprakelijkheid van degene die gebruik maakt van aan hem ter beschikking gestelde arbeidskrachten. Onder de huidige regeling kan de inlener zich van deze aansprakelijkheid bevrijden door te voldoen aan twee voorwaarden: hij moet het inlenen melden aan zijn bedrijfsvereniging en hij moet de arbeidskrachten alleen betrekken van een houder van een vergunning. Als aan beide voorwaarden is voldaan, vervalt de aansprakelijkheid. In het onderhavige wetsvoorstel vervalt de vergunning en daarmee blijft slechts de eerste voorwaarde voor vrijwaring staan. De regering onderkent dat er wel behoefte is aan een instrument waarmee het bedrijfsleven dat van ingeleende arbeidskrachten gebruik maakt, de aan het inlenen verbonden aansprakelijkheid hanteerbaar kan maken. Daarom opent dit wetsvoorstel de mogelijkheid dat de inlener gebruik kan maken van een speciale geblokkeerde rekening (g-rekening), in grote lijnen overeenkomend met het gebruik van de g-rekening door de bonafide aannemer in de ketenaansprakelijkheid. Anders dan bij de ketenaansprakelijkheid het geval is, zal in het kader van de inlenersaansprakelijkheid het zogenoemde doorstorten niet geoorloofd zijn. De inlener zal zijn aansprakelijkheidsrisico kunnen afdekken overeenkomstig de nieuwe regeling voor vrijwarende stortingen op g-rekeningen. Deze regeling moet zoveel mogelijk aansluiten op de regeling van de ketenaansprakelijkheid. Dit om te voorkomen dat ondernemers er in de toekomst nog belang bij kunnen hebben inlening van arbeidskrachten voor te stellen als aanneming van werk en omgekeerd. Door dit belang weg te nemen, kan een belangrijk aantal geschillen, waarvan de afdoening een zware uitvoeringslast en een zware last voor de rechterlijke macht oplevert, voortaan worden voorkomen.

In geval doorlening van arbeidskrachten plaatsvindt, is zowel de doorlener, als degene die personeel inleent van een doorlener, eveneens als inlener aansprakelijk op dezelfde wijze als geldt voor het normale geval van inlening annex uitlening. Dus in die gevallen dat uitlening geschiedt door de werkgever van de desbetreffende arbeidskracht en de inlener de hem ter beschikking gestelde arbeidskrachten daadwerkelijk onder zijn toezicht of leiding te werk stelt. Deze gelijkstelling is gerechtvaardigd en noodzakelijk om fraude op loonbelasting en sociale-premiegebied, alsmede met betrekking tot de in verband met de terbeschikkingstelling van arbeidskrachten verschuldigde omzetbelasting, te voorkomen. De leden van de D66-fractie kunnen zich vinden in het standpunt van de regering op dit punt. Immers, degene die feitelijk beschikt over arbeidskrachten dient aansprakelijk te worden gehouden voor de voldoening van de loonbelasting- en premieverplichtingen die corresponderen met die feitelijke beschikkingsmacht. De inlener die op uitzendbasis arbeidskrachten inleent van doorleners kunnen niet op dezelfde wijze gebruik maken als degene die rechtstreeks arbeidskrachten inleent van hun werkgever, van het g-rekeningsstelsel en dat het zogenaamde doorstorten in het kader van de inlenersaansprakelijkheid niet geoorloofd zal zijn.

Evenals bij de particuliere arbeidsbemiddeling wil de regering gehoor geven aan het unanieme pleidooi van de SER en van de Stichting van de Arbeid om het verbod om arbeidskrachten ter beschikking te stellen van arbeidskrachten in de wet op te nemen. De regering heeft een naar de mening de leden van de D66-fractie zorgvuldige afweging gemaakt die door deze leden worden ondersteund.

Thans is in de door het CBA vastgestelde regeling voor het ter beschikking stellen van arbeidskrachten een systeem vastgelegd betreffende de verhouding tussen de lonen van de ingeleende arbeidskrachten en die van de vergelijkbare eigen werknemers in dienst van het inlenende bedrijf. Met andere woorden, behalve wanneer in een CAO anders is bepaald, dient de ter beschikking gestelde arbeidskracht overeenkomstige lonen en overige vergoedingen te ontvangen als de werknemers van de inlener die in gelijke of gelijkwaardige functie werkzaam zijn. Het vervult dus in het buitengebied van de CAO's een vangnetfunctie. De Stichting heeft unaniem bepleit deze regel te handhaven. Hoewel een wetsbepaling omtrent de verhoudingen in de beloning niet lijkt te passen in de huidige opvattingen over de verdeling van verantwoordelijkheden tussen het privaat domein en het publiek domein. Niettemin heeft de regering oog voor de verstorende werking op het loonpeil en op de arbeidsverhoudingen welke kan uitgaan als uitzendkrachten een ander loon ontvangen. Vandaar de opneming in de wet van bepaling omtrent de loonverhouding.

De leden van de D66-fractie horen graag de mening van de regering omtrent het verschil in standpunten over artikel 8 inzake het loonverhoudingsvoorschrift en de algemeen verbindendverklaring van cao-bepalingen in inleen-CAO's, zoals deze duidelijk worden gemaakt in de commentaren van de FNV en de ABU.

Een deel van de SER adviseert om voor het ter beschikking stellen van arbeidskrachten in de wet de mogelijkheid op te nemen om bij algemene maatregel van bestuur ten aanzien van een bepaalde sector een verbod of een speciaal regime voor het ter beschikking stellen van arbeidskrachten vast te stellen. De Stichting van de Arbeid heeft deze gedachte unaniem overgenomen. Ook de regering acht deze mogelijkheid gewenst. Er kunnen situaties optreden waarin een dermate sterke onevenwichtigheid bestaat tussen vraag en aanbod dat de werkzoekenden in te grote mate afhankelijk worden van de intermediair, of als er daadwerkelijk misstanden optreden, als in bijzondere omstandigheden de gebruikelijke handhavingsmechanismen tekort schiet, acht de regering de mogelijkheid om in te grijpen noodzakelijk. Het instellen van een specifiek regime veroorzaakt een verandering in de normaal geldende regulering en is daarom slechts gerechtvaardigd bij (dreiging van) ernstige schade aan de goede verhoudingen op de arbeidsmarkt of aan het belang der betrokken arbeidskrachten. De leden van de D66-fractie onderstrepen de afweging van de regering dat dit voorgestelde specifieke regime slechts gerechtvaardigd is bij (dreiging van) ernstige schade aan de verhoudingen op de arbeidsmarkt of aan het belang van de betrokken arbeidskrachten. Deze leden achten het een goede zaak dat dit expliciet in de memorie van toelichting is opgenomen.

Dit wetsvoorstel opent de mogelijkheid om (bij dreiging van een ernstige situatie als hierboven beschreven) bij algemene maatregel van bestuur voor bepaalde sectoren of segmenten van de arbeidsmarkt, hetzij regels worden gesteld die dan zullen gelden voor het ter beschikking stellen van arbeidskrachten in bedoelde sector of segment, hetzij het ter beschikking stellen arbeidskrachten aan een vergunning van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Het zwaardere middel van (partiële) vergunningplicht zal eerst ingezet worden als dit onvoldoende corrigerend effect heeft. De leden van de D66-fractie kunnen hiermee instemmen.

Voor de bouwnijverheid wordt een overgangsregeling getroffen: in deze sector is het ter beschikking stellen van arbeidskrachten sinds 1970 verboden geweest. De overgangsregeling zal gelden tot 1 januari 1998. De FNV bepleit in haar commentaar op dit wetsvoorstel voor een overgangsregeling tot 1 mei 1998. Als argument voert zij aan dat thans in onderdelen van de bouwnijverheid op basis van overeenstemming tussen de CAO-partijen experimenten met terbeschikkingstelling ten uitvoer worden gebracht die tot 1 mei volgend jaar lopen. Hoewel de leden van de D66-fractie zich scharen achter het regeringsstandpunt, namelijk dat de overgangsregeling zal gelden tot 1 januari 1998, vernemen zij graag een reactie op dit punt.

Ten aanzien van het voorstel terzake arbeidsbemiddeling wensen de leden van de fractie van GroenLinks de volgende opmerkingen te maken.

Zij achten het – zoals zij eerder al bij de behandeling van het wetsvoorstel Arbeidsvoorzieningsorganisatie 1996 hebben betoogd – een goede zaak dat de monopoliepositie van Arbeidsvoorziening op het terrein van de arbeidsbemiddeling wordt doorbroken. Het toelaten van meer aanbieders op deze markt kan bevorderlijk werken op de efficiëntie van bemiddeling. Idealiter zouden uitkerende instanties als uitvoeringsinstellingen en gemeentelijke sociale diensten de mogelijkheden moeten krijgen bemiddelingscontracten aan te gaan ten behoeve van hun cliënten met de marktpartij met de beste prijs/kwaliteitsverhouding. Ook voor individuele werkzoekenden en werkgevers kan doorbreking van het monopolie van Arbeidsvoorziening gunstig uitpakken. In dat verband heeft het de leden van de fractie van GroenLInks enigszins verbaasd dat het CBA voor de Arbeidsvoorziening beslist over toelating van nieuwe marktpartijen. In feite laat men de voormalige monopolist beslissen over toelating van concurrentie. Wat is achter deze keuze precies de afweging geweest?

Het wetsvoorstel onderwerpt bedrijven die zich op de markt van arbeidsbemiddeling richten aan een vergunningplicht. Dat is terecht tegen de achtergrond van ILO-verdrag nr. 96. In het verleden is wel gesuggereerd, zo lezen de leden van deze fractie op blz. 18 van het SER-advies 94/07, dat de ILO zelf inmiddels minder gelukkig was met dit verdrag. Zijn er op dit punt sindsdien nog nieuwe ontwikkelingen te melden?

In verband met de vergunningplicht rijst verder de vraag wat de draagwijdte is van het begrip arbeidsbemiddeling. Door de FNV is aandacht gevraagd voor de activiteiten van bureaus die via internet tegen betaling van de werkzoekenden, met name artiesten, gegevens publiceren. Vallen deze activiteiten volgens de regering onder het begrip arbeidsbemiddeling?

Voorts heeft de FNV er – naar de mening van de leden van de fractie van GroenLinks terecht – de aandacht voor gevraagd dat de ge- en verbodsnormen in verband met arbeidsbemiddeling zich slechts richten tot bemiddelaars met vergunning. Wat betekent dat voor een werkzoekende die geld heeft betaald aan een bemiddelaar zonder vergunning? Heeft deze een vorderingsrecht en zo ja, op basis van welke bepaling? Een zelfde vraag betreft de situatie waarin een bemiddelaar zonder vergunning de andere bepalingen in artikel 3 overtreedt. Is de regering van mening dat aan overeenkomst tussen een werkzoekende en een bemiddelaar zonder vergunning nietig is?

De vergunninghouder verleent zijn diensten gelijkelijk aan alle personen die tot de categorie behoren die hij bemiddelt, aldus het wetsvoorstel. Dit roept bij de leden van de fractie van GroenLinks de vraag op naar de relatie met de Algemene wet gelijke behandeling en met artikel 1 van de Grondwet. Mag een vergunninghouder zich bijvoorbeeld louter op allochtone werkzoekenden of herintredende vrouwen richten? In hoeverre mag een vergunninghouder zich bij het verrichten van zijn diensten extra inspannen voor de bemiddeling van werkzoekenden met een handicap? En in hoeverre is hij daartoe gedwongen? Mag een bemiddelaar een contract aangaan met bijvoorbeeld een uitvoeringsinstelling voor de bemiddeling van een groep personen met een bepaald kenmerk, bijvoorbeeld mensen van een bepaalde leeftijdsgroep?

Vervolgens willen de leden van de fractie van GroenLinks enkele opmerkingen plaatsen en de nodige vragen stellen over de voorstellen terzake het ter beschikking stellen van arbeidskrachten. Hier vervalt de vergunningplicht voor intermediairs. De regering heeft hiervoor gekozen ondanks het feit dat een meerderheid in de SER een duidelijke voorkeur had voor handhaving van het vergunningstelsel. Deze leden zijn van mening dat dat deel van de SER dat op goede gronden deed. Niet voor niets werden in het verleden zo'n 30% van de aanvragen voor een vergunning geweigerd of ingetrokken. Het vergunningstelsel heeft in de praktijk kennelijk gefungeerd als een dam tegen malafide praktijken van koppelbazen. Weliswaar voorziet het wetsvoorstel in een hoofdelijke aansprakelijkheid van de inlener waar het gaat om de verschuldigde premies en belastingen, een dergelijke aansprakelijkheid geldt niet ten aanzien van het netto loon van de uitgeleende arbeidskracht. Deze kan derhalve gemakkelijker dan thans de dupe worden van een malafide, insolvente of failliete intermediair, al dan niet mede ten koste van de Werkloosheidswet, waaruit mogelijkerwijze een deel van de loonbetalingsplicht wordt overgenomen. De regering geeft in de memorie van toelichting eigenlijk niet duidelijk aan waarom zij het meerderheidsadvies van de SER niet volgt. Weliswaar stelt de regering dat het wegnemen van belemmeringen de marktwerking kan vergroten en daardoor de werkgelegenheid gunstig kan beïnvloeden, doch aan deze redenering kan getwijfeld worden. De uitzendbranche is nu al buitengewoon divers samengesteld en floreert als geen andere branche. Van eventuele rigiditeiten lijkt deze sector in de praktijk geen enkele hinder te ondervinden. Ook de SER was duidelijk sceptisch over het vermeende werkgelegenheidseffect van het liberaliseren van het uitzendwezen. Kan de regering alsnog haar keuze voor het loslaten van het vergunningvereiste motiveren? In hoeverre acht de regering een repressieve aanpak van malafide bedrijven eigenlijk effectief mogelijk? Zal een repressief toezicht mogelijk niet meer tijd en energie kosten dan een preventieve toetsing?

In de paragraaf over het ter beschikking stellen van arbeidskrachten ontbreekt de bepaling dat de intermediair alle personen die hij bemiddelt gelijk behandelt. Is dat een bewuste keuze en zo ja, waarom is er aan een dergelijke regeling in het uitzendwezen geen behoefte? Waren niet in het verleden juist de vaak evidente gevallen van ongelijke behandeling in het uitzendwezen een erkend probleem? In hoeverre zal in de toekomst aan dit probleem voldoende het hoofd geboden kunnen worden middels een «gentlemen's agreement» of protocol in de branche?

Een volgende opmerking betreft de loonverhoudingsnorm. In de praktijk valt wel eens te beluisteren dat uitzendarbeid goedkoper is dan reguliere arbeid omdat voor uitzendkrachten geen bijdrage verschuldigd zou zijn voor «goede doelen» in de CAO van de inlener, bijvoorbeeld de bijdrage voor een O&O-fonds. Vallen deze bijdrage of opslagen in de ogen van de regering onder deze loonverhoudingsnorm. Valt verder onder het begrip «loon en overige vergoedingen» ook bijvoorbeeld medeverzekering in een collectieve polis terzake pensioen, WAO-of ANW-gat of VUT-bijdrage?

Een vraag die zowel arbeidsbemiddeling als het ter beschikking stellen van arbeidskrachten betreft, is die naar de inhoud van het toezicht. Het wetsvoorstel en de memorie van toelichting zijn op dat punt uiterst summier. Waar de arbeidsinspectie zich de laatste jaren niet buitengewoon actief heeft betoond in het toezicht op de huidige wettelijke bepalingen, wensen de leden van de GroenLinks-fractie graag meer duidelijkheid over het beleid dat de regering in de toekomst op dit punt voornemens is te voeren. Valt een raming te geven van de menskracht die het toezicht zal gaan vergen?

Verder leeft bij de leden van de fractie van GroenLinks nog de vraag naar de wenselijkheid van opname van een bepaling ter voorkoming van belemmeringen ten aanzien van mobiliteit. Een meerderheid van de SER drong daar indertijd nog op aan. De leden van deze fractie missen in de toelichting een uiteenzetting van de regering over de (on)wenselijkheid van dergelijke bepalingen. Kan de regering daar alsnog op ingaan?

De leden van de RPF-fractie hebben kennisgenomen van de interpretatieverschillen over de zogenaamde loonverhoudingsnorm en over de algemeen verbindendverklaring van bepaalde CAO-bepalingen. Zij zouden het op prijs stellen als de regering zich hierover wil uitspreken. Kan duidelijk worden aangegeven of de uitzend-CAO op het punt van beloning en andere arbeidsvoorwaarden moet wijken voor inleen-CAO's?

Deze leden informeren of het inderdaad de bedoeling is dat de overgangsregeling voor de bouwnijverheid zal gelden tot 1 januari 1998.

De leden van de SGP-fractie zouden gaarne met betrekking tot het zogeheten onderkruipersverbod een meer algemene beschouwing van de regering zien over de verhouding tussen het stakingsrecht van de werknemers aan de ene zijde – hetgeen de leden van de SGP-fractie overigens altijd betwist hebben – en de rechten van de werkgever aan de andere zijde. Deze leden willen graag overeind houden dat het enerzijds de verantwoordelijkheid van de werknemers is om te bepalen welke middelen adequaat geacht worden om de positie in een arbeidsconflict te markeren, maar tegelijk anderzijds de verantwoordelijkheid en bevoegdheid van de werkgever van welke middelen deze gebruik wenst te maken om nadelige gevolgen die uit een dergelijk arbeidsconflict voortvloeien te minimaliseren. De regering zal dit beamen. Deze leden zouden om die reden gaarne toegelicht zien op welke wijze de stakingsvrijheid door het afschaffen van het onderkruipersverbod wordt geschaad. Daarbij dient naar hun mening aandacht te worden besteed aan de afweging van de belangen van werkgever en werknemers in een arbeidsconflict en de mate waarin het hen vrij staat daarin instrumenten te kiezen, die de machtspositie van partijen in een dergelijk conflict beïnvloeden. Bovendien kunnen de leden van de SGP-fractie niet inzien waarom het ter beschikking stellen van arbeidskrachten in de situatie van een arbeidsconflict de arbeidsverhoudingen verder verslechtert dan die al zijn. Is het daarbij waarschijnlijk dat een werkgever snel zal overgaan tot het aantrekken van tijdelijke arbeid in het geval van een arbeidsconflict? Naar het oordeel van de aan het woord zijnde leden zou hem in ieder geval niet die mogelijkheid ontnomen moeten worden.

De leden van de GPV-fractie vragen of zij het goed begrijpen dat de specifieke regulering voor arbeidsbemiddeling wordt gehandhaafd zolang het ILO-verdrag nr. 96 van kracht is. Betekent dit dat de regering van mening is dat moet worden bevorderd dat in 2002 dit verdrag wordt opgezegd?

De leden van de GPV-fractie lezen in de toelichting dat een belangrijke overweging voor het voorliggende wetsvoorstel is, dat momenteel veel elementen in de huidige regelgeving door de regering niet meer tot het publieke domein worden gerekend. Maar een collectief arbeidsconflict, een conflict tussen werknemers en werkgevers, lijkt de regering echter wel tot zijn domein te rekenen. Is dit nu juist niet een private aangelegenheid waarin de overheid, tenzij er sprake is van een bedreiging van het algemeen belang, afzijdig behoort te blijven?

Deze leden constateren dat het verbod tot het ter beschikking stellen van arbeidskrachten in dit wetsvoorstel wordt gecontinueerd. Ze vinden dit merkwaardig. In de toelichting valt te lezen dat door het ter beschikking stellen van arbeidskrachten het verloop van een collectief arbeidsconflict wordt beïnvloed. Maar het kan ook worden omgedraaid: door een verbod wordt het arbeidsconflict beïnvloed. Het verbod zorgt immers voor een grotere effectiviteit van het stakingswapen. Moeten deze leden de uitleg van de regering zo verstaan dat arbeidsconflicten door de overheid mogen worden beïnvloed als dat maar ten goede komt aan de arbeidsverhoudingen?

Tevens vragen deze leden van de GPV-fractie of, als gevolg van het verbod op het ter beschikking stellen van arbeidskrachten, het contract met een uitzendkracht dat tijdens een collectief arbeidscontract afloopt niet mag worden verlengd.

De leden van de SP-fractie vinden het positief dat in het wetsvoorstel het onderkruipersverbod is opgenomen. Met de FNV zijn zij van mening dat in de motivering van dit verbod te weinig doorklinkt dat wij in Nederland nog steeds een stakingsrecht hebben, en dat dit niet ondergraven mag worden door het ingeval van een staking via de zijdeur binnenhalen van uitzendkrachten. Onderschrijft de regering dit punt?

De leden van de SP-fractie wijzen voorts op het bestaan van een uitzendverbod in de bouwnijverheid, de scheepvaart en het vervoer. In de bouw wordt op dit moment echter al met uitzendkrachten geëxperimenteerd, en wel tot 1 mei 1998. Wil dit zeggen dat voor de bouwnijverheid een uitzondering in de wet zal worden gemaakt, nu deze toch per 1 januari 1998 in werking zal treden?

In haar commentaar op het wetsvoorstel vermeldt de FNV dat, ondanks het verbod in de scheepvaart, er toch enkele uitzendvergunningen blijken te zijn afgegeven. Is de regering desondanks van plan dit verbod te handhaven? Wat is de reactie van de regering op het standpunt van de FNV die zich waar het de scheepvaart betreft, wil blijven beroepen op artikel 396 Wetboek van Koophandel?

4. Niet terugkerende punten van regulering

De leden van de D66-fractie merken op dat de maximumtermijn als instrument om vast werk te beschermen slechts een zeer beperkte functie heeft. Allerlei maatschappelijke ontwikkelingen en ontwikkelingen op het gebied van de arbeidsmarkt bevestigen het feit dat er behoefte bestaat aan een langer durende terbeschikkingstelling van arbeidskrachten.

Een deel van de SER heeft bepleit om in het geval dat de maximumtermijn zou komen te vervallen en een rechtsvermoeden op te nemen dat voor de ter beschikking gestelde die langer dan 6 maanden bij dezelfde inlener werkzaam is een arbeidsovereenkomst tussen de ter beschikking gestelde en degene die ter beschikking stelt ontstaat. Voorts adviseert dit deel van de Raad wettelijk te bepalen dat slechts bij CAO van de loondoorbetalingsplicht mag worden afgeweken. Beide voorstellen zijn door de regering overgenomen en uitgewerkt in de nota Flexibiliteit en zekerheid. Hierin wordt voorgesteld om in het Burgerlijk Wetboek (BW) een (weerlegbaar) rechtsvermoeden op te nemen, inhoudende dat degene die gedurende drie maanden voor een ander arbeid verricht, vermoed wordt met die ander een arbeidsovereenkomst te hebben gesloten.

De regering neemt het advies van de Stichting van de Arbeid over. In het BW zal worden vastgelegd dat de uitzendovereenkomst een species van de arbeidsovereenkomst is. Daarbij zal gedurende de eerste 26 weken, waarin arbeid is verricht, de arbeidsovereenkomst beëindigd kunnen worden door beëindiging van de opdracht door de inlener. Daarna gelden de algemene regels voor het beëindigen van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd.

Voorts zal het risico van loondoorbetaling na 6 maanden slechts bij CAO kunnen worden uitgesloten. Het vervallen van de tijdelijkheidseis voor het ter beschikking stellen van arbeidskrachten is hiermee alleszins aanvaardbaar. De leden van de D66-fractie zijn het hiermee eens.

Tot slot, merken de leden van de D66-fractie het volgende op. In het voorliggende wetsvoorstel is in onmiddellijke inwerkingtreding voorzien, inclusief de daarbij intredende gevolgen krachtens de ketenbepalingen voor contracten voor bepaalde tijd. Een en ander zou kunnen betekenen dat op dat moment onbedoeld veel uitzendovereenkomsten een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd worden. Als dit inderdaad de consequentie is, dringen de leden van de D66-fractie aan op een overgangsregeling die deze gevolgen voor lopende uitzendovereenkomsten voorkomt.

5. Effecten van het wetsvoorstel

De leden van de fractie van de PvdA willen nadere toelichting op het mogelijk nadere beroep op de Arbeidsinspectie met betrekking tot het verrichten van onderzoek. Wie geeft bijvoorbeeld opdracht tot het onderzoek en wat kan de aanleiding voor onderzoek zijn?

Tot slot vragen de leden van de fractie van de PvdA vragen ten aanzien van de brief van VNO/NCW van 25 april jl. of de daarin opgemerkt consequentie met betrekking tot het overgaan van mogelijke lopende overeenkomsten voor bepaalde tijd, onbedoeld overgaan in arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd inderdaad een overgangsregeling behoeven.

ARTIKELEN

Artikel 2

De leden van de VVD-fractie vragen of er op dit moment andere wettelijk geregelde arbeidsbemiddelingen zijn dan via de RDA? Dreigt er in internationaal opzicht geen verschil tussen landen, in die zin dat buitenlandse bedrijven in Nederland meer mogen dan omgekeerd?

Artikel 3

De leden van de VVD-fractie vragen hoe de regering hetgeen in het derde lid wordt bepaald denkt te handhaven.

De leden van de RPF-fractie vragen of het niet wenselijk is dat de in dit artikel genoemde voorschriften ook gelden voor degenen die zonder vergunning arbeidsbemiddeling verrichten.

Artikel 8

De leden van de D66-fractie merken op dat in de memorie van toelichting een opsomming wordt gegeven van elementen die betrokken zijn bij de uitleg van het loonverhoudingsvoorschrift. In die opsomming staat, naast reiskosten, koffiegeld en dergelijke. Ook pensioenkosten wordt vermeld. Naar de mening van deze leden betreft dit een type- of zetfout en is hier sprake van «pensionkosten». Gezien de wijze waarop het loonverhoudingsvoorschrift altijd is gehanteerd gaan deze leden ervan uit dat hier bedoeld is «pensionkosten». De leden van de D66-fractie vragen de regering of hier inderdaad sprake moet zijn van «pensionkosten».

Artikel 10

De leden van de VVD-fractie vragen of de regering kan garanderen dat hier niet meer wordt gevraagd dan de Europese Richtlijn nr. 91/383/EG bij creatieve interpretatie vereist.

Artikel 11

De leden van de VVD-fractie vragen of opneming van dit artikel nodig is. Verwacht de regering dit artikel binnen afzienbare tijd toe te passen? Zo ja, graag ontvangen zij dan voorbeelden. Zo nee, wil de regering een voorhangprocedure toezeggen?

Artikel 12

De leden van de SP-fractie constateren dat dit artikel bepaalt dat de minister aan de arbeidskracht, de ondernemingsraad, de werkgever, werkgevers- en werknemersorganisaties mededeling doet als blijkt dat de bepalingen van de wet niet worden nageleefd. Kan de regering uiteenzetten wat onder de nieuwe wet het toezicht gaat inhouden? Hoe en hoe vaak gebeurt dat? Kunnen omgekeerd bij de minister klachten over niet-naleving worden ingediend? Zo ja, door wie?

Artikel 13

De leden van de VVD-fractie merken op dat de artikelgewijze toelichting het artikel in dezelfde bewoordingen herhaalt en dat een toelichting ontbreekt. Waarom moet in woningen binnengetreden kunnen worden en bijvoorbeeld niet in bedrijven, en aan welke apparatuur moet worden gedacht?

De leden van de GroenLinks-fractie constateren dat op grond van artikel 13 toezichthouders een woning kunnen binnentreden zonder toestemming van de bewoner. Heeft de regering overwogen om deze bevoegdheid te beperken tot die gevallen waarin een redelijk vermoeden bestaat van overtreding van deze wet en zo ja, waarom heeft zij die beperking niet in de tekst van het wetsvoorstel opgenomen?

Artikelen 15 en 16

De leden van de VVD-fractie hebben de wel zeer uitvoerige en onleesbare tekst tot zich proberen te nemen. De simpele vraag komt slechts op, hoe begrijpelijk de aanleiding van deze regeling ook is, of niet een eenvoudiger regeling mogelijk is. Waarom kunnen bedrijven niet aan hun eigen verplichtingen voldoen? En hoe kan een inlener weten of hij met een bonafide uitlener te doen heeft, voor het geval hij niet één van de marktleiders kiest?

Artikel 21

Welke overgangsproblemen doen zich bij invoering van deze wet voor de betrokken partijen, vragen de leden van de VVD-fractie. Kan dit nog eens overzichtelijk worden aangegeven?

De voorzitter van de commissie,

Wolters

De waarnemend griffier van de commissie,

Nava


XNoot
1

Samenstelling: Leden: Van Nieuwenhoven (PvdA), Doelman-Pel (CDA), Biesheuvel (CDA), Vliegenthart (PvdA), ondervoorzitter, De Jong (CDA), voorzitter, Scheltema-de Nie (D66), Van Middelkoop (GPV), Schimmel (D66), Rosenmöller (GroenLinks), Van Zijl (PvdA), Bijleveld-Schouten (CDA), Middel (PvdA), Van Hoof (VVD), Noorman-den Uyl (PvdA), Van Nieuwenhoven (PvdA), Adelmund (PvdA), Dankers (CDA), Giskes (D66), Marijnissen (SP), Essers (VVD), Van der Stoel (VVD), Van Dijke (RPF), Bakker (D66), Klein Molekamp (VVD), Van Blerck-Woerdman (VVD) en R. A. Meijer (Groep Nijpels).

Plv. leden: Oudkerk (PvdA), Soutendijk-van Appeldoorn (CDA), Th. A. M. Meijer (CDA), Sterk (PvdA), Terpstra (CDA), Van Rooy (CDA), Van der Vlies (SGP), Fermina (D66), Rabbae (GroenLinks), Van der Ploeg (PvdA), Wolters (CDA), Dijksma (PvdA), M. M. H. Kamp (VVD), Kalsbeek-Jasperse (PvdA), Oudkerk (PvdA), Apostolou (PvdA), Ten Hoopen (CDA), Van Boxtel (D66), vacature CD, J. M. de Vries (VVD), B. M. de Vries (VVD), Leerkes (U55+), Van Vliet (D66), Hofstra (VVD), Hoogervorst (VVD), Nijpels-Hezemans (Groep Nijpels).

Naar boven