Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal1996-199725255-(R1586) nr. 6

25 255 (R 1586)
Wijziging van de schepenwet in verband met de totstandkoming van de Wet Havenstaatcontrole

nr. 6
VERSLAG VAN DE STATEN VAN ARUBA

Vastgesteld 3 september 1997

De behandeling van het onderhavige Voorstel van Rijkswet heeft zijdens de Staten aanleiding gegeven tot het formuleren van de volgende bedenkingen.

De gedachte achter een rijkswet is eenheid van wetgeving binnen het Rijk. De drie partners hebben eenzelfde regelgeving als leiddraad en richten zich daar ook naar.

Aruba als jongste land binnen het koninkrijk is nu doende nieuwe wetten en regelgeving te creëren op verschillende gebieden waar zowel Nederland als de Nederlandse Antillen een langere traditie hebben. Zo wordt momenteel op ambtelijk niveau voor Aruba een Arubaans Zeebrievenbesluit opgesteld. Merkwaardig voor dit besluit is het feit dat voor Aruba de Gouverneur het bevoegd gezag is om zeebrieven te ondertekenen terwijl dat in de Nederlandse Antillen en Nederland een minister is. Het kan weliswaar een nieuwe regeling betreffen die voorheen niet voor Aruba bestond, maar dat houdt niet in dat bij de totstandkoming deze nieuwe regeling voor Aruba een andere procedure gevolgd wordt en andere criteria gelden; dit vooral bezien in het kader van regelingen die reeds langere tijd in Nederland of de Nederlandse Antillen bestaan.

De Staten zijn dan ook de mening toegedaan dat het in strijd is met het gelijkwaardigheidsprincipe om verschillende instanties tot bevoegd gezag aan te wijzen ter behartiging van gelijksoortige onderwerpen binnen het Koninkrijk. Het is daarom dat de Staten opmerken dat het gelijkwaardigheidsprincipe zonder uitzondering over de gehele linie dient te worden toegepast zodat logischerwijs in het geval van de zeebrieven de betrokken minister, net zoals in de Nederlandse Antillen en Nederland, het bevoegd gezag dient te zijn.

Dit verslag geldt als Eindverslag.

Aldus vastgesteld in de vergadering van de Centrale Commissie van de 1ste september 1997.

De Rapporteur,

M. V. Christiaans