Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum ontvangst
Tweede Kamer der Staten-Generaal1996-199725254 nr. 6

25 254
Regels betreffende het toezicht aan boord van schepen onder buitenlandse vlag in Nederlandse havens op de naleving van internationale voorschriften op het gebied van de veiligheid, voorkoming van verontreiniging en leef- en werkomstandigheden (Wet havenstaatcontrole)

nr. 6
NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 10 juni 1997

Het voorstel van wet wordt gewijzigd als volgt:

Na artikel 36 wordt een nieuw artikel 36a ingevoegd, luidende:

Artikel 36a

Deze wet wordt,

– indien de wet van 20 juni 1996 tot aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht (Derde tranche Algemene wet bestuursrecht) (Stb. 333), in werking treedt voordat deze wet in werking treedt, met ingang van het tijdstip waarop deze wet in werking treedt, dan wel,

– indien de wet van 20 juni 1996 tot aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht (Derde tranche Algemene wet bestuursrecht) (Stb. 333), in werking treedt gelijktijdig met of na het tijdstip waarop deze wet in werking treedt, met ingang van het tijdstip waarop de wet van 20 juni 1996 tot aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht (Derde tranche Algemene wet bestuursrecht) (Stb. 333), in werking treedt, gewijzigd als volgt:

A. Na artikel 7 wordt een nieuw artikel 7a ingevoegd, luidende:

Artikel 7a

Afdeling 5.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op de in de artikelen 6 en 7 bedoelde bevoegdheid.

B. In artikel 8, eerste lid, worden de woorden «artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht» vervangen door: artikel 3:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

C. De artikelen 17 tot en met 25 worden vervangen door drie nieuwe artikelen, luidende:

Artikel 17

1. De artikelen 5:12, 5:13 en 5:15 tot en met 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht, zijn van overeenkomstige toepassing op een ambtenaar van de Scheepvaartinspectie bij de uitoefening van taken, verband houdende met de inspectie, de nadere inspectie of de controle, bedoeld in artikel 4, en op een ter beschikking gestelde ambtenaar als bedoeld in artikel 15, eerste lid.

2. Een ambtenaar van de Scheepvaartinspectie draagt, voorzover nodig in afwijking van artikel 5:12, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, een legitimatiebewijs bij zich, overeenkomstig het model, bedoeld in artikel 12, vierde lid, van de richtlijn.

Artikel 18

Een ambtenaar van de Scheepvaartinspectie en een ter beschikking gestelde ambtenaar als bedoeld in artikel 15, eerste lid, zijn bevoegd, met medeneming van de benodigde apparatuur, woongedeelten van schepen binnen te treden zonder toestemming van de bewoner.

Artikel 19

Een ambtenaar van de Scheepvaartinspectie is bevoegd leden van de bemanning te onderwerpen aan een onderzoek inzake hun vakbekwaamheid, met inbegrip van hun bekwaamheid in het verrichten van operationele handelingen.

Toelichting

Algemeen

Volgens de huidige planning treedt de wet van 20 juni 1996 tot aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht (Derde tranche Algemene wet bestuursrecht) (Stb. 333), in werking met ingang van 1 januari 1998. Het onderhavige wetsvoorstel dient bij de inwerkingtreding van de derde tranche van de Algemene wet bestuursrecht te worden aangepast. Op dit moment valt niet te overzien of de derde tranche van de Algemene wet bestuursrecht eerder of later dan het onderhavige wetsvoorstel in werking zal treden. Het bij deze nota van wijziging nieuw ingevoegde artikel 36a beoogt voor beide situaties een oplossing te bieden. Indien de derde tranche van de Algemene wet bestuursrecht eerder dan dit wetsvoorstel in werking treedt, worden de in artikel 36a opgenomen wijzigingen van rechtswege reeds aangebracht op het moment van inwerkingtreding van dit wetsvoorstel. Indien de derde tranche van de Algemene wet bestuursrecht tegelijk met of later dan dit wetsvoorstel in werking treedt, worden de genoemde wijzigingen in de Wet havenstaatcontrole doorgevoerd op het moment waarop de derde tranche van de Algemene wet bestuursrecht in werking treedt.

Onderdelen

Onderdeel A

In artikel 7a wordt een bepaling opgenomen die verduidelijkt dat de bevoegdheid tot stopzetting van een activiteit of tot aanhouding van een schip, niet gekwalificeerd dient te worden als bestuursdwang, zoals omschreven in artikel 5:11 van de Algemene wet bestuursrecht. In de gevallen waarin deze bevoegdheden worden toegepast, is geen sprake van handelen in strijd met bij of krachtens enig wettelijk voorschrift gestelde verplichtingen, maar van handelen in strijd met de geldende internationale voorschriften. Om elke onduidelijkheid op dit punt weg te nemen, wordt uitdrukkelijk bepaald dat afdeling 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht niet op deze bevoegdheden van toepassing is. Daartoe wordt model nr. 40 (zie pag. 51 van de memorie van toelichting bij het bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal aanhangige wetsvoorstel voor de Aanpassingswet derde tranche Awb I (kamerstukken II 1996/97, 25 280, nr. 3) gehanteerd.

Onderdeel B

Bij de inwerkingtreding van de derde tranche van de Algemene wet bestuursrecht krijgt artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht twee leden. De huidige tekst van artikel 3:41 wordt dan het eerste lid. De verwijzing in artikel 8, eerste lid, van het onderhavige wetsvoorstel wordt daarmee in overeenstemming gebracht.

Onderdeel C

De artikelen 17 tot en met 25 van het wetsvoorstel regelen zowel de uitoefening van bevoegdheden van de ambtenaren van de Scheepvaartinspectie en de (ingevolge artikel 15, eerste lid) aan de Scheepvaartinspectie toegevoegde ambtenaren, bij de uitoefening van de inspectie, de nadere inspectie en de controle, als bij het toezicht op de naleving van de hoofdstukken IV en V. Voor wat betreft het toezicht op de naleving van de hoofdstukken IV en V biedt de derde tranche van de Algemene wet bestuursrecht algemene regels. In verband daarmee dienen de artikelen 17 tot en met 25 van het wetsvoorstel bij inwerkingtreding van de derde tranche van de Algemene wet bestuursrecht te worden aangepast.

Aangezien de in de artikelen 5:12, 5:13 en 5:15 tot en met 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht neergelegde bevoegdheden ook nodig zijn bij de uitvoering van de inspectie, de nadere inspectie en de controle, worden deze artikelen voor de uitoefening van die taken van overeenkomstige toepassing verklaard (zie artikel 17, eerste lid). In artikel 17, tweede lid, is een van de Algemene wet bestuursrecht afwijkende regeling opgenomen voor het model van het legitimatiebewijs van de ambtenaren van de Scheepvaartinspectie. Dit model wordt namelijk vastgesteld ingevolge artikel 12, vierde lid, van de richtlijn. In artikel 18 is (ter aanvulling op artikel 5:15 van de Algemene wet bestuursrecht) de bevoegdheid opgenomen ook woongedeelten van schepen binnen te treden, aangezien bij een inspectie ook de bemanningsverblijven worden betrokken. Voor dit artikel is aangesloten bij model nr. 32 (zie pag. 38 van de memorie van toelichting bij het bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal aanhangige wetsvoorstel voor de Aanpassingswet derde tranche Awb I (kamerstukken II 1996/97, 25 280, nr. 3). Artikel 19 is identiek aan artikel 23 uit het oorspronkelijke wetsvoorstel. Het betreft hier een bijzondere bevoegdheid die niet is geregeld in de Algemene wet bestuursrecht. Voor een toelichting op deze bepaling wordt verwezen naar pag. 19 van de memorie van toelichting.

De Minister van Verkeer en Waterstaat,

A. Jorritsma-Lebbink