nr. 3
MEMORIE VAN TOELICHTING
Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt, omdat het
zonder meer instemmend luidt/uitsluitend opmerkingen van redactionele aard
bevat (artikel 25a, vierde lid, onderdeel b, van de Wet op de Raad van State).
1. Algemeen
Op 1 januari 1997 treden de Herzieningswet adviesstelsel en de Kaderwet
adviescolleges in werking. Daarmee krijgt een ingrijpende herziening van het
stelsel van adviescolleges van de regering zijn beslag. Het onderhavige wetsvoorstel
behelst een aanpassing van de Instellingswet WRR, in relatie tot de herziening
van het adviesstelsel, met name de inwerkingtreding van de Kaderwet adviescolleges.
In de Herzieningswet adviesstelsel is een uitzondering opgenomen voor
de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR). Dit houdt in dat
de WRR per 1 januari 1997 – anders dan de andere bestaande adviescolleges –
niet wordt opgeheven. De regering heeft voor deze uitzondering gekozen op
grond van de bijzondere positie die de WRR inneemt binnen het stelsel van
adviescolleges en omdat het voortbestaan van de WRR niet ter discussie staat.
Op 1 januari 1997 treedt tegelijk met de Herzieningswet adviesstelsel
ook de Kaderwet adviescolleges in werking. Deze wet geeft een algemeen wettelijk
kader waarbinnen adviescolleges tot stand kunnen worden gebracht en waarbinnen
zij hun adviestaak kunnen uitoefenen.
Zoals in de memorie van toelichting op het voorstel voor de Herzieningswet
adviesstelsel en in de memorie van toelichting op het voorstel voor de Kaderwet
adviescolleges was aangekondigd, is inmiddels bezien welke elementen van de
Kaderwet dienen te leiden tot aanpassing van de wetgeving met betrekking tot
de WRR. Hierbij heeft de regering het volgende overwogen.
De WRR maakt deel uit van het nieuwe stelsel van adviescolleges, maar
neemt daarin wel een bijzondere positie in. Deze bijzondere positie hangt
samen met de taken van de WRR. De taak van de WRR omvat het signaleren en
onderzoeken van maatschappelijke ontwikkelingen vanuit de optiek of deze tot
nader te formuleren overheidsbeleid zouden moeten leiden. Dit is een bredere
en deels wezenlijk andere taak dan die van de gewone adviescolleges, zoals
weergegeven in artikel 1 van de Kaderwet adviescolleges, waarbij
het gaat om het adviseren van de regering «over algemeen verbindende
voorschriften of te voeren beleid van het Rijk».
Deze brede taakomschrijving van de WRR betekent ook dat de WRR zich niet
met één bepaald beleidsterrein bezig houdt, maar onderwerpen
behandelt die bovensectoraal en op de lange termijn gericht zijn. Door de
aard van zijn taak is de WRR dan ook eerder te vergelijken met de planbureaus
dan met andere adviescolleges.
Voor een goed functioneren van de WRR is een hoge mate van onafhankelijkheid
noodzakelijk. Deze onafhankelijkheid heeft te maken met de aard van de taak
van de WRR. Het is immers van belang dat de WRR in vrijheid rapporten kan
uitbrengen, ook als die de regering misschien minder goed uitkomen. Deze onafhankelijkheid
vindt zijn weerslag in de bepalingen met betrekking tot de samenstelling en
werkwijze van de WRR, zoals vastgelegd in de Instellingswet WRR.
2. Toelichting per artikelonderdeel
Onderdeel A
De herziening van het adviesstelsel vormt voor de regering geen aanleiding
om tot een substantiële wijziging van de positie en het functioneren
van de WRR te komen, behoudens het hierna bij Onderdeel C gestelde. Aangezien
de Kaderwet adviescolleges is opgesteld voor adviescolleges met een wezenlijk
andersoortige taak en functie, zijn de bepalingen uit deze wet niet zonder
meer toepasbaar op de WRR. In onderdeel A van artikel I van het onderhavige
wetsvoorstel wordt daarom expliciet aangegeven dat de WRR geen adviesorgaan
is in de zin van de Kaderwet adviescolleges.
Onderdeel B
Dit onderdeel betreft het schrappen van de leeftijdsgrens voor de leden
van de WRR. Dit is overeenkomstig het regeringsbeleid terzake van leeftijdsgrenzen.
Onderdeel C
Een toetsing van de Instellingswet WRR aan de Kaderwet adviescolleges
heeft op één punt tot een belangrijke wijziging geleid. Deze
wijziging heeft betrekking op de wijze van vaststelling van het werkprogramma
van de WRR. De Instellingswet WRR bevat geen bepaling over de vaststelling
van het werkprogramma. In de praktijk stelt de WRR zijn eigen werkprogramma
vast. Hierover vindt overleg plaats tussen de minister-president en de voorzitter
van de WRR.
Een belangrijk uitgangspunt bij de herziening van het adviesstelsel is
versterking van het primaat van de politieke besluitvorming. Op grond hiervan
wordt in de Kaderwet bepaald dat het werkprogramma van een adviescollege door
de eerstverantwoordelijke minister wordt vastgesteld. Gezien de eerder genoemde
noodzakelijke onafhankelijkheid van de WRR om zijn taken goed uit te kunnen
voeren, acht de regering deze bepaling uit de Kaderwet niet geschikt voor
de WRR. De bestaande praktijk dat de WRR zijn eigen werkprogramma vaststelt,
wordt dan ook gehandhaafd. Met het voorgestelde onderdeel C wordt in een nieuw
artikel 7a in de Instellingswet WRR vastgelegd dat dit gebeurt na overleg
met de minister-president.
Voorts is de betrokkenheid van de ministerraad vastgelegd door te bepalen
dat de minister-president over vaststelling en wijziging van het werkprogramma
de ministerraad hoort.
Op deze wijze wordt enerzijds recht gedaan aan de onafhankelijke positie
van de WRR, terwijl tevens de betrokkenheid van de minister-president
en de ministerraad is gewaarborgd, zodat een goede afstemming met het regeringsbeleid
maar ook met de werkprogramma's van de reguliere adviescolleges plaats kan
vinden. Het belang van politieke betrokkenheid, dat een van de hoofdpunten
is van de herziening van het adviesstelsel, wordt op deze manier ook voor
de WRR op een evenwichtige wijze vorm gegeven.
Op deze wijze wordt tevens uitdrukking gegeven aan het feit dat de WRR
weliswaar een bijzondere positie inneemt, maar tegelijkertijd ook onderdeel
uitmaakt van het nieuwe stelsel van adviescolleges.
Onderdeel D
Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om de uitgewerkte overgangs- en
slotbepalingen uit de Instellingswet W.R.R. te schrappen.
ARTIKEL II
In dit artikel wordt voorzien in inwerkingtreding van deze wet met terugwerkende
kracht, in verband met de inwerkingtreding van de Kaderwet adviescolleges
per 1 januari 1997.
De Minister-President, Minister van Algemene Zaken,
W. Kok