Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum brief
Tweede Kamer der Staten-Generaal1996-199725231 nr. 1

25 231
Samengestelde programma's hbo

nr. 1
BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAPPEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Zoetermeer, 7 februari 1997

Bij brief van 18 november 1996, kenmerk HBO/AS-960300381, heb ik u het advies «Wissen en Witten», opgesteld door de Commissie regulering voorgestructureerde samengestelde programma's hbo (verder te noemen de commissie), aangeboden. Dit advies bevat voorstellen en condities ten aanzien van de positionering van programma's, die in een nieuwe structuur zouden kunnen voortbestaan en komt in andere gevallen tot de conclusie dat programma's niet voldoen aan de voor deze operatie geformuleerde reguleringscriteria en daarom zouden moeten worden beëindigd. Ook hebben enkele hogescholen de commissie laten weten dat zij aanleiding zien om bepaalde programma's eigener beweging af te bouwen.

In eerdergenoemde brief heb ik gesteld te verwachten in november 1996 een concept-beleidsstandpunt bekend te maken, hetgeen door de hierna te schetsen ontwikkelingen sinds het uitbrengen van het advies niet volgens plan heeft kunnen plaatsvinden. Met deze brief wil ik u informeren over de stand van zaken in dit proces en het door mij beoogde vervolgtraject.

Bestuurlijk draagvlak

Het bestuurlijk draagvlak voor het advies «Wissen en Witten» staat onder druk. Er is oppositie gekomen van hogescholen die zelf nooit onderhavig type onderwijsaanbod in hun programmering hebben opgenomen.

De betreffende hogescholen hebben mij hun bezwaren kenbaar gemaakt tegen de voorgestelde start van enkele nieuwe opleidingen als uitvloeisel van de reguleringsoperatie. Zij menen dat met die opleidingen de doelmatigheid in het hbo en hun eigen concurrentiepositie worden geschaad.

Onlangs heeft de voorzitter van de HBO-Raad te kennen gegeven het op prijs te stellen om over de onderhavige materie alsnog van gedachten te wisselen. De HBO-Raad heeft mij in het daartoe ingelaste Bestuurlijk Overleg op 6 februari 1997 voorgesteld nog een uiterste poging te doen om de ontstane problematiek langs bestuurlijke weg tot een oplossing te brengen. In dat kader worden de hogescholen in de gelegenheid gesteld om hun verschillen van opvatting over de voorgestelde uitkomsten in het advies «Wissen en Witten» voor te leggen aan een bestuurlijke delegatie van de HBO-Raad onder voorzitterschap van een bemiddelaar, die door mij in overleg met de voorzitter van de HBO-Raad wordt aangezocht. Dit bestuurlijke traject zal uiterlijk op 31 maart aanstaande tot een afronding moeten zijn gekomen en alle betrokken hogescholen zullen zich in de bereikte uitkomsten moeten kunnen vinden.

De HBO-Raad en ik hebben over dit voorstel overeenstemming bereikt. Over de uitkomsten van het bestuurlijke traject hoop ik u spoedig te kunnen informeren.

Parallel aan het hiervoor geschetste traject zal ik niettemin de voorbereidingen voor de specifieke wetgeving, zoals in het vervolg van deze brief is aangegeven, ter hand nemen. In het geval het geschetste bestuurlijke traject onverhoopt toch niet tot passende uitkomsten zou leiden, dwingen de feitelijke omstandigheden mij ertoe om in die situatie mijn verantwoordelijkheid te nemen. Dan zal ik uitvoering geven aan mijn voornemen om de problematiek van de voorgestructureerde samengestelde programma's bij wijze van specifieke wetgeving op te lossen.

Relatie met beleidskader kunstvakonderwijs

Een tweede bij dit beleidsproces in het geding zijnde omstandigheid is de relatie tussen het advies «Wissen en Witten» en het beleidskader van staatssecretaris Nuis voor de herstructurering van het kunstvakonderwijs. Over zijn voornemens terzake heeft de staatssecretaris u geïnformeerd bij brieven van 14 juni en 27 augustus 1996 (respectievelijk met de kenmerken HBO/AS-96014982 en HBO/AS-96022626, 24 556, nr. 23). In dat verband heeft hij met nadruk een directe relatie gelegd tussen de reguleringsoperatie van de voorgestructureerde samengestelde programma's hbo en het reorganisatietraject voor het kunstvakonderwijs.

Over zijn voornemens ten aanzien van het kunstvakonderwijs heeft staatssecretaris Nuis op 3 oktober jongstleden met uw Kamer algemeen overleg gevoerd. Indien mogelijk zou het overleg met uw Kamer over het eind april aanstaande aan uw Kamer aan te bieden kaderstellend beleidsplan voor het kunstvakonderwijs nog voor het zomerreces kunnen plaatsvinden.

Een integrale en ongewijzigde realisering van het pakket voorstellen in het advies «Wissen en Witten» kan tot gevolg hebben dat de reorganisatie van het kunstvakonderwijs wordt doorkruist, omdat een aantal van de volgens de lijn in «Wissen en Witten» te continueren programma's een kunstonderwijsprofiel heeft (pseudo-kunstopleidingen). Ik ben van mening dat een dergelijke uitkomst prematuur is en daarom stel ik mij op het standpunt dat de positie van de desbetreffende categorie programma's moet worden gewogen in de context van het kaderstellend beleidsplan voor het kunstvakonderwijs. Een nverkorte implementatie van de betreffende categorie voorstellen in «Wissen en Witten» bergt immers in potentie het risico in zich dat op een later moment heroverweging van de uitkomsten noodzakelijk zal blijken te zijn.

In het perspectief van een samenhangende benadering heeft staatssecretaris Nuis inmiddels tevens besloten om de inventarisatie van feiten en cijfers over het kunstvakonderwijs te verbreden tot de kunst-verwante-opleidingen (u zie het bijgevoegde afschrift van de brief aan hogescholen van 12 december 1996 met het kenmerk HBO/AS-96032282)1. Hierbij doelt de staatssecretaris op de programma's, die in het kader van de reguleringsoperatie van de voorgestructureerde samengestelde programma's aan de orde zijn gesteld, maar ook op mogelijke andere programma's met een vergelijkbaar inhoudelijk profiel, die hogescholen om hun moverende redenen niet aan de reguleringsoperatie hebben onderworpen.

De hiervoor uiteengezette omstandigheden maken het noodzakelijk om de regulering van de pseudo-kunstopleidingen, die in «Wissen en Witten» aan de orde zijn gesteld, op te schorten in afwachting van de later dit jaar voorziene besluitvorming over de herstructurering van het kunstvakonderwijs. Daarmee ontstaat er daadwerkelijk ruimte om de vereiste gekoppelde benadering van de beide beleidsdossiers mogelijk te maken. In het Bestuurlijk Overleg op 6 februari 1997 heeft de HBO-Raad ingestemd met opschorting van de besluitvorming over de pseudo-kunstopleidingen.

Bijzonder karakter problematiek

De problematiek van de voorgestructureerde samengestelde programma's in het hbo draagt een bijzonder gevoelig en zeer complex karakter. Dit betreft zowel de inhoudelijke invalshoek als de bestuurlijke dimensie. Zulke programma's vinden hun oorsprong in de beleidsruimte die sommige hogescholen hebben gepraktiseerd binnen de context van de vigerende wet- en regelgeving.

Daarbij doel ik op de toepassing van artikel 7.3, vierde lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW). Deze handelwijze heeft zich vooral gemanifesteerd in relatie tot lerarenopleidingen.

De aanbieding van de in het geding zijnde programma's heeft een grote impact op de doelmatige inrichting (transparantie) van het hbo-bestel als geheel en op de onderlinge concurrentieverhoudingen tussen hogescholen. In het Hoger Onderwijs en Onderzoek Plan (HOOP) 1994 heb ik deze problematiek op de bestuurlijke agenda geplaatst en de HBO-Raad uitgenodigd om initiatieven te nemen, die tot een bevredigende oplossing kunnen leiden. In het HOOP 1996 heb ik deze thematiek opnieuw en nog nadrukkelijker aan de orde gesteld.

De kwestie van de voorgestructureerde samengestelde programma's vraagt om een spoedige en definitieve oplossing. Dit klemt temeer omdat momenteel wetswijziging in voorbereiding is conform het vastgestelde HOOP 1996 wat betreft artikel 7.3, vierde lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek die ertoe leidt dat de basis vervalt om individueel samengestelde programma's te volgen. Bovendien staat het hbo thans voor een algehele herordening van het opleidingenaanbod, die vanuit een zo helder mogelijke uitgangssituatie van start zou moeten gaan. In dat licht heb ik begin 1996 met het bestuur van de HBO-Raad overeenstemming bereikt over de procedures en de criteria voor de reguleringsoperatie, hetgeen is vastgelegd in mijn brieven aan de HBO-Raad van 8 januari en 22 april 1996 respectievelijk met de kenmerken HBO/AS-95025521 en HBO/AS-96008700. Deze brieven zijn als bijlage opgenomen in het advies «Wissen en Witten». Met deze kaderstelling heeft de in 1996 door mij in overleg met de HBO-Raad ingestelde commissie zich een oordeel gevormd over de door de hogescholen voorgelegde voorstellen tot regulering van de programma's.

Opinies hbo-veld

Sinds het uitbrengen van het advies «Wissen en Witten» is gebleken dat het bestuurlijk draagvlak voor de reguleringsoperatie niet die mate van soliditeit vertoont als waarop ik op basis van het met de HBO-Raad getroffen arrangement meende te mogen vertrouwen. Immers nu de operatie in een fase is gekomen dat zij uitmondt in concrete voorstellen tot verandering in het onderwijsaanbod van de hogescholen, die betreffende programma's aan de commissie hebben voorgelegd, stellen sommige andere hogescholen zich bij nader inzien op het standpunt dat zij niet of niet zonder bepaalde nadere condities kunnen instemmen met de effectuering van het advies. In een enkel geval hebben hogescholen daarbij ook juridische stappen aangekondigd, indien ik het advies in ongewijzigde vorm ten uitvoer zou brengen.

Door de opstelling van het hbo-veld, die blijk geeft van het ontbreken van een voldoende robuust draagvlak voor de reguleringsoperatie, is er in termen van bestuurlijke verhoudingen een ongewenste en riskante situatie ontstaan, die naar mijn mening een wijziging van het oorspronkelijk beoogde scenario voor de implementatie van het advies «Wissen en Witten» onvermijdelijk maakt en ook zondermeer rechtvaardigt. Daarbij komt nog de eerder in deze brief geïndiceerde noodzaak om het implementatietraject van het advies te verbinden met de besluitvorming over het kaderstellend beleidsplan voor het kunstvakonderwijs van staatssecretaris Nuis.

Noodzaak implementatie via specifieke wetgeving

De situatie, zoals hiervoor is uiteengezet, geeft mij aanleiding om bij nader inzien geen uitvoering te geven aan het oorspronkelijk voor de reguleringsoperatie in uitzicht gestelde implementatietraject, tenzij het nog te ondernemen bestuurlijke traject, waarover ik op 6 februari 1997 met de HBO-Raad overeenstemming heb bereikt, tot passende resultaten leidt. Als dat onverhoopt toch niet het geval zou blijken te zijn, bestaat er een groot risico dat de reguleringsoperatie niet tot een goed einde kan worden gebracht, omdat sommige hogescholen mogelijk hun bezwaren handhaven en diezelfde hogescholen of weer andere hogescholen nieuwe bezwaren inbrengen tegen de voorgestelde oplossingen en naar aanleiding daarvan wellicht ook zullen besluiten om beroep in te stellen. Dit zou leiden tot een onbeheersbaar proces, waarvan de uitkomsten volstrekt ongewis zijn en ernstige schade zullen toebrengen aan de doelmatigheid van het hbo in algemene zin en aan de positie van afzonderlijke hogescholen in het bijzonder.

In dat geval wil ik de mogelijkheid niet uitsluiten om bij wijze van hoge uitzondering de besluitvorming over de voorstellen inzake de programma's, die in het advies «Wissen en Witten» zijn opgenomen, te doen plaatsvinden in het kader van een specifieke wetgevingsoperatie, die voor de wetgever de nodige ruimte schept om specifieke maatregelen te kunnen nemen en nadere condities te verbinden aan de inpassing van de samengestelde programma's in het hbo-bestel. Het creëren van een wettelijke bevoegdheid om – indien daartoe een gerede aanleiding bestaat – nadere condities te formuleren acht ik van bijzonder groot belang om eventuele ongewenst geachte neveneffecten te voorkomen dan wel te mitigeren. Een dergelijke constellatie draagt het karakter van een specifieke wetgeving, waarbij het uitgangspunt centraal staat dat het in principe een eenmalige operatie betreft. Hiermee moet een passend instrumentarium beschikbaar komen om gerichte beslissingen te kunnen nemen voor het oplossen van onderhavige specifieke problematiek op het terrein van het onderwijsaanbod.

Ik realiseer mij dat een dergelijke specifieke wetgeving een zeer ongebruikelijk instrument is, doch ik ben van mening dat het gegeven het bijzonder gecompliceerde karakter van onderhavig dossier noodzakelijk kan blijken te zijn om deze weg te gaan ter preventie van schadelijke gevolgen van de reguleringsoperatie voor het hbo.

Ik ben voornemens om zodanige voorbereidingen te treffen dat het wetsvoorstel terzake, indien de feitelijke omstandigheden daartoe aanleiding zouden geven, begin april aanstaande voor advies aan de Raad van State wordt voorgelegd. Naar verwachting kan het voorstel vervolgens eind mei bij uw Kamer worden ingediend. Mijn streven is erop gericht dat de wetgeving uiterlijk in het eerste kwartaal van 1998 in werking treedt met gevolgen voor de dan inmiddels gerealiseerde mutaties in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs (Croho) voor het studiejaar 1998–1999. Dit korte tijdpad acht ik noodzakelijk, omdat het in het belang van alle betrokkenen is om in een zo vroeg mogelijk stadium voor de aanvang van betreffend studiejaar duidelijkheid te hebben over de uitkomsten.

Wetgeving moet er verder in voorzien dat nieuwe opleidingen die het resultaat zijn van de reguleringsoperatie en die bovendien niet in strijd zijn met mijn beleidsstandpunt over de effectuering van de operatie in het Croho 1998–1999 worden geregistreerd. Dit geldt eveneens en onder gelijke condities voor de wijzigingen in de hoofdlijnen van de onderwijs- en examenregeling van bestaande opleidingen, die verband houden met de reguleringsoperatie. Wijziging in bedoelde hoofdlijnen is aan de orde als een programma als afstudeerroute in een opleiding wordt geïntegreerd. De afbouw of de beëindiging van programma's zal eveneens door middel van wetgeving (wijziging artikel 7.3, vierde lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek) worden geëffectueerd.

Registratieprocedure Croho 1998–1999

De voorstellen van hogescholen tot instelling van nieuwe opleidingen en wijziging in de hoofdlijnen van bestaande opleidingen zijn inmiddels getoetst door de Adviescommissie Onderwijsaanbod (ACO). De ACO heeft hierover op 31 januari 1997 wat betreft het merendeel van de voorstellen haar oordeel gegeven en dit aan de hogescholen bekend gemaakt.

Indien hogescholen besluiten om – in het perspectief van en vooruitlopend op de uitkomsten van de in deze brief aangegeven wetgevingsoperatie – de registratieprocedure voor het Croho 1998–1999 aan te wenden om voorstellen in het advies «Wissen en Witten» te effectueren, zal ik de rechten ten aanzien van de betreffende nieuwe opleidingen onthouden met toepassing van artikel 6.4 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.

Dit betekent dat de registratie in het Croho 1998–1999 wordt beëindigd, waardoor die nieuwe opleidingen niet van start kunnen gaan. Een dergelijke procedure is noodzakelijk om met uw Kamer een dialoog te kunnen voeren over het totale pakket aan voorstellen in het advies «Wissen en Witten».

In het geval de ACO tot de conclusie is gekomen dat wijziging in de hoofdlijnen van een bestaande opleiding niet impliceert dat er sprake is van de instelling van een nieuwe opleiding, kunnen de betrokken hogescholen besluiten de wijzigingen in het Croho 1998–1999 door te voeren. De wet biedt mij geen mogelijkheden om dit te voorkomen. De hogescholen dienen zich echter wel te realiseren dat zulke wijzigingen bij inwerkingtreding van de specifieke wet ongedaan kunnen worden gemaakt, als deze in strijd blijken te zijn met de uitkomsten van de besluitvorming over het advies «Wissen en Witten».

Teneinde ongewenste effecten en juridische procedures zoveel mogelijk te vermijden zal ik proberen om tijdig met de HBO-Raad tot nadere bestuurlijke afspraken te komen, die ertoe moeten leiden dat hogescholen ervan afzien om mutaties in het Croho 1998–1999 door te voeren. Dit betreft zowel registratie van nieuwe opleidingen als wijzigingen in de hoofdlijnen van bestaande opleidingen.

Het bereiken van overeenstemming op dit punt betekent een herziening van conclusie 7.3 uit de «Gemeenschappelijke conclusies tussen bewindslieden en de HBO-Raad over elementen uit het ontwerp-HOOP 1996» en draagt het karakter van een onderwijsafspraak.

Wat betreft de afbouw of beëindiging van programma's is mutatie van het Croho niet aan de orde, omdat de (voorgestructureerde) samengestelde programma's als zodanig niet een in het Croho feitelijk herkenbare status hebben anders dan als onderdeel van de hoofdlijnen van de onderwijs- en examenregeling.

Beleidsstandpunt

Mijn voornemens ten aanzien van de voorstellen in het advies «Wissen en Witten» zijn geformuleerd in het beleidsstandpunt dat u hierbij aantreft. Op een enkel punt behoeft dit standpunt nog bijstelling (u zie de paragrafen 3.3 en 4.5 onder b).

Over dit beleidsstandpunt ben ik gaarne bereid om, gelet op het voorgestelde gewijzigde implementatietraject van het advies, met uw Kamer van gedachten wisselen. Het beleidsstandpunt bevat – voor zover dat nu reeds mogelijk is – conclusies over de voorstellen van de commissie op het niveau van de afzonderlijke programma's. Voor zover de besluitvorming mede afhankelijk is gesteld van de uitkomsten van het later dit jaar met uw Kamer te voeren overleg over het Kaderstellend beleidsplan van het kunstvakonderwijs neem ik thans geen standpunt in over desbetreffende categorie voorstellen in het advies. Op basis van de resultaten van de inventarisatie van feiten en cijfers met betrekking tot de kunstopleidingen (u zie de eerdergenoemde brief van 12 december 1996) zal ik over dit onderdeel van de voorstellen in het advies een standpunt bepalen en dat aan uw Kamer voorleggen in het kader van het in uitzicht gestelde wetsvoorstel.

Ik vertrouw erop u met deze brief in voldoende mate te hebben geïnformeerd over mijn voornemens inzake de inrichting van het besluitvormingstraject en mijn inhoudelijk standpunt ten aanzien van de voorstellen in het advies «Wissen en Witten». Ten slotte spreek ik nogmaals de hoop uit dat de implementatie van de voorstellen in het advies tot stand kan komen via het op 6 februari jongstleden met de HBO-Raad overeengekomen bestuurlijke arrangement.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

J. M. M. Ritzen

Beleidsstandpunt van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen mede namens de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij over het advies «Wissen en Witten» van de Commissie regulering voorgestructureerde samengestelde programma's hbo

Voorliggend beleidsstandpunt is mijn inhoudelijke reactie op het advies «Wissen en Witten» van de Commissie regulering voorgestructureerde samengestelde programma's hbo (verder te noemen de commissie). Hierbij zij opgemerkt dat ik mij heb gebaseerd op de gecorrigeerde versie van het advies (zie het erratum aan het slot van dit beleidsstandpunt).

Deze reguleringsoperatie dient te worden geplaatst in de context van de voorgenomen herordening van het opleidingenaanbod in het hoger beroepsonderwijs, waarover in het kader van het Hoger Onderwijs en Onderzoek Plan 1996 nadere conclusies zijn getrokken.

Dit beleidsstandpunt kent de volgende indeling. Na enkele inleidende paragrafen bevat het algemene deel (hoofdstuk 2) mijn besluiten over de overwegingen en keuzes van de commissie betreffende het gehanteerde toetsingskader en haar bevindingen van meer algemene aard, die in het advies aan de orde zijn gesteld.

In hoofdstuk 2 verbind ik tevens conclusies aan het beleidskader van staatssecretaris Nuis voor de herstructurering van het kunstvakonderwijs en neem ik in relatie daarmee een besluit over de positie van de programma's, die een inhoudelijke verwantschap hebben met het kunstvakonderwijs.

In het specifieke deel van dit beleidsstandpunt (hoofdstuk 3) zal ik ingaan op de adviezen ten aanzien van de overige afzonderlijke programma's en daarover een besluit formuleren.

Ten slotte vraag ik in hoofdstuk 4 aandacht voor het door mij beoogde implementatietraject voor de reguleringsoperatie. Daarop vooruitlopend merk ik nu reeds op dat de fundamenteel gewijzigde bestuurlijke en beleidsmatige context sinds het uitbrengen van het advies noopt tot een bezinning over een ander implementatietraject dan oorspronkelijk was voorzien in het met de HBO-Raad getroffen arrangement. In plaats van het uitbrengen van een beleidsstandpunt en effectuering van de uitkomsten van de reguleringsoperatie door de betrokken hogescholen zelf, heb ik besloten om de regulering van de programma's, tenzij voor de gerezen problemen alsnog een passende bestuurlijke oplossing kan worden bereikt, te realiseren bij wijze van een specifiek op de reguleringsoperatie toegesneden wetgeving. In hoofdstuk 4 zal ik uitvoerig ingaan op de omstandigheden die tot deze beslissing hebben geleid en in dat verband ook aandacht schenken aan de sceptische reacties op het advies van een aantal hogescholen, die niet rechtstreeks bij de reguleringsoperatie zijn betrokken. Ten slotte zal ik aangeven welke aanvullende waarborgen ik noodzakelijk acht bij de start van enkele nieuwe opleidingen.

De HBO-Raad is – parallel aan de voorbereiding van het hiervoor aangeduide wetgevingstraject – nog in de gelegenheid om de problematiek langs bestuurlijke weg tot een oplossing te brengen. Dit zal geschieden bij wijze van een overlegronde met de betrokken hogescholen door een bestuurlijke delegatie van de HBO-Raad onder leiding van een door mij in overleg met de voorzitter van de HBO-Raad aan te zoeken bemiddelaar. Deze operatie zal vóór 1 april aanstaande tot eenduidige conclusies moeten leiden, die bovendien door alle betrokken hogescholen worden aanvaard. Indien deze operatie met succes wordt voltooid en de hogescholen zich inderdaad aan de uitkomsten committeren, zal ik terugkomen op mijn besluit om de implementatie bij specifieke wetgeving te regelen.

1. INLEIDING

1.1 Instelling commissie en aanbieding advies

De commissie werd door mij ingesteld op 29 mei 1996. Dit gebeurde in overeenstemming met de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. De aanleiding voor de instelling van de commissie en haar taak en samenstelling zijn vastgelegd bij besluit van 29 mei 1996, kenmerk HBO/AS-96003745-I. De samenstelling van de commissie is tot stand gekomen in overleg met het Bestuur van de HBO-Raad. De commissie heeft op een onafhankelijke wijze geopereerd en vanuit die positie de haar opgedragen taken verricht.

Op 6 november 1996 heeft de voorzitter van de commissie haar advies «Wissen en Witten» aan mij en aan de voorzitter van de HBO-Raad aangeboden. Inmiddels hebben zowel de direct betrokken hogescholen als de overige hogescholen een exemplaar van het advies ontvangen. Ook heb ik het advies doen toekomen aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

1.2 De procesgang

In het advies rapporteert de commissie over haar werkwijze en de uitkomst van de toetsing van de door de hogescholen voorgelegde voorstellen tot regulering van voorgestructureerde samengestelde programma's (verder te noemen de programma's). Dit zijn programma's als bedoeld in artikel 7.3, vierde lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek met dien verstande dat een onderhavig programma niet door een student zelf is samengesteld maar wordt gekozen uit een door de hogeschool voorgestructureerd aanbod.

Ik heb waardering voor de grote inzet van de commissie en ben van mening dat zij haar taak met een grote mate van deskundigheid en zorgvuldigheid heeft verricht. De commissie heeft de hogescholen, die reguleringsvoorstellen hebben voorgelegd, overeenkomstig haar taakstelling voldoende in de gelegenheid gesteld om te communiceren over de bij haar gedeponeerde voorstellen en de opvattingen van de commissie daarover. In dat kader werd aan de hogescholen ook het concept-advies voorgelegd. De commissie heeft zich ingespannen om een grote mate van samenhang en evenwichtigheid in haar conclusies te bereiken en is erin geslaagd om tot een voor de betrokken hogescholen aanvaardbaar pakket van adviezen te komen.

De hogescholen die reguleringsvoorstellen hebben voorgelegd hebben zich naar mijn waarneming constructief opgesteld en daarmee blijk gegeven van hun intentie om de problematiek van het onderhavige onderwijsaanbod tot een bevredigende oplossing te willen brengen. Met voorliggend advies is beoogd een goede balans tot stand te brengen tussen de belangen van hogescholen, die bedoelde programma's binnen hun onderwijsaanbod kennen, en de belangen van de overige instellingen.

1.3 Participatie agrarische hogescholen

De commissie constateert dat er van de zijde van de agrarische hogescholen geen voorstellen tot regulering zijn voorgelegd en beveelt daarom aan om zorgvuldig te bewaken dat eventueel toch in betreffend deelsysteem van het hbo bestaande programma's worden beëindigd.

Besluit

Deze aanbeveling van de commissie verdient zeer zeker aandacht en indien nodig ook bestuurlijke consequenties, want het mag niet zo zijn dat er in het agrarisch hbo sprake zou kunnen zijn van afwijkende condities voor de programmering van het onderwijsaanbod dan in het overige hbo. Teneinde te garanderen dat de uitkomsten van de reguleringsoperatie ook daadwerkelijk op het agrarisch hbo van toepassing zullen zijn, zal bij de uitwerking van de beleidsmaatregelen naar aanleiding van het advies «Duurzame kennis, duurzame landbouw» van de heer Peper inzake de aanpassing van de LNV-kennisinfrastructuur worden bezien of er aanleiding is om tot uitzuivering te komen van eventueel bestaand niet-regulier onderwijsaanbod.

Ook zullen in het kader van het herprofileringsproject «Kern en Profiel», dat onder auspiciën van de Stichting Samenwerkend Hoger Agrarisch Onderwijs (SHAO) wordt uitgevoerd, waarborgen worden geschapen om onderwijsaanbod, dat materieel gezien vergelijkbaar is met de voorgestructureerde samengestelde programma's in het overige hbo, te saneren. De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij zal erop toezien dat de actuele operaties op het terrein van het agrarisch hbo tevens zullen leiden tot naleving van de uitkomsten van de reguleringsoperatie inzake de voorgestructureerde samengestelde programma's.

1.4 De uitkomsten in kort bestek

De resultaten van de inspanningen van de hogescholen en de commissie zijn positief te noemen. Van de in totaal 76 voorgelegde programma's zal een substantieel aantal niet in de nieuwe setting terugkeren, omdat deze overeenkomstig de keuze van de hogescholen worden afgebouwd ofwel naar aanleiding van het negatieve advies van de commissie moeten worden beëindigd. Programma's die wel blijven voortbestaan zullen veelal als afstudeerroute binnen een bestaande opleiding worden gepositioneerd. Indien het daarbij afstudeerroutes binnen een lerarenopleiding betreft, die niet op het leraarschap zijn gericht, heeft de integratie een tijdelijk karakter. De definitieve beoordeling van beslissingen over deze reguleringsoptie zal plaatsvinden in het licht van de besluitvorming over mijn beleidsreactie naar aanleiding van de voorstellen van het Proces Management Lerarenopleidingen (PML) over de hervorming van de lerarenopleidingen.

Omzetting van programma's in een nieuwe opleiding zal slechts op bescheiden schaal plaatsvinden, waarmee van deze minst preferente reguleringsoptie een terughoudend gebruik wordt gemaakt.

In twee gevallen bevat het advies een nader besluitvormingstraject en wel over de voorgestelde toekenning van de opleiding hoger toeristisch en recreatief onderwijs aan de Hogeschool Holland en de opleiding sport en bewegen aan de Christelijke Hogeschool Windesheim.

Het is verheugend om vast te stellen dat de hogescholen, die programma's ter regulering hebben voorgelegd, in het advies geen aanleiding zien om een beroep te doen op financiële middelen om aan eventuele nadelige continuïteitseffecten van de regulering het hoofd te bieden.

2. ALGEMEEN

2.1 Toetsingskader

De commissie heeft haar werkzaamheden verricht met inachtneming van het toetsingskader dat ik met het Bestuur van de HBO-Raad ben overeengekomen en is vastgelegd in mijn brieven van 8 januari 1996, kenmerk HBO/AS-95025521, en van 22 april 1996, kenmerk HBO/AS-96008700.

De commissie heeft het gelet op de aard van de voorgelegde reguleringsvoorstellen noodzakelijk geoordeeld om in de te hanteren toetsingskader nog enkele verfijningen aan te brengen. Dit betreft:

– de gewijzigde prioriteitsvolgorde van de reguleringsopties samenhangend met mijn beleidsdoelstelling om de lerarenopleidingen voortgezet onderwijs te herprofileren en te revitaliseren niet te hinderen (zie paragraaf 2.3 van het advies);

– de onderwijskundige kaderstelling en overwegingen ten aanzien van de integratie van een programma als afstudeerroute in het curriculum van een reguliere opleiding (zie de uitwerking van paragraaf 2.3.2 van het advies);

– de nader gespecificeerde modaliteiten ter beoordeling van onderbrenging van programma's als niet-lerarenafstudeerroute binnen een lerarenopleiding (zie paragraaf 2.3.4 van het advies).

Besluit

Ik neem de bevindingen van de commissie over het toetsingskader over en onderschrijf de door haar gekozen nadere operationalisering van de beoordelingscriteria.

2.2 Karakter operatie

De reguleringsoperatie draagt een eenmalig karakter en vormt het sluitstuk van een gecompliceerde bestuurlijke problematiek. Dit gegeven impliceert dat de hogescholen uitsluitend in het kader van deze operatie in de gelegenheid zijn geweest om de positionering van onderhavige programma's aan de orde te stellen.

Besluit

Indien zou blijken dat hogescholen in de toekomst andere dan de thans in de beoordeling betrokken programma's blijven dan wel gaan verzorgen, zal ik niet nalaten om passende maatregelen te nemen die aan deze praktijk een halt moeten toeroepen. Daarom zal ik de inspectie hoger onderwijs opdracht geven om toe te zien op de naleving en aan mij over haar bevindingen te rapporteren.

Het eenmalige karakter komt ook tot uitdrukking in het vastgestelde tijdpad voor de implementatie van de uitkomsten van de operatie. Dit houdt in dat de start van nieuwe opleidingen en de wijziging van de inhoud bestaande opleidingen in verband met de integratie van programma's uitsluitend in het studiejaar 1998–1999 kunnen plaatsvinden. Over het moment waarop de beëindiging van programma's moet ingaan verwijs ik naar mijn besluit in de desbetreffende paragraaf 2.4.

2.3 Uniciteit toetsingskader en uitkomsten

Voor de reguleringsoperatie is in nauw overleg met de HBO-Raad een toetsingskader ontwikkeld dat specifiek is toegesneden op de oplossing van onderhavige bestuurlijke problematiek. De hogescholen hebben zich in gezamenlijkheid verbonden om dit traject op de aldus overeengekomen wijze af te wikkelen, hetgeen blijkt uit de brief van de voorzitter van de HBO-Raad van 4 januari 1996 met het kenmerk 96.004/bs, waarin wordt gewezen op de bijgevoegde notitie «Naar een arrangement inzake de positie van vrije opleidingen», die – zo stelt de voorzitter van de HBO-Raad – qua strekking de uitkomst weergeeft van de beraadslaging in de Algemene vergadering van de HBO-Raad.

Derhalve is er geen titel om de uitkomsten volgens dezelfde percepties en maatstaven te waarderen als die van toepassing zijn bij de reguliere wijze van totstandkoming van mutaties in het onderwijsaanbod. Ook de commissie benadrukt dat aan de beoordelingen en aan de adviezen niet (zonder meer) een algemene geldigheid kan worden toegekend en dat zulks betekent dat hogescholen daaraan niet (zonder meer) precedentwerking mogen toekennen.

Besluit

Deze wijze van totstandkoming van de reguleringsoperatie en het specifieke toetsingskader betekent dat hogescholen zich in bestuurlijke zin op voorhand hebben gecommitteerd aan de uitkomsten van de reguleringsoperatie. Met de HBO-Raad heb ik overeenstemming bereikt over deze operatie hetgeen onder punt 7.3 is vastgelegd in de «Gemeenschappelijke conclusies tussen bewindslieden en de HBO-Raad over elementen uit het ontwerp-HOOP 1996». Vervolgens is ter uitwerking van bedoelde conclusie in gezamenlijk overleg met het Bestuur van de HBO-Raad het toetsingskader gedefinieerd, zoals dat is vastgelegd in mijn eerdergenoemde brieven van 8 januari en 22 april 1996.

In sommige situaties kan implementatie van de voorstellen in het advies met zich brengen dat aanvullende waarborgen nodig zijn bij de start van nieuwe opleidingen om substantieel nadelige neveneffecten voor andere hogescholen te vermijden. Indien daartoe in mijn optiek aanleiding bestaat, heb ik zulks in paragraaf 4.5 aangegeven.

2.4 Tijdpad beëindiging programma's

De commissie signaleert dat de door mij gestelde termijn waarop de beëindiging van programma's, die niet meer in de nieuwe constellatie kunnen terugkeren, moet plaatsvinden krap is. Daarom stelt zij voor om de beëindiging niet met ingang van het studiejaar 1997–1998 te effectueren maar parallel te schakelen aan de implementatie van de integratie van programma's in bestaande opleidingen en de start van nieuwe opleidingen. Dit betekent dat met de beëindiging van programma's een begin zou moeten worden gemaakt in het studiejaar 1998–1999.

Besluit

Ik onderken de implicaties van handhaving van het oorspronkelijk voorziene tijdpad. Derhalve besluit ik om het voorstel van de commissie over te nemen.

2.5 Hantering doelmatigheidscriterium

De commissie heeft opgemerkt dat de doelmatigheidsbeoordeling op een andere wijze toepassing moet vinden dan is voorzien in de gebruikelijke procedure op basis van artikel 6.3 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. Deze beoordeling betreft zowel nieuwe opleidingen als wijzigingen in de hoofdlijnen van onderwijs- en examenregeling van bestaande opleidingen als gevolg van integratie van programma's als afstudeerroute.

Besluit

In mijn brief aan de voorzitter van de Adviescommissie Onderwijsaanbod (ACO) van 8 november 1996, kenmerk HBO/AS-96030268, heb ik gewezen op het feit dat op de categorie mutaties in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs (Croho) 1998–1999 naar aanleiding van dit advies het specifieke referentiekader voor de reguleringsoperatie van toepassing is.

2.6 Niet-lerarenafstudeerroute

In een aantal adviezen komt de commissie tot de conclusie dat integratie van programma's als afstudeerroute binnen een lerarenopleiding, die niet is gericht op het leraarschap en derhalve niet resulteert in een onderwijsbevoegdheid, een passende reguleringsoptie is. Daaraan verbindt de commissie de voorwaarde dat een dergelijke positionering een tijdelijk karakter draagt gelet op de komende besluitvorming over de voorstellen in het kader van het hervormingsproces van de lerarenopleidingen voortgezet onderwijs. Hierbij refereert de commissie aan de voorwaarden die ik in het toetsingskader aan deze wijze van integratie heb gesteld (zie punt 7 van mijn eerdergenoemde brief van 8 januari 1996 en mijn brief van 22 april 1996). Gelet op de beoogde herprofilering van de lerarenopleidingen is de commissie terughoudend geweest bij de hantering van deze reguleringsoptie.

Besluit

In voorkomende gevallen zal de integratie van programma's binnen een lerarenopleiding in de vorm van een afstudeerroute, die niet is gericht op het leraarschap, kunnen plaatsvinden bij wijze van overgangsmaatregel waaraan geen rechten kunnen worden ontleend met een duurzaam karakter. Bij de besluitvorming over het hervormingsproces van de lerarenopleidingen zal de positie van zodanige afstudeerroutes worden heroverwogen.

2.7 Integraal beleid kunstvakonderwijs

Zoals de commissie in haar advies in de paragrafen 2.1 en 2.6 memoreert, zijn er raakvlakken tussen de reguleringsoperatie en het met de Tweede Kamer der Staten-Generaal besproken beleidskader van staatssecretaris Nuis voor de herstructurering van het kunstvakonderwijs. Hiermee doelt de commissie op de haar ter regulering voorgelegde programma's die zich inhoudelijk bevinden in het domein van het kunstvakonderwijs, ook wel aangeduid als pseudo- en para-kunstopleidingen. De commissie komt echter op basis van een nadere afweging tot de slotsom dat het niet in de rede ligt om het beleidskader voor het kunstvakonderwijs, dat is neergelegd in de brieven van staatssecretaris Nuis van 14 juni en 27 augustus 1996, met de kenmerken HBO/AS-96014982 en HBO/AS-96022626, te beschouwen als aanvulling op het overeengekomen toetsingskader voor de reguleringsoperatie. De commissie wil zulks niet tot haar verantwoordelijkheid rekenen. Bij de uiteindelijke beoordeling en advisering door de commissie heeft het beleidskader voor het kunstvakonderwijs derhalve als zodanig geen rol gespeeld.

Besluit

Zoals ik reeds bij de aanbieding van het advies en ook in het Bestuurlijk Overleg op 7 november heb aangegeven, ben ik eerste aanleg geneigd om de bevindingen van de commissie in grote lijnen over te nemen. Deze opstelling laat onverlet dat er niettemin een gerede aanleiding kan zijn om bepaalde componenten van het advies nogmaals zorgvuldig te analyseren en te heroverwegen alvorens tot definitieve besluitvorming over te gaan.

Ten aanzien van het beleidskader op het terrein van het kunstvakonderwijs acht ik dit voorbehoud alleszins opportuun en noodzakelijk. Het kan immers niet zo zijn dat door de regulering van sommige programma's ruim baan wordt gegeven aan het op structurele dan wel semi-structurele basis toevoegen van op de kunsten georiënteerde onderwijsvoorzieningen buiten het kunstvakonderwijs terwijl met deze sector afspraken zijn gemaakt over capaciteitsreductie. Ook mag er in het kunstvakonderwijs geen sprake zijn van voorzieningen, die beter en doelmatiger elders in het hbo kunnen worden aangeboden. Om die redenen is in het beleidskader van staatssecretaris Nuis een duidelijke relatie gelegd met de reguleringsoperatie van de voorgestructureerde samengestelde programma's.

Deze overwegingen zijn voor mij aanleiding om de besluitvorming over de adviezen van de commissie over de betreffende categorie programma's op te schorten tot de oordeelsvorming over het uiterlijk in april 1997 aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal uit te brengen kaderstellend beleidsplan voor de herstructurering van het kunstvakonderwijs.

Bijkomend argument in dit verband is de gerede veronderstelling dat er aan hogescholen meer pseudo-kunstopleidingen voorkomen dan die aan de commissie zijn voorgelegd. Dit vergt een integrale afweging van de problematiek in het licht van de besluitvorming over het kaderstellend beleidsplan voor het kunstvakonderwijs.

De HBO-Raad heeft in het Bestuurlijk Overleg op 6 februari 1997 over het implementatietraject van «Wissen en Witten» ingestemd met deze benadering van de pseudo-kunstopleidingen.

Het advies bevat meerdere voorstellen die tevens relevant zijn in het perspectief van het beleidskader betreffende het kunstvakonderwijs. Daarbij zijn de volgende categorieën te onderscheiden:

a. Afbouw van programma's met verwantschap met het kunstvakonderwijs op basis van een besluit van betreffende hogeschool

Deze categorie betreft de volgende situaties:

1.cultuur en beleidHogeschool Holland
2.kunst, cultuur en educatieHogeschool Holland
3.levensbeschouwing, cultuur en kunstHogeschool Holland
4.literatuur en cultuurHogeschool Holland
5.cultuur en communicatieChristelijke Hogeschool Windesheim
6.tekenenChristelijke Hogeschool Windesheim
7.handvaardigheidChristelijke Hogeschool Windesheim
8.cultuurgeschiedenis en educatieChristelijke Hogeschool Windesheim

Besluit

Indien hogescholen reeds eigener beweging hebben besloten om met het kunstvakonderwijs verwante programma's af te bouwen, is er geen sprake van een spanningsveld met het beleidskader voor het kunstvakonderwijs en kunnen deze besluiten dan ook onverkort worden geïmplementeerd.

b. Beëindiging van programma's met verwantschap met het kunstvakonderwijs op basis van een negatief advies van de commissie

Deze categorie betreft de volgende situaties:

1.commerciële vormgevingHogeschool van Arnhem en Nijmegen
2.educatie en cultuurHogeschool van Arnhem en Nijmegen
3.kunst- en mediamanagementHogeschool voor de Kunsten Utrecht
4.handvaardigheidHogeschool Katholieke Leergangen Tilburg
5.tekenen educatieve vormgevingHogeschool Katholieke Leergangen Tilburg
6.textiele werkvormenHogeschool Katholieke Leergangen Tilburg

Besluit

In het perspectief van het in het advies bereikte evenwicht ten aanzien van de uitkomsten van de reguleringsvoorstellen zie ik aanleiding om ook de beëindiging van vorengenoemde programma's te bezien in het kader van de besluitvorming over het uit te brengen kaderstellend beleidsplan voor het kunstvakonderwijs.

c. Integratie van programma's met verwantschap met het kunstvakonderwijs als afstudeerroute binnen een (nieuwe) opleiding met positief advies van de commissie of herprofilering van programma's als lerarenopleiding

Deze categorie betreft de volgende situaties:

1.cultuur en educatie NederlandsHogeschool Katholieke Leergangen Sittard
2.toegepaste beeldende vakkenHogeschool Katholieke Leergangen Sittard en publiciteitsvormgeving
3.idem illustratieve vormgevingHogeschool Katholieke Leergangen Sittard
4.idem modegrafiekHogeschool Katholieke Leergangen Sittard
5.idem productpresentatieHogeschool Katholieke Leergangen Sittard
6.idem productvormgevingHogeschool Katholieke Leergangen Sittard
7.idem ruimtelijk-figuratieve vormgevingHogeschool Katholieke Leergangen Sittard
8.lerarenopleiding tekenen (tweedimensionale vormgeving)Hogeschool Katholieke Leergangen Tilburg
9.idem handvaardigheid (driedimensionale vormgeving)Hogeschool Katholieke Leergangen Tilburg
10.idem textiele werkvormen (textielvormgeving)Hogeschool Katholieke Leergangen Tilburg
11.idem handvaardigheid (audiovisuele vormgeving)Hogeschool Katholieke Leergangen Tilburg
12.idem textiele werkvormen (theatervormgeving)Hogeschool Katholieke Leergangen Tilburg
13.idem tekenen (informatievormgeving)Hogeschool Katholieke Leergangen Tilburg

Besluit

De besluitvorming over de programma's genoemd deze categorie moet worden gerelateerd aan de besluitvorming over het uit te brengen kaderstellend beleidsplan voor het kunstvakonderwijs. Dit betekent dat ik dit onderdeel van het advies «Wissen en Witten» vooralsnog zal aanhouden.

d. Omzetting in een nieuwe opleiding op het terrein van het kunstvakonderwijs op basis van een positief advies van de commissie

Deze categorie betreft de volgende situatie:

1.opleiding docent audiovisuele vormgevingAmsterdamse Hogeschool voor de Kunsten

Besluit

De besluitvorming over het programma genoemd in deze categorie moet worden gerelateerd aan de besluitvorming over het uit te brengen kaderstellend beleidsplan voor het kunstvakonderwijs. Dit betekent dat ik dit onderdeel van het advies «Wissen en Witten» vooralsnog zal aanhouden.

3. REACTIE OP ADVIEZEN OVER AFZONDERLIJKE PROGRAMMA'S

Voor zover ik niet reeds in hoofdstuk 2 ben ingegaan op de door de commissie geformuleerde adviezen over afzonderlijke programma's zal ik in hierna mijn voornemens bekend maken.

3.1 Goedkeuring regulering op basis van een positief advies van de commissie

In de hierna te noemen situaties ben ik voornemens om het advies van de commissie onverkort over te nemen. De implementatie van de betreffende reguleringsopties, die leiden tot voortzetting van programma's in de in het advies aangegeven nieuwe structuur (zie de cursief gedrukte tekst), kan te zijner tijd doorgang vinden met inachtneming van het in hoofdstuk 4 aangegeven gewijzigde implementatietraject en rekening houdend met de in dat verband gestelde aanvullende waarborgen.

1.communicatie en cultuurHogeschool Rotterdam & Omstreken omzetting in een nieuwe opleiding Asian trade management
2.consumentenstudiesNoordelijke Hogeschool Leeuwarden integratie als afstudeerroute in de opleiding commerciële economie
3.management van cultuur, educatie, welzijn en gezondheidszorgNoordelijke Hogeschool Leeuwarden integratie als afstudeerroute in de opleiding bestuurskunde/overheidsmanagement
4.arbeidsomstandighedenNoordelijke Hogeschool Leeuwarden integratie als afstudeerroute in de opleiding personeel en arbeid
5.interne/externe communicatieNoordelijke Hogeschool Leeuwarden integratie/omzetting in een nieuwe opleiding communicatie
6.publiciteit en presentatieNoordelijke Hogeschool Leeuwarden idem als aangegeven bij programma nr. 5
7.kunst en designNoordelijke Hogeschool Leeuwarden idem als aangegeven bij programma nr. 5
8.voeding en managementHogeschool van Arnhem en Nijmegen omzetting in een nieuwe opleiding voeding en marketing
9.sport, economie en communicatieHogeschool Katholieke Leergangen Tilburg overdracht en integratie als afstudeerroute in de opleiding commerciële economie van Hogeschool Eindhoven en verzorging in vestigingsplaats Tilburg
10.Europese marketing en managementcommunicatieHogeschool Katholieke Leergangen Tilburg idem als aangegeven bij programma nr. 9
11.interne en externe communicatie voor school, instelling en bedrijfHogeschool Katholieke Leergangen Tilburg overdracht en integratie als afstudeerroute in de opleiding communicatie van Hogeschool Eindhoven en verzorging in de vestigingsplaats Tilburg
12.facility managementHogeschool Katholieke Leergangen Tilburg integratie/omzetting in een nieuwe opleiding facilitaire dienstverlening te verbinden aan Hogeschool Eindhoven en na besluitvorming i.k.v. de artikel 7.17-procedure verzorging in de vestigingsplaats Tilburg
13.toerisme en recreatieHogeschool Katholieke Leergangen Tilburg idem als bij programma nr. 12
14.in- en externe communicatie EngelsHogeschool Katholieke Leergangen Sittard integratie als niet op het leraarschap gerichte afstudeerroute in de lerarenopleiding Engels
15.in- en externe communicatie DuitsHogeschool Katholieke Leergangen Sittard integratie als niet op het leraarschap gerichte afstudeerroute in de lerarenopleiding Duits
16.communicatie en publiciteitHogeschool Katholieke Leergangen Sittard integratie als niet op het leraarschap gerichte afstudeerroute in de lerarenopleiding Nederlands
17.bedrijfspresentatieHogeschool Holland omzetting in een nieuwe opleiding communicatie
18.voorlichting, publiciteit en informatieHogeschool Holland idem als bij programma nr. 17
19.tekstschrijvenHogeschool Holland idem als bij programma nr. 17
20.algemeen managementHogeschool Holland omzetting in een nieuwe opleiding small business en retail management
21.consumentenkundeHogeschool Holland idem als bij programma nr. 20
22.interfaculteit beeld en geluidHogeschool van Beeldende Kunsten, Muziek en Dans integratie in een afstudeerroute van de opleiding muziek en in een afstudeerroute van de opleiding beeldende kunst en vormgeving

3.2 Nadere voorwaarden bij implementatie van de regulering

Aan sommige adviezen heeft de commissie één of meerdere nadere voorwaarden verbonden, die bij effectuering van de regulering van toepassing zouden moeten zijn. Deze kunnen betrekking hebben op de volgende aspecten en maatregelen:

– het volume van het studentenaantal;

– de inhoudelijke breedte van het programma in de nieuwe structuur;

– beëindiging van de overige programma's;

– beëindiging van de Croho-registratie van één of meerdere bestaande opleidingen;

– het alsnog uitwerking geven aan de definiëring van de afstudeerroute conform de criteria van de commissie;

– positionering van de afstudeerroute overeenkomstig het landelijk overeengekomen profiel van de desbetreffende opleiding;

– het omvangscriterium wat betreft het aantal studiepunten;

– het aanvangscriterium (de afstudeerroute vangt aan vanaf het derde cursusjaar);

– handhaving van één Croho-registratie;

– de relatie met de uitkomsten van het PML-traject.

Besluit

De door de commissie geformuleerde nadere voorwaarden zijn van essentiële betekenis voor een zorgvuldige implementatie van de beoogde reguleringsvoorstellen. Ik neem deze nadere voorwaarden integraal over conform de door de commissie gedefinieerde situaties.

3.3 Bijzonder advies Hogeschool Holland

Naar aanleiding van het voorstel van de Hogeschool Holland om het huidige programma nationaal toeristisch gids om te zetten in een opleiding hoger toeristisch en recreatief onderwijs (htro) heeft de commissie mij geadviseerd om in overleg met de Minister van Economische Zaken te bezien of er aanleiding is om mijn standpunt over het aantal opleidingsplaatsen htro te heroverwegen. Daarbij refereert de commissie aan de recent door het Ministerie van Economische Zaken uitgebrachte beleidsnota «Werken aan concurrentiekracht, het toeristisch beleid tot 2000».

Ter voorbereiding van mijn standpuntbepaling over het bijzondere advies van de commissie heb ik overleg gevoerd met het Ministerie van Economische Zaken over de beoogde opleiding htro in relatie tot de te verwachten positieve ontwikkelingen van innovatieve aard in de toeristische branche, die met name in de randstad worden voorzien.

De Minister van Economische Zaken zal mij schriftelijk zijn standpunt bekend maken over de perspectieven en omstandigheden, die relevant zijn bij de nadere afweging van de mogelijkheden voor een tweede opleiding.

Omdat ik van mening ben dat nog een nadere afweging in een breder perspectief noodzakelijk is voordat ik een definitief besluit kan formuleren, heb ik de commissie bij brief van 23 december 1996, kenmerk HBO/AS-96035597, om een nader advies gevraagd met het doel vast te stellen of nog andere opties denkbaar zijn.

(nog aanvullen na ontvangst nader advies)

3.4 Bijzonder advies Christelijke Hogeschool Windesheim

Naar aanleiding van het voorstel van de Christelijke Hogeschool Windesheim om het huidige programma sport, recreatie en beleidsontwikkeling om te zetten in een nog niet in het Croho geregistreerde opleiding sport en bewegen heeft de commissie geadviseerd om in overleg met de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) een beleidsuitspraak te doen over de wenselijkheid van een generieke hbo-opleiding sport en bewegen buiten het verband van de lerarenopleidingen. Het initiatief van de hogeschool wil ik beschouwen in de context van de inmiddels door VWS uitgebrachte Interdepartementale sportnota.

Op 6 december heb ik over dit advies verkennend overleg gevoerd met VWS. De Staatssecretaris van VWS heeft bij brief van 20 december 1996, kenmerk S/P&K-962925, haar standpunt bekendgemaakt over de wenselijkheid van een generieke hbo-opleiding sport en bewegen. Zij vindt realisering van de opleiding noodzakelijk en wenselijk gelet op de maatschappelijke trends in de sportsector en stelt dat zulks in overeenstemming is met de Interdepartementale sportnota. Hierbij plaatst de Staatssecretaris wel de kanttekening dat een dergelijke opleiding om inhoudelijke redenen alleen zou moeten worden ingebed in een onderwijsstructuur, waarvan ook een opleiding tot leraar voortgezet onderwijs van de eerste graad in lichamelijke oefening deel uitmaakt. Ik stel vast dat in het geval van de Christelijke Hogeschool Windesheim aan dit criterium is voldaan.

Besluit

Het standpunt van de Staatssecretaris van VWS zal ik betrekken bij de besluitvorming over de start van de beoogde opleiding aan de betrokken hogeschool.

3.5 Beëindiging van programma's op basis van een negatief advies van de commissie

In aanvulling op de in paragraaf 2.7 onder b van dit beleidsstandpunt vermelde programma's besluit ik dat de hierna te noemen programma's dienen te worden beëindigd naar aanleiding van het negatieve advies van de commissie over de voorgestelde reguleringsopties. Ik onderschrijf de motivering van de commissie die heeft geleid tot het negatieve advies. De beëindiging zal plaatsvinden met inachtneming van het implementatietraject, zoals in hoofdstuk 4 is aangegeven.

1.milieukundeHogeschool Rotterdam & Omstreken
2.beleid en maatschappijHogeschool Rotterdam & Omstreken
3.cultuur-historische educatieHogeschool Rotterdam & Omstreken
4.beleid, bestuur en management opleidingenHaagse Hogeschool
5.docent informaticaNoordelijke Hogeschool Leeuwarden
6.natuur- en milieucommunicatieNoordelijke Hogeschool Leeuwarden
7.geografisch-educatieve opleidingenNoordelijke Hogeschool Leeuwarden
8.historisch-educatieve toepassingenNoordelijke Hogeschool Leeuwarden
9.social studiesNoordelijke Hogeschool Leeuwarden
10.ontwikkelingsvraagstukkenHogeschool Katholieke Leergangen Tilburg
11.natuur- en milieukundeHogeschool Katholieke Leergangen Tilburg
12.algemene taalvariant EngelsHogeschool Holland
13.algemene taalvariant DuitsHogeschool Holland
14.algemene taalvariant FransHogeschool Holland

3.6 Afbouw van programma's op basis van een besluit van betreffende hogeschool

In de volgende situaties hebben hogescholen de commissie laten weten programma's op eigen initiatief te zullen afbouwen. Onderstaand overzicht is een aanvulling op de programma's die zijn vermeld onder punt 2.7.a van dit beleidsstandpunt.

1.internationale studiesHogeschool van Utrecht
2.natuur- en milieueducatieHogeschool van Utrecht
3.gezondheidsvoorlichtingHogeschool van Arnhem en Nijmegen
4.verpleegkundige informaticaHogeschool Holland
5.training en opleidingHogeschool Holland
6.milieukundeHogeschool Holland
7.didactische informaticaHogeschool Holland
8.hoger financieel-economisch managementHogeschool Holland
9.theologieChristelijke Hogeschool Windesheim
10.natuur en milieuChristelijke Hogeschool Windesheim

4. IMPLEMENTATIETRAJECT

4.1 Specifieke wetgeving als ultimum remedium

Bezwaren van hogescholen

Sinds het uitbrengen van het advies «Wissen en Witten» is gebleken dat het bestuurlijk draagvlak voor dit advies onder druk staat. Er is oppositie gekomen van hogescholen die nooit onderhavig type onderwijsaanbod in hun programmering hebben opgenomen. De hierna te noemen hogescholen hebben mij schriftelijk hun bezwaren kenbaar gemaakt tegen de voorgestelde start van enkele nieuwe opleidingen als uitvloeisel van de reguleringsoperatie, omdat zij van mening zijn dat daarmee de doelmatigheid van het hoger beroepsonderwijs en hun eigen concurrentiepositie worden geschaad. Zij doen daarom een beroep op mij om het advies op bedoelde punten niet te volgen.

Sommige hogescholen hebben zich (tevens) tot de voorzitter van de HBO-Raad gewend. De aan mij gerichte bezwaren zijn afkomstig van de volgende hogescholen en betreffen de daarbij aangegeven opleidingen:

Landelijk Overleg Opleidingen Facilitaire Dienstverlening namens onderstaande hogescholen: Rijkshogeschool IJselland Hanzehogeschool, Hogeschool van Groningen Hogeschool Diedenoort Haagse Hogeschool Hogeschool Limburg Hogeschool Rotterdam & Omstreken De Hogeschool Diedenoort heeft nadien nog een afzon- derlijk bezwaar ingediend facilitaire dienstverlening, Hogeschool Eindhoven
  
Hanzehogeschool, Hogeschool van Groningencommunicatie, Noordelijke Hogeschool Leeuwarden
  
Hogeschool Haarlem Federatie Noord-Holland i.o.small business en retailmanagement, Hogeschool Holland
  
Hogeschool Limburgvoeding en marketing, Hogeschool van Arnhem en Nijmegen
  
Christelijke Hogeschool Noord-Nederland Nationale Hogeschool voor Toerisme en Verkeerhoger toeristisch en recreatief onderwijs, Hogeschool Holland
  
Ichthus Hogeschool Hogeschool voor Economische Studies RotterdamAsian trade management, Hogeschool Rotterdam & Omstreken

De Christelijke Hogeschool Rijn-Delfland heeft mij schriftelijk laten weten dat implementatie van het advies «Wissen en Witten» zal leiden tot een toenemende concurrentie op het gebied van recreatie/toerisme en educatieve media. Daarmee zou geen rekening worden gehouden met de continuïteit van andere hogescholen, die zich nooit op de weg van voorgestructureerde samengestelde programma's hebben begeven. Hoewel de hogeschool in haar brief niet heeft geëxpliciteerd op welke voorstellen in het advies het bezwaar betrekking heeft, is het aannemelijk dat zij doelt op de opleiding hoger toeristisch en recreatief onderwijs te verbinden aan de Hogeschool Holland en de opleidingen communicatie te verbinden aan de Hogeschool Holland en de Noordelijke Hogeschool Leeuwarden.

Afstemming op beleidskader kunstvakonderwijs

Een tweede noodzaak voor implementatie via wetgeving is de omstandigheid dat het advies «Wissen en Witten» duidelijke raakvlakken heeft met het beleidskader van staatssecretaris Nuis voor de herstructurering van het kunstvakonderwijs. Het is om de redenen, die ik in paragraaf 2.7 van dit beleidsstandpunt heb uiteengezet, noodzakelijk om de regulering van de pseudo-kunstopleidingen, die in «Wissen en Witten» aan de orde zijn gesteld, op te schorten in afwachting van de later in 1997 voorziene besluitvorming over de herstructurering van het kunstvakonderwijs. Daarmee wordt ruimte geschapen voor een integrale benadering van de beide beleidsdossiers.

De gewijzigde omstandigheden geven mij aanleiding om bij nader inzien geen uitvoering te geven aan het oorspronkelijk in uitzicht gestelde implementatietraject. De besluitvorming over de voorstellen inzake de programma's, die in het advies «Wissen en Witten» zijn opgenomen, zal nu plaatsvinden in het kader van een specifieke wetgevingsoperatie, tenzij er langs bestuurlijke weg alsnog een passende oplossing voor de ingebrachte bezwaren wordt bereikt. Specifieke wetgeving zal de nodige ruimte moeten scheppen om waarnodig gerichte maatregelen te treffen en aanvullende waarborgen te verbinden aan de inpassing van de samengestelde programma's in het hbo-bestel.

Bestuurlijk oplossingsarrangement inzake de bezwaren tegen «Wissen en Witten»

Parallel aan het treffen van de nodige voorbereidingen voor het specifieke wetgevingstraject heb ik de HBO-Raad in de gelegenheid gesteld om via een bestuurlijk traject alsnog tot een oplossing voor de gerezen problemen te komen. Over de voorwaarden van een dergelijk traject heb ik op 6 februari 1997 Bestuurlijk Overleg gevoerd. Als dit traject tot een goed einde leidt, zal ik afzien van de voorgenomen wetgeving en zullen de voorstellen in het advies «Wissen en Witten» en de uitkomsten van het bestuurlijke traject overeenkomstig de oorspronkelijk met de HBO-Raad overeengekomen procedure worden geïmplementeerd, uiteraard met inachtneming van de op 6 februari 1997 met de HBO-Raad gemaakte afspraken over de positie van de pseudo-kunstopleidingen.

4.2 ACO/Croho-procedure

De start van nieuwe opleidingen en het realiseren van de wijzigingen in de hoofdlijnen van de onderwijs- en examenregeling van bestaande opleidingen in verband met de integratie als afstudeerroute van één of meerdere programma's worden geëffectueerd in het Croho 1998–1999. Definitieve registratie in genoemd Croho kan uitsluitend plaatsvinden in het kader van de inwerkingtreding van de in paragraaf 4.1 aangegeven wetgeving voor de reguleringsoperatie dan wel plaatsvinden op de oorspronkelijk voor de operatie voorziene wijze, indien de uitkomsten van het traject waarover ik in het Bestuurlijk Overleg met de HBO-Raad op 6 februari 1997 afspraken heb gemaakt daartoe aanleiding geven. Voorafgaand aan registratie geeft de ACO een oordeel over de doelmatigheid van de voorgenomen mutaties in het onderwijsaanbod.

De commissie heeft de betrokken hogescholen namens mij bij brief van 6 november 1996 gewezen op de noodzakelijke procedures en het daarbij geldende tijdpad. Voor zover de commissie heeft geconstateerd dat reguleringsvoorstellen nog niet voldoende waren uitgewerkt of onderbouwd zullen hogescholen deze omissies in het kader van de ACO-adviesprocedure moeten hebben weggenomen.

4.3 Beëindiging programma's

De beëindiging van programma's treedt in werking met ingang van het studiejaar 1998–1999. Aan dit aspect heb ik reeds aandacht geschonken in paragraaf 2.4 van dit beleidsstandpunt. Wat betreft het tijdpad van beëindiging van de programma's, die zijn vermeld onder punt 2.7.b, heb ik aldaar een voorbehoud gemaakt.

4.4 Onderwijsaanbod buiten de gemeente van vestiging

In enkele situaties betreffende de Hogeschool Katholieke Leergangen Tilburg adviseert de commissie om programma's te integreren binnen een bestaande opleiding van de Hogeschool Eindhoven, waarmee de hogeschool een bestuurlijk samenwerkingsverband vormt. Dit betreft de programma's:

a. sport, economie en communicatie

b. Europese marketing en managementcommunicatie

c. interne en externe communicatie voor school en bedrijf.

Voor genoemde reguleringsvoorstellen kan toepassing van de procedure van artikel 7.17, tweede lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek achterwege blijven, omdat ik reeds bij brief van 1 augustus 1991, kenmerk HW/BI-91058528, goedkeuring heb verleend om de toen reeds bestaande opleidingen te verzorgen in de vestigingsplaatsen Eindhoven en Tilburg en vice versa.

De programma's facility management en toerisme en recreatie van de Hogeschool Katholieke Leergangen Tilburg worden omgezet in een nieuwe opleiding facilitaire dienstverlening, die wordt verbonden aan de Hogeschool Eindhoven. Omdat het onderwijs zal worden verzorgd in de gemeente Tilburg, is goedkeuring nodig op basis van artikel 7.17, tweede lid, van de wet. Naar aanleiding van het advies van de commissie ben ik voornemens om de beoogde constellatie goed te keuren dat het onderwijs voor onbepaalde tijd in Tilburg wordt gegeven. Ik zal dit voornemen voorleggen aan de vertegenwoordiging van de hogescholen waarmee ik geregeld algemeen overleg voer.

4.5 Aanvullende waarborgen

In enkele situaties zie ik aanleiding tot het verbinden van aanvullende waarborgen in relatie tot de start van nieuwe opleidingen in aansluiting op de nadere voorwaarden die de commissie heeft gesteld. Deze waarborgen kunnen betrekking hebben op afstemmingsoverleg tussen hogescholen, op de omvang van het aantal studenten, de termijn die daarbij in acht moet worden genomen en op het accommoderen van financiële gevolgen. Bedoelde afstemming dient plaats te vinden in het kader van artikel 6.2 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. Zulke stappen acht ik noodzakelijk om te voorkomen dat er onnodig negatieve effecten optreden uit een oogpunt van een doelmatige taakverdeling tussen de hogescholen en deze stappen moeten nadelige gevolgen voor de bedrijfsvoering van de betrokken hogescholen tegengaan. De uitkomsten van de afstemming zullen door mij worden getoetst. Vervolgens zal ik ter zake een definitieve beslissing nemen en deze in de wet verankeren met inbegrip van de eventueel noodzakelijk te stellen condities.

a. Asian trade management, Hogeschool Rotterdam & Omstreken

In aanvulling op de door de commissie geformuleerde voorwaarden bij regulering van het programma communicatie en cultuur zie ik aanleiding om wat betreft de nieuwe opleiding Asian trade management aan de Hogeschool Rotterdam & Omstreken (HR&O) een nadere afweging te maken. Gelet op het bestaande verwante onderwijsaanbod aan de Ichthus Hogeschool Rotterdam en de Hogeschool voor Economische Studies Rotterdam ben ik van mening dat de HR&O tevoren tot afstemming dient te komen over het volume van de beoogde nieuwe opleiding.

b. Hogeschool Holland

Small business en retail management

Aan de start van de nieuwe opleiding small business en retailmanagement, die ontstaat door omzetting van de programma's algemeen management en consumentenkunde, verbind ik de volgende aanvullende voorwaarde. De hogeschool dient tevoren af te stemmen met de Hogeschool Haarlem over de verdeling van het studentenpotentieel in de regio Groot-Amsterdam.

Communicatie

Over de start van een nieuwe opleiding communicatie, die ontstaat door omzetting van de programma's bedrijfspresentatie, voorlichting, publiciteit en informatie en tekstschrijven, dient tevoren afstemmingsoverleg te worden gevoerd over de opleidingscapaciteit met de hogescholen, die reeds een opleiding communicatie aanbieden, alsmede met de Noordelijke Hogeschool Leeuwarden.

Hoger toeristisch en recreatief onderwijs

P.M. (afhankelijk van de uitkomst van het nader advies van de commissie, zie paragraaf 3.3)

Over de nieuwe opleiding hoger toeristisch en recreatief onderwijs, die ontstaat door omzetting van het programma nationaal toeristisch gids als de afstemming met de minister van Economische Zaken over het aantal opleidingen daartoe aanleiding geeft, dient de hogeschool in overleg te treden met de Nationale Hogeschool voor Toerisme en Verkeer over de capaciteitseffecten voor een periode van ten minste 5 jaar.

c. Voeding en marketing, Hogeschool van Arnhem en Nijmegen

Voorafgaande aan de realisering van de nieuwe opleiding voeding en marketing, die ontstaat door omzetting van het programma voeding en management, dient de hogeschool zich te verstaan met de Hogeschool Limburg en met de Hanzehogeschool, Hogeschool van Groningen over de capaciteit van de opleiding.

d. Facilitaire Dienstverlening, Hogeschool Eindhoven

Over de start van de nieuwe opleiding facilitaire dienstverlening, die ontstaat door de integratie en omzetting van de programma's facility management en toerisme en recreatie, dient de hogeschool tevoren afstemmingsoverleg te voeren over de opleidingscapaciteit met de andere hogescholen, die reeds een opleiding facilitaire dienstverlening verzorgen.

e. Communicatie, Noordelijke Hogeschool Leeuwarden

Over de start van een nieuwe opleiding communicatie dient tevoren afstemmingsoverleg te worden gevoerd over de opleidingscapaciteit. Daarbij moeten worden betrokken de hogescholen, die reeds een opleiding communicatie verzorgen, alsmede de Hogeschool Holland.

Erratum in het advies

De commissie heeft mij 14 november schriftelijk laten weten dat er een onjuistheid is opgetreden in het advies wat betreft de Hogeschool Katholieke Leergangen Tilburg. In de samenvatting op bladzijde 64 moet de uitkomst van de advisering van de programma's met de nummers 6 tot en met 10 negatief zijn en niet, zoals vermeld, positief.

Daarnaast is ten aanzien van de adviezen op bladzijden 38 tot en met 40 betreffende de Hogeschool Katholieke Leergangen Tilburg een verduidelijking vereist. De voorwaarde dat er binnen de stichting Hoger Onderwijs Zuid-Nederland (thans Fontys geheten) sprake blijft van één Croho-registratie heeft uitsluitend betrekking op de Hogeschool Eindhoven en de Hogeschool Katholieke Leergangen Tilburg.


XNoot
1

Zie lijst van ingekomen stukken van 26 november 1996, Handelingen II nr. 11, vergaderjaar 1996–1997.

XNoot
1

Ter inzage gelegd bij de afdeling Parlementaire Documentatie.