25 221
Wijziging van de Kieswet, houdende verlaging van de voorkeurdrempel

25 227
Wijziging van de Kieswet, houdende verlenging van de duur van de stemming tot acht uur 's-avonds alsmede regeling van diverse andere onderwerpen

nr. 9
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN BINNENLANDSE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 20 mei 1997

Op 13 mei jl. vond een gedeelte van de eerste termijn van de mondelinge behandeling over de wetsvoorstellen tot wijziging van de Kieswet inzake verlaging van de voorkeurdrempel en verlenging van de duur van de stemming alsmede regeling van diverse andere onderwerpen (Kamerstukken II 1996–1997, 25 221 en 25 227) plaats. Een aantal van de tijdens deze behandeling gestelde vragen beantwoord ik hierbij reeds schriftelijk.

Verlenging van de duur van de stemming

Mevrouw Nijpels vroeg mij naar betere argumenten om niet tot verlenging van de openingstijden van stembureaus tot 22.00 uur over te gaan. Het lijkt mij toe dat bij openingstijden van 8.00 uur tot 20.00 uur zo goed als iedere kiezer in de gelegenheid is, zijn of haar stem uit te brengen. Daarnaast bestaat de mogelijkheid om bij volmacht te stemmen of met een kiezerspas in een stembureau naar keuze en verplicht de Kieswet een werkgever om diens werknemer maximaal twee uur vrij te geven indien de werknemer anders niet in staat is om zijn of haar stem uit te brengen. Dit in aanmerking nemende in combinatie met het feit dat een langere openingstijd van de stembureaus praktische bezwaren met zich brengt zoals in de schriftelijke stukken is aangegeven, heeft mij ertoe gebracht een verlenging van de stemming tot 20.00 uur voor te stellen.

Soepeler regeling datum verkiezingen

De heer Schutte vroeg welke zekerheid de formulering van het voorgestelde derde lid van artikel F 3 biedt dat de Biddag voor gewas en arbeid een zwaarwichtige reden vormt om de verkiezingsdatum te verschuiven zolang voor een belangrijk deel van de bevolking het samenvallen van de stemming met de Biddag voor gewas en arbeid als bezwaarlijk wordt ervaren. De regeling van de Kieswet dat de dag van de stemming kan worden verschoven om zwaarwichtige redenen die verband houden met de dag van de stemming biedt bewust geen zekerheid dat tot in lengte van jaren het oordeel over wat een zwaarwichtige reden is, gelijk blijft. Vooralsnog lijkt het mij vrij zeker dat het samenvallen met de Biddag voor gewas en arbeid en de uit de Kieswet voortvloeiende dag van de stemming als zwaarwichtige reden zal worden aangemerkt om die laatste datum te verschuiven. Ik kan mij echter voorstellen dat er op enig moment, een moment dat ik overigens niet voorzie, een situatie kan ontstaan dat het samenvallen van de Biddag voor gewas en arbeid en de stemming voor een zo gering deel van de bevolking als bezwaarlijk wordt ervaren dat dit geen zwaarwichtige reden meer is om de dag van de stemming te verschuiven.

Maatregelen tegen lichtvaardige kandidaatstelling

De heer Van den Berg doet de suggestie na te denken over een versoepeling van de verplichting om de ondersteuningsverklaring op het gemeentehuis te ondertekenen in de week voorafgaande aan de dag van kandidaatstelling. Hij wijst er op dat mensen zich hiervoor moeten vrijmaken, waardoor de feitelijke mogelijkheden wellicht al beperkt worden. In reactie hierop merk ik op dat naar aanleiding van onregelmatigheden bij de gemeenteraads- en Tweede-Kamerverkiezingen van 1986 en bij de provinciale-statenverkiezingen van 1987 in de Kieswet 1989 de verplichting is opgenomen om de ondersteuningsverklaring ter gemeentesecretarie te ondertekenen. Bij de verkiezingen van 1986 werden bijvoorbeeld namen en adressen uit het telefoonboek overgenomen, waarbij vervolgens een fictieve handtekening werd geplaatst. Van eerdere verkiezingen was al bekend dat onder valse voorwendselen handtekeningen werden verzameld. Ik hecht er dan ook zeer aan dat de ondertekening van de ondersteuningsverklaringen plaatsvindt op het gemeentehuis. Partijen kunnen wel ruim voorafgaand aan deze week personen benaderen om ondersteuningsverklaringen te tekenen. Formulieren kunnen van te voren worden uitgereikt zodat ondersteunende kiezers deze reeds thuis kunnen bekijken. In de week voorafgaand aan de kandidaatstelling behoeven zij dan nog uitsluitend naar het gemeentehuis voor het plaatsen van een handtekening en de verificatie als kiezer.

Mevrouw Oedayrai Singh Varma vraagt mij waarom deelname van een groot aantal partijen het geheel onoverzichtelijk maakt voor de kiezers. Voor wat betreft de aantasting van het stemgeheim doet zij de suggestie van gordijntjes voor de stemlokalen. Naar mijn mening doet deelname van een groot aantal partijen aan de verkiezingen, inderdaad afbreuk aan de overzichtelijkheid voor de kiezer. Deze wordt dan geconfronteerd met een onhanteerbaar stembiljet waarop een niet te overzien aantal namen van kandidaten is geplaatst. Uiteraard moet het passief kiesrecht niet worden aangetast. Dit betekent echter niet dat niet van te voren mag worden gevraagd van een nog niet vertegenwoordigde groepering om aan te tonen dat zij een redelijk aantal kiezers achter zich heeft weten te scharen. Elke groepering die dat kan aantonen kan aan de verkiezingen deelnemen. Op deze wijze wordt voorkomen dat groeperingen die volstrekt geen kans maken op een zetel, aan de verkiezingen deelnemen. Met angst voor versnippering heeft dit voorstel dan ook niets te maken. Met het vereiste van een behoorlijk aantal ondersteuningsverklaringen wijkt Nederland overigens niet af van andere democratische staten. Tevens wijs ik er op dat tot 1989 een aantal van 25 ondersteuningsverklaringen gold.

Voor wat betreft haar suggestie van gordijntjes voor de stemhokjes, wijs ik er op dat de Kieswet dit niet toestaat. Artikel J 16, tweede lid, van de Kieswet bepaalt dat de toegang van de stemhokjes zichtbaar moet zijn voor het publiek. Reden hiervoor is dat het verloop van de stemming een openlijke en controleerbare aangelegenheid moet zijn.

Mevrouw Nijpels doet de suggestie om twee ondersteuningsverklaringen van zittende vertegenwoordigers of tien ondersteuningsverklaringen van kiezers verplicht te stellen. Van deze regeling ben ik geen voorstander. Het gaat er immers niet om dat kandidatenlijsten worden ondersteund door reeds gekozen volksvertegenwoordigers, maar dat deze worden ondersteund door kiezers die bevoegd zijn om in de betreffende kieskring aan de stemming deel te nemen. Aldus wordt aannemelijk gemaakt dat een behoorlijk aantal kiezers achter de lijst staat en deze lijst kans maakt een zetel te behalen.

Faciliteiten voor afgesplitste groeperingen

Mevrouw Nijpels heeft voorgesteld om volksvertegenwoordigers die op eigen kracht een zetel hebben behaald, maar geen deel meer uitmaken van een na de verkiezingen gevormde fractie, bij de volgende verkiezingen dezelfde rechten toe te kennen als aan zittende fracties. De Kieswet kent groeperingen die bij de laatstgehouden verkiezingen voor het desbetreffende vertegenwoordigende orgaan een of meer zetels hebben behaald en met een aanduiding boven de lijst aan die verkiezingen hebben deelgenomen, enkele faciliteiten toe indien zij aan de eerstvolgende verkiezingen opnieuw deelnemen met de aanduiding boven de lijst. Ratio van de toekenning van faciliteiten is dat groeperingen die bij de laatstgehouden verkiezingen een zetel hebben behaald, hebben «bewezen» dat zij tot het halen van een zetel in staat zijn, en dat er daarom geen reden bestaat om voor deze groeperingen drempels tegen lichtvaardige deelname aan de verkiezingen op te werpen. Het vereiste van de aanduiding boven de lijst is om te voorkomen dat er discussie ontstaat over de vraag of de partij die aanspraak maakt op de faciliteiten inderdaad de partij is die met succes aan de laatste verkiezingen heeft deelgenomen. Alleen op die wijze kan daarover geen misverstand bestaan. Ik voel er dan ook niet voor om van dit vereiste af te zien, in geval van splitsing van fracties. Nu reeds kan voorzien worden dat dit onder omstandigheden onduidelijkheid met zich kan brengen. Overigens wijs ik er op dat in het wetsvoorstel geen bepalingen zijn opgenomen met betrekking tot faciliteiten voor zittende groeperingen. Het gaat in mijn ogen dan ook te ver om nu tijdens de mondelinge behandeling, aan bepalingen van andere aard dan waarvan nu wijzigingen wordt voorgesteld, veranderingen te gaan aanbrengen. In relatie hiermee voel ik er ook niet voor om centrale kandidaatstelling mogelijk te maken voor afgesplitste groeperingen, zoals mevrouw Nijpels bij amendement voorstelt. Centrale kandidaatstelling voor zittende groeperingen die met een aanduiding boven de lijst aan de vorige verkiezingen hebben deelgenomen is mogelijk gemaakt, mede omdat deze groeperingen geen ondersteuningsverklaringen behoeven in te dienen. De administratieve belasting voor het hoofdstembureau van de gemeente Den Haag wordt te groot, indien zij ondersteuningsverklaringen van alle kieskringen moet gaan beoordelen. Dit behoort plaats te vinden op het niveau van de desbetreffende kieskring.

Mevrouw Nijpels vroeg voorts of er een verband bestaat tussen het vereiste van de verhoging van het aantal ondersteuningsverklaringen en de bestrijding van extremisme en discriminatie. Dit is niet het geval. Zoals in de memorie van toelichting is aangegeven dient de verhoging van het aantal ondersteuningsverklaringen ertoe een hogere drempel op te werpen tegen kandidaatstelling door groeperingen die onvoldoende aanhang hebben onder de kiezers. Wat de doelstellingen van die groeperingen zijn, doet er niet toe. Mevrouw Nijpels verwijst in dit verband naar de brief van Minister Dijkstal over de aanpak van rechts-extremisme d.d. 10 april 1997. In deze brief wordt inderdaad gewezen op het voorstel tot verhoging van het aantal ondersteuningsverklaringen en wordt gesteld dat dit tot gevolg kan hebben dat deelname aan de verkiezingen voor sommige rechts-extremistische partijen onmogelijk wordt. Nadrukkelijk wordt evenwel opgemerkt dat het wetsvoorstel hierop niet is gericht. Mevrouw Nijpels spreekt over een aperte fout in die brief. Wellicht doelt zij op het feit dat ten onrechte wordt aangegeven dat er 16 nieuwe partijen aan de laatstgehouden Tweede-Kamerverkiezingen hebben deelgenomen, terwijl dit er 17 waren. Dat gesproken wordt over een verhoging van het aantal ondersteuningsverklaringen tot 50 voor alle verkiezingen behalve voor die van raden van gemeenten met minder dan 10 000 inwoners laat zich verklaren uit het feit dat toen de brief werd verzonden, het conceptwetsvoorstel nog een dergelijke regeling bevatte. In een later stadium is dit gewijzigd.

Zendtijd voor politieke groeperingen

Verder vroeg mevrouw Nijpels of het niet wenselijk zou zijn zendtijd ook toe te kennen aan groeperingen die niet in alle kieskringen een lijst hebben ingediend, maar in bijvoorbeeld ¾ van het aantal kieskringen. De toekenning van zendtijd aan politieke partijen is niet geregeld in de Kieswet maar in mediaregelgeving en valt onder verantwoordelijkheid van de Minister van Onderwijs Cultuur en Wetenschappen. Ik wijs er op dat bij de toekenning van zendtijd altijd criteria nodig zijn. Het huidige criterium, namelijk dat een lijst moet zijn ingediend in alle kieskringen, acht ik zeer wel verdedigbaar. Via zendtijd voor radio en televisie worden kiezers in het gehele land bereikt en aangesproken. Het zou onduidelijkheid in de hand werken indien kiezers door de uitzending van een politieke partij met het oog op de Tweede-Kamerverkiezingen, zich door die uitzending voornemen op de desbetreffende partij te gaan stemmen en in het stemlokaal tot de ontdekking komen dat dat niet mogelijk is, omdat de partij in zijn of haar kieskring niet aan de verkiezingen blijkt deel te nemen.

Naar ik hoop zijn met het bovenstaande de hier behandelde vragen afdoende beantwoord.

De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken,

J. Kohnstamm

Naar boven