nr. 5
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG
Met belangstelling heb ik kennis genomen van het verslag dat de vaste
commissie voor Binnenlandse Zaken heeft uitgebracht over het onderhavige wetsvoorstel.
Het doet ons genoegen dat de leden van de VVD-fractie geheel kunnen instemmen
met de doelstelling van het wetsvoorstel. De leden van deze fractie hadden
evenwel nog enkele vragen evenals de leden van de CDA-fractie.
De terugwerkende kracht van het wetsvoorstel tot en met 1 maart 1996 heeft
bij de leden van de CDA-fractie de vraag opgeroepen waarom het wetsvoorstel
zo lang op zich heeft laten wachten. Ook vroegen deze leden naar de geldigheidsduur
van het wetsvoorstel. Bij het Besluit heffing scholing en vorming OR-leden
bij de overheid 1996–1997 is namelijk een heffing opgelegd voor de periode
1 maart 1996 tot 1 mei 1997. Tot slot vroegen zij of het wetsvoorstel ook
geldt voor de nog in te voeren structurele regeling.
Zoals in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel is aangegeven,
is bij het Besluit heffing scholing en vorming OR-leden bij de overheid 1996–1997
de zorg voor de inning van de heffing aan het FAOP opgedragen. Het tijdelijk
karakter van dit besluit en van de opdracht aan het FAOP, noopte toentertijd
niet tot formalisering van deze taak.
Nu echter het voornemen bestaat om ook in de nog in te voeren structurele
regeling de zorg voor de inning van de heffing weer aan het FAOP op te dragen,
dus een structureel karakter wordt gegeven aan de taak van het FAOP in het
kader van de heffing, is formalisering geboden. Aangezien er toch een wettelijke
grondslag wordt gegeven aan de taak, is ervoor gekozen om deze wettelijke
grondslag zich ook te laten uitstrekken over de zorg voor de inning van de
tijdelijke heffing. Vandaar de terugwerkende kracht tot 1 maart 1996.
Wat de geldigheidsduur van het wetsvoorstel betreft, wil ik wijzen op
het op 27 maart 1997 ingediende wetsvoorstel Overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen
(OOW) (Kamerstukken II, 1996/97, 25 282). In artikel 66 van dat wetsvoorstel
wordt voorgesteld om het FAOP per 1 januari 1998 op te heffen in verband met
de van toepassing verklaring van de werknemersverzekeringen op het overheidspersoneel.
Met de opheffing eindigt ook de taak in het kader van de heffing.
De leden van de VVD-fractie is het opgevallen dat in het wetsvoorstel
wordt gesproken van een situatie waarin het overheidspersoneel nog niet onder
de werknemersverzekeringen valt en dat wordt uitgegaan van een uitvoeringssituatie,
zoals die bestond onder de vorige Organisatiewet sociale verzekeringen, waarin
nog sprake was van bedrijfsverenigingen. De leden van de VVD-fractie vernemen
dan ook graag hoe en wanneer de in het onderhavige wetsvoorstel voorgestane
tenuitvoerlegging wordt aangepast op de nieuwe structurele situatie.
In het onderhavige wetsvoorstel is gesproken over een situatie waarin
de werknemersverzekeringen nog niet van toepassing zijn op het overheidspersoneel
omdat van een dergelijke situatie pas sprake zal zijn op 1 januari 1998 (zie
wetsvoorstel OOW). Verder is in het wetsvoorstel uitgegaan van een uitvoeringssituatie
zoals die bestond onder de Organisatiewet sociale verzekeringen omdat ten
tijde van de indiening van het wetsvoorstel de Invoeringswet Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997, waarin de zorg voor de inning van de heffing van
de marktsector is opgedragen aan het Landelijk instituut sociale verzekeringen,
nog niet tot wet was verheven.
Zoals eerder opgemerkt wordt het FAOP per 1 januari 1998, bij de van toepassing
verklaring van de werknemersverzekeringen op het overheidspersoneel, opgeheven.
De heffing voor de overheidssector zal met ingang van die datum door een andere
instantie moeten worden geïnd. Thans onderzoek ik of het mogelijk is
om de inning van de heffing ook te laten geschieden door het Landelijk instituut
sociale verzekeringen.
De Minister van Binnenlandse Zaken,
H. F. Dijkstal