25 205
Rijksrekening 1994

nr. 1
BRIEF VAN DE MINISTER VAN FINANCIËN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 27 januari 1997

1. Aanbieding van de Rijksrekening en de Rijkssaldibalans 1994

Op grond van artikel 68, derde lid van de Comptabiliteitswet, zoals dit luidde na de Vijfde wijziging van die wet (Stb. 1992, 351), leg ik u hierbij de Rijksrekening 1994 over ter verlening van decharge.1 Tevens doe ik u de Rijkssaldibalans per 31 december 1994 ter informatie toekomen.1 De rekening en saldibalans zijn door de Algemene Rekenkamer (AR) goedgekeurd en bij brief dd. 6 januari 1997, nr. 1204R, aan mij toegestuurd. Die brief doe ik u hierbij als bijlage 2 toekomen.1

2. Voortgang verantwoordingsprocedure 1994

De verantwoordingsprocedure hield voor het jaar 1994 het volgende in:

a. opstelling van de departementale rekeningen en de departementale saldibalansen uiterlijk op 1 mei 1995;

b. aanbieding van die rekeningen en saldibalansen ter onderzoek aan de AR uiterlijk op 1 juni 1995;

c. afronding van het AR-onderzoek uiterlijk op 1 september 1995;

d. indiening van de geïntegreerde slotwetten/rekeningen 1994 bij de Tweede Kamer uiterlijk op prinsjesdag 1995 (met als bijlagen de rapporten van het AR-onderzoek);

e. na vaststelling van alle slotwetten, het opstellen van de Rijks- rekening en Rijkssaldibalans, het aanbieden van die verantwoordingsstukken ter goedkeuring aan de AR en na goedkeuring het overleggen ervan aan de Staten-Generaal.

De data, genoemd onder a, b, c en d , konden alle worden gerespecteerd.

Nadat de laatste slotwet 1994 door de Staten-Generaal was vastgesteld en in het staatsblad was verschenen, zijn dezerzijds de Rijksrekening en de Rijkssaldibalans opgesteld. Op 19 juli 1996 zijn deze verantwoordingsstukken ter goedkeuring aan de AR aangeboden.

Zoals hiervoor gemeld, zond de AR vervolgens de goedgekeurde Rijksrekening en de goedgekeurde Rijkssaldibalans op 6 januari 1997 aan mij toe.

3. Conclusies van de AR

De AR concludeert dat, het geheel overziende, haar goedkeuring van de Rijksrekening en van de Rijkssaldibalans moet worden verstaan als een oordeel dat de Rijksrekening en de Rijkssaldibalans, ondanks de geconstateerde onzekerheden en onrechtmatigheden, aanvaardbaar zijn als verantwoordingsdocumenten van de regering.

Wat betreft de onzekerheden en onrechtmatigheden die zijn geconstateerd in de Rijksrekening (totaal van de begrotingshoofdstukken) blijkt uit de eerste tabel in de brief van de AR van 6 januari 1997 en de daarbij gegeven toelichting, dat deze bij de ontvangsten 1,3% en bij de uitgaven 3,0% hebben bedragen; bij de verplichtingen waren geen onzekerheden en zijn geen onrechtmatigheden geconstateerd.

Hoewel dit niet uit de gegevens in de brief van de AR blijkt, betekent dit voor de uitgaven een verdere vooruitgang ten opzichte van de voorgaande jaren (van 5,7 naar 3,0%). Voor het jaar 1994 bestaat over 97,0% van de uitgaven een redelijke zekerheid dat deze rechtmatig en volledig in de rekening zijn verantwoord; in 1993, 1992 en 1991 was dat percentage respectievelijk 94,3, 91,4 en 89,3; derhalve een voortgaande verbetering.

Voor de ontvangsten is er sprake van een lichte verslechtering ten opzichte van 1993 (van 0,1 naar 1,3% onvolledigheid). Dit hangt samen met het feit, dat de Rekenkamer een overboeking van de begroting van V&W naar het Fonds Economische Structuurversterking (FES) van ruim 2,2 mrd. niet rechtmatig heeft beschouwd. Deze overboeking had betrekking op het aandeel uit de opbrengst van de verkoop van de aandelen KPN dat in het FES zou worden gestort. Op het moment dat dit plaatsvond, had het FES nog geen wettelijke grondslag. Inmiddels is de Instellingswet van het FES in het Staatsblad verschenen en werkt de wet met voldoende kracht terug. Hiermee is het onrechtmatige karakter van deze ontvangstenpost weggenomen (zie ook Kamerstukken II, 24 275, nr. 2, blz. 25/26).

Voor het totaal van de uitgaven van de Begrotingsfondsen bestaat over 98,0% een redelijke zekerheid dat deze rechtmatig en volledig in de rekening 1994 zijn verantwoord; voor de ontvangsten was dit 100%. In 1993 waren deze percentages respectievelijk 92,3 en 99,9; ook hier derhalve een voortgaande verbetering.

Wat betreft de onzekerheden ten aanzien van de juistheid van de in de Rijkssaldibalans verantwoorde bedragen blijkt, dat deze absoluut bezien betrekking hadden op een bedrag van in totaal f 3 619,2 mln.; procentueel bezien is dit verwaarloosbaar (0,2%) (1993: f 1 360,5 mln. = 0,1%). Dat geldt ook voor het bedrag van in totaal f 507,7 mln. (0,0%) (1993: f 10 853,3 mln. = 1,0%), waarvan de Rekenkamer de onvolledigheid heeft vastgesteld, dan wel waaromtrent zij geen zekerheid heeft kunnen verkrijgen.

De oorzaken van de – al met al geringe – fouten en onzekerheden, die in hoofdzaak lagen in de tekortkomingen in de administratieve organisatie en het ontbreken van een wettelijke grondslag, stonden voor de AR een positief oordeel over de financiële verantwoordingen niet in de weg.

De AR maakt apart melding van het feit, dat in de verantwoordingen van de vier agentschappen (IND, DCC, Senter en PD) geen belangrijke fouten of onzekerheden zijn aangetroffen.

Met betrekking tot het gevoerde financieel beheer bij de productgroep Uitkeringen Onderwijspersoneel van de Informatie Beheer Groep had de AR een – na correspondentie met de minister van OCW gehandhaafd – bezwaar ex artikel 56, derde lid, van de Comptabiliteitswet. De minister van OCW heeft daarop op 3 oktober 1995 een voorstel van wet tot opheffing van bezwaar aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal gezonden (Indemniteitswet). Bij de wet van 19 februari 1996 (Stb. 1996, 173) is dit bezwaar opgeheven.

Naar aanleiding van de constatering door de AR dat aan de administratieve organisatie op vrijwel elk departement nog het nodige te verbeteren valt, merk ik nog op, dat blijvende aandacht van de zijde van de regering geboden is voor een goed functionerende administratieve organisatie bij de departementen. Daar waar structurele tekortkomingen worden geconstateerd, zullen maatregelen worden getroffen ter verbetering. De AR maakt overigens geen melding van structurele tekortkomingen.

4. Opheffing AR-voorbehoud voor goedkeuring financiële verantwoording 1994

In de verklaring van goedkeuring van de AR bij de financiële verantwoording 1995 van het Rijk is een voorbehoud opgenomen voor de goedkeuring van de financiële verantwoording 1994 van het Rijk. De AR heeft thans in haar brief van 6 januari 1997 (bijlage 2; 2e alinea op blz. 5) meegedeeld, dat uit het onderzoek ten behoeve van de goedkeuring 1994 geen belemmeringen voor de goedkeuring zijn geconstateerd, zodat daarmee dat voorbehoud in de verklaring van goedkeuring 1995 is opgeheven.

5. Verzoek om dechargeverlening

Gegeven het oordeel van de AR dat de Rijksrekening 1994 en de Rijkssaldibalans per 31 december 1994 als verantwoordingsdocumenten van de regering aanvaardbaar zijn, stel ik het op prijs indien de beide Kamers der Staten-Generaal aan de hand van de bijgevoegde financiële verantwoording van het Rijk over 1994, de regering voor dat jaar door middel van een daartoe strekkend besluit decharge zouden verlenen over het gevoerde financiële beheer in 1994.

6. Bijlagen

Deze brief bevat een aantal bijlagen, te weten:

– bijlage 1: de Rijksrekening 1994 en de Rijkssaldibalans per 31 december 19941;

– bijlage 2: de brief van 6 januari 1997, nr. 1204R, van de AR, waarmee zij de goedgekeurde Rijksrekening en Rijkssaldibalans aan mij heeft toegezonden;

– bijlage 3: de aansluiting tussen het financieringstekort, opgenomen in de Voorlopige Rekening 1994, en het saldo van de Rijksrekening 1994.

De Minister van Financiën,

G. Zalm

BIJLAGE 3

BIJ BRIEF B97/011U

Toelichting bij het saldo van de Rijksrekening 1994

Het gerealiseerde negatieve saldo van de Rijksrekening 1994 komt uit op f 4 286,2 mln. (zie onderdeel 1.3 van de Rijksrekening). De aansluiting met het eerder in bijlage 1 van de Voorlopige Rekening 1994 (Kamerstukken II, 24 104, nr. 1) gemelde feitelijke financieringsoverschot van f 2 767,0 mln. is als volgt (bedragen in miljoenen guldens).

Financieringsoverschot vlg. Voorlopige Rekening2 767,0
– Correctie positieve mutatie saldo Derdenrekening– 1 586,2
 1 180,8
Overige correcties:  
– aflossing staatsschuld– 43 956,4
– opbrengst uitgifte staatsschuld+ 38 516,4
– saldo portefeuille staatsschuld– 39,0
– saldo aan-/ontmuntingen+ 12,0
Saldo Rijksrekening– 4 286,2

XNoot
1

Ter inzage gelegd bij de afdeling Parlementaire Documentatie.

XNoot
1

Origineel aan TK, in kopie aan EK.

Naar boven