nr. 3
MEMORIE VAN TOELICHTING
Dit voorstel van wet voorziet in een nieuwe bekostigingssystematiek voor
het GBA-stelsel. Over het wetsvoorstel zijn adviezen ingewonnen van de Algemene
Rekenkamer (advies van 8 januari 1996, kenmerk 15R) en de Raad voor de gemeentefinanciën
(advies van 1 december 1995, Rgf 02.20/006 003).
In het huidige artikel 5 van de Wet GBA is op hoofdlijnen het stelsel
van verrekening van de kosten van instandhouding van het netwerk over de verschillende
participanten neergelegd. Uitgangspunt van deze bepaling is een kostendekkende
toerekening van deze kosten aan de participanten, te weten het Rijk, de gemeenten,
de afnemers waarvan de uitgaven niet worden opgenomen in de begroting van
een ministerie (niet-rijksafnemers), het ABP en de bijzondere derden. De verrekening
van de kosten is gebonden aan een aantal voorwaarden. Niet-rijksafnemers en
bijzondere derden betalen een bijdrage die wordt vastgesteld op basis van
de kosten die samenhangen met de berichten die door de betrokkene over het
netwerk zijn verzonden of ontvangen. De gemeenten dragen een derde deel van
de kosten van de instandhouding van het netwerk, die resteren na aftrek van
de bijdragen van niet-rijksafnemers en bijzondere derden. Het Rijk draagt
het resterende (twee derde) deel.
Wijziging van het huidige stelsel van financiering van de instandhouding
van het netwerk zoals dat is neergelegd in artikel 5 van de Wet GBA is nodig,
omdat met betrekking tot het huidige financieringsmodel een aantal knelpunten
is gesignaleerd. Deze knelpunten zijn bevestigd door een evaluatie-onderzoek
van een extern adviesbureau.1 Tijdens de parlementaire
behandeling van het voorstel van wet GBA in de Tweede Kamer2 was deze evaluatie van het financieringsmodel reeds aangekondigd.
Een van de knelpunten is, zo blijkt uit de evaluatie, het feit dat de componenten
van de kosten alsmede de verdeling van de kosten tussen de categoriën
van gebruikers van de GBA op het niveau van de wet in formele zin zijn vastgelegd.
Op deze wijze is, aldus het evaluatierapport, het stelsel niet flexibel genoeg.
Als voorbeeld wordt genoemd, dat het in de wet verankerde onderscheid tussen
rijks- en niet-rijksafnemers voor wat betreft de verdeling van de kosten in
de praktijk tot problemen leidt bij verzelfstandiging van onderdelen van het
Rijk.
Voorgesteld wordt nu om de regeling zodanig aan te passen dat de gesignaleerde
knelpunten zoveel mogelijk worden weggenomen en dat de regeling wordt geflexibiliseerd.
Daarbij gelden als uitgangspunten: kostendekkendheid van de bijdragen, betaling
naar gevraagde prestatie en inzichtelijkheid van het financieringsmodel.
De Raad voor de gemeentefinanciën kan zich blijkens zijn advies dienaangaande
vinden in het voorstel tot wijziging van artikel 5 van de Wet GBA.
Het eerste lid van het voorgestelde artikel 5 geeft de kring aan van instanties
die in aanmerking komen om bij te dragen in de kosten van het GBA-stelsel.
Daaronder zijn de gebruikers van het GBA-stelsel in het algemeen en van het
GBA-netwerk in het bijzonder. Ten opzichte van het huidige artikel 5, eerste
lid, is het onderscheid tussen de zogenoemde rijks- en niet-rijksafnemers
komen te vervallen. Op de redenen daarvoor is hierboven reeds ingegaan. Het
genoemde onderscheid is bovendien op deze plaats niet meer noodzakelijk, omdat
de grondslag voor de verdeling van de kosten niet langer op het niveau van
de wet wordt geregeld, maar – eventueel afhankelijk van de categorie
van kosten – bij algemene maatregel van bestuur zal worden bepaald.
In reactie op het advies van de Algemene Rekenkamer zij erop gewezen dat de
Minister van Binnenlandse Zaken de voordracht zal doen voor een dergelijke
algemene maatregel van bestuur, en uit dien hoofde per definitie is betrokken
bij de vaststelling ervan.
In het tweede lid wordt voorgeschreven dat bijdragen worden verstrekt
in de kosten van de uitvoering van de wet. Tot die kosten behoren ten minste
de kosten van het netwerk in verband met de verzending en de ontvangst van
berichten over het netwerk en de kosten van het beheer van het stelsel van
gemeentelijke basisadministraties persoonsgegevens. Uit de evaluatie van het
financieringsmodel is naar voren gekomen dat het wenselijk kan zijn ook andere
kostencategoriën door te berekenen aan de veroorzaker. Daarbij wordt
als voorbeeld genoemd de mogelijkheid om van afnemers een bijdrage te vragen
in de (extra) kosten die gemeenten moeten maken om gegevens te verstrekken
op zogenoemde alternatieve media, dat wil zeggen op magneetband of magneetschijf
in plaats van over het GBA-netwerk. Op verschillende plaatsen in de Wet GBA
is reeds de mogelijkheid opgenomen om in bepaalde gevallen ook andere categoriën
van kosten dan netwerkkosten in rekening te brengen. Hierbij is te denken
aan de vergoeding van kosten in verband met door het Rijk verplichte wijzigingen
in de technische en administratieve inrichting en werking van de gemeentelijke
basisadministraties (artikel 6, derde lid, Wet GBA) en de vergoeding van kosten
die samenhangen met de verstrekking van gegevens in verband met de afstemming
van de gegevens van de afnemer op de gegevens in de basisadministraties (artikel
95, tweede en derde lid, Wet GBA).
In verband met de gewenste flexibiliteit is er voor gekozen om niet alle
mogelijke categoriën van kosten in de Wet GBA te noemen, maar alleen
de belangrijkste. De overige worden bij algemene maatregel van bestuur vastgesteld.
De grondslagen voor de verdeling van de kosten over de verschillende,
in het eerste lid genoemde, betrokkenen zijn in het voorgestelde financieringsstelsel
niet langer in de wet vastgelegd. Uit de evaluatie bleek namelijk niet alleen
dat de huidige verdeling tussen rijks- en niet-rijksafnemers in de praktijk
voor verrekeningsproblemen zorgt, maar tevens dat de verhouding tussen de
bijdragen van de verschillende categoriën van betrokkenen niet in overeenstemming
is met het feitelijk gebruik per categorie van het GBA-netwerk. De verdeling
van het resterend exploitatietekort van het netwerk (een derde voor rekening
van de gemeenten, twee derde voor rekening van het Rijk), vastgelegd op het
niveau van een wet in formele zin, blijkt het voortdurende risico in te houden dat het stelsel onrechtvaardige effecten te zien geeft. Teneinde
meer recht te doen aan het uitgangspunt dat in beginsel de veroorzaker de
kosten draagt, wordt voorgesteld de grondslagen van de bijdragen van de betrokkenen –
waar nodig gedifferentieerd per kostencategorie – bij algemene maatregel
van bestuur vast te stellen (artikel 5, derde lid).
De in het verleden tussen de Ministers van Binnenlandse Zaken en van Economische
Zaken gemaakte afspraken inzake de onderlinge verrekening van de bijdrage
van het Centraal Bureau voor de Statistiek blijven gehandhaafd.
Het vierde en het vijfde lid van artikel 5, zoals thans voorgesteld, komen
overeen met de tekst van het tweede respectievelijk zesde lid van de huidige
bepaling.
De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken,
J. Kohnstamm