25 180
Partiële herziening Planologische Kernbeslissing Nationaal Ruimtelijk Beleid

nr. 98
DEEL 3D: KABINETSSTANDPUNT NA VERWERKING VAN DE OP 15 DECEMBER 1998 DOOR DE TWEEDE KAMER AANGENOMEN MOTIES1

1. Inleiding

In 1993 is de Planologische Kernbeslissing Nationaal Ruimtelijk Beleid (PKB-NRB) neergelegd in de Vierde nota ruimtelijke ordening Extra (Vinex). Hierin zijn de hoofdlijnen van het ruimtelijk beleid uitgezet voor de periode tot 2015.

In Vinex zijn voor het onderdeel verstedelijking in de hoofdlijnen uitgewerkt tot concrete maatregelen voor de eerste helft van die periode, de periode tot het jaar 2005. Op dit deel van de PKB zijn uitvoeringsconvenanten gebaseerd die door het rijk zijn gesloten met provincies en kaderwetgebieden.

De partiële herziening van de PKB, waarvan deel 3b nu voor u ligt, heeft betrekking op de verstedelijking in de periode 2005–2010. De hoofdlijnen van het beleid blijven daarbij ongewijzigd, maar worden wel op enkele punten aangevuld. De Nota van Toelichting, behorende bij de PKB, bevat een weergave van de achtergronden en de overwegingen die tot de aanvullingen hebben geleid.

Voor het jaar 2000 zal door het kabinet een Vijfde Nota over de Ruimtelijke Ordening worden voorbereid. Deze Nota vormt het ruimtelijk kader voor besluiten over nieuwe grote investeringsprojecten. De gebiedsuitwerkingen die in de Actualisering Vinex worden aangekondigd, vormen bouwstenen voor de Vijfde Nota.

In deze PKB-tekst wordt het kabinetsstandpunt ten aanzien van de partiële herziening beschreven. Daarbij is rekening gehouden met de resultaten van het bestuurlijk overleg en inspraak naar aanleiding van het ontwerp zoals die in deel 2, «Reacties op het ontwerp», zijn beschreven.

Bovendien zijn in deze PKB de resultaten van het overleg met de Tweede kamer over de Nota Randstad en Groene Hart verwerkt. Deze betreffen zowel de versterking van het beleid gericht op het Groene Hart als de nadere gebiedsuitwerkingen van (de verstedelijking op) de Randstadring. In de PKB zijn daartoe respectievelijk een aanwijzing van het Groene Hart als Nationaal Landschap en een beschrijving van de rijksuitgangspunten voor de gebiedsuitwerkingen opgenomen.

Daarnaast is in deze PKB, mede op basis van reacties op het ontwerp, het bufferzonebeleid nader bijgesteld.

Bij parlementaire goedkeuring van deze partiële herziening zullen de daarin opgenomen aanvullingen en wijzigingen tezamen met de ongewijzigde delen uit de vigerende PKB-NRB worden opgenomen in deel 4. Deel 4 zal daarmee uit de complete, door de herziening aangepaste, PKB-tekst bestaan.

Hierna worden de wijzigingen op de vigerende PKB weergegeven. De vigerende tekst zelf wordt niet herhaald, maar ter verduidelijking is de context van de betreffende passage aangegeven. De (gehandhaafde) context is normaal afgedrukt en de aanvullingen zijn vet gedrukt. De aanvullingen in de partiële herziening betreffen:

Aanvullingen op de PKB-NRB:
onderwerpplaats in PKB-NRB
  
Open ruimtenHoofdstuk II. Uitgangspunten van beleid, 2. Ruimtelijke Hoofdstructuur
  
BundelingHoofdstuk II. Uitgangspunten van beleid, 2. Ruimtelijke Hoofdstructuur.
  
BufferzonesHoofdstuk II. Uitgangspunten van beleid, Ruimtelijke Hoofdstructuur
  
Nieuwe sleutelprojectenHoofdstuk II. Uitgangspunten van beleid, 3. Doorwerking
  
Cultuurhistorische waardenHoofdstuk III. Beleidskeuzen voor de Dagelijkse Leefomgeving
  
Recreatieve groenvoorzieningenHoofdstuk III. Beleidskeuze voor de Dagelijkse Leefomgeving, 1. Stedelijk gebied.
  
Multimodale bereikbaarheid van bedrijfsterreinenHoofdstuk III. Beleidskeuzen voor de Dagelijkse Leefomgeving, 2. Geleiding van de Mobiliteit
  
Infrastructuur RandstadHoofdstuk IV. Beleidskeuzen voor het Ruimtelijk Ontwikkelingsperspectief, 4. Randstad
  
Groene HartHoofdstuk IV. Beleidskeuzen voor het Ruimtelijk Ontwikkelingsperspectief, 4. Randstad
  
Uitgangspunten gebiedsuitwerkingenHoofdstuk V: Regionale Beleidsuitspraken: 5.3. De Randstad
  
Verstedelijkingsopgave 2005–2010Hoofdstuk V. Regionale Beleidsuitspraken, bij de verschillende landsdelen onder paragraaf f/g.
  
Teksten van de PKB-NRB die vervallen:
Verstedelijkingsuitspraken na 2005Hoofdstuk V. Regionale Beleidsuitspraken, landsdeel West, paragraaf f.

Sommige beslissingen in deze PKB zijn van zodanig gewicht voor de richting van het ruimtelijk beleid, dat bij wijziging ervan de PKB-procedure moet worden doorlopen. Deze beslissingen van wezenlijk belang, als bedoeld in art 3. tweede lid, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 zijn in een geel vlak aangegeven. Ook de op de kaarten in de PKB-herziening aangegeven beleidsinformatie wordt aangemerkt als beslissing van wezenlijk belang.

De rijksoverheid zal bij haar beleid de beslissingen in deze PKB als uitgangspunt nemen.

Provincies en gemeenten wordt gevraagd in hun beleid rekening te houden met de inhoud van deze PKB; het rijk zal de PKB-herziening gebruiken als basis voor de beoordeling van het beleid van die andere overheden.

De aanwijzing van een aantal bufferzones (op de PKB-Bufferzonekaarten) is een concrete beleidsbeslissing en wordt derhalve aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht. Voor het overige bevat de PKB-herziening naar het oordeel van het kabinet geen besluiten als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht.

2. Aanvullingen op «II. Uitgangspunten van Beleid»

In hoofdstuk II.2 Ruimtelijke Hoofdstructuur wordt onder d. de tekst over de open ruimten aangevuld met de vetgedrukte tekst. Met inbegrip van de vetgedrukte aanvulling luidt de tekst onder d. als volgt:

«d. In deze open ruimten geldt een restrictief beleid. Dit betekent het volgende.

d.

1. In de op de Regiokaarten (als «restrictief beleid rijk») aangegeven en in Hoofdstuk V omschreven gedeelten van de open ruimten mag in beginsel geen uitbreiding van ruimtebeslag door verstedelijking plaatsvinden buiten in streekplannen rond kernen aan te geven bebouwingscontouren.

d.

2. Voor de overige gebieden binnen de open ruimten vraagt het kabinet de provinciale besturen in hun streekplannen een zodanige invulling te geven aan het restrictief beleid dat de toename van het ruimtebeslag in deze gebieden wordt geconcentreerd op de stadsgewesten en zo nodig op regionale opvangkernen. Ook deze gebieden zijn (als «restrictief beleid provincie») op de Regiokaart aangegeven en in Hoofdstuk V omschreven. De vormgeving van het «restrictief beleid provincie» is vrij. Als daarvoor anders dan d.m.v. bebouwingscontouren in streekplannen wordt gekozen, dient deze op dezelfde wijze als bij de contourbenadering, duidelijk toetsbaar en handhaafbaar te worden gemotiveerd en vastgelegd.

Door middel van deze stringente invulling van het bundelingsbeleid moet worden gestreefd naar beperking van de aantasting van de ecologische en landschappelijke waarden, naar vermijding van onnodige mobiliteit en naar versterking van het stedelijk draagvlak.»

In hoofdstuk II.2 Ruimtelijke Hoofdstructuur wordt onder f. de tekst van het derde gedachtenstreepje aangevuld met de vetgedrukte tekst. Met inbegrip van de vetgedrukte aanvulling luidt de tekst onder f. als volgt:

«f. Het kabinet streeft naar een zodanige ruimtelijke ontwikkeling dat de (dagelijkse) functionele relaties op het gebied van wonen, werken en verzorging zich op de schaal van het stadsgewest kunnen afspelen. Door middel van bundeling wordt beoogd:

– het stedelijk draagvlak te ondersteunen;

– de groei van de mobiliteit te beperken;

– woningen, werkgelegenheid en voorzieningen op zodanige afstand van elkaar te situeren en met een zodanige inrichting van locaties dat de bereikbaarheid met fiets en openbaar vervoer optimaal is;

– verdere verstedelijking van het landelijk gebied te beperken.»

In hoofdstuk II.2 Ruimtelijke Hoofdstructuur wordt onder i. de tekst over de bufferzones aangevuld met de vetgedrukte tekst. Met inbegrip van de vetgedrukte aanvulling luidt de tekst onder i. als volgt:

«Om te voorkomen dat stadsgewesten aaneengroeien en om open ruimten tussen de stadsgewesten te handhaven c.q. te ontwikkelen, zijn en worden bufferzones aangewezen. Bufferzones zijn goed ingerichte open ruimten tussen stadsgewesten waarin enerzijds door zorgvuldige bestemming, inrichting en beheer en door strategische grondaankopen door de rijksoverheid een duurzaam agrarisch grondgebruik en in delen een inrichting voor dagrecreatie, bos en natuur wordt nagestreefd en anderzijds geen verder ruimtebeslag voor verstedelijking mag plaatsvinden, anders dan binnen de bebouwingscontouren van stedelijke enclaves, en geen nieuwvestiging van glastuinbouw mag plaatsvinden, buiten de in vigerende bestemmingsplannen opgenomen planologische capaciteit. Niet-substantiële bebouwing die gekoppeld is aan het gebruik van de genoemde landelijke gebiedsfuncties is toegestaan. Ook de realisering van «nieuwe landgoederen» is toegestaan, mits deze eenaantoonbareverbetering van de ruimtelijke kwaliteit van het gebied tot gevolg hebbenof de bestaande hoge kwaliteit aantoonbaar handhaven.

De aanwijzing van de bufferzones Blaricum-Huizen-Oostermeent, Utrecht-Hilversum, Amstelland-Vechtstreek, Amsterdam-Haarlem, Amsterdam-Purmerend, Den Haag-Leiden-Zoetermeer, Midden-Delfland en Oost-IJsselmonde is een concrete beleidsbeslissing, en is daarmee een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht.

De grenzen zijn op de PKB-Bufferzonekaarten aangegeven. Binnen deze in overleg met de provincies Zuid-Holland, Noord-Holland en Utrecht bepaalde grenzen is het rijksbufferzonebeleid van toepassing.

Bij de vaststelling van streek-, structuur- en bestemmingsplannen dient dit rijksbufferzonebeleid, inclusief de aangegeven grenzen, in acht genomen te worden. Binnen de bufferzones bevindt zich een aantal verstedelijkte enclaves. Aan genoemde provincies wordt verzocht de grenzen van deze enclaves voor 2005 in hun streekplannen aan te geven.

De grenzen van de bufferzones Maastricht-Sittard/Geleen, en Sittard/Geleen-Heerlen zijn indicatief op de PKB-Regiokaarten aangegeven. In het najaar van 1998 zal de provincie Limburg een begrenzingsvoorstel doen. De aanwijzing (inclusief de definitieve begrenzing) vindt plaats in het kader van een partiële herziening van deze PKB.

Aan hoofdstuk II.3 Doorwerking wordt onder k. een tekst toegevoegd die betrekking heeft op de stimuleringsregeling meervoudig intensief ruimtegebruik en de nieuwe sleutelprojecten. Deze tekst luidt als volgt:

«Het rijk ondersteunt de haalbaarheidsonderzoeken die gericht zijn op een versterking van de stedelijke vitaliteit door het opvoeren van de intensiteit en verscheidenheid van het stedelijk ruimtegebruik en verbetering van de kwaliteit van de stedelijke ruimte door bevordering van stedelijke groenstructuren en herontwikkeling van slecht gebruikte ruimte, meervoudig grondgebruik, ondergrondse oplossingen, en overbouwen van zware infrastructuur. Speerpunt in deze benadering zijn Stad en Groen, de nieuwe sleutelprojecten en het Stimuleringsprogramma Intensief Ruimtegebruik en Stad en Milieu.

Door de vier grote steden, Arnhem en Breda zijn plannen voorgedragen om de internationale halteplaatsen van de Hoge snelheidstrein te benutten als nieuwe sleutelprojecten voor een impuls aan de stad. De regering neemt zich voor om in samenspraak met de betrokken gemeenten en met behoud van hun autonome verantwoordelijkheid, te onderzoeken of op zo'n manier de positie van Nederland in internationaal verband wordt versterkt, nieuwe vormen van intensief ruimtegebruik worden ontwikkeld en de mobiliteit gunstig wordt beïnvloed.

Voor de overig aangemelde nieuwe sleutelprojecten zal het rijk nagaan of in bestaande sectorale programma's elementen zijn opgenomen die een bijdrage kunnen vormen aan de uitvoering. Voorzover daarbij meerdere departementen zijn betrokken zorgt het rijk voor een gecoördineerde werkwijze».

Door middel van een door het rijk op te zetten stimuleringsprogramma, in samenwerking met vertegenwoordigers van de andere overheden, het bedrijfsleven, de woonconsumenten en de corporaties wordt nader onderzoek gestart naar vernieuwende verstedelijkingsvormen en de rol van de woonconsument als opdrachtgever daarbij.

Het rijk bevordert dat in de huidige Vinex-periode een groter aandeel van de nieuwbouw door middel van eigen opdrachtgeverschap kan worden gerealiseerd. Er wordt naar gestreefd dat, voor de periode van de Actualisering Vinex, het aandeel via individueel opdrachtgeverschap te realiseren woningen een substantieel deel, circa een derde, van de te realiseren bouwopgave bedraagt.

3. Aanvullingen op «III. Beleidskeuzen voor de Dagelijkse Leefomgeving»

In hoofdstuk III Beleidskeuzen voor de Dagelijkse Leefomgeving wordt onder c. de tekst bij het vijfde gedachtenstreepje aangevuld en een tekst als zesde gedachtenstreepje toegevoegd. Met inbegrip van de aanvullende vetgedrukte teksten luidt de tekst onder c. als volgt:

«c. Bij het veiligstellen van basiswaarden moeten burgers en overheid voor zowel het stedelijk als het landelijk gebied er zorg voor dragen dat:

– de gebouwde omgeving en de openbare ruimte niet in verval raken

– steden, dorpen en landelijk gebied niet vervuilen

– bepaalde groepen in de steden en op het platteland niet onvrijwillig ruimtelijk geïsoleerd raken

– steden, dorpen en landschappen niet eenvormig worden en dat de historisch gegroeide situatie, inclusief archeologische waarden, niet onherkenbaar wordt en dat deze in geval van verstoring ten minste gedocumenteerd wordt. Daarom dient vanaf het begin van het ruimtelijk planproces de cultuurhistorische kwaliteit, in de vorm van historische (stede)bouwkunde, archeologie en historisch-landschappelijke elementen en structuren, integraal en herkenbaar in de planontwikkeling en besluitvorming te worden betrokken. In het algemeen dient architectonische, stedenbouwkundige en landschappelijke kwaliteit te worden nagestreefd. Dit geldt evenzeer voor de geleidelijke overgang van stedelijk naar landelijk gebied in de stadsranden.

– er voldoende recreatieve groenvoorzieningen beschikbaar en bereikbaar zijn.

– locaties voor zendmasten, vooralsnog met een hoger Effectief Uitgestraald Vermogen dan de drempelwaarde van 100 kW, met de daarbij behorende ruimtelijke effecten op de omgeving worden opgenomen in streekplannen».

In hoofdstuk III.1 Stedelijk Gebied wordt de tekst over de openbare ruimte achter de laatste zin «Het gaat bij dat laatste om groene longen vanuit het landelijk gebied de stad in en recreatieve verbindingszones vanuit de stad het landelijk gebied in», aangevuld met:

«–De stedelijke structuur en de groene structuur dienen in samenhang te worden gepland en ontwikkeld.»

In hoofdstuk III.2 Geleiding van de Mobiliteit wordt een beleidsuitspraak 2.9 toegevoegd. De aanvulling betreft de multimodale bereikbaarheid van bedrijfsterreinen, /en is vetgedrukt weergegeven. De tekst is dan als volgt:

«2.

9. Het regeringsbeleid is er op gericht het goederenvervoer milieuvriendelijker te laten verlopen en congestie van het vrachtvervoer over de weg te verminderen. Nieuwe locaties met een zogenaamd C-profiel dienen in verband daarmee, afhankelijk van het soort bedrijven, multimodaal ontsloten te zijn. Voor de locatie van deze terreinen geldt het bundelingsprincipe van deze PKB. Nieuwe bedrijfsvestigingen langs achterlandverbindingen worden toegestaan, mits beperkt tot knooppunten, grenzend aan stedelijke gebieden en zo mogelijk ontsloten door openbaar vervoer of bedrijfsvervoer. Deze bedrijfsterreinen worden bij voorkeur gesitueerd bij terminals die vanuit ruimtelijk oogpunt goed liggen en die goed via de weg, vaar- of spoorweg ontsloten zijn. Bestaande bedrijfsterreinen worden waar nodig voorzien van een goede aansluiting op overslagpunten.»

In hoofdstuk III.4 Landelijk Gebied (onderdeel Natuur en landschap) wordt een beleidsuitspraak 4.16 toegevoegd. Deze aanvulling betreft de ondersteuning en effectuering van natuuren landschapsontwikkeling. De tekst is als volgt:

«Het rijk geeft prioriteit aan projecten ter ondersteuning van natuur- en landschapsontwikkeling, in het bijzonder in gebieden met restrictief beleid. Indien noodzakelijk om de gewenste natuur- en landschapsontwikkeling in een gebied daadwerkelijk te effectueren kan per geval, in het kader van de gebruikelijke WRO-procedures, worden afgewogen of en onder welke condities medewerking wordt verleend aan particuliere initiatieven voor de realisering van niet direct aan het landelijk gebied gebonden functies.

Dit laat onverlet het gestelde onder II.2.i. over toegestane ontwikkelingen in aangewezen bufferzones en het gestelde onder IV.4.4. over de invulling van het restrictief beleid in het Groene Hart».

4. Aanvullingen op «IV. Beleidskeuzen voor het Ruimtelijk Ontwikkelingsperspectief»

Het ontwikkelingsperspectief en de beleidsuitspraken voor de Randstad (IV.4) worden uitgebreid met teksten over het Groene Hart. Deze aanvullingen zijn vetgedrukt aangegeven. In het tekstblok «Het perspectief is gericht op: ..», is bij het tweede gedachtenstreepje de zinsnede «ten behoeve van de internationale zakelijke dienstverlening» komen te vervallen.

Tevens is een aanvullende tekst opgenomen over de bereikbaarheid van en in de Randstad.

De complete tekst voor het ontwikkelingsperspectief wordt:

«Randstad en Nationaal Landschap Groene Hart

Ontwikkelingsperspectief

Op Europese en wereldschaal is er sprake van een toenemende concurrentie tussen steden. De Randstad heeft de mogelijkheden om die concurrentie aan te gaan. Voor een internationaal concurrerend grootstedelijk vestigingsmilieu liggen de beste aanknopingspunten in de stedelijke gebieden van Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht. De Randstad is een combinatie van grote en middelgrote stadsgewesten in een ring, met bufferzones tussen de stadsgewesten, gesitueerd rond een groen en relatief open middengebied dat de Randstad haar unieke karakter geeft. Verdere verstedelijking bedreigt de geledingsfunctie van dit Groene Hart. De landschappelijke, toeristisch-recreatieve en agrarische mogelijkheden van dit gebied kunnen een bijdrage leveren aan de vergroting van de concurrentiekracht van het internationale grootstedelijke vestigingsmilieu van de Randstad en aan de kwaliteit van het daarbij behorende Groene Hart.

De combinatie van Randstadring en Groene Hart is uniek en van grote betekenis voor het ruimtelijk-economisch functioneren van de Randstad. De structuur van een stedelijke concentratie op de ring en een open landelijk middengebied met agrarische, natuur, toeristisch-recreatieve, cultuurhistorische en landschappelijke functies en waarden vormen samen een structuur die resulteert in een grootstedelijk vestigingsklimaat met rust, ruimte en groen op korte afstand.

Overeenkomstig zijn unieke karakter, zoals hiervoor beschreven wordt het Groene Hart beschermd, beheerd en verder ontwikkeld, rekening houdend met de relaties met de andere grootschalige open gebieden. Hiertoe wordt het gebied aangewezen als Nationaal Landschap.

Daartoe wordt een samenhangend ontwikkelingsbeeld in een ontwerp gegoten. De uitvoering van het plan zal vóór 2010 gereed zijn.

Het perspectief is gericht op (uitspraken van «wezenlijk belang»):

• het behouden en verder ontwikkelen van de hierboven beschreven structuur van de Randstadring, bufferzones en het Groene Hart;

• het verbeteren van het internationaal concurrerend grootstedelijk vestigingsmilieu in de Randstad met een sterk accent op Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht;

• het scheppen van voldoende ruimte voor bedrijvigheid, zowel kwantitatief als kwalitatief;

• het in aansluiting op de Randstadgroenstructuur benutten van de ontwikkelingsmogelijkheden van het Groene Hart voor landbouw, natuur, cultuurhistorie, toerisme en openluchtrecreatie, mede ten dienste van het internationale vestigingsmilieu in de Randstad;

• het handhaven en verder ontwikkelen van het Groene Hart als een open, schoon en groen middengebied in de Randstad, teneinde te zorgen voor voldoende aantrekkelijke mogelijkheden voor natuur en recreatie op korte afstand van de grote steden;

• behoud en versterking van de relaties tussen Groene Hart en de bufferzones tussen de stadsgewesten en andere grootschalige open gebieden zoals het Rivierengebied, de Zeeuwse Delta, en het IJsselmeer (w.o. het Markermeer) en groene gebieden zoals het duingebied en de Utrechtse Heuvelrug;

• bevordering van de recreatieve bereikbaarheid van de bufferzones en het Groene Hart;

• het veiligstellen van de bereikbaarheid en de leefbaarheid van de stadsgewesten, in het bijzonder van de vier grote steden, de beide mainports Schiphol en Rotterdamse haven en de andere grote bedrijfsconcentraties. Dit is een essentiële voorwaarde voor de economische ontwikkeling en het welslagen van het stedelijk concentratiebeleid. Het gaat hierbij om het beheersen van de mobiliteit onder meer door de verbetering van openbaar vervoerstelsels binnen en tussen stadsgewesten;

• het voortzetten van een arbeidsmarkt- en huisvestigingsbeleid voor sociaal-economisch zwakke groepen in de grote steden.»

Beleidsuitspraak 4.4. wordt toegevoegd:

«Voor het Nationaal Landschap Groene Hart, zoals aangegeven op de beleidskaart Nationaal Landschap Groene Hart, gelden de volgende beleidsuitspraken(uitspraken van «wezenlijk belang»):

• bundeling van stedelijke functies in de Randstadring en Groene Hart is het uitgangspunt voor rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid ten einde het open karakter van het Groene Hart te behouden en compartimentering te voorkomen;

• voor de beoogde ruimtelijke samenhang, bij de uitvoering van projecten, voor het Groene Hart in zijn totaliteit, wordt een ruimtelijke visie (kaart + toelichting) opgenomen, worden investeringsprioriteiten voor de overheid gesteld en richtinggevende uitspraken voor de uitvoering in deelprojecten en -gebieden geformuleerd;

• voor het Groene Hart wordt een stimuleringsbeleid gevoerd om de agrarische, natuur, recreatieve, toeristische en cultuurhistorische functies en -waarden van het Groene Hart duurzaam te versterken.

• een duurzame agrarische productie en een duurzaam beheer van de functies van het landelijke gebied, in samenhang met een verbetering van de milieukwaliteit wordt nagestreefd;

• het in de PKB in de onderdelen II.2 onder c. en d.1. beschreven restrictieve beleid voor de open ruimte wordt in dit gebied zodanig ingevuld dat uitbreiding van ruimtebeslag door het bouwen van gebouwen in beginsel alleen mag plaatsvinden binnen in het streekplan aangegeven bebouwingscontouren. Een uitzondering geldt voor niet-substantiële bebouwing die gekoppeld is aan het gebruik van de genoemde landelijke gebiedsfuncties. Ook de realisering van «nieuwe landgoederen» is toegestaan, mits deze een duidelijke verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van het gebied tot gevolg hebben. Nieuwvestiging van glastuinbouw is, buiten de vigerende planologische capaciteit, uitgesloten, tenzij het gaat om een concentratie van het bestaande glastuinbouwareaal , dus waarbij de bestaande hoeveelheid glastuinbouw per saldo niet toeneemt en de concentratie bijdraagt aan een sterkere ruimtelijke en landschappelijke kwaliteit van het Groene Hart en een sterkere economische structuur van de glastuinbouw;

• de bebouwingscontouren mogen via een streekplanwijzigingsprocedure worden verlegd, indien dit planologisch beter inpasbaar is en de totale oppervlakte van het gebied binnen de contour gelijk blijft; bij de invulling van het gebied binnen de contouren dient door gemeenten rekening te worden gehouden met openheid en kwaliteit van het aangrenzend landelijke gebied;

• binnen de bebouwingscontouren dienen gemeenten te zorgen voor een voldoende en voldoende gevarieerd aanbod van duurzame bedrijfsterreinen;

• Een substantieel deel van de verstedelijkingsbehoefte binnen het Groene Hart moet worden opgevangen op de Randstadring. Voorzover het rijk verantwoordelijk is voor de nadere invulling van het beleid, zal het erop toezien dat, binnen de kaders van het restrictief beleid, de leefbaarheid voor de bewoners van het Groene Hart niet in negatieve zin wordt beïnvloed.

Tevens wordt gewezen op het gestelde onder V.3.m. over het voorkomen van nieuwe doorsnijdingen van het Groene Hart met infrastructuur.

Stimuleringsbeleid

Naast het restrictieve beleid wordt ook een stimuleringsbeleid gevoerd in het Groene Hart. Het huidige stimuleringsbeleid voor het Groene Hart is vastgelegd in het Structuurschema Groene Ruimte, het rijksbufferzonebeleid en de Nadere Uitwerking/ROM voor het Groene Hart. De projecten uit dit stimuleringsbeleid zijn gericht op het realiseren van grote groengebieden en uitloopgebieden, op het verbeteren van de samenhang tussen gebieden, het verbeteren van de toegankelijkheid van het Groene Hart en het verbeteren van de milieukwaliteit.

Dit stimuleringsbeleid wordt voortvarend voortgezet en versterkt met een kwaliteitsimpuls (extra investeringsimpuls) voor het Groene Hart.

Het Bestuurlijk Platform Groene Hart draagt zorg voor coördinatie en afstemming van de uitvoering van het Groene Hart beleid.

Ontwikkelingsprogramma Nationaal Landschap Groene Hart (uitspraken van «wezenlijk belang»)

Om alle beleidsvoornemens en projecten efficiënt te kunnen uitvoeren en af te stemmen is een ontwikkelingsprogramma voor het Nationaal Landschap Groene Hart gewenst. Een dergelijk programma zal in overleg met de partijen verenigd in het Platform worden opgesteld.

Voor het ontwikkelingsprogramma geldt het volgende:

• De uitvoering van het bestaande Groene Hart beleid is de basis; hieronder is in elk geval begrepen het beleid zoals afgesproken in vigerende beleidsnota's, het Plan van Aanpak NU/ROM Groene Hart uit 1992 en nieuwe projecten die sindsdien door de Platformpartijen zijn gestart;

• De kwaliteitsimpuls voor het Groene Hart wordt in het ontwikkelingsprogramma geregeld en heeft in ieder geval betrekking op de bescherming van de landschappelijke waarden, verbetering van de toegankelijkheid van het gebied als geheel en versterking van de positie van de grondgebonden milieuvriendelijke landbouw, een en ander in samenhang met de verbetering van de milieukwaliteit;

• De leefbaarheid van de kernen wordt gewaarborgd en nieuwe (economische) dragers worden ontwikkeld die dienstbaar zijn aan versterking van het landschappelijk karakter; het flankerend beleid voor wonen, werken en leefbaarheid wordt nader geconcretiseerd;

• Voor die gebieden in het Groene Hart waar de ruimtelijke kwaliteit onder druk staat, nodigt het rijk de provincies uit ruimtelijke ontwerpen op te stellen, waarbij ook milieu-aspecten aandacht zullen krijgen.

• Over de voortgang van de uitvoering van het ontwikkelingsprogramma zal elke vier jaar een evaluatie en elke twee jaar een voortgangsrapportage worden opgesteld, die beiden aan de Tweede Kamer zullen worden uitgebracht.»

5. Aanvullingen op «V. Regionale Beleidsuitspraken»

5.1. Het Noorden

In hoofdstuk V.1. Groningen, Friesland, en Drenthe wordt een nieuwe paragraaf «n. verstedelijkingsopgave 2005–2010» toegevoegd. De tekst van deze nieuwe paragraaf is als volgt:

«De verstedelijkingsopgave voor de noordelijke provincies in de periode 2005–2010 is weergegeven in de hierna volgende tabel.

 woningen (x 1 000)bedrijfsterrein (ha)kantoren (10 000 m2 b.v.o.)
 opgavebandbreedteopgavebandbreedteopgave
Groningen50–8 98 98–15815
Friesland73–11 98 98–21015
Drenthe64–8110110–18210

Het rijk zal de voor dat doel ter beschikking staande instrumenten inzetten om de uitvoering van de hierboven aangegeven verstedelijkingsopgave te ondersteunen. De opgave is de basis voor de uitvoeringsafspraken. Daar de bevolkings- en economische prognoses in de loop der tijd kunnen veranderen, zal in het jaar 2000 een herijking van de uitvoeringsafspraken plaatsvinden.

Deze herijking wordt een onderdeel van de voorbereiding van een integrale Vijfde Nota over de Ruimtelijke Ordening. Bij deze herijking zullen ook de nieuwe beleidsinzichten uit de Vijfde Nota over de Ruimtelijke Ordening worden verwerkt. Bij een noodzakelijke neerwaartse bijstelling van de opgavecijfers worden, in overleg met de Tweede Kamer, de uitvoeringsafspraken 2005 – 2010 in gelijke mate bijgesteld. Hierbij worden tevens de afspraken met de provincies over de inperking van woningbouw in niet-Vinexgebieden geëvalueerd en betrokken. Verder zal bij de herijking de kwaliteit van de Vinex-locaties worden meegewogen. De aldus herijkte uitvoeringsafspraken zullen worden opgenomen in PKB deel 3 van de Vijfde Nota.

De bouw wordt mogelijk gemaakt van ca. 30% woningen in de sociale sector van de op de uitleglocaties en binnen de herstructurering van de woningvoorraad te bouwen woningen.

De provinciale en gemeentelijke overheden dienen in hun plannen tenminste voldoende ruimte op te nemen om de opgave voor wonen respectievelijk werken te accommoderen, en binnen de uitgangspunten van het nationaal ruimtelijk beleid voldoende ruimte te reserveren voor ontwikkelingen in de verstedelijkingsvraag zoals aangegeven in de bandbreedte.

Vanuit de doelstelling zuinig ruimtegebruik mag de maximale ruimtereservering niet uitgaan boven de aangegeven bandbreedte. In het geval de verstedelijkingsvraag voor het wonen zich ontwikkelt onder het niveau van de opgave, is de basis voor (onderdelen van) de plannen niet meer aanwezig. In dat geval dienen provincies en gemeenten bij de bepaling van de prioriteitsvolgorde van (de onderdelen van) de plannen die wel aan de orde blijven, uit te gaan van de uitgangspunten van het nationaal ruimtelijk beleid.

Kansrijke Euregionale ontwikkelingen worden door het rijk gestimuleerd.»

5.2. Het Oosten

In hoofdstuk V.2. Overijssel en Gelderland wordt een nieuwe paragraaf «k. verstedelijkingsopgave 2005–2010» toegevoegd. De tekst van deze paragraaf is als volgt:

«De verstedelijkingsopgave voor de provincies Overijssel, Gelderland en de kaderwetgebieden Arnhem-Nijmegen en Twente in de periode 2005–2010 is weergegeven in de hierna volgende tabel.

 woningen (x 1 000)bedrijfsterrein (ha)kantoren (10 000 m2 b.v.o.)
 opgavebandbreedteopgavebandbreedteopgave
Twente 6 3–10166166–22315
Arnhem-Nijmegen10 6–131531153–190123
Overijssel (zonder Twente) 9 6–11110110–16310
Gelderland (zonder KAN)1711–22207207–28022

1 Exclusief multimodaal transportcentrum Valburg

Het rijk zal de voor dat doel ter beschikking staande instrumenten inzetten om de uitvoering van de hierboven aangegeven verstedelijkingsopgave te ondersteunen, De opgave is de basis voor de uitvoeringsafspraken. Daar de bevolkings- en economische prognoses in de loop der tijd kunnen veranderen, zal in het jaar 2000 een herijking van de uitvoeringsafspraken plaatsvinden.

Deze herijking wordt een onderdeel van de voorbereiding van een integrale Vijfde Nota over de Ruimtelijke Ordening. Bij deze herijking zullen ook de nieuwe beleidsinzichten uit de Vijfde Nota over de Ruimtelijke Ordening worden verwerkt. Bij een noodzakelijke neerwaartse bijstelling van de opgavecijfers worden, in overleg met de Tweede Kamer, de uitvoeringsafspraken 2005 – 2010 in gelijke mate bijgesteld. Hierbij worden tevens de afspraken met de provincies over de inperking van woningbouw in niet-Vinexgebieden geëvalueerd en betrokken. Verder zal bij deze herijking de kwaliteit van de Vinex-locaties worden meegewogen. De aldus herijkte uitvoeringsafspraken zullen worden opgenomen in PKB deel 3 van de Vijfde Nota.

De bouw wordt mogelijk gemaakt van ca. 30% woningen in de sociale sector van de op de uitleglocaties en binnen de herstructurering van de woningvoorraad te bouwen woningen.

De provincies, kaderwetgebieden en gemeenten dienen in hun plannen tenminste voldoende ruimte op te nemen om de opgave voor wonen respectievelijk werken te accommoderen, en binnen de uitgangspunten van het nationaal ruimtelijk beleid voldoende ruimte te reserveren voor ontwikkelingen in de verstedelijkingsvraag zoals aangegeven in de bandbreedte.

Vanuit de doelstelling zuinig ruimtegebruik is het rijk van oordeel dat de maximale ruimtereservering niet mag uitgaan boven de aangegeven bandbreedte. In het geval de verstedelijkingsvraag voor het wonen zich ontwikkelt onder het niveau van de opgave, is de basis voor (onderdelen van) de plannen niet meer aanwezig. In dat geval dienen provincies en gemeenten bij de bepaling van de prioriteitsvolgorde van (de onderdelen van) de plannen die wel aan de orde blijven, uit te gaan van de uitgangspunten van het nationaal ruimtelijk beleid.

Het rijk constateert dat voor het kaderwetgebied Arnhem-Nijmegen 470 ha bij het groenproject Over-Betuwe voldoet aan de criteria van Strategische Groenprojecten (grootschalig met geledende werking en structurerende werking op nationaal of zelfs bovennationaal niveau, ruimtelijk gekoppeld aan de verstedelijkingsopgave 2005–2010). Hierbij hoort ca 70 ha verbindingen.

Kansrijke Euregionale ontwikkelingen worden door het rijk gestimuleerd.»

5.3. De Randstad

In hoofdstuk V.3. Noord-Holland, Zuid-Holland, Utrecht en Flevoland wordt een nieuwe paragraaf «q. verstedelijkingsopgave 2005–2010» toegevoegd.

De uitspraken over de verstedelijkingsrichtingen na 2005 in paragraaf f. stadsgewesten vervallen. Op de PKB-kaart vervallen de aanduidingen voor de alternatieve ontwikkelingsrichtingen na 2005.

De tekst van de nieuwe paragraaf q. is als volgt:

«De verstedelijkingsopgave voor de provincies en kaderwetgebieden in de Randstad in de periode 2005–2010 is weergegeven in de hierna volgende tabel. Voor het Groene Hart wordt de beschikbare uitbreidingsruimte binnen de bebouwingscontouren 2005 geschat op ca. 4 000 woningen en ca. 95 ha bedrijfsterreinen.

 woningen (x 1 000)bedrijfsterrein (ha)kantoren (10 000 m2 b.v.o.)
 opgavebandbreedteopgavebandbreedteopgave
Regio Amsterdam2311–38251251–36886
Regio Rotterdam2111–29210210–32761
Haaglanden15* 0–17135135–20951
Regio Utrecht15 7–17168168–24645
Noord-Holland zonder ROA11 5–19128128–18722
Zuid-Holland zonder SRR en Haaglanden12* 9–24153153–22322
Utrecht zonder BRU 5 5–9 65 65– 9513
Flevoland1710–20100100–15510

* Dubbeltelling met betrekking tot overloop Leidse Regio

Het rijk zal de voor dat doel ter beschikking staande instrumenten inzetten om de uitvoering van de hierboven aangegeven verstedelijkingsopgave te ondersteunen, De opgave is de basis voor de uitvoeringsafspraken. Daar de bevolkings- en economische prognoses in de loop der tijd kunnen veranderen, zal in het jaar 2000 een herijking van de uitvoeringsafspraken plaatsvinden.

Deze herijking wordt een onderdeel van de voorbereiding van een integrale Vijfde Nota over de Ruimtelijke Ordening. Bij deze herijking zullen ook de nieuwe beleidsinzichten uit de Vijfde Nota over de Ruimtelijke Ordening worden verwerkt. Bij een noodzakelijke neerwaartse bijstelling van de opgavecijfers worden, in overleg met de Tweede Kamer, de uitvoeringsafspraken 2005–2010 in gelijke mate bijgesteld. Hierbij worden tevens de afspraken met de provincies over de inperking van woningbouw in niet-Vinexgebieden geëvalueerd en betrokken. Verder zal bij deze herijking de kwaliteit van de Vinex-locaties worden meegewogen. De aldus herijkte uitvoeringsafspraken zullen worden opgenomen in PKB deel 3 van de Vijfde Nota.

De bouw wordt mogelijk gemaakt van ca. 30% woningen in de sociale sector van de op de uitleglocaties en binnen de herstructurering van de woningvoorraad te bouwen woningen.

De provincies, kaderwetgebieden en gemeenten dienen in hun plannen tenminste voldoende ruimte op te nemen om de opgave voor wonen respectievelijk werken te accommoderen, en binnen de uitgangspunten van het nationaal ruimtelijk beleid voldoende ruimte te reserveren voor ontwikkelingen in de verstedelijkingsvraag zoals aangegeven in de bandbreedte.

Vanuit de doelstelling zuinig ruimtegebruik is het rijk van oordeel dat de maximale ruimtereservering niet mag uitgaan boven de aangegeven bandbreedte. In het geval de verstedelijkingsvraag voor het wonen zich ontwikkelt onder het niveau van de opgave, is de basis voor (onderdelen van) de plannen niet meer aanwezig. In dat geval dienen provincies en gemeenten bij de bepaling van de prioriteitsvolgorde van (de onderdelen van) de plannen die wel aan de orde blijven, uit te gaan van de uitgangspunten van het nationaal ruimtelijk beleid.

In het kader van de gebiedsuitwerking Leiden-Amsterdam-Haarlem zullen de consequenties van de ontwikkeling van Valkerhout als bouwlocatie voor de periode 2005–2010 worden onderzocht. Tegelijkertijd zal in het kader van de voorbereiding van de herziening van de PKB Structuurschema Militaire Terreinen onderzoek worden verricht naar alternatieven voor deze lokatie van de Marineluchtvaartdienst.

Het rijk concludeert dat voor het realiseren van de opgave voor bedrijfsterreinen in de Regio Rotterdam, bedrijfsterreinontwikkeling in de Hoeksche Waard noodzakelijk kan zijn. In samenhang met de gebiedsuitwerking Hoeksche Waard zal nu onderzoek plaatsvinden in zake de noodzaak van situering en ontsluiting van havenafgeleide bedrijfsterreinen in de Hoeksche Waard en de situering van een nieuw centrumgebied voor de glastuinbouw en de mogelijkheden voor gebruik van restwarmte van industriegebied Moerdijk. Dan kan, in het licht van de dan ter beschikking staande nadere inzichten en genoemde onderzoeken, definitieve besluitvorming plaatsvinden over de Hoeksche Waard.

Het rijk concludeert tevens dat 1990 ha voldoet aan de criteria van Strategische Groenprojecten (grootschalig met geledende en structurerende werking op nationaal of zelfs bovennationaal niveau, ruimtelijk gekoppeld aan de verstedelijkingsopgave 2005–2010). Hierbij hoort circa 275 ha verbindingen.

De verdeling hiervan is alsvolgt: ( zie zoekgebieden regiokaart West)

ten westen van Utrecht 275 ha

– bij Bergen-Schoorl 290 ha

– bij de Zaanstreek/Beverwijk 310 ha

– tussen Den Haag en Rotterdam 595 ha

– ten NO van Rotterdam 245 ha

– ten zuiden van Amsterdam 550 ha

Voor zover deze mogelijke Strategische Groenprojecten zijn gelegen binnen de grenzen van de gebiedsuitwerkingen, zal de precieze locatie worden bezien in samenhang met deze gebiedsuitwerkingen.

Voor drie gebieden in de Randstad zal, vanwege de complexiteit van de ruimtelijke vraagstukken voor zowel de middellange als de lange termijn, een integrale gebiedsuitwerking worden opgesteld. Het gaat om:

– het gebied tussen Den Haag en Rotterdam

– het gebied van de driehoek Leiden – Haarlem – Amsterdam

– de Hoeksche Waard

Verder zal een studie worden ondernomen naar de ontwikkelingsmogelijkheden van Almere op langere termijn (na 2010), waarbij ook de ontsluitingsproblematiek van Zuidelijk Flevoland wordt betrokken.

De Randstadprovincies zijn bereid om voor de drie gebiedsuitwerkingen en de gebiedsstudie met betrekking tot Almere het initiatief te nemen en deze op te stellen in intensieve samenwerking met het rijk en andere betrokken partijen.

Rijk, provincies en kaderwetgebieden zijn het erover eens dat daarbij de volgende uitgangspunten en keuzevraagstukken worden gehanteerd.

Gemeenschappelijke uitgangspunten voor alle gebiedsuitwerkingen:

• zijn gericht op het identificeren van keuzevraagstukken die vóór 2010 om een beslissing vragen alsook van de kaders waarin deze beslissingen genomen moeten worden;

• verkennen alternatieve structuurbeelden voor de lange termijn (na 2010);

• hanteren bij het bepalen van «de opgave» «de bandbreedtes van de CBS-prognoses en de CPB-scenario's als referentiekader;

• gaan uit van de Vinex-afspraken over de verstedelijking tot 2010 alsook van de Vinex-beleidsuitgangspunten; voor de periode na 2010 kan als dit zinvol geacht wordt hiervan gemotiveerd afgeweken worden;

• hanteren de uitkomsten van voortschrijdende beleidsvorming ten aanzien van de toekomst van de Nederlandse luchtvaartinfrastructuur;

• vormen een bouwsteen voor de Vijfde Nota alsook voor de relevante sectornota's, structuur- en streekplannen;

• resulteren medio 1998 in een eindrapportage.

Gebiedsuitwerking Den Haag-Rotterdam

Uitgangspunten:

– aanleg van de HSL volgens het vastgestelde tracé en een HST-gebruik van de intercity-verbinding Rotterdam-Den Haag;

– aanvulling van de hoofdinfrastructuur met een doortrekking van de A4 tussen Den Haag en Schiedam en verbetering van de verbinding tussen de A16 en de A13 (conform resultaat van de lopende tracé/mer-studie);

– uitvoering van de eerste fase van Randstadrail (lightrail exploitatie van de Hofplein-lijn en de Zoetermeerlijn en vervoersintegratie met het stadsgewestelijk ov-net van de Haagse en de Rotterdamse regio) en een HOV-verbinding Zoetermeer-Rotterdam;

– ontwikkeling van een groenstructuur die past bij een hoogwaardig leefmilieu en waarin opgenomen ecologische en recreatieve verbindingszones tussen de bufferzones (Midden Delfland en Den Haag Leiden-Zoetermeer) en het Groene Hart (m.n. Groenblauwe Slinger);

– handhaving van het beleid voor het Groene Hart en de bufferzone Midden- Delfland; ontwikkelen van een groene impuls in de randzone van het Groene Hart;

– instandhouding/reconstructie van het Zuidhollands Glasdistrict als centrumgebied voor de glastuinbouw met een verbeterde milieukwaliteit.

Keuzevraagstukken voor de periode na 2010:

– opstellen van alternatieve inrichtingsmodellen waarbij een sterk geconcentreerde verstedelijking (compacte stad- principe) wordt vergeleken met het vormen van een nieuwe stedelijke kern en met een meer gespreide ontwikkeling. Deze modellen al dan niet geïntegreerd met glastuinbouw.

Daarbij worden de consequenties aangegeven voor:

* het draagvlak voor de centrumvoorzieningen in Den Haag, Rotterdam, Zoetermeer en Delft naast die van de VINEX-locaties;

* de wijze van verknoping van het OV- systeem op de verschillende schaalniveaus en eventuele verdere uitbouw van Randstadrail;

* de tracering en dimensionering van de Groenblauwe Slinger;

* de mogelijkheden voor handhaving/ontwikkeling van de glastuinbouw rondom Pijnacker;

* het al dan niet aanleggen van een kustlocatie tussen Scheveningen en Hoek van Holland;

* ontwikkeling van de A4 corridor op Randstadniveau;

* de begrenzing, functies en inrichting van de bufferzones.

Keuzevraagstukken voor de periode vóór 2010:

– eventuele verdere uitbouw van Randstadrail c.q. andere vormen van hoogwaardig openbaar vervoer, waaronder tangentiële verbindingen, dit t.o.v. het geformuleerde uitgangspunt en in het licht van de lange termijn ontwikkelingen;

– de tracering en dimensionering van de Groenblauwe Slinger;

– aard en omvang van de reconstructie van het Westland en de B-driehoek;

– onderzoek naar een zodanige uitvoering van de doortrekking van de A4 tussen Den Haag en Schiedam dat daardoor de ruimtelijke kwaliteit van de bufferzone en het stedelijk gebied tenminste gelijk kan blijven en nieuwe bij de functie van het gebied behorende ontwikkelingen mogelijk kunnen worden gemaakt.

Gebiedsuitwerking Hoeksche Waard

Uitgangspunten:

– aanleg van de HSL volgens het vastgestelde tracé;

– aanleg van havenafgeleide bedrijfsterreinen te plaatsen in een breder afwegingskader, waarbij primair gekeken wordt naar mogelijkheden van intensieve benutting en herstructurering van de bestaande bedrijfsterreinen in het Rijnmondgebied.

Keuzevraagstukken voor de periode na 2010:

– opstellen van alternatieve inrichtingsmodellen waarbij een breed spectrum aan verstedelijkingsmogelijkheden wordt verkend die variëren in mate, type en situering van de verstedelijking en ook in de wijze van omgaan met de landschappelijke karakteristiek van het gebied.

Daarbij worden de consequenties aangegeven voor:

* de kwaliteit van de open ruimte van de Delta als geheel en de randzone met de Zuidvleugel van de Randstad in het bijzonder;

* de kwaliteit en diversiteit van de woonmilieus in de Zuidvleugel;

* het draagvlak voor de centrumvoorzieningen in Rotterdam, Dordrecht naast die van de kernen binnen het gebied;

* de doortrekking van de A4 en aansluiting op de A29;

* de bedrijfsontwikkeling in relatie tot de Rotterdamse haven en het achterland (HTA's);

* de aansluiting op het OV-net van de Rotterdamse en de Dordtse regio;

* de mogelijkheden voor versterking van de ecologische hoofdstructuur langs de grote wateren (m.n. Biesbosch-Haringvliet);

* de ontwikkeling van een strategisch groenproject in samenhang met (omvangrijke) verstedelijking.

Keuzevraagstukken voor de periode vóór 2010:

– de vormgeving van het open-ruimte-beleid voor de Delta;

– de situering en ontsluiting van havenafgeleide bedrijfsterreinen in de Hoeksche Waard voor het geval het blijkt dat hieraan, na herstructurering en intensieve benutting van de bestaande bedrijfsterreinen in het Rijnmondgebied, behoefte bestaat;

– voor het geval dat blijkt dat hieraan behoefte bestaat, de situering van een nieuw centrumgebied voor de glastuinbouw en de mogelijkheden voor gebruik van afvalwarmte van industriegebied Moerdijk.

Gebiedsuitwerking Leiden-Haarlem-Amsterdam

Uitgangspunten:

– aanleg van de HSL volgens het vastgestelde tracé;

– aanvulling van de hoofdinfrastructuur met de Verlengde Westrandweg, en de aanleg van de zgn. Zuidtangent (OV-lijn);

– ontwikkelen van een groene geledingszone tussen de Amsterdamse en de Leidse regio, tevens verbindingszone GH-kuststrook;

– de vrijwaringszone van de luchthaven Schiphol (met 5e baan);

– behoefte aan extra ruimte voor bedrijfsterreinen met name t.b.v. aan Schiphol gebonden bedrijven;

– de zgn. Zuidas van Amsterdam als A-locatie;

– aanleg van het strategisch groenproject Haarlemmermeer-West (incl. de uitbreiding die in deze PKB-herziening is opgenomen) en veiligstelling van de ecologische hoofdstructuur;

– instandhouding van de centrumfunctie voor de glastuinbouw (Aalsmeer) en de bollenteelt in West-Nederland; handhaving van het beleid voor het Groene Hart en de bufferzone Amsterdam-Haarlem;

– ontwikkelen van een groene impuls in de randzone van het Groene Hart.

Keuzevraagstukken voor de periode na 2010:

– opstellen van alternatieve inrichtingsmodellen waarbij de mogelijkheden voor verdere verstedelijking in de Haarlemmermeer, de Bollenstreek en de Leidse regio worden verkend.

Daarbij worden de consequenties aangegeven voor:

* de structuur en de doelmatigheid van zowel het OV-net als het hoofdwegennet;

* een ontwikkeling van de A4-corridor op Randstad niveau;

* het draagvlak van de centrumvoorzieningen in Amsterdam, Haarlem en Leiden alsook de kernen in het gebied zelf;

* de recreatieve bereikbaarheid van zowel de duinstrook als het Groene Hart;

* begrenzing, functies en inrichting van de bufferzone.

Keuzevraagstukken voor de periode vóór 2010:

– extra verstedelijkingslocaties (ca 2000 woningen) voor de Amsterdamse regio met daarbij benodigde OV-voorzieningen;

– situering van extra bedrijfsterreinen (ca 300 ha) in de omgeving van Schiphol;

– de recreatieve bereikbaarheid van zowel de duinstrook als het Groene Hart;

– verkenning van de eventuele aanleg van een ondergronds logistiek systeem (OLS) tussen Aalsmeer en Schiphol;

– ontwikkeling van de stimuleringsprojecten in de binnenflank van het Groene Hart (impuls).

Gebiedsstudie Almere/Flevoland

Uitgangspunten:

– aanleg van IJburg (18 000 won.) en Almere Poort;

– bevorderen van de werkgelegenheidsontwikkeling in Flevoland;

– verbeteren van de bereikbaarheid van Flevoland via weg en rail. Tot 2010 door:

* verbetering van de hoofdinfrastructuur tussen de A6 en de A9 via de A1 conform resultaten strategische verkeerskundige verkenning CRAAG-studie;

* aanvulling van de railinfrastructuur met de zgn. Gooiboog;

– handhaving van het beleid voor het Groene Hart en de bufferzones (Blaricum-Huizen-Oostermeent en Utrecht-Hilversum);

– operationalisering van de ecologische en recreatieve verbinding Waddenzee-IJsselmeer – Groene Hart (Blauwe pijl).

Keuzevraagstukken voor de periode na 2010:

– selectie en verdieping van de ontwikkelingsmodellen uit de Oostflankstudie (fase 2) opgesteld onder verantwoordelijkheid van het Randstad Overleg Ruimtelijke Ordening. Daaraan dient een model te worden toegevoegd waarin het bestaand stedelijk gebied van Almere verder wordt geïntensiveerd. Tevens is het nodig een fasering aan te brengen voor de verstedelijking in de periode direct na 2010.

Daarbij worden de consequenties aangegeven voor:

* de structuur en de doelmatigheid van zowel het hoofdwegennet als het OV-net;

* de centrumvoorzieningen van Amsterdam, Almere, Hilversum, Amersfoort en Utrecht;

* het evenwicht in de ontwikkeling van woon- en werklocaties;

* de landschappelijke waarden van m.n. de Utrechtse Heuvelrug en het Vechtplassengebied;

* de begrenzing, functies en inrichting van de bufferzones.»

De Randstadprovincies treden op als uitvoerder van de drie gebiedsuitwerkingen en de studie met betrekking tot Almere. Vanuit het nationale ruimtelijke beleid worden aan de uitwerkingen en de studie uitgangspunten meegegeven waarin op rijksniveau reeds genomen beslissingen van wezenlijk belang tot uitdrukking komen. Ook worden keuzevraagstukken geformuleerd waarover de uitwerkingen en de studie conclusies moeten bereiken.

De conclusies met betrekking tot de keuzevraagstukken zullen primair doorwerken in streekplannen. Waar nodig zullen ze ook aansluitend tot nadere besluitvorming bij het rijk leiden (verwerking in 5e Nota RO), Structuurschema's, uitvoeringsbeslissingen met bijbehorende dekking, etc.). In deze nadere besluitvorming zal moeten blijken of de conclusies passen in het rijksbeleid en bijgevolg door het rijk worden overgenomen.

5.4. Het Zuiden

In hoofdstuk V.4. Noord-Brabant, Zeeland en Limburg wordt een nieuwe paragraaf p. verstedelijkingsopgave 2005–2010 toegevoegd. De tekst van deze paragraaf is als volgt:

«De verstedelijkingsopgave voor de provincies Noord-Brabant, Zeeland en Limburg en het kaderwetgebied Regio Eindhoven in de periode 2005–2010 is weergegeven in de hierna volgende tabel.

 woningen (x 1 000)bedrijfsterrein (ha)kantoren (10 000 m2 b.v.o.)
 opgavebandbreedteopgavebandbreedteopgave
Regio Eindhoven-Helmond10 6–14187187–25021
Noord-Brabant (zonder Eindhoven-Helmond)2716–37413413–56143
Zeeland 3 0– 6 61 61– 81 7
Limburg11 4–193061)306–4111)27

1 Exclusief additionele ruimtevraag t.g.v. logistieke spin-off in Venlo en Born

Het rijk zal de voor dat doel ter beschikking staande instrumenten inzetten om de uitvoering van de hierboven aangegeven verstedelijkingsopgave te ondersteunen. De opgave is de basis voor de uitvoeringsafspraken. Daar de bevolkings- en economische prognoses in de loop der tijd kunnen veranderen, zal in het jaar 2000 een herijking van de uitvoeringsafspraken plaatsvinden.

Deze herijking wordt een onderdeel van de voorbereiding van een integrale Vijfde Nota over de Ruimtelijke Ordening. Bij deze herijking zullen ook de nieuwe beleidsinzichten uit de Vijfde Nota over de Ruimtelijke Ordening worden verwerkt. Bij een noodzakelijke neerwaartse bijstelling van de opgavecijfers worden, in overleg met de Tweede Kamer, de uitvoeringsafspraken 2005 – 2010 in gelijke mate bijgesteld. Hierbij worden tevens de afspraken met de provincies over de inperking van woningbouw in niet-Vinexgebieden geëvalueerd en betrokken. Verder zal bij deze herijking de kwaliteit van de Vinex-locaties worden meegewogen. De aldus herijkte uitvoeringsafspraken zullen worden opgenomen in PKB deel 3 van de Vijfde Nota.

De bouw wordt mogelijk gemaakt van ca. 30% woningen in de sociale sector van de op de uitleglocaties en binnen de herstructurering van de woningvoorraad te bouwen woningen.

De provincies, kaderwetgebied en gemeenten dienen in hun plannen tenminste voldoende ruimte op te nemen om de opgave voor wonen respectievelijk werken te accommoderen, en binnen de uitgangspunten van het nationaal ruimtelijk beleid voldoende ruimte te reserveren voor ontwikkelingen in de verstedelijkingsvraag zoals aangegeven in de bandbreedte.

Vanuit de doelstelling zuinig ruimtegebruik is het rijk van oordeel dat de maximale ruimtereservering niet mag uitgaan boven de aangegeven bandbreedte. In het geval de verstedelijkingsvraag voor het wonen zich ontwikkelt onder het niveau van de opgave, is de basis voor (onderdelen van) de plannen niet meer aanwezig. In dat geval dienen provincies en gemeenten bij de bepaling van de prioriteitsvolgorde van (de onderdelen van) de plannen die wel aan de orde blijven, uit te gaan van de uitgangspunten van het nationaal ruimtelijk beleid.

Kansrijke Euregionale ontwikkelingen worden door het rijk gestimuleerd.»

6. Vervallen teksten in «V. Regionale Beleidsuitspraken»

In hoofdstuk V.3. Noord-Holland, Zuid-Holland, Utrecht en Flevoland vervallen de teksten over de alternatieve ontwikkelingsrichtingen na 2005. Het betreft de volgende teksten:

«Voor de periode na 2005 blijven voor de opvang van de woningbehoefte in het Amsterdamse stadsgewest, naast verdere herstructurering en verdichting, de volgende alternatieve ontwikkelingsrichtingen open:

– verdere ontwikkeling Almere

– Nieuw-Oost II

– Haarlemmermeer

Bij de afweging van verstedelijkingsalternatieven voor de periode na 2005 wordt een zwaar gewicht toegekend aan behoud van ontwikkeling van de ecologische verbindingszones in en rond het IJmeer.»

«Voor de periode na 2005 blijven voor de opvang van de woningbehoefte in het Rotterdamse stadsgewest de volgende ontwikkelingsrichtingen open:

– Barendrecht/Smitshoek

– Pijnacker-West in het Tussengebied Den Haag-Rotterdam.

Locaties binnen deze ontwikkelingsrichtingen zullen in een later stadium moeten worden afgewogen, mede gelet op de werkgelegenheid en in samenhang met de lange termijn keuzen voor het stadsgewest Den Haag. De aanduiding van Pijnacker-West als een alternatieve ontwikkelingsrichting voor de verstedelijking na 2005 betekent dat tot het moment van definitieve besluitvorming over verstedelijking de glastuinbouw in dit gebied zich volwaardig moet kunnen blijven ontwikkelen, zowel door nieuwvestiging als door uitbreiding, zulks binnen de ruimte op grond van het vigerende streekplan.»

«Voor de periode na 2005 blijven voor de opvang van de woningbehoefte in het Haagse stadsgewest naast de doorloop van Ypenburg de volgende alternatieve ontwikkelingsmogelijkheden open:

– Kustlocatie

– Pijnacker-Oost in het Tussengebied Den Haag-Rotterdam

– Zoetermeer-Oost

Locaties binnen deze ontwikkelingsrichtingen zullen in een later stadium moeten worden afgewogen, mede gelet op de werkgelegenheid en in samenhang met de lange termijn keuzen voor het stadsgewest Rotterdam. De aanduiding van Pijnacker-Oost als een alternatieve ontwikkelingsrichting voor de verstedelijking na 2005 betekent dat tot het moment van definitieve besluitvorming over verstedelijking de glastuinbouw in dit gebied zich volwaardig moet kunnen blijven ontwikkelen zowel door nieuwvestiging als door uitbreiding, zulks binnen de ruimte op grond van het vigerende streekplan.»

«Voor de periode na 2005 blijven voor de opvang van de woningbehoefte in het Utrechtse stadsgewest – naast een verdere doorgroei van Utrecht/Vleuten-De Meern tot 25 000 à 30 000 woningen, afhankelijk van de uiteindelijke omvang van glas en groenstructuur – de volgende alternatieve ontwikkelingrichtingen open:

– Houten (waaronder Schalkwijk)

– Nieuwegein (waaronder Rijnenburg).»

BIJLAGE 1

Gewijzigde Uitvoeringsafspraken (voorbeeld Noord-Holland)

Toelichting: De wijzigingen zijn vetgedrukt in cursieve letter weergegeven.

UITVOERINGSAFSPRAKEN VERSTEDELIJKINGSBELEID 2005–2010 PROVINCIE NOORD-HOLLAND EXCL. REGIONAAL ORGAAN AMSTERDAM

A ALGEMEEN

De provincie Noord-Holland en het rijk, bijeen in Bestuurlijk overleg op 23 september 1997, constateren het volgende:

– de verstedelijkingsopgave voor de periode 2005–2010 is neergelegd en beleidsmatig ingekaderd in concept-deel 3 van de Partiële Herziening Planologische Kernbeslissing Nationaal Ruimtelijk Beleid (hierna: concept-deel 3 PKB)

– dit concept-deel 3 wordt naar verwachting door de Ministerraad behandeld in november 1997; vervolgens wordt het vastgestelde deel 3 aangeboden aan het Parlement; na Parlementaire behandeling zijn opgave en beleidsmatige inkadering definitief

– ten behoeve van de uitvoering van de opgave voor de periode 2005–2010, in een soepele aansluiting op de lopende uitvoering voor de periode 1995–2005, zijn afspraken nodig over financiële voorwaarden waaronder deze uitvoering kan geschieden; daarbij horen ook afspraken over budgethouderschap

– in 2000 zal een herijking plaatsvinden van de elementen genoemd in de Nota van Toelichting op concept-deel 3 PKB (zie ook Nota van Toelichting deel 1 PKB; blz 88/89); de uitkomst van de herijking vindt zijn neerslag in de daarna te bepalen rijksbijdragen en de daaraan per locatie gekoppelde infrastructuurprojecten

– het herijkingsmoment valt na de evaluatie van de eerste deelperiode van de lopende Vinex-uitvoeringsafspraken voor de periode 1995–2005; de consequenties van de evaluatie met betrekking tot de realisering van de woningbouwopgave 1995–2000 in het licht van de daarover gemaakte afspraken, zullen bij de herijking worden betrokken en aldus waar nodig hun doorwerking vinden in de afspraken voor de periode 2005–2010

– bij de herijking in 2000 bezien beide partijen of, en zo ja gericht op welke elementen, in 2004 opnieuw een herijking nodig is

De provincie Noord-Holland en het rijk hebben op basis van de hierboven genoemde verstedelijkingsopgave en van de beleidsmatige inkadering daarvan, onder voorbehoud van de herijking(en), overeenstemming over het volgende:

B SPECIFIEKE AFSPRAKEN

B1 Grondkosten woningbouw (budgethouder provincie Noord-Holland)

– onder verwijzing naar de bouwopgave en bandbreedte als vastgelegd in concept-deel 3 PKB, zal de provincie Noord-Holland zich inspannen om 11 000 woningen ten behoeve van de uitbreiding van de woningvoorraad te realiseren in de periode 2005–2010

– bij de realisatie van de in de periode 2005–2010 te bouwen woningen als uitbreiding van de voorraad wordt bevorderd dat in de huidige Vinex-periode een groter aandeel van de nieuwbouw door middel van eigen opdrachtgeverschap kan worden gerealiseerd, en wordt ernaar gestreefd dat, voor de periode van de Actualisering Vinex, het aandeel via individueel opdrachtgeverschap te realiseren woningen circa eenderde van de te realiseren bouwopgave bedraagt

– voor deze opgave heeft de provincie Noord-Holland aangegeven dat 8 500 woningen in stadsgewestelijk verband zullen worden gerealiseerd; deze stadsgewestelijke woningen zullen als volgt nader worden verdeeld:

binnenstedelijke verdichting (incl. functieverandering 1971–1995) 2 500 woningen

functieverandering binnen grens 1971 (gemeenten

> 100 000 inw.) 1 500 woningen

idem (gemeenten < 100 000 inw.) 2 500 woningen

doorlooplocaties stadsuitleg (Broekpolder) 1 000 woningen

nieuwe stadsuitleg (HAL) 1 000 woningen

– het rijk zegt op basis van deze inspanning aan de hand van een bijdrageberekening per locatiecategorie het totaalbedrag van f 64,29 mln (pp 1995) aan bijdrage grondkosten woningbouw toe; bij de herijking zal dit totaalbedrag indien noodzakelijk worden aangepast

B2 Bodemsanering ten behoeve van woningbouw (budgethouder provincie Noord-Holland)

– voor het deel van de woningbouwopgave dat wordt gerealiseerd in binnenstedelijk gebied (verdichting en functieverandering) zegt het rijk een bijdrage toe van in totaal f 29,25 mln voor sanering van gevallen van ernstige bodemverontreiniging; ook dit bedrag zal bij de herijking indien noodzakelijk worden aangepast; het bedrag wordt bij uitbetaling samengevoegd met de grondkostenbijdrage

– bovengenoemde bijdrage geldt alleen voor locaties waar de saneringskosten per woning niet hoger zijn dan f 50 000; voor saneringen met kosten tussen f 50 000 en f 100 000 per woning wordt een afzonderlijke beoordeling van nut en noodzaak uitgevoerd bij de herijking in 2000; onderzoeksresultaten waarop deze beoordeling kan worden gebaseerd zullen tijdig door de provincie Noord-Holland worden geleverd

B3 Ruimtereservering voor werken

– onder verwijzing naar de opgave en bandbreedte als vastgelegd in concept-deel 3 PKB, te weten minimaal 128 en maximaal 187 ha bedrijfsterrein, alsook 220 000 m2 bruto kantoorvloeroppervlak, draagt de provincie Noord-Holland er zorg voor dat – met inachtneming van bundeling in stadsgewestelijk verband – in de periode 2005–2010 op regionaal niveau wordt voorzien in de daadwerkelijke kwantitatieve en kwalitatieve behoefte aan bedrijfsterreinen en kantoren volgens de opgave en in een voldoende ruimtereservering volgens de bandbreedte; indicatie daarvoor zijn opgave- respectievelijk bandbreedtecijfers op COROP-niveau

B4 Infrastructuur

– het project openbaar vervoerontsluiting Broekpolder, dat direct aan de verstedelijkingsopgave 2005–2010 is te koppelen, wordt opgenomen in de verkenningsfase van het MIT 1999–2003

B5 Groen

– voor de periode 2005–2010 is in het zoekgebied dat op de regiokaart West is aangegeven bij Zaanstreek/Beverwijk 310 ha strategisch groen aangewezen; het gaat hierbij om 250 ha vlakgroen en 60 ha verbindingen; tevens is in het zoekgebied dat op de regiokaart West is aangegeven bij Bergen-Schoorl 290 ha aangewezen; het gaat hierbij om 250 ha vlakgroen en 40 ha verbindingen; uitvoering is conform de aanpak van strategische groenprojetcen uit het Structuurschema Groene Ruimte. De provincie Noord-Holland overlegt met het Regionaal Orgaan Amsterdam over locatie, vormgeving en planning van het strategisch groen in het bovenbedoeld zoekgebied Zaanstreek/Beverwijk; daarbij zorgen deze partijen ervoor dat lokaal, regionaal en strategisch groen goed op elkaar en op de bevolkingsconcentraties aansluiten

– het rijk stelt een bijdrageregeling in voor de aanleg van 35 m2 regionaal groen per te realiseren woning in stadsgewestelijk verband; voor heel Nederland is daarvoor in de periode 2005–2010 f 45 mln beschikbaar; hieruit wordt een bijdrage van maximaal 50% verleend aan regionale groenprojecten waarbij financieel/bestuurlijke knelpunten optreden; de minimumbijdrage is gekoppeld aan een projectomvang van 25 ha, hetgeen overeenkomt met een woningbouwopgave van 7000 woningen in stadsgewesten. Voorwaarde is verder een zodanige inrichting dat voldoende opvangcapaciteit voor recreanten wordt geboden, een ruimtelijke relatie met de woningbouwopgave 2005–2010, en uitvoering in de periode 2004–2010; projecten waarvoor daadwerkelijk financieel/bestuurlijke knelpunten optreden en die voldoen aan bovengenoemde voorwaarden kunnen bij het rijk worden ingediend; over een te verlenen bijdrage wordt beslist bij de herijking (budgethouder: provincie Noord-Holland)

B6 Groene Hart

– het rijk stelt voor de periode 1998-2016 in het totaal ca f 390 mln beschikbaar voor aanvullende investeringen in het Groene Hart, gericht op verbetering van de kwaliteit van het Groene Hart. Dit bedrag geldt voor het totaal van het Groene Hart

B7 Nieuwe sleutelprojecten

– voor nieuwe sleutelprojecten (c.q. strategische interventies) die zijn aangemeld zal het rijk nagaan of in bestaande sectorale programma's elementen zijn opgenomen die een bijdrage kunnen vormen aan de uitvoering; voorzover daarbij meerdere sectoren zijn betrokken zorgt het rijk voor een gecoördineerde werkwijze

C INSTRUMENTARIUM

– voor toegekende bijdragen voor grondkosten woningbouw en bodemsanering woningbouw geldt bestedingsvrijheid, op voorwaarde dat overeengekomen prestaties (het realiseren van de verschillende onderdelen van de opgave, inclusief de bijbehorende verdeling over categorieën, als weergegeven in deel B) worden geleverd; bij niet nakomen van de prestaties kunnen als voorschot verleende bijdragen naar rato worden teruggevorderd (voor details zie de betreffende wettelijke regelingen)

– toegekende bijdragen worden herberekend bij de herijking, op basis van de dan na overleg vastgestelde opgave, en van de dan geldende werkelijke kosten en opbrengsten (zie verder onderdeel D hieronder); de herberekende bedragen verschijnen vanaf dat moment in de rijksbegroting, zodat, eveneens vanaf dat moment daarop de gangbare prijsbijstellingsmethodiek kan worden toegepast; het rijk behoudt zich de mogelijkheid voor in uitzonderlijke gevallen de prijsbijstelling achterwege te laten

– de bijdrage in de grondkosten van woningbouw is gebaseerd op minimaal 70% marktsector in uitleglocaties en 100% marktsector in binnenstedelijke locaties

– grondkostenbijdragen en bodemsaneringsbijdragen worden bij uitbetaling samengevoegd; de mogelijkheid bestaat dat beide zullen opgaan in een Volkshuisvestingsfonds; daarover zal bij de herijking nadere mededeling worden gedaan

– voor wat betreft de aanpak en uitvoering van bodemsanering blijven de regels van de Wet bodemsanering en de daarop gebaseerde circulaires van kracht; het betreft hier in het bijzonder de controle op de realisatie van de eisen van sanering.

– infrastructuurprojecten volgen de systematiek van het MIT;

– strategische groenprojecten volgt de aanpak van de strategische groenprojecten uit het Structuurschema Groene Ruimte; voor het regionaal groen wordt een regeling ingesteld

– afspraken worden gemaakt in overeenstemming met geldende weten regelgeving en bestuurlijke organisatie; uitgangspunt is dat deze afspraken in materiële zin zullen worden nagekomen; in geval van wijzigingen in wet- en regelgeving en/of bestuurlijke organisatie, optredend na het maken van deze afspraken (te denken valt aan een Volkshuisvestingsfonds waarin het BLS opgaat, een verhoging van de GDU-drempel voor infrastructuurprojecten, etc.) zal, voor het eerst bij de herijking, worden bezien of:

1. gemaakte afspraken onverkort gehandhaafd kunnen blijven

2. danwel vervallen omdat nieuwe wet- en regelgeving deze ondervangen

3. knelpunten die ontstaan als gevolg van vervallen afspraken tot nieuwe afspraken moeten leiden

D HERIJKING IN 2000

zoals in de PKB is aangegeven, vindt herijking in 2000 plaats op basis van nieuwe beleidsinzichten uit de Vijfde Nota én van de dan beschikbare nadere inzichten in precieze omvang van de opgave

Overeenkomstig de PKB heeft de herijking betrekking op de volgende elementen:

– de kwaliteit van Vinex-lokaties zal onderdeel zijn van de herijking. Bij de uitwerking van het thema kwaliteit van Vinex-lokaties zullen de meest belanghebbende partijen worden betrokken

– in geval van gewenste aanpassing van de opgave en de bandbreedte voeren de provincie Noord-Holland en het rijk hierover overleg; het rijk stelt na het overleg opgave en bandbreedte opnieuw vast; eventuele aanpassing geschiedt:

1. voor het wonen op basis van de voortgang woningbouw 1995–1999 volgens de Vinex-convenanten; verder op basis van de uitbreidingsbehoefte 2000–2010 volgens de trendbrief Volkshuisvesting 1999 en de resterende Vinex-capaciteiten 2000–2005, eveneens volgens de Vinex-convenanten (d.w.z. de doorloopruimte daarin na 2004)

2. voor het werken op basis van de bedrijfslocatie-monitor zoals aangekondigd in de nota Ruimte voor Regio's

– over eventuele wijzigingen die de provincie Noord-Holland wenst aan te brengen in de verdeling over de onderscheiden woningbouwcategorieën (al dan niet als gevolg van aanpassing van de opgave) wordt met het rijk overlegd

– het rijk kan het noodzakelijk achten de differentiatie sociaal/marktsector voor de uitbreiding van de woningvoorraad aan te passen; indien dit het geval is zal dat doorwerken in de bepaling van de rijksbijdrage grondkosten woningbouw

– in het geval de verstedelijkingsvraag voor het wonen zich ontwikkelt onder het niveau van de opgave, is de basis voor (onderdelen van) de plannen niet meer aanwezig; in dat geval dienen provincies en gemeenten bij de bepaling van de prioriteitsvolgorde van (de onderdelen van) plannen die wel aan de orde blijven, uit te gaan van de uitgangspunten van het nationaal ruimtelijk beleid zoals verwoord in concept-deel 3 PKB

– herijking van de rijksbijdrage voor woningbouw vindt mede plaats op basis van geactualiseerde normbedragen voor de onderscheiden categorieën

– voor infrastructuur wordt van de genoemde projecten (onderdeel B4 van deze afspraken) bij de herijking bezien of de koppeling aan de verstedelijkingsopgave nog onverkort geldt en of de ratio van deze projecten in de MIT-procedure nog dezelfde is, danwel voldoende is in het licht van de locatiekeuze of locatie-omvang

– in 2000 zullen partijen in onderling overleg bezien of in 2004, direct voorafgaand aan het begin van de periode waarop de afspraken betrekking hebben, opnieuw herijking dient plaats te vinden

E BESTUURLIJKE COMMISSIE RANDSTAD

De volgende punten worden gezamenlijk uitgewerkt in het kader van de BCR:

• de afronding van de gebiedsuitwerkingen

• de aanpak van de onderwerpen infrastructuur, herstructurering bedrijfsterreinen en nieuwe sleutelprojecten

• de herijking

Gebiedsuitwerkingen

Rijk en provincies zijn het eens over het opstellen van een gebiedsuitwerking voor drie gebieden: het gebied tussen Den Haag en Roterdam, het gebied van de driehoek Leiden–Haarlem–Amsterdam en de Hoeksche Waard. Verder is overeengekomen dat een gebiedsstudie zal worden uitgevoerd met betrekking tot Almere/Zuidelijk Flevoland. De Randstadoverheden hebben het voortouw bij de drie gebeidsuitwerkingen en de gebiedsstudie.

De in de PKB genoemde uitgangspunten en keuzevraagstukken voor de gebiedsuitwerkingen en de gebiedsstudie worden onderschreven.

Infrastructuur

De BCR zal worden benut om op strategisch niveau verder te werken aan de bereikbaarheid van en in de Randstad. In het bijzonder kan de BCR een rol spelen bij het aangeven van samenhangende beelden met betrekking tot de diverse infrastructuurplannen en bij het prioriteren en faseren van infrastructuurprojecten. Belangrijk onderdeel daarvan betreft de verbetering van het OV-stelsel waar dat – uiteraard rekening houdend met marktpotenties – nodig en mogelijk is.

Herstructurering bedrijfsterreinen

Er wordt gezamenlijk een inventarisatie gemaakt van de mogelijkheden voor herstructurering van bestaande bedrijfsterreinen en van de kansen en bedreigingen daarbij. Daarbij worden ook de knelpunten in het beschikbare instrumentarium en de bestaande regelgeving ten aanzien van herstructurering onderzocht. Op basis daarvan worden de mogelijkheden voor de ontwikkeling van een integraal beleidsprogramma voor de aanpak van deze herstructurering bezien.

Nieuwe sleutelprojecten

Voor de vitaliteit van de steden is verdere beleidsontwikkeling nodig ten aanzien van functionele intensivering en ruimtelijke kwaliteitsverbetering. De door de Randstad aangemelde strategische interventies spelen daarbij een belangrijke rol. De verdere uitwerking van die rol kan gestalte krijgen in BCR-kader.

Daarin kan worden nagegaan, op basis van de resultaten van de reeds afgesproken haalbaarheidsonderzoeken naar nieuwe sleutelprojecten gekoppeld aan stations van de hogesnelheidstrein, of en op welke wijze een ontwikkelingsprogramma voor deze projecten gestalte kan krijgen. daarin kan tevens worden nagegaan of en op welke wijze met gebruikmaking van bestaande middelen en programma's (waaronder «Stad en Milieu» en het programma intensief, meervoudig ruimtegebruik) en met een goed gecoördineerde werkwijze bij rijk en andere overheden de overige projecten verder kunnen worden gebracht.


XNoot
1

Toelichting: Deel 3d bevat de wijzigingen die zijn aangebracht in deel 3b naar aanleiding van het op 25 november jl. gevoerde overleg met de Vaste Kamercommissie VROM én de wijzigingen ten gevolge van de op 15 december 1998 door de Tweede Kamer aangenomen moties. De wijzi- gingen zijn vet gedrukt, in grote cur- sieve letter weergegeven.

Naar boven