Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1996-1997 | 25130 nr. 2 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1996-1997 | 25130 nr. 2 |
Vastgesteld 16 december 1996
De vaste commissie voor Financiën1 heeft ter voorbereiding van de Najaarsnota 1996 onderstaande vragen geformuleerd. De desbetreffende antwoorden zijn eveneens in dit verslag opgenomen.
Wat is de regering van plan te gaan doen met de meevallers van per saldo 312 mln. in de voor de budgetdiscipline relevante netto-uitgaven? En wat gebeurt er met de 0.4 mld. die resteert in de niet voor de budgetdiscipline relevante uitgaven? (blz. 1).
De per saldo gesignaleerde meevallers leiden tot een verlaging van het tekort.
Welke concrete ombuigingsmaatregelen liggen ten grondslag aan de mutaties? (blz.1–2).
Op genoemde pagina's wordt het saldo van de geactualiseerde ramingen weergegeven (saldo mee- en tegenvallers en beleidsmatige mutaties). Het betreft hier geen concrete ombuigingsmaatregelen.
Wie bepaalt de hoogte en de noodzaak van een eindejaarsmarge? (blz. 2).
In de nota «Verder Bouwen aan Beheer» (Kamerstukken II, 1991–1992, 22 300, nr. 1) uit 1992 is de eindejaarsmarge geïntroduceerd. Het creëren van een mogelijkheid om een zekere hoeveelheid kasgeld over de jaargrens heen te verplaatsen, blijkt noodzakelijk om ondoelmatige besteding van middelen aan het einde van het jaar (de zogenaamde decemberkoorts) tegen te gaan. De maximale eindejaarsmarge bedroeg aanvankelijk 0,25% van het (gecorrigeerde) begrotingstotaal.
In de brief «Begrotingsproces en -systematiek» die op 2 maart 1995 aan de Tweede Kamer is verzonden (Kamerstukken II, 1994–1995, 23 900, nr. 21), werd aangegeven dat de maximale eindejaarsmarge verhoogd is naar 1,0%.
Ieder departement mag van deze eindejaarsmarge tot het genoemde maximum gebruik maken. Hoeveel feitelijk wordt overgeheveld is afhankelijk van de ontwikkeling op de desbetreffende begroting; het saldo van specifieke mutaties (mee- en tegenvallers en beleidsmatige mutaties) kan – voor zover het maximum niet wordt overschreden – worden meegenomen in de eindejaarsmarge.
Waarom worden voor de eindejaarsmarges 1996 dezelfde bedragen aangehouden als de eindejaarsmarges 1995? (blz.2).
De feitelijke omvang van de eindejaarsmarges 1995/1996 is bepaald door het gebruik dat de departementen in 1995 feitelijk hebben gemaakt van de mogelijkheid om (per saldo) gelden mee te nemen van 1995 naar 1996. Bij Voorjaarsnota 1996 zijn deze bedragen aan de begrotingen 1996 toegevoegd.
Dit zou evenwel een belasting van het uitgavenbeeld betekenen. Om deze belasting te neutraliseren is gelijktijdig is een evengrote – technische – tegenpost (aanvullende post «nader te bepalen ombuigingen/nader te verdelen») opgenomen. Daarmee werd de verwachting uitgesproken («de ramingstechnische veronderstelling») dat in de periode vanaf de Voorjaarsnota onderuitputting op zal treden (bijvoorbeeld doordat ook in 1996 gebruik wordt gemaakt van de eindejaarsmarge) die minimaal gelijk is/zal zijn aan de toevoeging uit hoofde van de eindejaarsmarge 1995/1996. De onderuitputting bij Najaarsnota is dus voldoende gebleken om de ramingstechnische veronderstelling te verwerken.
Het bedrag dat in 1996 feitelijk in de eindejaarsmarge naar 1997 wordt overgeheveld, is niet per definitie gelijk aan de eindejaarsmarge 1995/1996.
Geldt nog altijd dat een eindejaarsmarge een directe tegenpost moet hebben in het volgende jaar, zoals destijds vermeld in de brief van 2-3-1995 over het begrotingsbeleid? (blz. 2).
Ja.
Zie ook de beantwoording van vraag 4.
Waarom wordt van de 823 miljoen die aan België wordt betaald vanwege de HSL-Zuid in 1996 reeds 428 mln. betaald?
Waarom wordt slechts 181 mln. en niet de volledige 428 mln. betaald uit het FES? (blz. 2).
De Nederlandse bijdrage hangt samen met het voor Nederland meest gunstige tracé van de HSL-zuid (zowel qua grensovergang, als qua bundeling met bestaande infrastructuur). Dit tracé stelt België evenwel voor hogere kosten dan het tracé dat aanvankelijk de voorkeur had van België, nl. de zogenoemde Havenspoorlijn. In onderhandelingen met België is uiteindelijk vastgesteld dat Nederland uiterlijk begin 1999 een bijdrage van 823 miljoen zal betalen. Hierbij is verder bepaald dat Nederland in 1996 tenminste 200 mln zou voorfinancieren, ondermeer met het oog op voorbereidingskosten in België, en dat er een rentebeding van 6% geldt voor het deel van de 823 miljoen dat na januari 1997 betaald zou worden.
In de hoogte van het bedrag van 823 is het rentebeding verdisconteerd, alsmede dat de (financiële) risico's bij de aanleg op Belgisch grondgebied voor rekening van de Belgen zijn.
De betaling van 428 miljoen op dit moment hangt samen met enerzijds het rentebeding van 6% (dit rentepercentage ligt op dit moment boven de rente op staatsleningen) en anderzijds met de budgettaire ruimte die het Infrafonds op dit moment biedt en de bijdrage van 181 miljoen die ten laste van het FES zou komen.
Deze (maximale) bijdrage ten laste van het FES is door het kabinet vastgesteld. Het restant van de betaling aan België wordt gedekt uit het Infrastructuurfonds en private financiering.
Waarom is er dit jaar opnieuw een tegenvaller van opnieuw 60 mln bij boeten en transacties en worden daarvoor als redenen opnieuw opgevoerd de lager dan geraamde gemiddelde tarieven en de vertraagde indexering van de boete-tarieven?
Is er naar aanleiding van de tekorten vorig jaar overleg geweest met de minister van Justitie? Tot welke afspraken heeft dat geleid? Is de minister van Financiën van plan deze traditie van tegenvallers te beëindigen? Zo ja, hoe? (blz. 3).
Over het begrotingsjaar 1996 zal naar verwachting 45 mln meer aan ontvangsten worden gegenereerd dan in 1995. Desalniettemin zal het realisatietekort op 60 mln uitkomen. Bij het opstellen van de begroting voor 1995 is uitgegaan van een aantal aannames die achteraf slechts ten dele juist bleken te zijn. Zo is in eerdere berekeningen uitgegaan van een gemiddeld boetebedrag van 112 gulden, terwijl dit in de praktijk ca. 95 gulden bedraagt, en werd uitgegaan van een tijdige invoering van de indexering.
Tussen de ministeries van Financiën en van Justitie is zeer regelmatig overleg over de begrotingsuitvoering, waarbij ook het dossier boeten en transacties de nodige aandacht krijgt. In de zomer van 1996 is een interdepartementaal beleidsonderzoek naar de handhaving van het verkeersrecht gestart. Mede gelet op de uitkomsten voor 1996 zal deze problematiek worden betrokken bij de besluitvorming over Voorjaarsnota 1997/Kaderbrief 1998.
Heeft de lagere opbrengst van boeten en transacties ook te maken met een gewijzigde prioriteitenstelling bij de politie? (pag. 3).
Neen, integendeel. De extra aandacht in de opsporing van overtreding van de maximumsnelheid en roodlicht-negatie heeft de laatste jaren gezorgd voor een sterke stijging van het aantal Mulder- en strafzaken. De hieruit voortvloeiende opbrengst is gestegen.
Waarom is er opnieuw een tegenvaller bij de Plukze-maatregelen? Wat is er gedaan om deze herhaling van vorig jaar te voorkomen? (blz. 3).
Aan het realisatietekort liggen drie hoofdoorzaken ten grondslag. De complexiteit van en onbekendheid met (aspecten van) de wetgeving bij politie en OM, de lange en ingewikkelde procedures en onvoldoende financiële kennis bij OM en politie.
Met name in zaken waarin hoge bedragen aan wederrechtelijk verkregen voordeel actueel zijn, beloopt de doorlooptijd van de gerechtelijke procedure in de regel meerdere jaren, waarbij zeker in grote zaken alle rechtsmiddelen worden uitgeput.
Structureel blijkt dat de inkomsten uit ontnemingszaken zich lastig laten ramen. Zo kunnen ontnemingszaken met een hoog berekend wederrechtelijk voordeel in een begrotingsjaar waarin een onherroepelijke uitspraak van de rechter kan worden geëxecuteerd tot hoge inkomsten leiden. Andere jaren kunnen vele kleine zaken relatief geringe inkomsten creëren.
In principe is het denkbaar dat één ontnemingszaak voldoende is om de raming in het betreffende jaar te halen.
Overigens wordt in de Coördinatiecommissie Plukze (CCP) continu aandacht besteed aan de uitvoering van de Plukzewetgeving. In de CCP komen gesignaleerde knelpunten aan de orde en worden mogelijke oplossingsrichtingen besproken met alle betrokken departementen en het OM.
Hoeveel bedraagt het bruto-voordeel aan meevallers en onderuitputting? (blz. 3).
De per saldo optredende onderuitputting van in totaal 312 miljoen treedt deels op bij de netto-uitgaven Rijksbegroting in enge zin (243 miljoen) en deels bij de begrotingsgefinancierde netto-uitgaven Sociale Zekerheid (68 miljoen).
Bij de Rijksbegroting in enge zin bedraagt het bruto-voordeel aan meevallers en onderuitputting 1,5 miljard en het bruto-nadeel 1,3 miljard. Bij de begrotingsfinancierde netto-uitgaven Sociale Zekerheid bedraagt het bruto-voordeel 330 miljoen en het bruto-nadeel 261 miljoen.
Hoe zal de onderuitputting in 1996 worden vertaald in de algemene uitkering aan de gemeenten? (blz. 3).
De definitieve vaststelling van het accres 1996, gebaseerd op de Vermoedelijke Uitkomsten 1996, is uitgedeeld bij Miljoenennota 1997. Hiermee is de onderuitputting, zoals bekend bij Miljoenennota 1997, en dus een groot gedeelte van de onderuitputting 1996, al doorberekend in de algemene uitkering aan gemeenten.
In 1997 vindt er nacalculatie plaats voor de ontwikkelingen op de rijksbegroting tussen de Vermoedelijke Uitkomsten 1996 en de Voorlopige Rekening 1996. Onderuitputting die optreedt tussen de Vermoedelijke Uitkomsten 1996 en de Voorlopige Rekening 1996 zal leiden tot een neerwaartse aanpassing van het Gemeentefonds in 1997 in de eerste suppletoire begroting 1997.
Leiden de nu gepresenteerde wijzigingen nog tot aanpassingen in het geactualiseerde overzicht van de clustergelden, zoals gepresenteerd in antwoord op vraag 45 n.a.v. de Miljoenennota 1997 (25 000 nr. 28)? Zo ja, welke? (blz. 3).
Nee.
Hoe is de ontwikkeling van het 12-maands voortschrijdend gemiddelde van het financieringstekort over 1996 tot nu toe?
Hoe is het verschil t.o.v. de raming in de miljoenennota 1996 te verklaren. Wat zijn de ramingen voor de laatste twee maanden van 1996? Wat is de meest recente raming van de EMU-schuld quote? (blz. 5).
Volgens de huidige inzichten komt het 12-maandcijfer van het beleidsrelevante financieringstekort tot en met november uit op 2,5% BBP. De prognose voor 1996 als geheel is dat het beleidsrelevant tekort t.o.v. de stand VU gunstiger uitkomt (stand VU was 2,8% BBP); de omvang valt momenteel nog niet te bepalen. Voor het feitelijk financieringstekort en het EMU-tekort wordt eveneens een met een enigszins meevallende ontwikkeling gerekend. Deze meevaller wordt in hoofdzaak veroorzaakt door de hogere belastingontvangsten.
De meest recente raming van de EMU-schuldquote bedraagt 78,8% (stand VU).
Hoeveel zullen naar verwachting per ultimo 1996 het EMU-tekort en de EMU-schuld bedragen? Wat waren daarvoor in september 1995 (Miljoenennota 1996) de ramingen? (blz. 5).
Voor de verwachting ultimo 1996 wordt verwezen naar vraag 13. In de Miljoennota 1996 was de raming voor het EMU-tekort 1996 2,8% BBP en voor de EMU-schuld 78,4% BBP.
Wat zijn de huidige kwantitatieve inzichten in de vermoedelijke omvang van de belastingmeevaller ultimo 1996? (blz. 4–5).
Voor de verwachting ultimo 1996 wordt verwezen naar vraag 13.
Hoe is het mogelijk dat de onderuitputting ad 50 miljoen in 1995 bij de Melkertbanen nu pas aan het licht komt? Is het niet waarschijnlijk dat ook in 1996 een soortgelijke onderuitputting zal optreden. Was de onderuitputting bij de Melkert-2 banen niet al te voorzien bij de eerste suppletoir begroting 1996 of bij de Vermoedelijke Uitkomsten? (blz. 13).
In 1995 hebben de gemeenten geld gekregen voor het realiseren van zogenaamde Melkertbanen. De onderuitputting ad 50 miljoen in 1995 heeft betrekking op de Melkert-I-banen. Deze middelen zijn in dat jaar niet geheel tot besteding gekomen. De reden hiervoor is dat het nieuw beleid betreft (e.g. vinden van geschikte kandidaten, afsluiten van contracten, geleidelijke instroom).
Pas in oktober 1996 is door de gemeenten een definitieve opgave gedaan van de mate waarin en het tijdstip waarop de realisatie van Melkert-I-banen heeft plaatsgehad (een afrekening op basis van gemeenterekeningen over 1995; de wettelijke rapportagedatum daarvoor is 1 oktober). Binnenlandse Zaken is daarop overgegaan tot het terugvorderen van de niet besteedde bedragen bij de gemeenten.
1996 is voor de Melkert-I-banen het tweede uitvoeringsjaar. In 1996 zal derhalve nog een cohort Melkertbanen uit 1995 tot besteding komen (de uitgaven lopen door). Daarnaast is in de bevoorschotting nu wel rekening gehouden met een geleidelijke instroom van nieuwe kandidaten voor Melkertbanen. Om deze redenen ligt een soortgelijke onderuitputting als in 1995 niet in de lijn der verwachtingen.
Ten aanzien van de onderuitputting bij de Melkert-II-banen kan het volgende worden opgemerkt. Om eventuele onderuitputting vast te kunnen stellen is het noodzakelijk om te beschikken over de declaraties van de instellingen die de subsidies in het kader van de Experimenten Activering Uitkeringsgelden (EAU) toegekend hebben gekregen. Deze declaraties gebeuren op kwartaalbasis. Dit betekent dat bij de eerste suppletore begroting nog onvoldoende inzicht was om een uitspraak te kunnen doen over de realisatie van de banen in het kader van de EAU voor heel 1996. Ook bij Vermoedelijke Uitkomsten ontbrak zekerheid. In de eerste plaats omdat op dat moment pas hooguit twee kwartaaldeclaraties van de verschillende instellingen waren ontvangen en in de tweede plaats omdat nog verschuivingen van minder naar meer succesvolle projecten plaatsvonden.
Welke administratieve correctie ligt ten grondslag aan de ophoging van de renteraming 1996 met 52,5 miljoen? (blz. 16).
De administratieve correctie heeft betrekking op een fout in de raming ten tijde van de Vermoedelijke Uitkomsten in de ontwerpbegroting 1997. De raming voor 1996 was opgebouwd uit een deel realisatie (t/m 30 juni op kasbasis) en een deel prognose (verplichtingen t/m 31 december op transactiebasis). Doordat de vervaldata 29 en 30 juni beide in het weekend vielen, vond realisatie op die vervallen termijnen op 1 juli plaats. Aangezien de jaarraming werd gebaseerd op de realisaties tot en met 30 juni en een prognose voor de tweede helft van het jaar, zijn de doorgeschoven betalingen ten onrechte niet meegenomen, hetgeen leidde tot een te lage jaarraming.
Wat is de netto contante waarde van de rentewinst uit hoofde van de vervroegde aflossing van staatsleningen? Waarom valt dit onder het hoofdstuk mee/tegenvallers? (blz. 16).
De Staat gaat over tot vervroegde aflossing van staatsleningen, indien een bedrijfseconomisch voordeel kan worden behaald. Dit voordeel wordt berekend door de te behalen rentewinst over de resterende looptijd te vergelijken met de – cf. leningvoorwaarden – te betalen boete. Alleen bij een netto-voordeel wordt overgegaan tot vervroegde aflossing (zie ook de memorie van toelichting bij de ontwerpbegroting 1997 Nationale Schuld).
Het in 1996 te realiseren bedrijfseconomische voordeel bij vervroegde aflossing van leningen met vervroegde aflossingsclausule zal naar verwachting uitkomen op ca. 150 miljoen (dit betreft deels nog een raming).
Het hierbovengenoemde (netto-)voordeel wordt slechts ten dele direct zichtbaar in de begroting, namelijk alleen wat betreft de boete; het rentevoordeel is – gegeven de kassystematiek van de begroting en de reikwijdte van de meerjarencijfers – niet rechtstreeks in het (budgettaire) beeld zichtbaar te maken. Vervroegde aflossing past binnen het vigerende beleid. Derhalve worden mutaties uit hoofde van dit beleid niet als beleidsmatig aangemerkt.
Is het, zoals in een artikel in het tijdschrift «Central Banking Magazine» wordt gesuggereerd, plausibel dat de EMU zal leiden tot zeer forse verschuivingen in de winstposities (en afdrachten) van de diverse nationale centrale banken? Wat zijn de eventuele gevolgen voor Nederland? (blz. 16).
De winst van een centrale bank is de resultante van een groot aantal factoren. Belangrijk zijn daarbij de wijze waarop het monetair beleid wordt gevoerd, de instrumenten die daarbij worden ingezet en ontwikkelingen op de wereldkapitaalmarkt. Aangezien deze factoren voor alle EU-lidstaten verschillend zijn, zijn cijfers over de huidige winstpositie niet zonder meer representatief voor de toekomstige winstpositie van het ESCB. Wel is nu al duidelijk dat herverdeling van seigniorage-inkomsten kan leiden tot een lagere winst voor bijvoorbeeld de Bundesbank en de Nederlandsche Bank.
Seigniorage-inkomsten zijn inkomsten die ontstaan bij de uitgifte van bankbiljetten, waarbij activa worden verworven waarop een (beleggings-) rendement wordt behaald. De seigniorage-inkomsten zullen voor DNB als onderdeel van het ESCB lager zijn.
De reden voor het kleinere aandeel in het totaal van de seigniorage-inkomsten voor een aantal centrale banken, is gelegen in het verschil tussen het aandeel van de Bank in de totale Europese bankbiljettencirculatie, en het aandeel van de ESCB-opbrengsten dat DNB zal ontvangen conform de in de ESCB-statuten vastgelegde verdeelsleutel. Deze verdeelsleutel is gebaseerd op de bevolkingsomvang en het bruto binnenlands product. Vooral Duitsland heeft echter een relatief grote bankbiljettenomloop, gegeven het grote aantal Dmarken dat in Oost-Europa circuleert. Of dit zogenaamde sleutelnadeel werkelijk optreedt, hangt sterk van de samenstelling van de kopgroep af, alsmede van ontwikkelingen op betalingsverkeergebied.
De huidige gunstige positie kan voor de desbetreffende lidstaten beschouwd worden als een bijzondere situatie, die komt te vervallen als de derde fase van de EMU van start gaat. Alle deelnemende lidstaten garanderen dan gezamenlijk de stabiliteit van de euro, waarmee alle centrale banken in gelijke mate recht hebben op de daarbij behorende opbrengsten. Als de relatieve inkomensposities van de nationale centrale banken bij het begin van de derde fase sterk wijzigen, voorzien de bij het Verdrag van Maastricht behorende ESCB-statuten overigens in een overgangstermijn. De monetaire inkomsten kunnen voor maximaal 5 jaar door de Europese Centrale Bank via een aangepaste sleutel worden verdeeld.
Kunnen de afwijkende macro-economische factoren die de lagere ontvangsten van heffings- en invorderingsrente verklaren nader gespecificeerd worden? (blz. 16–17).
Het verloop van de heffings- en invorderingsrente is afhankelijk van een aantal factoren. Het betreft macro-economische factoren zoals conjuncturele ontwikkeling en rentestand, en ook versnellingen in het aanslagregelend proces en uitspraken naar aanleiding van bezwaar en beroep.
De belangrijkste oorzaak voor de onderhavige bijstelling van de ontvangstenraming heffings- en invorderingsrente is de lagere rentestand.
Hoe groot is de tegenvaller bij de accijns op vruchtenwijnen en hoe groot zijn de hieruit voortvloeiende extra renteuitgaven (blz. 16–17).
Ten tijde van de ramingen voor de Miljoenennota was de gerechtelijke uitspraak, die de fiscus oplegt ten onrechte geïnde accijns op vruchtenwijn met betrekking tot de periode 1989–1993 terug te geven, nog niet bekend. Naar huidige inzichten bedraagt het verschuldigde bedrag circa 450 miljoen.
De wettelijke regeling inzake heffings- en invorderingsrente vindt geen toepassing met betrekking tot de betreffende teruggaven. De landsadvocaat is onlangs gevraagd advies te geven over de overige aspecten inzake de eventueel verschuldigde rente over de teruggave wijnaccijns. Op korte termijn vindt besluitvorming terzake plaats.
Kunnen de beleidsmatige mutaties (10 miljoen voor de opvang van verliezen en 40 miljoen voor de verlaging van de kapitaallasten) en de overboeking (van het departement van EZ naar het departement van VROM van 25 miljoen) ten behoeve van de COVRA nader toegelicht worden? Wanneer zal de COVRA een jaarlijkse sluitende exploitatie hebben? (blz. 21).
Uit de bedrijfseconomische vooruitzichten van COVRA en de meest recente ontwikkelingen op het gebied van het aanbod van radioactief afval blijkt, dat er in de jaren 1996 en 1997 naar verwachting een verlies van 10 miljoen ontstaat en dat een structurele verbetering van de exploitatie tot het jaar 2014 mogelijk is door het verstrekken van een lening van 40 miljoen door de Staat. Overwegende dat de continuïteit van de nutsfunctie die COVRA uitoefent niet in gevaar mag komen, hebben de meest betrokken departementen VROM en EZ elk voor de helft bedoeld totaalbedrag van 50 miljoen onder de nodige voorwaarden ter beschikking gesteld, waarvan 40 miljoen in de vorm van een achtergestelde lening ter sanering van bestaande leningen. Daarmee zal COVRA in staat zijn om de bedrijfsvoering tot 2014 zeker te stellen.
Kan de kapitaaldotatie van 162 miljoen voor NS-cargo nader toegelicht worden? Welk rentevoordeel is hier voor de staat mee gemoeid? (blz. 24).
Voor een nadere toelichting op de overeengekomen kapitaaldotatie NS-Cargo, wordt verwezen naar de Brief die de Minister van Verkeer en Waterstaat hierover op 12 december naar de Tweede Kamer heeft gezonden.
In deze overeenkomst met de NS is een rentebeding opgenomen. Inhoud van dit beding is dat de Staat over het per 1 januari 1997 niet betaalde deel van de kapitaaldotatie een rentevergoeding betaalt tot het feitelijke betalingsmoment. De verschuldigde rente, die is vastgesteld op de 12 maands Amsterdam Inter Bank Offered Rate (AIBOR) plus een opslag van 1%, ligt 0,3 procentpunt hoger dan de rente op staatsleningen met een vergelijkbare looptijd.
Resulteert de vertraagde realisatie van de Melkert-1 banen in een meevaller in 1997 en welke omvang zal deze meevaller hebben? (blz. 28–30).
Bedoeld zal zijn de Melkert-2 banen oftewel de regeling Experimenten Activering Uitkeringsgelden (EAU). Voor de EAU is 720 miljoen gulden voor vier jaar beschikbaar. Voor vrijwel dit bedrag zijn ook verplichtingen aangegaan. De vertraagde realisatie van de banen in 1996 leidt in 1997 tot extra uitgaven. Er is dus geen sprake van een meevaller in 1997. Wel zullen de extra uitgaven leiden tot lagere uitgaven aan de Algemene Bijstandswet.
De achtergebleven uitgaven aan Experimenten activering uitkeringsgerechtigden heeft een spiegelbeeldige volumetegenvaller in de Algemene Bijstandswet. Echter, hoe kan het verschil van 34 miljoen tussen beide posten worden verklaard? (blz. 29).
De meevaller in de regeling Experimenten Activering Uitkeringsgelden (EAU) ad 138 miljoen gulden valt uiteen in drie delen:
– een lager volume (4 400) dan oorspronkelijk voor 1996 was geraamd (13 900), waardoor de uitgaven dalen met 156 miljoen gulden;
– een hogere prijs (f 18 000,=) dan oorspronkelijk geraamd (f 16 438) vanwege het apart verantwoorden van de restituties vanaf 1996, waardoor de uitgaven stijgen met 7 miljoen gulden;
– een verhoging van het uitgavenbudget voor de doorgevoerde herschikking van arbeidsplaatsen (van minder naar meer succesvolle projecten) en een aanvullende voorschotverstrekking op verzoek van een aantal instellingen (totaal 10,8 miljoen gulden).
De tegenvaller in de ABW is als volgt bepaald:
– een aantal van 9500 peronen is in 1996 niet in de EAU gestroomd; omdat in de ramingen rekening wordt gehouden met een verdringing van 10% is verondersteld dat 90% van dit aantal, oftewel 8600 personen, niet uit de ABW is gestroomd; bij een gemiddelde uitkeringshoogte van f 20 000,= stijgt de raming voor de ABW dan met 172 miljoen gulden.
Op welke jaren hebben de restituties op het terrein van bijstandszaken betrekking? (blz. 30).
De restituties op het terrein van bijstandszaken ad 48,5 hebben hoofdzakelijk betrekking op verrekeningen van declaraties ten aanzien van de uitvoering van de regeling Experimenten activering uitkeringsgelden over 1995.
Is het waar dat de onderuitputting bij infrastructuurprogramma's in 1996 ongeveer 770 miljoen bedraagt? Welk deel van deze onderuitputting is het gevolg van politiek-bestuurlijke vertraging? (blz. 32–34).
Op het Infrafonds treedt bij Najaarsnota feitelijk geen onderuitputting op; hierbij dient dan wel te worden vermeld dat, samenhangend met vrijvallende middelen binnen het Infrastructuurfonds, 246 mln wordt uitgetrokken voor de Nederlandse bijdrage aan België samenhangend met het voor Nederland meest gunstige HSL-tracé.
Wat is de betekenis van de bij de Miljoenennota 1997 toegevoegde 2 miljard voor investeringen in de infrastructuur, indien jaar in, jaar uit deze uitgavencategorie met grote onderuitputtingen blijft kampen? (blz. 32–34).
In de eerste plaats is het van belang dat ca. 800 mln van de genoemde 2 miljard betrekking heeft de exploitatie van spitsdiensten, het verhogen van de zogenoemde gebundelde doeluitkering, het onderliggend wegennet en flankerend beleid goederenvervoer; deze 800 mln heeft dus geen betrekking op investeringen in infrastructuur die onder verantwoordelijkheid van de minister van VenW worden uitgevoerd.
Van het restant van 1,2 mld wordt een substantieel deel aangewend om vertragingen in het railprogramma, die nodig waren als dekking van de kostenstijging van de HSL-zuid, weer ongedaan te maken.
Hoe is de voeding voor het FES-fonds en het Infrastructuurfonds voor de jaren 1994, 1995 en 1996 opgebouwd? (blz. 32–35).
De voeding van beide fondsen is in de bijgevoegde tabellen weergegeven.
Voeding Fonds Economische Structuurversterking 1994 t/m 1996 (exclusief de voordelige beginsaldi)
| 1994 | 1995 | 1996 | |
|---|---|---|---|
| Ontv. uit extra export aardgas | 536 382 | 881 733 | |
| Common area baten | 2 750 000 | ||
| Overige ontvangsten uit aardgas | 1 487 657 | ||
| Netto opbrengst vervreemding staatsdeelnemingen | 2 238 900 | 3 473 443 | |
| Overige ontvangsten uit vervreemding vermogensbestanddelen van het Rijk | |||
| Totaal | 2 238 900 | 4 009 825 | 5 119 390 |
Voeding Infrastructuurfonds 1994 t/m 1996
| 1994 | 1995 | 1996 | |
|---|---|---|---|
| Heffingen | 2 744 400 | 3 056 000 | 3 014 500 |
| Bijdrage H-XII | 2 168 644 | 2 120 500 | 1 951 756 |
| Bijdrage FES | 508 000 | 1 348 | 1 412 000 |
| Bijdrage andere begrotingen | 15 500 | 34 500 | 12 000 |
| Projectgerelateerde ontvangsten | 243 918 | 293 086 | 277 926 |
| Algemene ontvangsten | 33 900 | 3 000 | 3 000 |
| Totaal | 5 714 362 | 6 855 086 | 6 671 182 |
Kan een overzicht gegeven worden van de financiële gevolgen die vertragingen in de uitvoering van infrastructurele werken in de afgelopen vijf jaar hebben gehad? Wat zijn de belangrijkste oorzaken voor onderuitputting in deze beide fondsen en kan, waar het gaat om vertraging in uitvoering van projecten, worden aangegeven om welke projecten dit gaat? (blz. 32–35).
Het is niet mogelijk om op deze korte termijn een adequaat en kwalitatief goed antwoord op deze vraag te geven.
Wat is het kasritme voor de betalingen van 823 miljoen voor het langere tracé op Belgisch grondgebied? Hoe verhoudt zich dit tot de planning van de uitvoering. Waarom vindt de betaling van 427,6 miljoen reeds in 1996 plaats? Heeft de compensatiebetaling in 1996 te maken met de omvang van de Belgische staatsschuld? (blz. 34–35).
In 1999 zal de aanvang van de bouw van het tracé in België plaatsvinden. Nederland en België streven beide naar gereedkoming in 2005. Voor de overige onderdelen van de vraag zij verwezen naar het antwoord op vraag 6.
Wat is het financieel voordeel voor Nederland om reeds in 1996 f 427 miljoen compensatie voor het HSL-tracé in België te betalen. Wanneer zal hiervoor de eerste spade in België in de grond gaan? Wanneer wordt het Belgische tracé-gedeelte voltooid? Wanneer wordt de laatste Nederlandse compensatiebijdrage gedaan? (blz. 34–35).
Zie de antwoorden op vraag 6 en vraag 31.
Kan worden verklaard waarom de bij de eindejaarsmarge 1995 behorende tegenpost «nader te bepalen» is gegroeid van –517 miljoen bij de voorjaarsnota tot 539 bij de vermoedelijke uitkomsten tot 635 miljoen bij de najaarsnota? Bestaat er een sluitingsdatum voor het aanmelden van eindejaarsbedragen? (blz. 36).
In de brief «Begrotingsproces en -systematiek» die op 2 maart 1995 aan de Tweede Kamer is verzonden, is aangegeven dat er via een aanvullende post-constructie een ramingstechnische veronderstelling zal worden geëffectueerd om de budgettaire effecten van het aanwenden van de eindejaarsmarge te mitigeren. Dit geschiedt via de aanvullende post «Nader te bepalen/te verdelen ombuigingen».
Op deze aanvullende post is bij de Voorjaarsnota 1996 uit dezen hoofde een mutatie verwerkt van –517 miljoen. Dit is de tegenboeking van het feitelijk gebruik door de departementen van de eindejaarsmarge 1995/1996 op basis van de Voorlopige Rekening 1995. De departementale begrotingen voor 1996 werden bij Voorjaarsnota 1996 hiermee verhoogd. Na de Voorlopige Rekening zijn de Slotwetten van alle begrotingen opgesteld. Dit leidde tot een bijstelling van het feitelijk gebruik van de eindejaarsmarge 1995/1996 van enkele begrotingen. Wederom mochten de begrotingen 1996 hiermee worden verhoogd. Dit leidde tot een bijstelling van de aanvullende post met circa 22 miljoen (tot –539 miljoen). Na het opstellen van de Slotwet van een begroting is de definitieve omvang van de eindejaarsmarge vastgesteld en deze kan niet meer worden aangepast.
Dat bij Najaarsnota 1996 in samenhang met de eindejaarsmarge 1995 635 miljoen wordt afgeboekt, heeft te maken met de beginstand (= stand Miljoenennota 1996) voor de eindejaarsmarges op deze aanvullende post van –96 miljoen. Dit bedrag vormt de ramingstechnische veronderstelling als tegenboeking voor de specifieke afspraken voor het gebruik van de eindejaarsmarge voor het Infrastructuurfonds en Ontwikkelingssamenwerking (OS-bandbreedtesystematiek). Deze kunnen over meerdere jaren worden uitgesmeerd en betreft de verwerking van het feitelijk gebruik van de eindejaarsmarge door OS en het Infrastructuurfonds in 1994. Ook deze gedragslijn is weergeven in de brief «Begrotingsproces en -systematiek».
Wordt de resterende taakstelling van 1,1 miljard op de aanvullende post «nader te bepalen» voor opbrengsten uit de verkoop van staatsdeelnemingen nog dit jaar ingevuld? (blz. 37).
De invulling van de taakstelling verkoop staatsbezit is nog onzeker. Voorop staat dat een eventuele verkoop plaatsvindt tegen goede voorwaarden en op het juiste moment.
Samenstelling: Leden: Schutte (GPV), Van Rey (VVD), Terpstra (CDA), Smits (CDA), Reitsma (CDA), Vliegenthart (PvdA), Ybema (D66), voorzitter, Schimmel (D66), Van Gijzel (PvdA), Witteveen-Hevinga (PvdA), Hillen (CDA), Hoogervorst (VVD), ondervoorzitter, Van Wingerden (AOV), Rabbae (GroenLinks), Voûte-Droste (VVD), Adelmund (PvdA), Giskes (D66), H. G. J. Kamp (VVD), Zonneveld (CD), Van Dijke (RPF), Van der Ploeg (PvdA), B. M. de Vries (VVD), Van Zuijlen (PvdA), Van Walsem (D66) en Ten Hoopen (CDA).
Plv. leden: Van der Vlies (SGP), Van Hoof (VVD), De Hoop Scheffer (CDA), Van der Linden (CDA), Wolters (CDA), Noorman-den Uyl (PvdA), Bakker (D66), Jeekel (D66), Van Zijl (PvdA), Liemburg (PvdA), De Jong (CDA), Rijpstra (VVD), Verkerk (AOV), Rosenmöller (GroenLinks), Hofstra (VVD), Crone (PvdA), Assen (CDA), M. M. H. Kamp (VVD), Marijnissen (SP), Leerkes (U55+), Verspaget (PvdA), Hessing (VVD), Van Nieuwenhoven (PvdA), vacature D66 en Van de Camp (CDA).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-25130-2.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.