nr. 9
TWEEDE NOTA VAN WIJZIGING
Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 5 komt te luiden:
Artikel 5
Bij ministeriële regeling wordt de rechtspositie van de vaste leden
van het college vastgesteld.
B
Artikel 9, tweede lid, vervalt, onder vervallen van het cijfer 1 en het
leesteken punt voor het eerste lid.
C
In artikel 15, onder b. 1° wordt «40d, eerste lid, aanhef en
onder b en c,» vervangen door: 40d, tweede lid,.
D
Artikel 26, onderdeel K wordt als volgt gewijzigd:
In artikel 15b, eerste lid, wordt «artikel 12, eerste lid,»
gelezen: artikel 12, eerste en derde lid,.
E
Artikel 27, onderdeel GG, onder 3 komt te luiden:
2. In het eerste lid, onder j, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
a. «23, zevende lid,» wordt vervangen door: 23, zesde lid
b. «de houder van nummers, toegekend krachtens» wordt vervangen
door: de houder van nummers toegekend of gereserveerd krachtens
c. «krachtens artikel 2, vierde lid, van de Vergunningenwet kabelgebonden
telecommunicatie-infrastructuur, toegekende nummers» wordt vervangen
door: krachtens artikel 2, vierde lid, van de Vergunningenwet kabelgebonden
telecommunicatie-infrastructuur, toegekende of gereserveerde nummers.
F
Artikel 27, onderdeel HH vervalt.
G
In artikel 27, onderdeel JJ wordt in artikel 42a, eerste lid, onder a.1°
de zinsnede «17, eerste lid,» vervangen door: 17,.
H
In artikel 28, onderdeel L wordt artikel 24 als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid onder b en c wordt « het college» vervangen
door: Onze Minister op voorstel van het college.
2. Het tweede lid komt te luiden:
2. De in het eerste lid onder b en c bedoelde vergoedingen worden opgelegd
door het college en voldaan aan het college.
I
Artikel 30 vervalt.
Toelichting
Onderdeel A
De in onderdeel A aangebrachte herformulering van artikel 5 betreft een
wetstechnische aanpassing.
Ingevolge het kabinetsbeleid dat is geformuleerd in de aanbiedingsbrief
waarmee in december 1996 aan de Tweede Kamer de Rapportage over de inventarisatie
van benoeming, beloning en ontslag van topfunctionarissen in de (semi)-publieke
sector, het zgn. BBO-rapport (Kamerstukken II 1996/97, 25 000 VII, no.
28) is aangeboden, heeft een betrokken minister bij de instelling van een
zbo de bevoegdheid tot benoeming en ontslag van de bestuursleden van een zbo,
maar ook tot vaststelling van hun rechtspositie (inclusief de beloning). In
verband met dit laatste is de formulering van artikel 5 enigszins aangepast.
Het ligt in mijn bedoeling om bij de vaststelling van het bezoldigingsniveau
van de voorzitter en de overige vaste leden van het college aansluiting te
zoeken bij de in het BBO-rapport opgenomen gemiddelde beloningsgegevens met
betrekking tot het cluster «toezichthoudende instellingen», waarmee
het college goed vergeleken zou kunnen worden. In verband hiermee zal, in
afwijking van het gestelde in de artikelsgewijze toelichting bij het voorstel
van wet, voor de vaststelling van de bezoldiging van het college geen advies
worden ingewonnen van de formatiecommissie. Voorts zal, voorzover het gaat
om een hoofdfunctie (in casu de voorzitter van het college), een wachtgeldregeling
worden getroffen conform de Algemene Pensioenwet Politieke Ambtsdragers.
Voor de goede orde zij nog opgemerkt dat de kosten die gemoeid zijn met
de bezoldiging – inclusief eventueel wachtgeld – van de leden
van het college ten laste zullen worden gebracht van de eigen begroting van
het college.
Onderdeel B
In dit onderdeel wordt het tweede lid van artikel 9 geschrapt.
In artikel 9, eerste lid, is vastgelegd dat bepaalde door het college
te maken kosten ten laste zullen worden gebracht van de begroting van het
Ministerie van Verkeer en Waterstaat. Hierbij is in de eerste plaats gedacht
aan de kosten van bezwaar en beroep en in de toekomst aan de kosten die verband
houden met toezichtstaken die afhankelijk van de uitkomsten van de evaluatie
van het MDW-rapport doorberekening handhavingskosten niet langer doorberekend
zullen kunnen worden. In het tweede lid van artikel 9 was voorzien in een
bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen bekostigingsverhouding
tussen de aan het college toekomende inkomsten uit vergoedingen door belanghebbenden,
bedoeld in het eerste lid onder a, en de vergoedingen die ten laste komen
van het ministerie. Gebleken is dat het niet mogelijk en zinnig is een dergelijke
bekostigingsverhouding vast te leggen, omdat de kosten van bezwaar en beroep
niet gefixeerd kunnen worden, terwijl tevens de mate van doorberekening van
handhavingskosten thans nog onduidelijk is. Gelet op het voorgaande dient
het oorspronkelijk voorgestelde tweede lid te vervallen.
Onderdelen C, D en G
De wijzigingen in deze onderdelen zijn van wetgevingstechnische aard en
dienen tot aanpassing van verwijzingen en herstel van een omissie.
Onderdeel E
Met deze wijziging wordt beoogd buiten twijfel te stellen dat voor het
toezicht op gereserveerde nummers evenals voor het toezicht op toegekende
nummers door belanghebbenden een vergoeding verschuldigd is. Het houden van
toezicht op toegekende en gereserveerde nummers is noodzakelijk voor een doelmatige
benutting en beheer van nummers, die in beginsel schaars zijn.
Onderdeel F
In dit onderdeel wordt het voorgestelde artikel 41a van de WTV geschrapt.
Dit artikel was bedoeld om als grondslag te kunnen dienen voor het aan marktpartijen
in rekening brengen van kosten die verband houden met de taakuitoefening van
het college. Omdat artikel 41 van de WTV en artikel 24 van de Vergunningenwet
reeds een voldoende basis blijken te bieden voor een dergelijk kostenverhaal
en het niet in de bedoeling ligt de betrokken marktpartijen te confronteren
met andere kosten, bestaat er geen behoefte aan artikel 41a.
Onderdeel H
Met deze wijziging wordt de regeling rond de verschuldigdheid van vergoedingen
voor de kosten van de bemoeiingen met betrekking tot de verlening van infrastructuurvergunningen
door het college ingevolge de Vergunningenwet in lijn gebracht met de systematiek
van artikel 41 van de WTV. Hiermee wordt bereikt dat het college zelf geen
vergoedingen vaststelt, doch dat alle vergoedingen die aan het college toekomen
uitsluitend vastgesteld worden door de Minister van Verkeer en Waterstaat,
op voorstel van het college.
Onderdeel I
Bij nadere afweging verdient het de voorkeur om de wijzigingen die in
het onderhavige voorstel van wet moeten worden aangebracht teneinde de bepalingen
met betrekking tot de taakomschrijving van de Onafhankelijke Post en Telecommunicatie
Autoriteit, de bepalingen van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen en
de bepalingen van de Postwet in overeenstemming te brengen met de Algemene
wet bestuursrecht, niet in dit wetsvoorstel, maar in het voorstel voor de
desbetreffende aanpassingswet op te nemen.
Ik zal daartoe de totstandkoming van een nota van wijziging bij dat voorstel
bevorderen. Om een en ander in goede banen te leiden dient artikel 30 uit
het wetsvoorstel te worden geschrapt.
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
A. Jorritsma-Lebbink