25 107
Derde fase EMU

nr. 37
BRIEF VAN DE MINISTER VAN FINANCIËN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 15 december 1999

1. Inleiding

Tijdens het Algemeen Overleg op 8 april 1999 verzocht de Vaste Kamercommissie voor Financiën mij uiterlijk eind 1999 te rapporteren over de organisatie van de voorbereiding en uitvoering van de chartale omwisseling en over de hoofdlijnen van het omwisselingsscenario. Deze voortgangsrapportage behandelt beide onderwerpen. Tevens gaat deze voortgangsrapportage kort in op enkele relevante activiteiten welke tot medio het jaar 2000 op stapel staan. Voor de stand van zaken ten aanzien van de voorlichtingsactiviteiten, die grotendeels onder de vlag van het Nationaal Forum voor de introductie van de euro (NFE) worden uitgevoerd, verwijs ik u naar mijn separate brief over dit onderwerp die u gelijktijdig met deze voortgangsrapportage zult ontvangen. Over de laatste stand van zaken op het gebied van de eurovoorbereidingen van het Rijk en de medeoverheden zelf, zult u kort na het kerstreces de 6de voortgangsrapportage van de Interdepartementale Werkgroep Euro ontvangen.

2. Algemeen Overleg met de Vaste Kamercommissie voor Financiën en follow-up

De Vaste Kamercommissie voor Financiën sprak zich op 8 april 1999 ten aanzien van de chartale omwisseling positief uit over de beleidsvoornemens van het kabinet, welke mede zijn gebaseerd op de adviezen van het NFE terzake. Deze beleidsvoornemens zijn vervat in mijn brief d.d. 8 december 19981 en aanvullende correspondentie. Hiermee werd een belangrijke impuls gegeven aan het starten van de praktische werkzaamheden ter voorbereiding en uitvoering van de chartale omwisseling. Uitgangspunt blijft hierbij een duale periode van maximaal vier weken waarbij wordt gestreefd de feitelijke omschakelingsduur substantieel verder te verkorten. De Vaste Kamercommissie stelde tijdens het Algemeen Overleg dat het voor 1 januari 2002 aan het publiek kunnen verstrekken van euromunten enbankbiljetten het chartale omwisselingsproces zou kunnen versoepelen. Conform verzoek van de Vaste Kamercommissie heb ik de president van de Europese Centrale Bank schriftelijk gevraagd naar de juridische hardheid van het standpunt van de ECB dat de frontloading van het grote publiek met eurobankbiljetten en -munten is uitgesloten door de artikelen 10 en 11 van de Europese verordening 974/98. Deze brief heb ik tevens in kopie naar de Europese Commissie gestuurd. Het antwoord van de president van de ECB en het standpunt van de Commissie treft u als bijlagen 1 en 2 bij deze voortgangsrapportage aan. De ECB, die verantwoordelijk is voor de uitgifte van de eurobankbiljetten, geeft in zijn antwoord aan zich gebonden te achten aan de bovengenoemde artikelen. De ECB geeft evenwel ook aan dat de verantwoordelijkheid voor de uitgifte van euromunten grotendeels bij de lidstaten ligt, daarmee ruimte latend voor een nadere interpretatie in ECOFIN-verband. In dit ECOFIN-verband heeft Nederland zich, met steun van een andere lidstaat, hard gemaakt om het publiek al einde december 2001 met euromunten te laten kennismaken. Uiteindelijk is op 8 november jongstleden door de ECOFIN vastgesteld dat het aan het publiek (en dan met name aan de kwetsbare groepen) beschikbaar stellen van een beperkte hoeveelheid euromunten mogelijk is, mits dit niet gebeurt voor de tweede helft van december 2001. In de Nederlandse praktijk zal dit waarschijnlijk betekenen dat iedere burger de laatste twee weken van december 2001 in het bezit kan komen van een«starterkit», bestaande uit de acht euromunten. Het op 8 november jongstleden vastgestelde gezamenlijke standpunt van de ECOFIN treft u als bijlage 3 aan.1

3. Organisatie van de voorbereiding en uitvoering van de chartale omwisseling

Het uitwerken en uitvoeren van beleidsvoornemens ten aanzien van een project dat qua logistiek en maatschappelijke impact zijn gelijke niet kent, vergt een goede organisatie waarin taken en verantwoordelijkheden van de verschillende spelers helder zijn gedefinieerd en vastgelegd. Nadat het kabinet bij beleidsbrief in december 1998 de beleidskaders had bepaald, zijn hiertoe door mij twee sporen bewandeld. Ten eerste zijn het Ministerie van Financiën en De Nederlandsche Bank nadere afspraken overeengekomen over de voorbereidende en uitvoerende taken ten aanzien van de chartale omwisseling. Daarnaast is ten behoeve van de interdepartementale afstemming een coördinatie- en overlegstructuur ingesteld, zowel op ministerieel als op ambtelijk niveau.

3.1. Taakverdeling Ministerie van Financiën – De Nederlandsche Bank

De werkzaamheden voor de voorbereiding en uitvoering van de chartale omwisseling zijn door mij uitbesteed aan de organisatie in Nederland die hiertoe de meeste expertise en de meest geëigende praktische ervaring bezit: De Nederlandsche Bank. De wettelijke basis hiervoor ligt in de Bankwet 1998 en, voor wat betreft de muntenomwisseling, meer specifiek in het daarop gebaseerde en onlangs uitgebreide KB van 23 januari 1998 terzake. Met de afspraken tussen het Ministerie van Financiën en De Nederlandsche Bank wordt één alomvattend kader voor het gehele chartale omwisselingsproject vastgelegd, waarbij verplichtingen over en weer helder zijn weergegeven. De transparantie van het project wordt hierdoor bevorderd. Conform de overeengekomen afspraken zal De Nederlandsche Bank een coördinerende rol vervullen ten aanzien van alle werkzaamheden die verband houden met a) de opslag en distributie van euromunten, b) de productie, opslag en distributie van eurobankbiljetten en c) de inname van guldenmunten enbankbiljetten. Daarbij onderhoudt De Nederlandsche Bank de voor de voorbereiding en uitvoering noodzakelijke contacten met marktpartijen zoals banken, waardetransporteurs en toonbankinstellingen.

De Nederlandsche Bank heeft hiertoe binnen haar staande organisatie een speciaal projectbureau geformeerd. Dit projectbureau bundelt kennis op het gebied van organisatie, automatisering, logistiek, chartaal betalingsverkeer, waardetransport, bankwezen, toonbankinstellingen en overheid. Het projectbureau wordt ter advies en ter afstemming terzijde gestaan door een externe werkgroep waarin het bankwezen, de toonbankinstellingen en het waardetransport zijn vertegenwoordigd. De werkgroepleden hebben allen relevante concrete en praktische kennis en ervaring welke direct toepasbaar is op het gebied van de chartale omwisseling.

Conform de afspraken zijn eind oktober 1999 door De Nederlandsche Bank de nadere invulling van het omwisselingsscenario, het activiteitenplan en de projectbegroting ter goedkeuring aan mij voorgelegd. De projectbegroting omvat de aan de uitvoering van de afspraken verbonden projectkosten. Deze zijn gedefinieerd als de bijzondere niet-reguliere kosten die door De Nederlandsche Bank worden gedragen ten behoeve van de voorbereiding en uitvoering van de chartale omwisseling en additioneel zijn aan de normale bedrijfsvoering van De Nederlandsche Bank. De productiekosten van de eurobankbiljetten vallen hier dus niet onder1. De projectkosten worden ten laste gebracht van de verlies- en winstrekening van De Nederlandsche Bank en in het kader van de winstuitkering verantwoord in de ontwerpbegroting IXB van Financiën onder de artikelsgewijze toelichting bij ontvangstenartikel 02.01 (winstuitkering De Nederlandsche Bank). Thans bedragen de geraamde projectkosten 180 miljoen gulden. Dit bedrag heeft betrekking op de periode 1997 tot en met 2003 en is inclusief de huur- en beheerskosten van het Opslag- en Distributiecentrum (ODC) te Lelystad. Inclusief de in mijn brief van december 1998 aangekondigde prestatieafhankelijke vergoeding, die inmiddels is vastgesteld op 125 miljoen gulden, zal dit resulteren in een totale projectbegroting van 305 miljoen gulden2.

De Nederlandsche Bank vervult aldus een cruciale rol bij het welslagen van de chartale omwisseling. De Minister van Financiën is als opdrachtgever en coördinerend minister eindverantwoordelijk. De Nederlandsche Bank rapporteert op kwartaalbasis. Eventuele wijzigingsvoorstellen op het activiteitenplan en de projectbegroting worden ter goedkeuring aan het Ministerie van Financiën voorgelegd. Op deze wijze wordt sturing – op afstand – op de voorbereiding en uitvoering van het project behouden.

3.2. Taakverdeling Ministerie van Financiën – overige ministeries

Hoewel de coördinatie van de voorbereiding en uitvoering van de chartale omwisseling voor een belangrijk deel is uitbesteed aan DNB spelen diverse ministeries vanuit hun eigen competentie en verantwoordelijkheid in het project een belangrijke rol. Het gaat daarbij in eerste instantie om de voorbereiding en uitvoering van specifieke overheidstaken, zoals de zorg voor openbare orde en veiligheid. Hieronder kan ook de inzet van politie en eventuele andere overheidsdiensten, het nemen van verkeersmaatregelen en het entameren van (nood)wetgeving worden verstaan.

Slagvaardig optreden op bovengenoemde terreinen, zowel in de periode van feitelijke omschakeling (begin januari 2002) als in de daaraan voorafgaande voorbereidingsfase, vereist een goede coördinatie en adequate besluitvormingsprocedures tussen de meest betrokken departementen, i.c. de ministeries van BZK, Defensie, EZ, Financiën, Justitie en V&W. Hiertoe gemachtigd door de ministerraad treedt de Minister van Financiën op als coördinerend minister en voert hij in lijn hiermee periodiek overleg met de overige betrokken ministers. Ook op ambtelijk niveau is Financiën het coördinerend ministerie. Uitgangspunt bij deze overlegstructuur is dat de verschillende departementen hun eigen verantwoordelijkheden op het gebied van wet- en regelgeving behouden.

3.3. Betrokkenheid van het Nationaal Forum voor de introductie van de euro (NFE)

Het NFE is zeer intensief betrokken geweest bij het formuleren van de kaders waarbinnen de chartale omwisseling zal gaan plaatsvinden. Het NFE-advies van november 1998 en de aanvullende NFE-verklaring van februari 1999 zijn in hoge mate richtinggevend geweest in de standpuntbepaling van het kabinet. Ook voor het NFE geldt dat zijn rol, nu de praktische voorbereidende werkzaamheden voor de chartale omwisseling in volle gang zijn, evolueert van kaderstellend naar monitorend en – zo nodig – bijsturend. Het NFE wordt op kwartaalbasis geïnformeerd over de actuele stand van zaken in het chartale omwisselingsproject, over de stand van zaken ten aanzien van de hieraan gerelateerde voorlichtingsactiviteiten en over de in de samenleving optredende eurodynamiek1.

Het NFE blijft op het gebied van voorlichting van het grote publiek, en dan met name op het gebied van de massamediale campagne, een essentiële adviserende en uitvoerende rol spelen. Immers, cruciaal voor een korte en geslaagde chartale omwisseling is dat het omwisselingsscenario zoveel mogelijk aansluit bij het natuurlijke gedrag van het publiek, maar ook dat het publiek zijn reacties afstemt op de specifieke eisen die de chartale omwisseling aan hem stelt. De beïnvloeding van het publieksgedrag, hoe moeilijk dat ook is, is een van de grote uitdagingen waarvoor het NFE, en meer specifiek het Voorlichtersforum, thans staat. Daarnaast heeft het Voorlichtersforum, waarin ook De Nederlandsche Bank is vertegenwoordigd, een belangrijke adviserende functie richting de uitvoerders van het chartale omwisselingsproject; welke veronderstellingen ten aanzien van publieksgedrag zijn reëel en sluiten aan bij natuurlijke patronen, en welke veronderstellingen niet? Aangaande deze aspecten verwijs ik u naar de eerder genoemde separate brief, die u gelijktijdig met deze voortgangsrapportage ontvangt.

4. Scenario chartale omwisseling

Op basis van het met de Vaste Kamercommissie besproken kabinetsstandpunt is de nadere invulling van het chartale omwisselingsscenario voortvarend ter hand genomen. Gezien de complexiteit van het project, de vele betrokken partijen vanuit het bankwezen, bedrijfsleven en overheid, en de voortschrijdende inzichten die ontstaan bij die nadere invulling, staat het scenario evenwel nog niet in detail vast. Een aantal hoofdlijnen begint zich evenwel duidelijk af te tekenen.

4.1. Schets op hoofdlijnen

Per 1 januari 2002 zal de chartale euro wettig betaalmiddel zijn in de elf aan de EMU deelnemende lidstaten. Conform de Europese verordening terzake dient de gulden uiterlijk per 1 juli 2002 zijn status als wettig betaalmiddel te verliezen. In Nederland hebben we er voor gekozen deze periode sterk te verkorten tot uiterlijk maandag 28 januari 2002, terwijl een nog substantieel kortere, feitelijke massale omschakeling wordt nagestreefd. Alles op alles zal worden gezet om zo spoedig mogelijk na 1 januari 2002 in het dagelijks betalingsverkeer de gulden vervangen te laten zijn door de euro. Deze Nederlandse aanpak heeft in belangrijke mate model gestaan voor de ECOFIN-verklaring van 8 november jongstleden, waarin wordt afgesproken dat de deelnemende lidstaten er naar zullen streven om binnen veertien dagen de bulk van de chartale transacties in euro te laten plaatsvinden. Ook geven de lidstaten aan dat de periode waarin oude en nieuwe munten tegelijkertijd circuleren in principe vier weken à twee maanden zal duren. Voor enkele lidstaten betekent dit een verdere verkorting ten opzichte van eerdere plannen. De lidstaten wordt overigens ruimte gelaten om de omschakeling te laten plaatsvinden op de wijze die het best aansluit bij de specifieke omstandigheden van de betreffende lidstaat. In formele zin blijft er dus ruimte voor Nederland om de periode van dubbele circulatie tot minder dan vier weken te verkorten. Het nut van een dergelijke mogelijkheid tot verdere verkorting van de formele periode van dubbele circulatie wordt evenwel minder evident nu ook in Europees verband een commitment tot feitelijke omschakeling binnen de twee weken is afgegeven.

Bij de chartale omwisseling in Nederland draait het in essentie om de volgende punten:

– het in omloop brengen van circa 2,8 miljard euromunten in acht denominaties;

– het in omloop brengen van circa 360 miljoen eurobankbiljetten in zeven denominaties;

– het uit circulatie nemen van circa 3 miljard guldenmunten in zes (en inclusief het 10 en 50 guldenstuk acht) denominaties;

– het uit circulatie nemen van circa 380 miljoen guldenbankbiljetten in zes denominaties;

– iedere bank, toonbankinstelling en bedrijf heeft per 1 januari 2002 een voldoende chartale startvoorraad, tevens hebben deze partijen en het publiek per 1 januari 2002 in voldoende mate toegang tot de euromunten en -bankbiljetten.

Conform de Europese verordeningen en de nadere ECOFIN-afspraken tussen de ministers van Financiën van de deelnemende lidstaten is het toegestaan om banken en toonbankinstellingen ruim voor E-day te bevoorraden met euromunten en -bankbiljetten. Dit is ook wel bekend als het frontloaden. Hierbij geldt echter de harde restrictie dat deze euro's niet vóór 1 januari 2002 mogen worden uitgegeven dan wel in roulatie mogen worden gebracht.

De eurobankbiljetten zullen eind 2001 door het bankwezen volgens de gebruikelijke procedures bij De Nederlandsche Bank kunnen worden verkregen. De toonbankinstellingen kunnen vervolgens, enige tijd voor E-day, bij hun eigen bank de door hen gewenste hoeveelheid eurobankbiljetten ophalen. Eurobankbiljetten zullen niet vóór 1 januari 2002 aan het publiek worden verstrekt. Voor de euromunten geldt een andere procedure. Gezien het enorme volume en gewicht van de munten, en de zeer korte periode waarin de omwisseling zal plaatsvinden, geldt dat deze niet louter op de gebruikelijke wijze (waardetransport en bankwezen) verspreid kunnen worden. Door De Nederlandsche Bank wordt hiervoor een aparte logistieke keten opgezet, welke er op neerkomt dat de toonbankinstellingen rechtstreeks worden bevoorraad met standaardpakketten euromunten. Nadrukkelijk wordt gestreefd naar de mogelijkheid dat iedere toonbankinstelling van deze gratis service gebruik kan maken, al zal omwille van de logistieke haalbaarheid een nog te bepalen minimum afname van munten worden vereist. Tevens zullen de afnemers van euromunten een contractuele relatie dienen aan te gaan met De Nederlandsche Bank. Dit onder meer om vast te leggen dat de munten, net als de bankbiljetten, niet voor 1 januari 2002 in omloop mogen worden gebracht. Voor de toonbankinstellingen geldt dat de administratieve afwikkeling verloopt via de eigen bank.

De guldenmunten en -bankbiljetten zullen een tegengestelde route volgen. Het publiek zal door middel van voorlichtingscampagnes worden aangemoedigd zijn guldenmunten en -bankbiljetten ter kosteloze omwisseling aan te bieden aan de eigen bank, voor wat betreft de«oppotkassen» (de inhoud van spaarpotten, etc.) vooral ook vóor en na de piekdrukte van begin januari 2002. Ook voor de toonbankinstellingen en het overige bedrijfsleven geldt dat zij guldenmunten en -bankbiljetten bij hun eigen bank kunnen afstorten. Niet uitgesloten is dat banken hiervoor de thans gebruikelijke tarifering gaan hanteren. De betreffende bank zorgt dan voor de verdere routing van de guldenmunten en -bankbiljetten naar De Nederlandsche Bank. De guldenmunten kunnen door de toonbankinstellingen evenwel ook rechtstreeks en kosteloos aan het De Nederlandsche Bank worden aangeboden die ze «aan de achterdeur» laat ophalen.

Een en ander leidt er toe dat per 1 januari 2002 iedere bank, toonbankinstelling en bedrijf voldoende startvoorraad euromunten en -bankbiljetten kan hebben. Tevens hebben deze partijen en het publiek per 1 januari 2002 in voldoende mate toegang tot deze euromunten en -bankbiljetten.

Dinsdag 1 januari 2002 is E-day. Vanaf dat moment zullen de gelduitgifteautomaten slechts eurobankbiljetten uitgeven. Op deze wijze wordt het publiek op zeer korte termijn van eurobankbiljetten voorzien. Door bij de uitgifte via de gelduitgifteautomaten de nadruk te leggen op de kleine coupures van EUR 5 en EUR 10 wordt de behoefte aan extra eurowisselgeld bij de toonbankinstellingen drastisch gereduceerd. Verschillende toonbankinstellingen hebben al aangegeven dat zij voornemens zijn om het publiek, ook wanneer het met guldens betaalt, slechts wisselgeld in euro terug te geven. Indien het publiek echter al haar chartale guldens in betaaltransacties aan de toonbankinstellingen aanbiedt zal in menige supermarkt of warenhuis chartale congestie kunnen optreden. Ter ontlasting van deze toonbankinstellingen zullen de massamediale campagne van het NFE en de voorlichtingsactiviteiten van de commerciële banken het publiek dan ook aansporen de guldenmunten en -bankbiljetten zomin mogelijk bij de toonbankinstellingen uit te geven, maar ter omwisseling aan te bieden aan de eigen bank. Daarnaast zal het publiek worden gewezen op de voordelen van het elektronisch betalen in deze periode. Het publiek kan de chartale gulden in ieder geval tot 1 april 2002 zonder tarifering bij alle kaskantoren van de eigen bank omwisselen of op eigen rekening afstorten1. Daarna kan het publiek nog tot 1 januari 2003 zijn guldenmunten en -bankbiljetten bij het bankwezen ter omwisseling of afstorting aanbieden, waarbij tarifering evenwel niet is uitgesloten. Bij De Nederlandsche Bank kunnen guldenmunten tot 1 januari 2007 en guldenbankbiljetten tot 1 januari 2032 tegen hun nominale waarde worden ingewisseld zonder dat daarbij kosten in rekening worden gebracht.

4.2. De chartale omwisseling en specifieke groepen

In de hierboven beschreven hoofdlijnen van het omwisselingsscenario wordt een aantal marktpartijen onderscheiden. Elk van deze marktpartijen staat voor de uitdaging zijn organisatie zodanig in te richten dat tegemoet kan worden gekomen aan de specifieke eisen die een efficiënte uitvoering van de chartale omwisseling haar stelt. Uitgangspunt hierbij is dat het voor het publiek zo makkelijk mogelijk wordt gemaakt.

Allereerst het bankwezen. De banken dragen er zorg voor dat vanaf 1 januari 2002 alleen eurobankbiljetten uit de bijna 7000 gelduitgifteautomaten zullen komen om op die wijze het publiek snel en efficiënt van eurobankbiljetten te voorzien, in het bijzonder ook de kleine coupures (EUR 5 en EUR 10). Daarnaast heeft het bankwezen zich gecommitteerd om een dermate grote stroom van guldenmunten en -bankbiljetten uit roulatie te nemen, dat de toonbankinstellingen in belangrijke mate worden ontlast. De banken hebben zich gecommitteerd om daartoe het publiek een kwalitatief hoogwaardige faciliteit aan te bieden. Hiervoor zal adequate capaciteit (met inbegrip – waar zinvol – van verlengde openingstijden) beschikbaar worden gesteld. De banken hebben een eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van de wijze waarop hieraan uitwerking wordt gegeven. In ieder geval zullen tot 1 april 2002 alle kaskantoren van de eigen instelling voor de klant worden opengesteld voor het kosteloos afstorten van guldens en tegelijkertijd opnemen van euro's c.q. het omwisselen van gulden naar euro. De nadere uitwerking vindt plaats in het kader van de DNB-projectorganisatie.

Voor een belangrijk deel betreft de inname van guldens rond E-day taken die niet tot het normale patroon behoren. De prestatieafhankelijke vergoeding voor de inname van guldenmunten zal, indien het publiek zoals beoogd vooral bij bank- en postkantoor zal omwisselen of afstorten, voor het grootste deel neerslaan bij het bankwezen.

Ook de toonbankinstellingen zullen desondanks worden geconfronteerd met een stroom guldenmunten en -bankbiljetten welke groter zal zijn dan in het normale toonbankbetalingsverkeer begin januari gebruikelijk is. Ondanks oproepen via de massamediale campagne om guldenmunten enbankbiljetten bij de eigen bank tegen euro's om te wisselen of vóór E-day bij de toonbankinstellingen uit te geven, zal een deel van de guldenportemonnees (de «transactiekassen») toch tijdens de duale fase bij de toonbankinstellingen worden geleegd. Daarnaast hebben verschillende toonbankinstellingen al aangegeven alleen euro's als wisselgeld aan de klant retour te doen, zelfs als die klant met guldens betaalt. Het teruggeven van wisselgeld in alleen euro, gecombineerd met het feit dat vanaf E-day alleen eurobankbiljetten uit de gelduitgifteautomaten komen, leidt er toe dat het publiek in korte tijd slechts euro's in de portemonnee zal hebben. De feitelijke chartale omwisseling zou, door de gecombineerde aanpak van banken en toonbankinstellingen richting het publiek, feitelijk veel sneller kunnen verlopen dan de wettelijk voorgestane periode van maximaal vier weken. De toonbankinstellingen worden rechtstreeks bevoorraad met euromunten en kunnen de door hen ingenomen guldenmunten daarbij aan De Nederlandsche Bank aanbieden. Net als het bankwezen komen zij daarbij in aanmerking voor de vergoeding (totaal 125 mln gulden) die afhankelijk is van het aantal ingeleverde guldenmunten.

Van het overige bedrijfsleven moet met name de automatenbranche worden genoemd. Tijdens het Algemeen Overleg op 8 april jongstleden vroeg de Vaste Kamercommissie voor Financiën aandacht voor de situatie van de automatenbranche bij de chartale omschakeling. Ter sprake kwam dat de kleinere bedrijven in deze branche kunnen profiteren van de fiscale tegemoetkoming van drie keer 60 miljoen gulden voor het midden- en kleinbedrijf, dat het mogelijk is automaten vervroegd af te schrijven (indien door de invoering van de euro de economische levensduur wordt verkort) en dat ook de automatenbranche aanspraak kan maken op de prestatieafhankelijke vergoeding voor de inname van guldenmunten. Tevens werd de Vaste Kamercommissie geïnformeerd over het testcentrum dat op korte termijn bij De Nederlandse Munt te Utrecht zal worden opengesteld en waar de automatenbranche kosteloos de nieuwe muntenmechanismen kan testen met de euromunten. Feit is dat de Nederlandse automatenbranche op straffe van omzetverlies zo snel mogelijk na 1 januari 2002 de automaten geschikt moet hebben gemaakt voor de euro. Immers, conform Europese regelgeving worden vanaf 1 januari 2002 slechts euromunten en -bankbiljetten in omloop gebracht, met als gevolg dat hoe lang de wettelijke periode van dubbele circulatie ook duurt, de feitelijke omschakeling in de portemonnee van het publiek zeer snel zal verlopen. Een snelle omschakeling van de automaten is voor de automatenbranche dan ook het devies, ongeacht of de wettelijke periode vier weken of zes maanden is. Er is contact tussen mijn ministerie en vertegenwoordigers van de sigarettenautomatenbranche (LBT Nederland) en de dranken- en voedselverstrekkende automatenbranche (VIDA) om de eventuele specifieke problematiek nader in kaart te brengen. Het rapport dat door beide brancheverenigingen mij ter beschikking is gesteld vervult daarbij een nuttige rol, zij het dat dit rapport vele inhoudelijke en methodische vragen oproept die allereerst door de branche dienen te worden beantwoord.

Het publiek is de derde grote partij in het scenario. Bijna iedere burger is houder van één of meer bankrekeningen. Eenieder kan bij alle kaskantoren van de bank waar men die rekening(en) aanhoudt terecht om, zonder dat daar kosten voor in rekening worden gebracht, zijn guldenmunten en -bankbiljetten af te storten of om te wisselen. Hierdoor is een nagenoeg complete en grootschalige toegang van het publiek tot de kosteloze omwisselfaciliteit verzekerd. Deze gang van het publiek naar de eigen instelling heeft als voordeel dat de verwachte drukte aan de balie beter voorspelbaar zal zijn.

Voor de (kleine) groep van mensen zonder bankrekening, voornamelijk de dak- en thuislozen, wordt gericht een aanvullende faciliteit ontwikkeld. Ook deze groep moet de in hun bezit zijnde guldenmunten en -bankbiljetten kunnen omwisselen zonder dat daarvoor kosten in rekening worden gebracht. Hiertoe worden besprekingen gevoerd met vertegenwoordigers van de relevante organisaties.

Bijzondere aandacht is er ook voor andere kwetsbare groepen, zoals onder andere de visueel gehandicapten, ouderen, minderheden en mensen met een verstandelijke handicap. Voor al deze specifieke groepen wordt een speciaal voorlichtingsprogramma met betrekking tot de chartale omwisseling ontwikkeld. In de al eerder genoemde aan u gerichte separate brief over de stand van zaken ten aanzien van de voorlichtingsactiviteiten kunt u hierover meer lezen.

Belangrijk in dit verband is ook de toegang van het grote publiek kort voor 1 januari 2002 tot setjes euromunten (per setje waarschijnlijk van iedere denominatie één munt). Thans worden verschillende distributiemogelijkheden in kaart gebracht. Het grote voordeel van dergelijke setjes ligt in het feit dat het grote publiek, en met name ook de visueel gehandicapten, kan kennismaken met en reeds kan wennen aan de nieuwe munten kort voordat ze echt in omloop worden gebracht. De toonbankinstellingen en hun klanten zullen hiervan aan de kassa profiteren in de vorm van kortere handlingtijden per klant, waarmee het toonbankbetalingsverkeer in de eerste dagen van januari 2002 soepeler verloopt. Het publieksvertrouwen wordt op deze wijze bevorderd.

5. Activiteiten in de nabije toekomst

5.1. Activiteiten van De Nederlandsche Bank

Ten aanzien van de activiteiten van projectbureau van De Nederlandsche Bank geldt dat de eerste helft van 2000 in het teken zal staan van het maken van nadere concrete, praktische afspraken met banken, toonbankinstellingen en overheid op vele deelterreinen van het project chartale omwisseling. Een van de belangrijkste deelprojecten die in de eerste helft van 2000 concreet moeten worden ingevuld is het vormgeven van de fijndistributie vanuit het ODC. Dit is de distributie van euromunten naar de vele duizenden toonbankinstellingen die hun euromunten vanuit het ODC te Lelystad aan de deur aangeleverd willen krijgen en het daarna ophalen van de door deze toonbankinstellingen ingenomen guldenmunten. Vraagstukken ten aanzien van bijvoorbeeld de logistieke capaciteit van de waardetransporteurs, de opslagcapaciteit bij banken en toonbankinstellingen, de voorgestane bestel- en boekingssystematiek en de optredende veiligheidsrisico's dienen hierbij te worden beantwoord. Naar verwachting zal De Nederlandsche Bank eind maart 2000 op de meeste deelprojecten een meer gedetailleerde planning kunnen afronden.

5.2. Wetgeving

De overheid dient in de eerste helft van 2000 haar eigen verantwoordelijkheid te nemen ten aanzien van het treffen van de benodigde maatregelen ter aanpassing van de voor de chartale omwisseling relevante wet- en regelgeving. Thans vindt de inventarisatie terzake plaats. Het betreft hier bijvoorbeeld de aanpassing van de Bankwet 1998 en de vervanging van de Muntwet 1987 door de nieuwe Muntwet 2002, onder andere ter vastlegging dat de gulden per maandag 28 januari 2002 (00:00 uur) zijn status als wettig betaalmiddel verliest. Uiterlijk voorjaar 2000 zal bezien kunnen worden of het op basis van de dan geldende inzichten nodig is om de wettelijke periode van dubbele circulatie van vier weken alsnog aan te passen. De voorstellen tot (wijziging van) wet- en regelgeving zullen u in de loop van 2000 bereiken, waarbij zij zoveel mogelijk worden geclusterd in één overzichtelijk pakket. Dit wetgevingstraject staat overigens los van de «Beleidsbrief inzake aanpassing van wetgeving in verband met de euro» welke u naar verwachting in de loop van januari 2000 door mij zal worden aangeboden. Deze beleidsbrief bevindt zich thans voor advies bij de Raad van State en richt zich op de aanpassing van de in wet- en regelgeving voorkomende guldenbedragen in eurobedragen.

De Minister van Financiën,

G. Zalm


XNoot
1

Kamerstuk 25 107 nr. 28.

XNoot
1

Ter inzage gelegd bij de afdeling Parlementaire Documentatie.

XNoot
1

De productie van euromunten is geregeld in een contract tussen het ministerie van Financiën en De Nederlandse Munt NV. Voor de hiermee gemoeide kosten wordt verwezen naar de Ontwerpbegroting IXB 2000, uitgavenartikel 02.01 Muntwezen.

XNoot
2

In HIXB zijn de kosten voor de chartale omwisseling nog begroot op 235 miljoen gulden (stand augustus 1999). De verhoging tot totaal 305 miljoen gulden komt voornamelijk voort uit een hogere raming van de distributiekosten en een aanpassing van de raming voor de vergoeding voor de inname van guldenmunten. Deze prestatiegerelateerde vergoeding is vastgesteld op f 125 mln bij een verwachte inname van 3 mrd munten. In het totaalbedrag is nog geen rekening gehouden met de kosten van de eerder genoemde «starterkits» ten behoeve van het publiek.

XNoot
1

Onder eurodynamiek wordt verstaan de mate waarin de euro door het bedrijfsleven en het publiek wordt gebruikt.

XNoot
1

Het omwisselen van chartale guldens voor chartale euro's c.q. het afstorten van die guldens op (eigen) rekening zijn transacties waarop de wet MOT van toepassing is.

Naar boven