nr. 1
BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSHUISVESTING, RUIMTELIJKE ORDENING EN
MILIEUBEHEER
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
's-Gravenhage, 18 oktober 1996
Hierbij informeer ik u over de voorbereiding van een standpunt dat ik
voornemens ben in te nemen inzake de codificatie van beginselen van milieurecht
in de Wet milieubeheer.
Al enige tijd vinden binnen mijn departement verschillende activiteiten
plaats met het doel om te komen tot goed gefundeerde besluitvorming terzake.
Zo is in opdracht van mijn ministerie eind 1995 door het Centrum voor Wetgevingsvraagstukken
van de Katholieke Universiteit Brabant een onderzoek afgerond, getiteld «De
Nederlandse milieuwetgeving getoetst aan de Verklaring van Rio en Agenda 21:
Lenen beginselen zich voor codificatie in de Nederlandse wetgeving?».
Zoals bekend, is op de VN-conferentie inzake Milieu en Ontwikkeling (UNCED)
in 1992 te Rio de Janeiro door een groot aantal landen de Verklaring van Rio
opgesteld, waarin onder andere beginselen van milieurecht zijn vastgelegd.
Deze beginselen zijn richtinggevend bij de ontwikkeling van milieuwetgeving
in de deelnemende landen. Na de Rio-conferentie zijn veel nationale initiatieven
op gang gekomen. Zo is een aantal Rio-landen reeds overgegaan tot codificatie
van milieubeginselen in de wetgeving of wordt dit overwogen. In ons land bestaat
nog weinig ervaring met de codificatie van beginselen in wetgeving. Het bovengenoemde
onderzoek van de Katholieke Universiteit Brabant naar de betekenis van de
beginselen van Rio voor de Nederlandse milieuwetgeving biedt een eerste algemene
verkenning. Volgens de onderzoekers voldoet de Nederlandse wetgeving in grote
lijnen aan de Verklaring van Rio, maar zij verwachten dat beginselen in de
milieuwetgeving een juridische meerwaarde kunnen bieden. Beginselen kunnen
volgens de onderzoekers een vergroting van normativiteit opleveren en fungeren
als basisnormen, die bij een terugtredende overheid en het gebruik van zelfregulering
een minimum aan bescherming bieden.
Naar aanleiding van de resultaten van het onderzoek bestond bij het ministerie
behoefte aan een brede discussie met externen. Op een door VROM
georganiseerd seminar op 26 maart 1996 bespraken vertegenwoordigers van diverse
overheden, wetenschap, advocatuur, milieu-organisaties en rechterlijke macht
de voor- en nadelen van codificatie en de invloed van wettelijke beginselen
op de handhaving van het milieurecht, de ontwikkelingen inzake deregulering
en de rechtspraak.
Tijdens het seminar werden vraagtekens geplaatst bij de conclusie van
de onderzoekers, dat wettelijke regeling van beginselen een juridische meerwaarde
kan bieden. Daarbij kwam met name de vraag naar de concrete invulling van
die meerwaarde naar voren. Bij de deelnemers aan het seminar bestond voorts
in hoofdlijnen overeenstemming over het feit dat degeruleringsdoeleinden bij
codificatie van beginselen van milieurecht niet voorop zouden mogen staan;
wel achtte men de kans aanwezig dat codificatie een vereenvoudiging van regelgeving
zou kunnen bewerkstelligen. Voorstanders meenden dat wettelijk vastgelegde
beginselen vooral houvast zouden kunnen bieden voor de overheid en de rechter;
anderen kunnen die overheid en de rechter daar bovendien ook op aanspreken.
Ook zouden beginselen het normatieve gehalte van milieuwetgeving (die immers
voor een groot deel bestaat uit «kaderwetgeving» die in uitvoeringsregelingen
moet worden uitgewerkt) kunnen vergroten. De discussie werd gevoerd op een
enigszins abstract niveau; voor- noch tegenstanders konden elkaar van de juistheid
van hun argumenten overtuigen. Zolang de discussie nog wordt gevoerd op dit
niveau is de verwachting van sommigen, dat codificatie zal leiden tot overregulering
of rechtsonzekerheid, dan ook moeilijk te weerleggen. Dat brengt mij tot de
mening dat een gedegen oordeel over het opnemen van beginselen in de Wet milieubeheer
pas zal kunnen worden gegeven op basis van concrete voorstellen.
Ter verdere voorbereiding van mijn standpuntbepaling heb ik over dit onderwerp
van 22 tot 24 mei 1996 een internationale conferentie georganiseerd. De conferentie
vond plaats onder de vlag van de Commissie voor Duurzame Ontwikkeling van
de Verenigde Naties en onder voorzitterschap van Hans Alders, directeur van
het Europees Bureau van de UNEP. Het hoofddoel van de conferentie was uitwisseling
van kennis en ervaring tussen verschillende landen inzake de juridische consequenties
van de Rio-beginselen voor nationale rechtssystemen. Als achtergronddocument
voor de conferentie diende onder meer de Engelse samenvatting van het bovengenoemde
onderzoeksrapport van de Katholieke Universiteit Brabant. Daarnaast is de
deelnemers voorafgaand aan de conferentie verzocht om informatie over hun
land door invulling van een vragenlijst. De door de deelnemers toegezonden
informatie is vervolgens verwerkt in een syllabus die diende als basisdocument
voor de conferentie. Deze syllabus treft u als bijlage aan1.
Ruim tachtig juridische experts uit ongeveer dertig landen namen aan de
conferentie deel. Met hun komst en enthousiaste inbreng onderstreepten zij
nogmaals het belang van Rio voor de internationale gemeenschap. De aanwezige
juridische experts benadrukten, met inachtneming van de verschillen in nationale
rechtssystemen, dat het verwerken van beginselen in de milieuwetgeving kan
bijdragen aan de doorwerking van die beginselen in het nationale rechtssysteem.
Het opnemen van beginselen in de wet is daarbij een van de mogelijkheden.
Voor de doorwerking in de praktijk is uiteraard ook de rechtspraak en het
beleid van belang. In de deelnemende landen wordt dan ook op uiteenlopende
wijzen gezocht naar de juiste beleidsinstrumenten voor de inbedding van duurzame
ontwikkeling op de verschillende niveaus.
Een conferentie over de codificatie en implementatie van de beginselen
van Rio in nationale rechtssystemen heeft nog niet eerder plaatsgevonden.
Voorgaande discussies spitsten zich met name toe op vragen rond het internationaalrechtelijk
terrein. Volgend jaar zal het Rio-proces worden geëvalueerd door de Commissie
voor Duurzame Ontwikkeling van de Verenigde Naties.
De uitkomsten van deze conferentie kunnen een belangrijke input leveren
voor deze evaluatie. De conclusies van de conferentie, die u hierbij als bijlage
aantreft, zullen dan ook binnenkort aan deze Commissie worden aangeboden.
Daarbij dient te worden aangetekend, dat de conclusies niet het officiële
standpunt van de verschillende regeringen vertegenwoordigen.
De uitkomsten van bovengenoemde bijeenkomsten bieden een aantal belangrijke
aanknopingspunten voor de formulering van het Nederlandse standpunt over codificatie
van beginselen van milieurecht. Het zal dan met name gaan om de juridisch
meest relevante beginselen die algemeen zijn aanvaard én als richtinggevend
voor het Nederlandse beleid en regelgeving worden beschouwd. Hierbij wordt
onder meer gedacht aan de beginselen van voorzorg en preventie. Mijn streven
is erop gericht om u eind 1997 in het kader van het NMP-3 een standpunt inzake
codificatie van beginselen in de milieuwetgeving voor te leggen.
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
M. de Boer