25 039
Overerfbaarheid van adellijke titels

nr. 4
BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 15 mei 1997

Op 19 december 1996 heeft de Tweede Kamer een motie-Scheltema-De Nie (kamerstukken II 1996/97, 25 039, nr. 2) aangenomen inzake de overgang van adeldom via de mannelijke en vrouwelijke lijn. De motie bevat het verzoek aan de regering om voor 1 juli 1997 een voorstel tot wijziging van de Wet op de adeldom voor te bereiden opdat adeldom op gelijke wijze overgaat via de mannelijke en de vrouwelijke lijn.

In het licht van deze motie heeft het kabinet zich andermaal beraden op deze kwestie. Hoewel het in de motie gedane verzoek in het licht van het beginsel van de gelijke behandeling op zich zelf redelijk klinkt, blijven er belangrijke bezwaren.

In een eerdere notitie heb ik toegelicht dat de overgang van adeldom via uitsluitend de mannelijke lijn in juridische zin houdbaar is (kamerstukken II 1996/97, 25 039, nr. 1). Dit is geheel in lijn met het oordeel van de wetgever bij de totstandkoming van de recente, drie jaar oude Wet op de adeldom in 1994. Ook de rechter heeft meer dan eens uitgesproken dat de vererving van adeldom in mannelijke lijn niet in strijd is met het gelijkheidsbeginsel in de Grondwet en verdragen.

Zowel in de notitie als in het algemeen overleg naar aanleiding daarvan, heb ik voorts gewezen op het uitgangspunt van de Wet op de adeldom, de adel zoals die historisch is gegroeid, te handhaven. Invoering van de overgang van adel ook via de vrouwelijke lijn tast dit uitgangspunt wezenlijk aan. Sedert de grondwetsherziening van 1848 zijn er aan de adeldom geen wezenlijke voorrechten meer verbonden. De adel bestaat alleen nog maar als historisch instituut. In lijn daarmee is bij de Wet op de adeldom bewust niet gekozen voor een wezenlijke modernisering, noch voor afschaffing.

Modernisering van het instituut adel op wezenlijke onderdelen staat derhalve op gespannen voet met het zeer recentelijk door de wetgever onderschreven uitgangspunt van de Wet op de adeldom om de adel louter als historisch instituut te handhaven.

Overgang van adeldom via de vrouwelijke lijn betekent een afwijking van de regel die in Nederland van oudsher heeft gegolden, namelijk dat adeldom alleen langs mannelijke lijn vererft, zoals ook in de meeste andere Europese landen het geval is. Vererving langs vrouwelijke lijn past niet in de historische legitimatie van het instituut. Binnen de adel is overigens ook geen sprake van een breed gedragen wens voor de voorgestelde wijziging.

Indien vererving van adeldom langs vrouwelijke lijn mogelijk zou worden, valt te voorzien dat het aantal adellijke personen in Nederland aanmerkelijk zal toenemen. Een dergelijke uitbreiding strookt niet met het terughoudende beleid zoals dit ter zake van de verlening van adeldom in de afgelopen decennia is gevoerd. Om die reden is ook in de Wet op de adeldom de reeds in het kabinetsbesluit van 1953 neergelegde praktijk vastgelegd dat, met uitzondering van leden van het koninklijk huis, geen verheffing in de adelstand meer plaatsvindt. Op initiatief van de Tweede Kamer kreeg deze terughoudendheid ten aanzien van de verlening van adeldom bovendien verder gestalte in de Wet op de adeldom door de opneming van een bepaling die een aanzienlijke beperking van de mogelijkheid tot inlijving in de Nederlandse adel inhoudt.

Opmerking verdient voorts dat bij invoering van vererving langs de vrouwelijke lijn met behoud van het uitgangspunt dat in de praktijk bepaalde geslachtsnamen aan bepaalde titels gekoppeld zijn, ook de nieuwe wettelijke regeling van het naamrecht (Wet van 10 april 1997, Stb. 161) aanpassing zal behoeven.

Het kabinet wijst tenslotte op de tegenstrijdigheid om, met een beroep op rechtsgelijkheid tussen mannen en vrouwen – hoe sympathiek dat op zich zelf ook klinkt – in feite uitbreiding te bevorderen van een groep personen die in de samenleving louter op grond van overerving een bepaalde status heeft die door sommigen als ongelijk wordt ervaren. Naar het oordeel van het kabinet verliest de adel als historisch instituut zijn grondslag wanneer hij wordt aangepast aan hedendaagse inzichten.

Na rijp beraad is het kabinet tot de conclusie gekomen dat de bovengenoemde argumenten naar zijn oordeel zwaarder wegen dan de argumenten die in de Kamer naar voren zijn gebracht tijdens de behandeling van de bovengenoemde notitie en motie. Het kabinet handhaaft derhalve na de wisseling van argumenten het eerder ingenomen standpunt. Ik deel u mee dat het kabinet derhalve van oordeel is dat het niet op zijn weg ligt om over te gaan tot de voorbereiding van een voorstel tot wijziging van de Wet op de adeldom.

De Minister van Binnenlandse Zaken,

H. F. Dijkstal

Naar boven