Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1996-1997 | 25039 nr. 3 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1996-1997 | 25039 nr. 3 |
Vastgesteld 29 januari 1997
De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken1 heeft op 11 december 1996 overleg gevoerd met minister Dijkstal van Binnenlandse Zaken over zijn brief van 30 september 1996 inzake de Wet op de adeldom (25 039).
Van het gevoerde overleg brengt de commissie bijgaand beknopt verslag uit.
Vragen en opmerkingen uit de commissie
Mevrouw Scheltema-de Nie (D66) constateerde dat de in 1994 in werking getreden Wet op de adeldom geen rust heeft gebracht op het adelsrechtelijke front. Verwonderlijk is dit niet, want na amendering hinkt de wet op twee tegenstrijdige gedachten. De oorspronkelijke gedachte achter de wet was, de adeldom zuiver als historisch instituut te verankeren. Met het amendement-Van der Burg wijzigde de Kamer deze wet op één wezenlijk onderdeel (i.c. de ongelijke behandeling van onwettige en adoptief kinderen) en werd gebroken met de gewoonterechtelijke ontwikkelingen sinds 1815. Het amendement-Scheltema-de Nie dat de ongelijke behandeling van vrouwen bij de overerving van adellijke titels en predikaten wilde uitbannen, werd verworpen met een beroep op het historisch karakter van het instituut en met het argument van de toenmalige minister van Binnenlandse Zaken dat discussie over vererving langs de vrouwelijke lijn thuis zou horen bij de behandeling van het wetsvoorstel tot wijziging van het naamrecht. Bij de behandeling van dát wetsvoorstel sprak een ruime meerderheid van de Kamer in de motie-Dittrich c.s. uit dat overerfbaarheid van adellijke titels ook langs vrouwelijke lijn gewenst is en werd een onderzoek gevraagd naar de juridische houdbaarheid van het huidige systeem van overerfbaarheid van adellijke titels.
Tegen deze achtergrond vond mevrouw Scheltema de inhoud van de brief van 30 september jl. niet overtuigend. Waarom is de minister op dit terrein niet even begaan met het principe van gelijke behandeling als op andere terreinen? Aan de adeldom zijn weinig rechtsgevolgen verbonden, maar de vele reacties en petities laten zien dat er des temeer emotionele gevolgen zijn. Sinds de invoering van het nieuwe naamrecht is het voor een adellijke moeder niet meer te begrijpen waarom zij wel haar naam, maar niet haar titel op haar kinderen kan overdragen. In deze tijd is het toch niet meer te accepteren dat adellijke zoons wel hun titel kunnen doorgeven, maar adellijke dochters niet? Sinds 1815 moge deze gedragslijn gebruikelijk zijn geweest, maar daarvoor was het zeker anders. Ook na 1815 is van deze lijn afgeweken, bijvoorbeeld ten gunste van het Koninklijk Huis. Vergelijkingen met de situatie in het buitenland gaan in deze niet op. Onduidelijk blijft, waarom deze ongelijke behandeling van vrouwen niet strijdig zou zijn met de Grondwet en verdragen. Deskundigen van het Nederlands juristencomité voor de mensenrechten (NJCM) waren het er in 1990 al over eens dat er sprake was van strijdigheid met de Grondwet en verdragen waarin gelijke behandeling een plaats heeft gekregen. Een rechtvaardiging voor ongelijke behandeling is niet te vinden in het «uitsluitend historische karakter van het instituut». Door de modernisering die een feit werd met de aanvaarding van het amendement-Van der Burg is er namelijk geen sprake meer van handhaving van het traditionele adelsrecht als zuiver historisch instituut. Waarom dan niet hetzelfde gedaan als het gaat om de ongelijke behandeling van vrouwen? Door dit niet te doen, is de wet erg inconsistent geworden. Ook leden van de Eerste Kamer hebben hierop gewezen. De uitspraak van de Raad van State in 1995 kon zij in dit geheel niet goed plaatsen. Een toename van het aantal mensen met een adellijke titel en de geringe rechtsgevolgen die aan zo'n titel verbonden zijn, kunnen toch niet de maatstaf vormen bij de beantwoording van de principiële vraag of mannen en vrouwen gelijk moeten worden behandeld in het adelsrecht?
Gezien dit alles achtte mevrouw Scheltema het hoogst twijfelachtig of de overerving van adellijke titels alleen langs de mannelijke lijn uiteindelijk juridisch houdbaar zal blijken te zijn. Prof. De Groot uit zich hierover heel duidelijk in een noot bij het arrest van 1995. Nu in de nieuwe Wet op de adeldom ten behoeve van buiten het huwelijk geboren kinderen is gesleuteld aan de sinds 1815 geldende KB's betreffende de overgang van de adeldom, acht hij de kans groot dat het Hof te Straatsburg zich niet zal kunnen vinden in de motivering van de Raad van State om modernisering af te wijzen ten behoeve van gelijke behandeling van vrouwen. Nieuw feit in deze is dat sinds 1996 het nieuwe naamrecht keuzevrijheid introduceert ten aanzien van de naam in het algemeen, ook als het gaat om adellijke namen. Dit alles overwegende zou het kabinet er goed aan doen, thans de eer aan zichzelf te houden en niet te wachten op de uitspraak van een internationaal Hof. Is de minister bereid een wijziging van de Wet op de adeldom voor te bereiden, om een eind te maken aan de in dit tijdsgewricht niet goed meer te verdedigen ongelijke behandeling van mannen en vrouwen in het adelsrecht? Wil de minister voor de komende zomer een desbetreffend wetsvoorstel aan de Kamer voorleggen?
Mevrouw M. M. van der Burg (PvdA) was het er niet mee eens dat overerfbaarheid van adellijke titels uitsluitend via de mannelijke lijn in het huidig tijdsgewricht nog te handhaven is, omdat de adeldom wordt beschouwd als een zuiver historisch instituut en omdat aan adellijke titels geen rechtsgevolgen verbonden zijn. Deze argumenten wegen niet op tegen het fundamentele beginsel van de gelijkheid van mannen en vrouwen, zoals dit tot uitdrukking komt in nieuwe ontwikkelingen als het naamrecht. In het argument dat de adeldom een puur historisch instituut is, kwam bij de behandeling van de Wet op de adeldom een barst door aanvaarding van het amendement-Van der Burg, dat ertoe strekte ook buiten het huwelijk geboren kinderen voor overerving van een adellijke titel in aanmerking te laten komen. Over die modernisering heeft het kabinet niet het «onaanvaardbaar» uitgesproken. Derhalve zou het logisch zijn als het kabinet deze lijn nu doortrok.
Verder wees mevrouw Van der Burg erop dat de formulering in het KB van 30 september 1815 sexeneutraal is. Aan de woorden «afstammelingen van zijn geslagt» wordt slechts een mannelijke interpretatie gegeven. Voor 1815 kon overerving via zowel de mannelijke als de vrouwelijke lijn verlopen en ook daarna werd in diverse uitzonderingen aangetoond dat overerving via de vrouwelijke lijn wel degelijk mogelijk is.
Mevrouw Van der Burg deelde niet de vrees van het kabinet dat bij openstelling van overerving langs de vrouwelijke lijn een grote uitbreiding van de adeldom is te verwachten. Enige uitbreiding is te verwachten, maar zo groot als door het kabinet gevreesd, zal die niet zijn. Immers, alleen als ouders ervoor kiezen hun kinderen de naam van de moeder te geven, kan haar eventuele titel worden meegegeven. Ook zullen niet alle vrouwen binnen de betrekkelijk kleine groep adellijke families voor overerving langs deze lijn kiezen.
Ook door de verwijzing naar een drietal rechterlijke uitspraken voelde mevrouw Van der Burg zich niet aangesproken. Puur juridisch gezien biedt de tekst van de Wet op de adeldom geen aanknopingspunt voor strijdigheid met het gelijkheidsbeginsel. Er wordt immers uitgegaan van een sexeneutrale formulering. De weigering om namen in het filiatieregister in te schrijven is echter iets geheel anders. Daarbij wordt uitgegaan van een bepaalde interpretatie, waarbij het historische karakter van de adeldom in feite een beoordeling volgens moderne maatstaven blokkeert. In deze is het te betreuren dat nog steeds niet kan worden beschikt over een uitspraak van het Europese Hof.
In de brief van de minister miste mevrouw Van der Burg een verwijzing naar de mogelijkheid om kinderen de naam van de vrouw mee te geven. Als gevolg van een door het kabinet zelf ingediende nota van wijziging bestaat er op die regel geen uitzondering voor adellijke families. Bij een keuze voor de naam van de vrouw is het logisch dat een eventuele titel van de man niet kan worden overgedragen, maar even logisch zou het dan zijn om een eventuele titel van de vrouw wel over te dragen. Ook in een dergelijk geval is uit historisch oogpunt een koppeling tussen titel en naam van belang.
Op grond van dit alles concludeerde mevrouw Van der Burg dat de huidige Wet op de adeldom vanwege zijn sexeneutrale formulering op zich niet strijdig is met bepalingen in de Grondwet, verdragen e.d. inzake gelijke behandeling van mannen en vrouwen. De interpretatie die aan deze wet wordt gegeven achtte zij echter niet houdbaar. Ook op dit gebied moet worden gemoderniseerd in de richting van toepassing van het beginsel van gelijke behandeling. Een opening hiervoor is geboden met de aanvaarding van het amendement-Van der Burg. De noodzaak hiervan wordt versterkt door de binnenkort in werking tredende herziene naamwetgeving. Getuige de vele brieven die over dit onderwerp zijn ontvangen, bestaat er in kringen van de adeldom behoefte aan zo'n modernisering. Is de minister bereid zo spoedig mogelijk de Wet op de adeldom zodanig te wijzigen dat overerving van adellijke titels ook langs vrouwelijke lijn expliciet in de wet mogelijk wordt?
De heer Bremmer (CDA) herinnerde eraan dat zijn fractie reeds bij de behandeling van het wetsvoorstel tot wijziging van het naamrecht haar voorkeur uitte om ook in de adeldom recht te doen aan het principe van gelijke behandeling. Tegenstanders van de huidige wetgeving achten het niet in overeenstemming met de gelijkwaardigheid van man en vrouw dat adeldom alleen via de patriarchale lijn erfbaar is. Daarbij wordt verwezen naar de Grondwet, de Algemene wet gelijke behandeling, het BUPO-verdrag, het EVRM-verdrag, het Europees sociaal handvest en het Vrouwenverdrag. Daar tegenover staat de opvatting dat in kringen van de adel niet moet worden gemoderniseerd en dat het historisch karakter van de adeldom, alsmede het ontbreken van rechtsgevolgen de uitzondering op verdragsverplichtingen rechtvaardigen. Dit verschil in benadering loopt grotendeels parallel aan het verschil tussen de benadering dat het predikaat of de adellijke titel deel uitmaakt van de naam en de benadering dat adeldom een erfelijke onderscheiding is. Bij de discussie over het naamrecht is in de afweging tussen het recht op naamkeuze en het adelsrecht de balans uiteindelijk doorgeslagen naar het recht op naamkeuze.
Uit de vele ontvangen reacties maakte de heer Bremmer op dat de overerfbaarheid van adellijke titels langs de vrouwelijke lijn de laatste jaren steeds meer discussie begint op te roepen. Gewezen wordt op discriminatie van adellijke moeders en hun kinderen, strijdigheid met de Grondwet en internationale verdragen, het ontbreken van een argumentatie voor het doen ontstaan van twee soorten leden van een en dezelfde familie, de gevolgen van de aanpassing van het naamrecht en de situatie in andere landen. Verder zijn gedocumenteerd verschillende kritische kanttekeningen geplaatst bij de interpretatie van criteria voor de overgang van adeldom door achtereenvolgende bewindslieden van Binnenlandse Zaken. Niet ontkend kan worden dat het adelrecht in de afgelopen jaren op een aantal punten is gemoderniseerd.
Op grond van dit alles deelde de heer Bremmer niet de conclusie van het kabinet dat overerving van adellijke titels langs vrouwelijke lijn niet mogelijk is. Tot nu toe heeft de CDA-fractie op dit punt in Tweede en Eerste Kamer consistent uitgesproken dat er geen gronden aanwezig zijn die een inbreuk op het beginsel van gelijke behandeling rechtvaardigen. Anders dan Engeland heeft Nederland geen voorbehoud gemaakt bij de ratificatie van het VN-verdrag inzake uitbanning van alle vormen van discriminatie. Argumenten dat op dit punt een terughoudend beleid moet worden gevoerd en dat gevreesd moet worden voor groei van de leden van de adeldom, leggen onvoldoende gewicht in de schaal. Wat is er tegen, hoewel het wellicht paradoxaal klinkt om ervoor te pleiten een historisch instituut als de adeldom in beperkte mate in rapport met de tijd te brengen? Derhalve nodigde hij de bewindsman uit, in deze te komen tot een andere interpretatie van regels betreffende overerving van adellijke titels. Zo nodig moet wetswijziging worden overwogen.
Mevrouw Van der Stoel (VVD) bestreed dat op grond van historische argumenten overerving van adellijke titels langs de vrouwelijke lijn niet mogelijk is. Voor 1815 kon dit namelijk wel degelijk. Hoe onderbouwt de minister zijn standpunt in deze? Rechterlijke uitspraken over deze kwestie moeten worden gezien in de context van het op dat moment vigerende naamrecht, dat uitging van naamgeving langs de mannelijke lijn. Inmiddels laat het naamrecht echter de mogelijkheid open om een familienaam langs de vrouwelijke lijn door te geven. Het argument dat overerving langs de vrouwelijke lijn moet worden tegengehouden omdat anders gevreesd moet worden voor een aanmerkelijke uitbreiding van de adeldom, is inhoudelijk niet sterk. Of de overheid kiest er welbewust voor om het instituut adeldom in stand te houden, óf zij heft het op. Hoeveel mensen behoren thans tot de adeldom? Welk bezwaar kleeft er aan uitbreiding van de adeldom?
Alles overziende bepleitte mevrouw Van der Stoel toepassing van het principe van gelijke behandeling, ook bij de overerving van adellijke titels. Het kabinet doet er geen goed aan om op grond van allerlei praktische overwegingen en voorbijgaand aan de wijziging van het naamrecht, vast te houden aan een verouderde opvatting.
De heer R. A. Meijer (groep-Nijpels) juichte aanvaarding van de motie-Dittrich bij de behandeling van het wetsvoorstel tot wijziging van het naamrecht toe. In antwoord op het in die motie vervatte verzoek wijst het kabinet erop dat aanpassing van de adeldom aan thans algemeen levende opvattingen afbreuk zou doen aan het uitgangspunt van de Wet op de adeldom, dat adeldom uitsluitend als historisch instituut wordt gehandhaafd. Zelf behorende tot een adellijk geslacht gaf hij te kennen, van deze argumentatie een «monumentenzorggevoel» te hebben gekregen. Hooguit 10 000 personen uit 300 geslachten dragen in Nederland nog een adellijke titel. Deze titels zijn al sinds mensenheugenis onverbrekelijk aan de betrokken namen verbonden. Door vast te houden aan overerving alleen langs de mannelijke lijn dreigen familienamen en titels (waaronder ook namen met grote historische en gevoelswaarde) geleidelijk aan uit te sterven. Dat overerving langs de vrouwelijke lijn een modernisme zou zijn, bestreed hij. Reeds in de middeleeuwen was het mogelijk langs vrouwelijke lijn een adellijke titel door te geven. Ook was er zoiets als het spilleleen. Titels hoorden toen bij een bezit of bij een bepaalde status en overerving was alleen bedoeld om zeker te stellen dat het bezit of de status overging en naar het in de ogen van familie juiste nageslacht. Het Sociaal en cultureel planbureau gaf in 1995 nog te kennen dat slechts 18% van de bevolking zou kiezen voor doorgifte van de naam van de moeder aan de kinderen. Zeker bij de traditioneel ingestelde adellijke families zal dit percentage nog beduidend lager liggen, zodat voor een grote uitbreiding van de adeldom bij overerving langs de vrouwelijke lijn niet behoeft te worden gevreesd.
De heer Meijer constateerde dat de Grondwet, de Algemene wet gelijke behandeling, het BUPO-verdrag en het Vrouwenverdrag op gespannen voet staan met de keuze om adellijke titels alleen langs mannelijke lijn overerfbaar te laten zijn. Het recht tot overerving van een geslachtsnaam moet met behoud van titel ook worden toegekend aan de vrouw. Titel en naam zijn immers onverbrekelijk met elkaar verbonden. Hij kondigde aan, een eventuele motie in die richting te zullen steunen.
In het algemeen pleitte de heer Meijer voor revitalisering van het gebruik om adellijke titels te verlenen door mensen die zich bijzonder verdienstelijk hebben gemaakt voor de samenleving, een persoonsgebonden adellijke titel te geven. Op die manier kan teloorgang van de adeldom worden voorkomen.
De minister herinnerde eraan dat de Kamer nog in 1993 (toen gelijke behandeling en emancipatie al volop op de politieke agenda stonden) bij de behandeling van de Wet op de adeldom door de verwerping van het amendement-Scheltema-De Nie (21 485, nr. 10) overduidelijk tot uitdrukking bracht niet te voelen voor overerving van adellijke titels langs vrouwelijke lijn. Bedoeld amendement werd slechts gesteund door de fracties van D66 en GroenLinks. Weliswaar vond de toenmalige minister van Binnenlandse Zaken dat een discussie over bedoeld onderwerp het best kon worden gevoerd bij de behandeling van het wetsontwerp tot wijziging van het naamrecht, maar zwaarste argument voor verwerping van het betrokken amendement was de principiële keuze voor instandhouding van het historische karakter van de adeldom. Bewust werd toen niet gekozen voor totale afschaffing van de adeldom of fundamentele modernisering ervan. Tegen de achtergrond van deze nog zeer recente keuze zou het op z'n minst vreemd zijn om nu alsnog te kiezen voor modernisering van de adeldom door overerving van titels langs vrouwelijke lijn mogelijk te maken. Wordt die keuze toch gemaakt, dan moeten ook andere maatschappelijke ontwikkelingen als democratisering, individualisering, internationalisering, emancipatie, integratie van etnische en culturele minderheden, enz. enz. in ogenschouw worden genomen. Wordt die weg ingeslagen, dan blijft er van de adeldom als historisch monument niet veel meer over. Dat ging de minister te ver, zeker ook omdat de wetgever nog pas in 1993 een geheel ander standpunt huldigde.
De minister vond het niet juist om ter verdediging van het standpunt dat overerving ook langs vrouwelijke lijn mogelijk moet zijn, te wijzen op de aanvaarding van het amendement-Van der Burg. Weliswaar heeft het kabinet over deze mineure wijziging geen «onaanvaardbaar» uitgesproken, maar wel is uitdrukkelijk tot uiting gebracht dat aanvaarding ervan tegen zijn wil geschiedde. Gevreesd werd namelijk dat hiermee de weg naar volgende stappen zou worden geopend. De huidige ontwikkeling toont aan dat die vrees terecht was. Dat het kabinet bij de wijziging van het naamrecht heeft voorgesteld om de bestaande praktijk te codificeren dat in adellijke families de naam ook langs de vrouwelijke lijn kan worden overgedragen, heeft geen consequentie voor de overdracht van de adellijke titel als zodanig. De constatering dat openstelling van overerving langs de vrouwelijke lijn zou leiden tot een uitbreiding van de adeldom, heeft slechts een feitelijk karakter. De suggestie om het stelsel van adeldom te revitaliseren door mensen die zich bijzonder verdienstelijk hebben gemaakt voor de samenleving, een persoonsgebonden adellijke titel te verlenen, nam de minister niet over. Ook zonder zo'n titel zullen hun namen in de geschiedschrijving blijven voortleven.
Dat het kabinetsstandpunt inzake overerfbaarheid van adellijke titels wel degelijk juridisch houdbaar is, onderstreepte de minister met een verwijzing naar het NJCM-bulletin van 21 juli 1996, waarin werd gesteld dat een adellijke titel geen recht is in de zin van het EVRM en dat er derhalve geen uitspraak over kan worden gedaan door het Europese Hof. Ook de in de notitie van 30 september jl. aangehaalde rechterlijke uitspraken wijzen op een degelijke juridische onderbouwing. Alles overwegende ging de minister niet in op het verzoek om een wijziging van de Wet op de adeldom voor te bereiden.
Mevrouw Scheltema-de Nie (D66) vond dat het kabinet een eerste stap in de modernisering van de adeldom zette door de gewijzigde Wet op de adeldom voor zijn rekening te nemen. Het proces dat met de aanvaarding van het amendement-Van der Burg werd ingezet, is voortgezet bij de behandeling van het wetsontwerp tot wijziging van het naamrecht en moet thans zijn afronding krijgen door in de Wet op de adeldom de mogelijkheid te openen om adellijke titels ook langs de vrouwelijke lijn overerfbaar te maken. Dat ook allerlei andere maatschappelijke ontwikkelingen bij zo'n wijziging moeten worden betrokken, bestreed zij, verwijzend naar de beperkte strekking van het in 1993 gevoerde debat over de Wet op de adeldom. Gezien de stellingname van de minister zag zij zich genoodzaakt, te verzoeken het verslag van dit algemeen overleg op de Kameragenda te plaatsen, teneinde over de onderhavige kwestie een uitspraak van de Kamer te vragen.
Mevrouw M. M. van der Burg (PvdA) sloot zich hierbij aan. Zij betreurde het zeer dat de minister in zijn betoog de veranderde situatie sinds de wijziging van het naamrecht bagatelliseert. Bij die wijziging heeft het kabinet bewust een heel actieve rol gespeeld, juist ook waar het gaat om de relatie tussen naam en titel.
De heer Bremmer (CDA) sloot zich hier eveneens bij aan. Hij benadrukte dat het zeker niet de bedoeling van zijn fractie is om te komen tot algehele modernisering van de adeldom. Met het openen van de mogelijkheid om adellijke titels ook langs de vrouwelijke lijn te overerven wordt slechts een beperkte modernisering nagestreefd.
Mevrouw Van der Stoel (VVD) zag de nu door de Kamer uitgeoefende aandrang tot modernisering van de overerving van adellijke titels als een logisch uitvloeisel van discussies en ontwikkelingen sinds de behandeling van de Wet op de adeldom. Ook zij sloot zich aan bij het verzoek van mevrouw Scheltema.
De heer Meijer (groep-Nijpels) sloot zich eveneens bij dit verzoek aan en drong alsnog aan op een passende beloning van mensen die zich bijzonder verdienstelijk hebben gemaakt voor de samenleving.
De minister verduidelijkte aan de hand van een aantal citaten uit de behandeling van de Wet op de adeldom dat de wetgever destijds zeer bewust koos voor handhaving van de adeldom als historisch instituut. Gezien dit nog zeer recente standpunt van de wetgever zag hij niets in een beperkte modernisering van de adeldom door overerving van adellijke titels langs de vrouwelijke lijn mogelijk te maken. Een eventuele uitspraak van de Kamer wachtte hij af. In dit verband suggereerde hij nog dat het de Kamer te allen tijde vrij staat om een initiatiefwetsontwerp in te dienen.
Samenstelling: Leden: Van Erp (VVD), V. A. M. van der Burg (CDA), Te Veldhuis (VVD), Van der Heijden (CDA), De Cloe (PvdA), voorzitter, Janmaat (CD), Van den Berg (SGP), Scheltema-de Nie (D66), ondervoorzitter, Apostolou (PvdA), Kalsbeek-Jasperse (PvdA), Zijlstra (PvdA), Van der Hoeven (CDA), Remkes (VVD), Gabor (CDA), Koekkoek (CDA), Nijpels-Hezemans (groep-Nijpels), Oedayraj Singh Varma (GroenLinks), Hoekema (D66), Essers (VVD), Dittrich (D66), Dijksman (PvdA), De Graaf (D66), Cornielje (VVD), Rouvoet (RPF), Rehwinkel (PvdA).
Plv. leden: Korthals (VVD), Dankers (CDA), Van Hoof (VVD), Bijleveld-Schouten (CDA), Liemburg (PvdA), Poppe (SP), Schutte (GPV), Jeekel (D66), Van Heemst (PvdA), Noorman-den Uyl (PvdA), Vreeman (PvdA), Verhagen (CDA), Van der Stoel (VVD), Mateman (CDA), Mulder-van Dam (CDA), Van Wingerden (AOV), Rabbae (GroenLinks), Van Boxtel (D66), H. G. J. Kamp (VVD), Assen (CDA), M. M. van der Burg (PvdA), Bakker (D66), Klein Molekamp (VVD), Leerkes (Unie 55+), Van Oven (PvdA).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-25039-3.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.