25 005
Milieuprogramma 1997–2000

nr. 4
LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 21 oktober 1996

De vaste commissie voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer1 heeft over het Milieuprogramma 1997–2000 de volgende vragen aan de regering voorgelegd. De regering heeft deze vragen bij brief van 18 oktober 1996 beantwoord. De vragen en de bijbehorende antwoorden zijn hieronder afgdrukt.

De voorzitter van de commissie,

Versnel-Schmitz

De griffier van de commissie,

De Vries

1

De radongasemissie vertoont een stijging. In 1994 is door de toenmalige minister Alders toegezegd deze emissies te zullen verminderen door met name verandering en verbetering van bouwmaterialen. Welke actie is sinds die tijd ondernomen? Zijn inmiddels nadere gegevens bekend van radonconcentraties in extra geïsoleerde woningen? (blz. 10).

In het Beleidsstandpunt Radon (BR) staat, dat de reductie van het risico van radon gerealiseerd kan worden met maatregelen op het vlak van de bouwwijze, te weten het verhogen van de ventilatie van de kruipruimte en het vergroten van de luchtdichtheid van de begane grondvloer. Ten aanzien van bouwmaterialen wordt in het BR haalbaar geacht te voorkómen dat de gemiddelde bijdrage van bouwmaterialen aan het stralingsrisico groter wordt (stand-still) en wordt onderzoek aangekondigd naar reductiemogelijkheden. Met de Nota Uitvoering Radonbeleid moet dat nog geoperationaliseerd worden. Voor de voorbereiding van deze nota is een uitgebreid onderzoekprogramma en overleg met de bouwsector opgestart. Ter concretisering van het stand-still voor bouwmaterialen is het onderzoekprogramma inmiddels uitgevoerd. Momenteel vindt overleg met de producenten van bouwmaterialen plaats over de grenswaarden die op basis van deze onderzoeksresultaten gesteld kunnen worden.

Ook naar de mogelijkheden ter vermindering van het stralingsrisico van beton, naar de hergebruiksmogelijkheden van fosfogips en naar de radonconcentraties in woningen van recente bouwdatum loopt thans onder meer onderzoek. De benodigde looptijd van deze onderzoeken en het overleg met de bouwsector over de uitkomsten ervan, leiden ertoe dat de – voor 1996 aangekondigde – Nota Uitvoering Radonbeleid niet eerder dan eind 1997 gereed kan zijn.

Uit onderzoek in het kader van het SAWORA-programma (1986) is gebleken dat de destijds beter geïsoleerde woningen qua radon-concentratie relatief hoger scoorden dan woningen die niet geïsoleerd waren. De onderzoekers verklaren dit met name uit het feit dat de luchtverversing van deze beter geïsoleerde woningen meer uit de kruipruimte zou plaatsvinden. Hierbij kan nog worden vermeld dat destijds in de bouwregelgeving geen eisen werden gesteld aan de luchtdichtheid van de begane grondvloer. Ten aanzien van de radon-concentratie in extra-geïsoleerde woningen is geen recent onderzoeksmateriaal beschikbaar. Aan het ventilatievoud in woningen van recente bouwdatum wordt in het lopende SAWORA II onderzoek aandacht besteed.

2

In hoeverre krijgt bij nieuwe aansturing in de uitvoering ook de handhaving en controle van milieubeleid extra aandacht? (blz. 10).

Zie paragraaf 2.3 vergunningverlening en handhaving blz. 22 t/m 24 van hoofdstuk 2 ontwikkelingen in de uitvoering.

Met IPO zijn afspraken gemaakt over het op adequaat niveau brengen van vergunningverlening en handhaving. Recentelijk heb ik u daarover geïnformeerd via mijn brief over de uitvoering van het provinciaal en gemeentelijk milieubeleid (HIMH/031096 002, d.d. 8 oktober 1996).

Begin 1996 is een wetsvoorstel ingediend tot uitbreiding van de Wet milieubeheer met een regeling inzake milieuverslaglegging door bedrijven. Het biedt bevoegd gezag ruimte voor flexibiliteit, zowel bij vergunningverlening als handhaving (Kamerstukken II, 1995–1996, 24 572).

Er wordt zowel binnen het ministerie van VROM als daarbuiten steeds meer op gestructureerde wijze door handhavende instanties samengewerkt.

De Inspectie Milieuhygiëne zal in de periode 1996–2000 prioriteit geven aan: afvalstoffen, milieugevaarlijke (inclusief radio-actieve) stoffen en produkten, geclassificeerde defensie-inrichtingen, kwaliteit van drinkwater, internationale milieuwethandhaving en internationale samenwerking ter bestrijding van milieu-criminaliteit.

3

Worden voor alle milieumaatregelen en wetten dezelfde verdeling in taken en bevoegdheden tussen rijk, provincies en gemeenten gerealiseerd? (blz. 11).

Niet alle milieuvraagstukken spelen op hetzelfde schaalniveau. In beginsel zou het voor de hand liggen dat bij onderwerpen die vooral op lokaal niveau spelen, zoals geluidshinder, de gemeenten de belangrijkste rol hebben, terwijl dat bij een vraagstuk als klimaatverandering anders ligt.

Voor wat de inrichtinggebonden milieutaken betreft is er sinds de inwerkingtreding van de Wet milieubeheer in 1993 echter geen sprake meer van verschillende soorten vergunningen voor de verschillende milieusectoren, maar van één integrale vergunning voor alle sectoren exclusief de waterkwaliteit. Het bevoegd gezag (afhankelijk van de potentiële milieubelasting per categorie bedrijven hetzij de gemeente, hetzij de provincie) dient bij de vergunningverlening alle relevante milieubelangen af te wegen.

Wat de verdeling van de niet-inrichtinggebonden milieutaken betreft, is in de wetgeving een keuze gemaakt, waarbij zowel de schaal van het betreffende milieuproblemen als de complexiteit van de te verrichten taken een rol speelt. Uiteraard wordt regelmatig nagegaan of de gekozen taakverdeling nog beantwoordt aan de gestelde doelen.

4

«Het voornemen bestaat om in een volgende kabinetsperiode de Vijfde nota ruimtelijke ordening en het NMP4 als één integrale nota voor de fysieke leefomgeving te presenteren».

Kan dit worden toegelicht? Hoe hard is dit voornemen? (blz. 11).

De huidige en toekomstige beleidsopgaven aangaande de kwaliteit van de leefomgeving vragen om een grotere samenhang tussen ruimtelijk beleid en milieubeleid. Het gaat daarbij om een inhoudelijke en instrumentele afstemming om de effectiviteit van beide beleidsterreinen te vergroten.

Een grotere synergie tussen ruimtelijk beleid en milieubeleid kan worden bereikt door de samenvoeging van de lange termijn plannen van deze beleidsterreinen. Daarmee wordt de Nota milieu en ruimte de daadwerkelijke opstap naar een Nota Leefomgeving. Dat een aantrekkelijke optie met het oog op de doelgroepen van deze plannen. Bij de provincies vinden soortgelijke wijzigingen plaats.

In de Nota Milieu en Ruimte zal worden verkend welke opties er voor het rijk nog meer zijn en wat de voor- en nadelen van deze opties zijn.

Uiteraard is de uiteindelijke beslissing over de daadwerkelijke samenvoeging van deze plannen een zaak van een volgend kabinet.

5

Hoeveel geld wordt er uitgetrokken voor ontwikkeling van nieuwe technologieën op het gebied van milieu, onderverdeeld naar thema? (blz. 12 en 13).

Ten behoeve van de ontwikkeling van milieugerichte technologie is voor 1997 in het kader van diverse financiële regelingen een bedrag van circa 100 miljoen gulden begroot. Iets minder dan de helft van dit bedrag komt voor rekening van EET, een regeling die in 1996 van start is gegaan (zie Nota Kennis in Beweging). De andere helft wordt gevormd door regelingen zoals ProMt, IOP-MT, T-2000, etc.

De thema's waar deze regelingen betrekking op hebben zijn o.a.: verspreiding, verwijdering, verzuring en vermesting. Een nadere indicatie per thema is niet te geven omdat de meeste regelingen aangrijpen op meerdere thema's. Ook hebben technische maatregelen die in het kader van één regeling tot stand komen veelal betrekking op meerdere thema's, temeer nu steeds meer bedrijven overgaan op de implementatie van procesgeïntegreerde technologie in plaats van toegevoegde technologie (end of pipe).

In voorgaande is niet inbegrepen:

– diverse regelingen die in het kader van het energiebeleid worden uitgevoerd. Dit betreft in totaal circa 300 miljoen gulden (zie begroting EZ: energiebesparingstechnologie (artikel 0901), duurzame energie (artikel 0902 en ECN (artikel 0905). Het spreekt vanzelf dat deze regelingen vooral betrekking hebben op het thema klimaatverandering.

– de VAMIL regeling. Hiervoor wordt verwezen naar het antwoord op vraag 53.

6

Wat houdt de kredietregeling in bij het project Milieu en Economie? (blz. 12).

De genoemde kredietregeling Milieugerichte Produkt Ontwikkeling is op 21 juni 1996 (Staatscourant 117, blz. 10) gepubliceerd. Deze regeling stelt kredieten beschikbaar voor bedrijven tot 500 werknemers. Het krediet heeft een grootte van 40% van de projectkosten, het krediet kan maximaal f 500 000,– bedragen. De kredietregeling wordt uitgevoerd door Senter. Voor 1996 is een bedrag van f 4 mln. beschikbaar gesteld.

7

Hoe verhoudt zich de zinsnede dat «bij sturing van het milieubeleid in steeds sterkere mate het zelfregulerend vermogen van de maatschappij wordt benut» tot de zin (op dezelfde bladzijde) dat «bij zich liberaliserende markten, vormen van informele beïnvloeding worden vervangen door formele regelgeving, hetgeen ook in Nederland het geval zal zijn»? (blz. 12).

Voor de realisering van milieudoelen zet de overheid verschillende instrumenten in: convenanten, regelgeving (onder meer op basis van de Wet Milieubeheer) en marktconforme instrumenten zoals heffingen en belastingen.

Steeds gaat het om een mix van instrumenten die elkaar aanvullen en versterken en waar een zekere balans tussen zit teneinde een zo groot mogelijke doeltreffendheid en doelmatigheid te realiseren. Zelfregulering speelt binnen de mix een belangrijke rol maar de balans tussen de instrumenten kan worden beïnvloed door externe omstandigheden, waarvan liberalisering van de energiemarkt een voorbeeld is.

Door de liberalisering van de energiemarkt neemt de concurrentie tussen energiebedrijven toe. Kosten kunnen minder gemakkelijk worden doorberekend en milieuinspanningen worden daardoor minder vanzelfsprekend. Meer accent op adequate regelgeving kan daarvan het gevolg zijn.

8

Worden medicijnen na de vervaldatum als chemisch afval beschouwd? Geldt dit alleen voor Nederland, of is hier sprake van Europese, respectievelijk mondiale afspraken? (blz. 12).

Nee, medicijnen na de vervaldatum worden niet per definitie beschouwd als gevaarlijk (voorheen chemisch) afval. Alleen die afgedankte geneesmiddelen (de Wet op de geneesmiddelenvoorziening spreekt van geneesmiddelen i.p.v. medicijnen) die geheel of gedeeltelijk bestaan uit stoffen, vermeld in de klassen A, B, C en D van bijlage II van het Besluit aanwijzing gevaarlijke afvalstoffen (Stb. 1993, 617), worden als gevaarlijke afvalstoffen aangemerkt, tenzij de concentratie van de stoffen in die afvalstoffen kleiner is dan de toepasselijke concentratiegrenswaarde.

Oude medicijnen worden niet genoemd op de lijst van gevaarlijke afvalstoffen van de Europese Gemeenschap. In het kader van het Verdrag van Bazel worden oude medicijnen genoemd als gevaarlijke afvalstoffen. (Zie ook de beantwoording van de vragen gesteld door de leden Oudkerk en Valk, nr. 2959613490.)

9

Hoe vindt controle plaats bij de export van verlopen of bijna verlopen medicijnen naar noodgebieden, zoals bijvoorbeeld Bosnië en Rwanda, ter voorkoming van dumping van chemisch afval? Is het akkoord van Basel hiervoor toereikend? (blz. 12).

De Wet op de geneesmiddelenvoorziening en de daarop gebaseerde besluiten verbiedt de aflevering van ondeugdelijke geneesmiddelen, i.c. verlopen medicijnen. Onder aflevering wordt ook de uitvoer van geneesmiddelen begrepen. De aflevering van geneesmiddelen aan anderen dan de patiënten van een apotheker is voorbehouden aan houders van een vergunning voor de fabricage of groothandel in farmaceutische produkten. Het is verboden farmaceutische produkten af te leveren, waarvan de datum tot welk ze geschikt voor gebruik worden geacht, is verstreken. (Zie ook de antwoorden op de kamervragen van de leden Oudkerk en Valk over donaties bestaande uit ingezamelde en gesorteerde retourmedicatie, nr. 2959613490.) De bovengenoemde nationale bepalingen komen voort uit Europese regelgeving en zijn dan ook in alle EU-Lidstaten van kracht.

Controle vindt steekproefsgewijs plaats door de douane, die daarover afspraken maakt met de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en sport.

Ondeugdelijke medicijnen, die dus niet meer bestemd zijn voor gebruik als geneesmiddel, worden beschouwd als afvalstoffen. Uitvoer uit de Europese Gemeenschap van afvalstoffen voor nuttige toepassing is verboden, behoudens naar:

a. landen waarop het OESO-besluit van toepassing is;

b. andere landen die partij zijn bij het Verdrag van Bazel en/of waarmee de Gemeenschap, of de Gemeenschap en haar Lid-Staten, bilaterale, multilaterale of regionale overeenkomsten of regelingen hebben getroffen in overeenstemming met het Verdrag van Bazel.

Uitvoer uit de Europese Gemeenschap van voor verwijdering bestemde afvalstoffen is verboden, behoudens naar EVA-landen die ook partij zijn bij het Verdrag van Bazel.

Uitvoer van ondeugdelijke geneesmiddelen naar Bosnië en Rwanda is derhalve verboden.

Controle op de uitvoer van afvalstoffen vindt steekproefsgewijs plaats door toezichthouders en andere opsporingsambtenaren van de Inspectie milieuhygiëne dan wel het netwerk van de Inspectie (i.c. politie, douane, KLPD en de verkeersinspectie). Deze controles zijn niet specifiek gericht op ondeugdelijke geneesmiddelen.

Indien de geneesmiddelen niet als afvalstoffen worden aangeboden zijn de Wet op de geneesmiddelenvoorziening en de «Guidelines for Drug Donations» van de Wereldgezondheidsorganisatie van toepassing.

10

Is er thans sprake van een Europees aanvaarde definitie van te recyclen afval, ter onderscheiding van «definitief afval»? (blz. 12).

Ja; in de bijlagen van de Europese Kaderrichtlijn afvalstoffen (Richtlijn 75/442/EEG, gewijzigd bij Richtlijn 91/156/EEG) zijn deze begrippen nader uitgewerkt.

11

Kan worden aangegeven welke initiatieven het afgelopen jaar zijn genomen om ook op nieuwe terreinen (bijvoorbeeld tapijt en andere vloerbedekking) tot recycling van afval te komen? Wordt op dit gebied samengewerkt met andere staten uit de Europese Unie, bijvoorbeeld Duitsland? (blz. 12).

Langs verschillende wegen wordt het totstandkomen van nieuwe recyclingsactiviteiten ondersteund. Zo is en wordt bijvoorbeeld in het kader van het stimuleringsprogramma T-2000 een groot aantal projecten uitgevoerd gericht op de ontwikkeling en introductie van nieuwe recyclingstechnieken. Het gaat hierbij ondermeer om hydro- en pyrometallurgische technieken en om technieken die zijn gericht op de afscheiding en recycling van kunststoffen en metalen uit integrale afvalstromen. In Europees verband worden momenteel de mogelijkheden onderzocht om tot een samenwerking te komen op het gebied van de ontwikkeling en introductie van veelbelovende recycling technieken («Joint Environmental Projects»).

12

Worden in het Rijnverdrag ook die aspecten meegenomen, die extreme hoogwaterstanden in de toekomst moeten voorkomen? (blz. 13).

Eén van de doelstellingen van het nieuwe Rijnverdrag, dat nu in voorbereiding is en dat naar verwachting in 1997 zal worden ondertekend, richt zich op hoogwateroverlast en heeft zowel betrekking op de preventie van hoogwater als op de bescherming tegen hoogwater. Overigens wordt ook in het kader van het transnationale overleg over ruimtelijke ordening tussen de landen die met Maas en Rijn te maken hebben, aan afspraken gewerkt.

13

Voor de Bijdrageregeling gebiedsgericht milieubeleid is 137 miljoen gulden tot 1999 beschikbaar. Alle provincies hebben inmiddels programma's ingediend. Zal de rijksbijdrage voor de uitvoering toereikend zijn? (blz. 16).

De rijksbijdrage is tot nog toe toereikend voor de uitvoering van de provinciale uitvoeringsprogramma's gebiedsgericht milieubeleid. De provincies hebben, overigens met uitzondering van Overijssel, slechts een aanvraag ingediend voor 1996 en nog niet voor latere jaren. De thans door de provincies gevraagde bijdrage is in totaal circa f 45 miljoen.

14

Waarin verschillen de indicatoren van OESO, EU, VN met de indicatoren van Nederland? (blz. 21).

Er zijn geen fundamentele verschillen tussen de milieu-indicatoren welke in Nederland worden gehanteerd en die welke worden ontwikkeld door de OESO, EU en VN. Mede onder invloed van Nederland worden wereldwijd milieu-indicatoren onderscheiden in zogenoemde druk-, toestanden reactie-indicatoren (het Pressure-State-Response model). De set van indicatoren in het Milieuprogramma toont de voortgang in het realiseren van de (emissie-)reductiedoelstellingen per thema en doelgroep. Het zijn daarmee milieudruk-indicatoren. Tegelijkertijd worden elders ook voor Nederland statistieken en indicatoren ontwikkeld met betrekking tot (aspecten van) de toestand van het milieu en de beleidsreacties. Deze zijn onder meer te vinden in de Milieubalans van het RIVM en in publikaties van het CBS.

OESO, EU en VN richten zich op de ontwikkeling van in beginsel dezelfde drie categorieën van milieu-indicatoren, conform het Pressure-State-Response model. De feitelijke operationalisatie hiervan is in vele OESO-, EU- en VN-lidstaten evenwel minder ver voortgeschreden dan in Nederland.

15

Hoeveel van de genoemde 300 bedrijven leveren op dit moment al een milieujaarverslag? (blz. 23).

In het milieuprogramma wordt gesproken over circa 300 verslagplichtige bedrijven. Om meer precies te zijn: beoogd wordt om ongeveer 330 vergunningplichtige inrichtingen verslagplichtig te maken. Volgens een in januari 1996 gepubliceerd onderzoek van KPMG-Milieu zijn er over 1994 65 milieuverslagen uitgebracht. Deze zijn afkomstig van 52 ondernemingen. Sommige ondernemingen brengen meerdere verslagen uit: bij voorbeeld één concernverslag en daarnaast een aantal locatie- of inrichtingsverslagen. Circa driekwart van alle over 1994 uitgebrachte verslagen hadden betrekking op lokaties die behoren tot de beoogde groep verslagplichtige inrichtingen. Dat betekent dat ongeveer 85% van de beoogde groep inrichtingen nog geen specifiek milieuverslag uitbrengt. Met het wetsvoorstel milieuverslaglegging zal ook deze resterende 85% een milieuverslag moeten gaan uitbrengen.

16

Kan de milieutoets, zoals hier bedoeld, worden beschouwd als een duurzaamheidstoets? (blz. 25).

De milieutoets, de bedrijfseffectentoets en de uitvoerbaarheids- en handhaafbaarheidstoets zijn instrumenten met het doel voorgenomen regelgeving scherper te toetsen op (neven) effecten. In het kader van deze toetsen zijn vijftien vragen geformuleerd. Daarbij bevinden zich een aantal milieutoetsvragen die betrekking hebben op het energieverbruik, mobiliteit, het beheer en gebruik van voorraden van grondstoffen, afvalstromen, emissies naar water, bodem, lucht en het gebruik van de beschikbare fysieke ruimte. Deze vragen worden gehanteerd om informatie te verschaffen over de milieugevolgen en dus de bijdrage aan duurzame ontwikkeling van de betreffende regeling. De vraag of onze samenleving duurzaam kan worden, wordt mede bepaald door de kernbegrippen energie, biodiversiteit en ruimte. De vragen van de milieutoets sluiten bij deze kernbegrippen aan. Dus in die zin is er tevens sprake van een toets op duurzaamheid.

17

Waarom is het in 1993 begonnen onderzoek naar de mogelijkheden van sociaal instrumentarium pas in de loop van 1996 klaar? (blz. 29).

Het speerpuntprogramma sociaal instrumentarium heeft een meerjarige structuur. Het omvat 25 onderzoeken. Een aantal van deze onderzoeken loopt door tot in 1996. Zoals in het Milieuprogramma is aangegeven, zal afronding van het programma nog dit jaar plaatsvinden. Voor een deel worden de resultaten van het onderzoek al in de beleidspraktijk toegepast. Enkele voorbeelden: Vergroting invloed doelgroep bij beleidsformulering via «Ecoteams» en het «Perspectieven»-project, opzet terugkoppelingssystemen als bijv. de jaarlijkse SCP-rapportage over Publieke Opinie en Milieu. Verder kan bijvoorbeeld ook worden gedacht aan lokale duurzame ruilkringen en de vergroting van de betrokkenheid van jongeren bij het milieubeleid door instelling van jeugdraden.

18

Voor welke bestaande en nieuwe milieubelastingen wordt overwogen om positieve prikkels in te bouwen? (blz. 29).

Hier wordt verwezen naar het antwoord op vraag 20.

19

Kan informatie worden verstrekt over de activiteiten van de commissie Van der Vaart op dit moment? Wanneer valt de derde rapportage te verwachten? (blz. 30).

Hier wordt verwezen naar het antwoord op vraag 20.

20

Wanneer is een standpunt te verwachten over de overige voorstellen van de Werkgroep Vergroening van het Fiscale Stelsel? (blz. 30).

De aanbevelingen van de werkgroep vergroening van het fiscale stelsel die in 1997 realiseerbaar zijn, worden in het kader van het Belastingplan 1997 uitgevoerd. Voorts wordt gewezen op het wetsvoorstel aanpassing loon- en inkomstenbelasting 1996 terzake van verkeer en vervoer. Naast aanbevelingen op het terrein van verkeer en vervoer heeft de werkgroep aanbevelingen gedaan voor zowel de reeds bestaande belastingen op milieugrondslag, als voor nieuwe milieubelastingen. De werkgroep heeft op dit brede terrein veel waardevolle analyses en feitelijke gegevens aangedragen en komt in haar tweede rapportage tot een breed pakket aan voorstellen voor vergroening van het fiscale stelsel. Ik verwijs in dit verband met name op de voorstellen met betrekking tot het inbouwen van positieve prikkels in de belastingen op milieugrondslag.

De aanbevelingen die de werkgroep op dit terrein heeft gedaan worden bestudeerd. Thans worden de voorbereidingen getroffen voor de start van de derde en laatste rapportage. Naar verwachting zal deze rapportage medio april 1997 worden afgerond.

In het NMP-3 (najaar 1997) zullen de milieubelastingen aan de orde komen. Daarbij zullen de aanbevelingen die de werkgroep heeft gedaan, en nog zal doen, worden betrokken.

21

De tariefsdifferentiatie voor lokale heffingen wordt een zaak van de lokale democratie genoemd. In hoeverre hebben het rijk en de provincies nog mogelijkheden om invloed uit te oefenen op de genoemde lokale omstandigheden? (blz. 31).

Uitgangspunt bij het beleid ten aanzien van de vormgeving van lokale milieuheffingen is dat dit een zaak is van de lokale autonomie en dat derhalve de lokale democratie beslist over de wijze van invulling daarvan. Het rijk en de provincies kunnen daarin niet rechtstreeks treden. Ook in de ledenbrief over tariefsdifferentiatie constateert de VNG dat de gemeenten zelf, op basis van hun specifieke omstandigheden, beslissen of zij tariefdifferentiatie willen toepassen.

Het rijk en de provincies vervullen een faciliterende rol door het scheppen van mogelijkheden, het geven van informatie en het ondersteunen van experimenten. Het binnenkort beschikbaar komen van de resultaten van de inventarisatie van ervaringen van gemeenten met het differentiëren van de gemeentelijke afvalstoffenheffingen is hiervan een voorbeeld.

Met betrekking tot het differentiëren van de rioolrechten naar watergebruik is het wel of niet bemeterd zijn van de watervoorziening van groot belang. In dit verband is mede op verzoek van een aantal partijen een workshop «bemetering» gepland waarbij zal worden verkend welke opties voor stimulering er zijn en op welke wijze belemmeringen kunnen worden weggenomen.

22

Kan een overzicht worden verschaft van gemeenten waar tariefsdifferentiatie inmiddels plaatsvindt, inclusief de gekozen systematiek? (blz. 31).

Een overzicht van gemeenten met een tariefdifferentiatie in de gemeentelijke afvalstoffenheffing is opgenomen in tabel 1.

Een volledig overzicht van gemeenten waar het rioolrecht wordt gedifferentieerd naar watergebruik is op dit moment niet beschikbaar. In het kader van de evaluatie van het waterbesparingsbeleid zal een dergelijke overzicht wel beschikbaar komen.

Er zijn twee waterleidingbedrijven die actief zijn m.b.t. de invoering van het waterspoor. Dit zijn de Waterleidingmaatschappij Oost-Brabant (WOB) en de Waterleidingmaatschappij Oostelijk Gelderland (WOG). Bij de WOG betreft het de volgende gemeenten die het smal waterspoor hebben ingevoerd: Doesburg, Zutphen, Groenlo, Dinxperlo, Winterswijk, Bergh, Warnsveld. De gemeenten Wehl en Duiven gaan per 1 januari a.s. van start. Daarnaast hebben nog een aantal gemeenten e.e.a. in overweging.

Een overzicht van gemeentes die het rioolrecht differentiëren naar waterverbruik is opgenomen in tabel 2.

Tevens zijn er ook bij een aantal andere waterleidingbedrijven gemeenten die het smal waterspoor hebben ingevoerd.

Via het onderzoek «handreiking smal waterspoor» zal meer zicht komen op de gekozen systematiek.

Tabel 1:

GemeenteTariefdifferentiatie
ArnemuidenVolume
Baarle NassauVolume
BarendrechtDure zak
BeeselDure zak
BerlicumDure zak
BeuningenDure zak
BoxmeerDure zak
Cuyk en St. AgathaDure zak
Den DungenDure zak
EeldeVolume
EijsdenPer kilo
EnschedeAanbiedingsfrequentie
GeleenPer kilo
GiessenlandenVolume
GroesbeekDure zak
GrubbenvorstAanbiedingsfrequentie
HaaksbergenVolume: Containergrootte
HaarlemmermeerVolume: Containergrootte
HaelenFrequentie en volume
HeelVolume/frequentie
HellendoornVolume
HelvoirtDure zak
HeumenDure zak
HeythuysenVolume/frequentie
HoevelakenPer kilo
HorstVolume: containergrootte
HoutenPer kilo
HunselFrequentie
KesselVolume
LandgraafVolume
LiempdeDure zak
MargratenPer kilo
MeijelVolume: containergrootte
MillDure zak
Millingen aan de RijnDure zak
Nieuwerkerk aan de IJsselDure zak
NijkerkDure zak
NijmegenDure zak
NootdorpDure zak
OdoornPer kilo
OnderbakenDure zak
OostzaanPer kilo
Ouder AmstelDure zak
PuttenDure zak
Roggel en NeerVolume en frequentie
SchinnenDure zak
Son en BreugelFrequentie
Sprang CapelleDure zak
St. OederodePer kilo
Swalmen en RoerdalenPer kilo
ThornVolume/frequentie
ValkenisseVolume
VeereVolume
VierlingsbeekDure zak
WestervoortVolume: Containergrootte
WestkapelleVolume
WierdenVolume
ZaltbommelVolume
ZeewoldeVolume
ZuidhornPer kilo
ZuidlarenPer kilo

Vanaf 01-01-1997 liften naar verwachting de navolgende 41 voormalige gemeenten mee op de integrale waternota van WOB:

Een gestaffeld rioolrecht houdt in dat het waterverbruik wordt ingedeeld in klassen. De waterprijs wordt per klasse vastgesteld.

Gemeentesoort differentiatieaantal aansluitingen
Udenhoutrioolrecht (staffel)3 082
Schaykrioolrecht (staffel)3 110
Millrioolrecht (staffel)4 163
Reuselrioolrecht (staffel)2 973
Haarenrioolrecht (staffel)2 157
Helvoirtrioolrecht (staffel)1 852
Oirschotrioolrecht (staffel)4 571
Bakelrioolrecht (staffel)2 905
Zeelandrioolrecht (staffel)2 193
Vlijmenrioolrecht (staffel)6 284
Vierlingsbeekrioolrecht (per m3)3 255
Oisterwijkrioolrecht (per m3)7 729
Heezerioolrecht (staffel)3 809
Deurnerioolrecht (staffel)12 138
H.L. Mierderioolrecht (staffel)1 488
Bergeykrioolrecht (staffel)4 160
Schijndelrioolrecht (staffel)8 457
Diessenrioolrecht (staffel)1 573
Ravesteinrioolrecht (per m3)3 156
O.W.M. Beersrioolrecht (staffel)1 938
Vughtrioolrecht (staffel)9 988
Bladelrioolrecht (staffel)4 129
Geldroprioolrecht (staffel)11 770
Eschrioolrecht (staffel)765
Boxtelrioolrecht (staffel)9 729
Liempderioolrecht (staffel)1 711
Beek & Donkrioolrecht (staffel)3 796

Te verwachten gemeenten per 01-01-1997:

Gemeentesoort differentiatieaantal aansluitingen
Luyksgestelrioolrecht (staffel)1 104
Riethovenrioolrecht (staffel)872
Westerhovenrioolrecht (staffel)692
Hoogeloonrioolrecht (staffel)3 181
Aarle-Rixtelrioolrecht (staffel)2 177
Lieshoutrioolrecht (staffel)2 270
Leenderioolrecht (staffel)1 629
Moergestelrioolrecht (per m3)2 146
Drunenrioolrecht (staffel)7 234
St. M. Gestelrioolrecht (per m3)5 320
Den Dungenrioolrecht (per m3)1 582
Belricumrioolrecht (per m3)3 370

WOB is voorts in onderhandeling met: Heeswijk-Dinther, Heesch, Nisterlord=Bernheze, Gemert en Grave.

23

Wanneer is een wijzigingsvoorstel van de WVO te verwachten – zoals reeds in 1993 is toegezegd aan de Kamer – om invoering van het waterspoor daadwerkelijk mogelijk te maken? (blz. 31).

In het Beleidsplan Drink- en Industriewatervoorziening (TK, vergaderjaar 1995–1996, 23 168, nr. 5) is de beleidslijn die in 1993 in het uitgebrachte Regeringsstandpunt over het waterspoor is neergelegd ongewijzigd overgenomen. Dat wil zeggen dat indien de betrokken instanties in bemeterde gebieden willen overgaan tot regionale invoering van het waterspoor, de WVO zodanig zal worden gewijzigd dat deze geen belemmering vormt voor invoering van genoemd tariefsysteem. Geconstateerd moet worden dat initiatieven tot op dit moment nog niet van de grond komen, ondanks het feit dat het rijk ondersteuning heeft toegezegd aan het opzetten van een proef met het waterspoor.

Daarnaast vindt er stimulering van het smalle waterspoor plaats. De praktijkervaringen met het smalle waterspoor zullen worden geïnventariseerd en als een brochure «handreiking smal waterspoor» worden verspreid.

Mogelijk kunnen positieve ervaringen met het smalle waterspoor bijdragen aan een positiever opstelling van betrokkenen ten opzichte van het brede waterspoor.

24

Is er in Groningen of elders sprake van een experiment met invoering van het brede waterspoor? Zo ja, wat is de stand van zaken? (blz. 31).

Neen. Wel is er inmiddels in een aantal gemeenten het zogeheten smalle waterspoor ingevoerd. De praktijkervaringen met het smalle waterspoor zullen worden geïnventariseerd en als een brochure «handreiking smal waterspoor» worden verspreid.

Mogelijk kunnen positieve ervaringen met het smalle waterspoor bijdragen aan een positiever opstelling van betrokkenen ten opzichte van het brede waterspoor.

25

Is in verband met de relatie met het natuurbeleid bij de opstelling van de Nota Milieu en Ruimte het ministerie van LNV betrokken? (blz. 33).

De nota wordt in overleg met andere departementen, waaronder het ministerie van LNV, voorbereid, mede in verband met de raakvlakken met andere beleidsvelden, zoals natuurbeleid, die aan de orde kunnen komen.

26

Zullen door de voorgenomen bezuinigingen op de onderzoeks- en onderwijscapaciteiten van Nederlandse instituten met biologische verzamelingen het voortbestaan van natuurhistorische collecties niet in gevaar komen? (blz. 35).

Waar collecties bij instellingen bestaan, ligt de verantwoordelijkheid bij die instelling. De zorg voor de bestaande collecties houdt in dat de instelling kan beslissen over continuering danwel beëindiging van die taak. Waar het gaat om collecties van nationaal belang is de beherende instelling uiteraard gehouden deze verantwoordelijkheid met de grootst mogelijke zorgvuldigheid uit te voeren. In haar rapport Grote biologische collecties in Nederland wordt door de KNAW aandacht gevraagd voor de zorgelijke situatie van de «voor fundamenteel en toegepast biologisch onderzoek onmisbare collecties».

In een recente inventarisatie, uitgevoerd door de Rijksdienst voor Beeldende Kunst, is het belang van deze collecties, zowel cultuurhistorisch als wetenschappelijk in de ondersteuning van bijvoorbeeld het biodiversiteitsbeleid, onderkend.

In aansluiting op de voorgenomen stimulering van het biodiversiteitsonderzoek, zoals aangekondigd in Wetenschapsbudget 97, zal daarom op verzoek van de minister van OCW door de KNAW worden onderzocht hoe een kader voor de organisatie en financiering van een Nationaal Herbarium tot stand kan worden gebracht.

Mede op basis van de uitkomsten van dit onderzoek zal vervolgens ook voor de zoölogische en microbiologische collecties een dergelijk kader moeten worden gevonden.

Overigens hebben zowel VROM als LNV aan hun bijdrage aan de stimulering van het biodiversiteitsonderzoek als voorwaarde verbonden, dat de problematiek van de structurele financiering van de biologische collecties door OCW (in overleg met de universiteiten) moet zijn opgelost.

27

Zal het beleidsstandpunt inzake de bescherming van de biodiversiteit ook gevolgen hebben voor het handelsbeleid? (blz. 36).

In het beleidsstandpunt inzake de bescherming van de biodiversiteit, voortkomend uit actiepunt N59 uit het NMP-2, wordt ingegaan op de eisen die het behoud van biodiversiteit stelt aan milieukwaliteit en ruimte in Nederland. Dit beleidsstandpunt als zodanig zal geen gevolg hebben voor het handelsbeleid.

Overigens zullen eventueel in internationaal kader te maken afspraken over biodiversiteitsbeleid mogelijk wel gevolgen kunnen hebben voor het handelsbeleid.

28

Welke handelsinstrumenten zullen worden ingezet om de produktieprocessen meer milieuverantwoord te maken? En onder welke voorwaarden is de inzet van handelsinstrumenten geoorloofd? (blz. 37).

Bij het meer milieuverantwoord maken van produktieprocessen worden in eerste instantie andere instrumenten, zoals technische en financieel-economische instrumenten, ingezet om de aanpassing of verbetering van bepaalde produktieprocessen te bevorderen. Voor zover dergelijke instrumenten geen soelaas bieden of onvoldoende effect sorteren kan de inzet van handelsinstrumenten nodig zijn. Voorbeelden daarvan zijn importbeperkende maatregelen zoals importverboden of heffingen. Ook middels het ontwikkelen van produktspecifieke ecolabels kan de omzetting naar een meer milieuverantwoord produktieproces gestimuleerd worden.

In beginsel staan de huidige WTO/handelsregels landen toe om alle noodzakelijke maatregelen te nemen ter bescherming van het milieu op het eigen grondgebied, inclusief procesgerelateerde maatregelen. Uiteraard gelden daarbij te allen tijde algemene handelregels zoals het beginsel van non-discriminatie en het voorkomen van onnodige handelsbelemmeringen. Handelsbeperkende maatregelen ten aanzien van ingevoerde produkten vanwege het gehanteerde produktieproces, waarbij het produkt als zodanig niet schadelijk is voor het milieu en er dus geen relatie is met de bescherming van eigen milieu, worden binnen de huidige handelsregels niet toelaatbaar geacht.

Wanneer het gaat om grensoverschrijdende en mondiale milieuproblemen dient de oplossing gezocht te worden in multilaterale milieu-overeenkomsten. In dat kader overeengekomen handelsmaatregelen vormen geen probleem voor zover het gaat om maatregelen welke worden getroffen jegens partijen bij de overeenkomst.

Een bijzonder probleem ontstaat wanneer landen handelssancties willen treffen jegens landen die geen partij zijn bij het milieuverdrag en door hun gedrag doelbewust de doelstelling van het verdrag ondermijnen, de zogenaamde «free riders». Deze materie is momenteel onderwerp van discussie in het WTO-Comité Handel en Milieu. Het streven van Nederland en de EU is daarbij gericht op het formuleren van voorwaarden op basis waarvan het gebruik van handelsmaatregelen in het kader van multilaterale milieu-overeenkomsten mogelijk is.

29

Er wordt opgemerkt dat het onderwerp duurzaam consumeren nationaal en internationaal sterk in de belangstelling staat. Kan de regering aangeven waaruit dit blijkt en in hoeverre zijn hierdoor consumptiepatronen gewijzigd? (blz. 38).

De toenemende belangstelling in Nederland voor duurzaam consumeren blijkt onder meer uit de intensiteit van de discussies over dit onderwerp. Zo zijn onder meer de afgelopen jaren debatten hierover gevoerd door het Platform voor Duurzame ontwikkeling, het Landelijk Milieuoverleg en het Humanistisch Verbond waarin tal van maatschappelijke organisaties participeerden. De internationale belangstelling blijkt onder meer uit de door de OECD en Verenigde Naties gestarte programma's voor Duurzaam Consumeren en Produceren. Op dit moment is nog niet vast te stellen dat consumptiepatronen als gevolg daarvan wezenlijk zijn veranderd. Daarbij zij opgemerkt dat juist het ontbreken van een trendbreuk in consumptiepatronen een belangrijke stimulans is om het onderwerp duurzaam consumeren met voortvarendheid aan te pakken.

30

Wordt in de nota Milieu en Economie de resultaten van het DEOS-rapport van het IVM meegenomen? Zal er bijvoorbeeld in de nota gekeken worden naar selectieve bevordering van sectoren en/of produktgroepen die een relatief hoge potentie hebben om milieuwinst te boeken? (blz. 38).

In de nota Milieu en Economie zal gebruik worden gemaakt van de resultaten van diverse onderzoeken en studies, waaronder de DEOS-studie, de CPB-studie «Economie en milieu: Op zoek naar duurzaamheid» en het SER-advies Sociaal-economisch beleid 1996–2000.

In de nota wordt gestreefd naar een duurzame economische ontwikkeling waarin economische groei, versterking van de concurrentiekracht en toename van de werkgelegenheid gecombineerd worden met een beter beheer van ruimte, natuur, biodiversiteit en een vermindering van de milieudruk. Dat vraagt om een maatschappelijk veranderingsproces. Hoewel er een (institutionele) uitdaging ligt om oplossingen voor milieuvraagstukken zoveel mogelijk via de markt te laten verlopen, is er ook een duidelijke rol voor een sterke overheid. Deze kiest doelen en stelt duidelijke kaders, zorgt dat de markt zijn werk kan doen (via kwalitatief goede regelgeving, verbetering marktwerking, subsidies, belastingen, internalisering milieukosten), makelt en schakelt, stimuleert verbeter- en innovatieactiviteiten, investeert in fysieke infrastructuur, informatie en scholing, ziet waar nationale actie niet effectief is en weet waar internationale diplomatie noodzakelijk is.

Als gevolg van de «marktdynamiek» kan dit leiden tot veranderingen in bedrijven, op markten, in de ketens en tussen bedrijven en overheid. Dat kan effect hebben op de relatieve omvang van sectoren. Er is dan echter sprake van een resultante van het veranderingsproces en niet het vooropgezette beleidsdoel.

31

Wat zijn de eerste resultaten van de activiteiten in het kader van MPO? (blz. 39).

In het kader van Milieugerichte Produkt Ontwikkeling zijn circa 250 MKB-bedrijven inmiddels bereikt via het project Ecodesign van de Innovatie Centra. Inmiddels is deze zomer een Kredietregeling MPO gepubliceerd, gericht op bedrijven tot 500 werknemers. Tegen het einde van 1996 zullen naar verwachting enige tientallen bedrijven projecten hebben ingediend.

Bij Philips is intussen een groot project afgerond gericht op het stimuleren van een MPO-aanpak binnen een grote multinational. Het ligt in de bedoeling dat een groot deel van de resultaten daarvan toegankelijk zal worden gemaakt voor derden.

32

Kan de opmerking dat binnen veel bedrijven milieuzorg inmiddels zich als een vanzelfsprekend onderdeel van de bedrijfsvoering met feiten en/of cijfers worden onderbouwd? Betreft dit vooral de (middel-)grote bedrijven? (blz. 39).

Op basis van eerder uitgevoerd onderzoek (o.a. de tussenevalutie bedrijfsmilieuzorgsystemen 1992) kon reeds worden aangegeven dat 58% van de bedrijven met een (middel-)grote milieubelasting redelijk tot goed op weg was met de invoering van bedrijfsmilieuzorgsystemen. Zeer recent uitgevoerd onderzoek toont aan dat dit inmiddels 71% is.

Tot de gevorderden op dit gebied behoren nu 86% van de bedrijven met meer dan 500 werknemers. Voor de middelgrote bedrijven tussen de 100 en 500 werknemers is dat 61%. Ook blijkt dat vooral de meer milieubelastende sectoren tot de groep van gevorderden gerekend kan worden (chemie 65% gevorderden; voedings- en genotmiddelenindustrie 52% gevorderden).

Het onderzoeksrapport «Evaluatie bedrijfsmilieuzorgsystemen 1996» wordt U separaat toegezonden.

33

Wordt in de verkenning ook aangegeven welke beleidsmaatregelen de kans op de doorbraak van technologieën zouden moeten verkleinen dan wel vergroten? (blz. 41).

Zoals in het Milieuprogramma is aangegeven is het de bedoeling dat de verkenning, naast een inventarisatie van milieurelevante technologieën, tevens zicht geeft op «de belangrijkste maatschappelijke factoren, die bepalend zijn voor kans op doorbraak van deze technologieën». Op basis van deze factoren zullen beleidsaangrijpingspunten worden geformuleerd. In het kader van de verkenning worden geen beleidsmaatregelen voorgesteld. Mogelijke beleidsmaatregelen worden geïnventariseerd bij de voorbereiding van o.a. de nota Milieu en Economie en het NMP-3.

34

Acht de regering het, gegeven de lange termijn doelstelling van het DTO-programma, verantwoord om de financiering per 1 januari 1998 te beëindigen? (blz. 42).

Bij de start van het programma Duurzame Technologische Ontwikkeling is gekozen voor een beperkte looptijd van het programma (1993–1997). Belangrijk argument hiervoor was onzekerheid over het succes, gelet op het vernieuwende karakter van het programma. Het programma is er op gericht om, vanuit de backcasting-benadering, de mogelijkheden te verkennen om te komen tot daadwerkelijke trendbreuken.

Zoals ook in het Milieuprogramma over het DTO-programma is aangegeven, blijkt dat onder een aantal voorwaarden het mogelijk is om innovatieprocessen zodanig in te richten dat technologie-sprongen mogelijk zijn.

Op grond van deze bevindingen wordt dan ook inmiddels nagedacht over de gewenste follow-up van het DTO-programma.

Het is dus zo dat het DTO-programma 1 januari 1998 wordt afgerond. Het programma zal echter wel degelijk een vervolg kennen.

35

Hoe staat het thans met de voorbereiding van een verbod op het gebruik van niet-duurzaam geproduceerd hout in de Woningwet? Is het advies van de Raad van State reeds binnen? Hoe luidt dit advies? (blz. 42).

Er is geen wetsvoorstel tot wijziging van de Woningwet op grond waarvan een verbod op het gebruik van niet-duurzaam geproduceerd hout kan worden opgelegd voor advies voorgelegd aan de Raad van State. In voorbereiding is wel een wijziging van de Woningwet, inhoudende een uitbreiding van de uitgangspunten die aan het op de Woningwet gebaseerde Bouwbesluit ten grondslag liggen met het uitgangspunt «milieu».

Wellicht wordt overigens gedoeld op het initiatiefwetsvoorstel rondom de toepassing van duurzaam geproduceerd hout van het Tweede Kamerlid mevrouw Vos.

36

Bestaan er met het Subatfonds vergelijkbare initiatieven in andere sectoren? (blz. 43).

Er bestaan geen vergelijkbare initiatieven. Wel worden momenteel in het kader van de operatie bodemsanering van in gebruik zijnde bedrijfsterreinen (BSB) mogelijkheden bezien om te komen tot een branche-gewijze aanpak.

Daarbij worden tevens financiële mogelijkheden waaronder fondsvorming betrokken.

37

Kan per hoofdstuk nader worden aangegeven welke stappen van Agenda 21 zijn gezet om het beleid van duurzame ontwikkeling internationaal uit te voeren? Op welke terreinen heeft Nederland zich specifiek ingespannen? (blz. 45).

De belangrijkste internationale ontwikkelingen met betrekking tot de implementatie van Agenda 21 zijn in de afgelopen jaren aan de orde geweest in de vergaderingen van de Commissie voor Duurzame Ontwikkeling (CDO) van de Verenigde Naties. In het werkprogramma van de CDO was voorzien dat alle hoofdstukken van Agenda 21 in de periode tot aan 1997 tenminste eenmaal aan de orde zouden komen. Over het verloop van die vergaderingen is de Tweede Kamer jaarlijks bij brief geïnformeerd (Vergaderjaar 92–93, nr. 22 031, 18; vergaderjaar 93–94, nr. 23 400, hoofdstuk V, 75; vergaderjaar 94–95, nr. 23 900, hoofdstuk V, 48). Het verslag van de afgelopen vergadering zal u spoedig bereiken.

Nederland heeft zich in het bijzonder ingespannen op de terreinen van «drinkwater» (ministersconferentie in Noordwijk, maart 1994), «verandering van consumptiepatronen» (internationale workshop over duurzaam huishouden, Zeist, februari 1995), «duurzaam landgebruik» (internationale workshop, Wageningen, februari 1995), «technology needs assessments» (internationale workshop, Scheveningen, februari 1996), en «duurzame industrie» (internationaal congres, Amsterdam, februari 1996). Eind november zal voorts een internationale workshop worden gehouden over het thema «Debt for Sustainable Development-swaps».

Nederland levert ook financiële bijdragen aan het CDO-proces in de vorm van een zgn. Trust-fund.

Tenslotte kan erop gewezen worden dat de Duurzaamheidsverdragen die Nederland gesloten heeft met Bhutan, Benin en Costa Rica, een concreet voorbeeld zijn van bilaterale acties ter uitvoering van Agenda 21.

38

Op welke wijze vindt afstemming over het internationale milieubeleid plaats met «binnenlandse ministeries» zoals LNV, EZ en VWS, over zaken die de belangen van de betrokken ministeries raken? Welke initiatieven hiertoe zijn van het ministerie van VROM uitgegaan? (blz. 45).

Alle zaken betreffende internationaal milieubeleid worden interdepartementaal afgestemd in formeel overleg onder leiding van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. De genoemde ministeries nemen hieraan deel, evenals andere ministeries die met internationaal milieubeleid te maken hebben, zoals Verkeer en Waterstaat en Financiën. Een belangrijk overlegorgaan is de Coördinatiecommissie Internationale Milieuvraagstukken (CIM) waarin een groot deel van het internationale milieubeleid aan de orde komt en waarin onder andere de instructies voor Nederlandse delegaties naar internationale vergaderingen worden vastgesteld. In veel gevallen vindt er ook informeel overleg tussen VROM en andere ministeries plaats, bijvoorbeeld als voorbereiding van de besluitvorming in de CIM. VROM neemt hiertoe de noodzakelijke initiatieven.

39

Hoe is de motie Verspaget (ingediend bij de behandeling van het Zeerechtverdrag over het tot stand komen van internationale normen bij de produktie en winning van grondstoffen) uitgevoerd? (blz. 45).

Recentelijk concludeerde de Commissie voor Duurzame Ontwikkeling (CDO) dat op dit moment geen noodzaak bestaat voor wereldwijde regels voor off-shore activiteiten. Ondermeer Nederland verzette zich tegen deze conclusie omdat nationale en regionale regelgeving vaak ontbreekt. Nederland heeft aangeboden een internationale workshop te organiseren voor uitwisseling van nationale en regionale ervaringen. De resultaten van de workshop (eind 1997) gaan naar de CDO. Beoogde deelnemers komen uit de hele wereld: nationale en regionale overheden, bedrijfsleven en milieu-organisaties. Voor een aantal activiteiten kent de industrie Codes of Conduct die tot op zekere hoogte, maar niet voldoende, in de leemte van het ontbreken van regionale regels voorzien. Ik zal in overleg met mijn collega's van Verkeer en Waterstaat en Economische Zaken de Kamer informeren over de aanbevelingen aan de CDO.

Als onderdeel van de «Mining Code» op grond van het VN-Zeerechtverdrag zijn regels voor de exploitatie van de zeebodem op de hoge zee in voorbereiding. Nederland vindt dat met het vaststellen van deze regels gewacht moet worden tot exploitatie van niet-levende natuurlijke hulpbronnen van de hoge zee actueel wordt. Dit kan nog vele jaren duren. Die regels moeten dan een hoog beschermingsniveau bieden en in relatie gezien worden met regels voor off-shore binnen nationale jurisdictie.

Nederland zal zich tijdens de komende Special Meeting van Partijen bij de London Convention 1972 on Dumping inzetten voor de mogelijkheid om ook emissies van off-shore te kunnen regelen. Veel landen hebben nog problemen met dit standpunt.

40

Onderschrijft de regering de vaststelling in de Milieubalans '96 dat de milieukwaliteit in Nederland door de hoge druk van met name verkeer, landbouw en (chemische) industrie gelijk is aan of achterblijft bij die in andere Europese landen? (blz. 45).

In de Milieubalans 1996 is een vergelijking gemaakt tussen de milieusituatie in Nederland en de omringende landen (Verenigd Koninkrijk, België, Duitsland en Denemarken).

De emissies per inwoner van Nederland liggen op ongeveer gelijk niveau met die in andere landen. Door de hogere bevolkingsdichtheid heeft Nederland echter te maken met een intensiever gebruik van de ruimte, dan in de andere genoemde landen het geval is. Dit brengt een hoge milieudruk met zich mee door de combinatie van veel verkeer in het stedelijk gebied, een intensief gebruik van de landbouwgrond en veel zware industrie. Daarnaast ondervindt Nederland een relatief hogere milieudruk door de aanvoer van milieuschadelijke stoffen vanuit het buitenland via rivieren. Dit leidt tot een milieudruk in de steden die vergelijkbaar is met de andere landen en een milieudruk in het landelijk gebied die gemiddeld hoger is dan in de omringende landen.

41

Hoeveel eigen middelen stelt het ministerie van VROM voor internationaal milieubeleid ter beschikking, exclusief het CO2-beleid? (blz. 45).

Het uitgavenbudget van VROM voor projecten, bijdragen en opdrachtverlening op het gebied van internationaal milieubeleid (excl. CO2-beleid) bedraagt in 1997 f 13,3 mln. Deze uitgaven worden verantwoord op artikelonderdeel U051503 (zie pagina's 153–155 van onderdeel XI-A van de Rijksbegroting 1997).

Het verschil met het in tabel 5.9 van het Milieuprogramma 1997–2000 (blz. 65) genoemde bedrag wordt gevormd door de personele en materiële uitgaven van het Ministerie. Dit betreft de salarisen apparaatskosten van de VROM-medewerkers in zowel Den Haag als het buitenland, voor zover zij werkzaam zijn op het gebied van internationaal milieubeleid.

42

In het Milieuprogramma worden zes dossiers genoemd waaraan Nederland tijdens het voorzitterschap van de Europese Unie bijzondere aandacht zal schenken. Moet hieruit geconcludeerd worden dat de vergroening van het fiscale systeem – in het bijzonder de energieheffing, de BTW- en accijnsproblematiek – geen speciale aandacht zullen krijgen? Zo ja, waarom niet? (blz. 46).

In het Milieuprogramma worden bijzondere aandachtsgebieden aangegeven. Dit betekent dat Nederland daaraan tijdens de eerste helft van 1997 een extra impuls gaat geven. In de tekst staat reeds de relativering «Voor zover nu valt te overzien», omdat het «mede afhangt van de voortgang die daarin al vóór het Nederlands voorzitterschap wordt geboekt». Bij de onderwerpen biodiversiteit, water en verzuring hangt het ook af van het moment waarop de Commissie met een voorstel komt.

Hieruit kan niet worden geconcludeerd dat aan de vergroening van het fiscale systeem geen bijzondere aandacht wordt geschonken. In de eerste plaats geldt dat de fiscale vergroening onderdeel uitmaakt van enkele van de wel genoemde prioriteiten: klimaat, auto's en afval. In de tweede plaats is het onderwerp vergroening van het fiscale systeem reeds enige jaren een doorlopende prioriteit van de Nederlandse inbreng in Brussel (het ministerie van Financiën heeft daarbij het voortouw). In dat kader wijs ik u bijvoorbeeld ook op twee bijeenkomsten dit jaar in Den Haag (januari 1996) en Helsinki (november 1996) van gelijkgezinde lidstaten, en op de samenwerking met andere lidstaten om wereldwijd te komen tot een kerosineheffing. Laatstgenoemd onderwerp is door de Minister van V&W als voorzitterschap-prioriteit aangegeven.

43

Komt in het dossier Klimaat ook de invoering van een kerosineheffing en een energieheffing in EU-verband aan de orde? Welke vooruitgang is thans geboekt bij de voorstellen voor een invoering van accijns op kerosine, zowel in Europees als in mondiaal verband? Waar en op welke wijze heeft Nederland zich hiervoor ingezet? (blz. 46).

Beide onderwerpen zijn opgenomen in de Vervolgnota Klimaat-verandering en komen aan de orde in het dossier Klimaat.

Wat betreft de invoering van accijns op kerosine richt Nederland zich, naast activiteiten op bilateraal niveau, op de volgende sporen:

– het Klimaatverdrag;

– de International Civil Aviation Organization (ICAO);

– de EU.

De geboekte vooruitgang moet vooral worden gezien in het licht van agendavorming. Mede door de Nederlandse inspanningen is het onderwerp beter op de internationale agenda gekomen. De mogelijkheid tot invoering van een mondiale heffing wordt thans concreet bezien binnen de kaders van het Klimaatverdrag. Binnen de ICAO is een studiegroep opgericht die gaat kijken naar kosten en baten van emissieheffingen in de luchtvaart. In EU-verband, waar een vrijstelling van accijns op kerosine verplicht wordt voorgeschreven door richtlijn 92/81/EG, komt het onderwerp regelmatig terug tijdens bijeenkomsten van de Milieuraad. Deze vrijstelling wordt overigens dit jaar door de Europese Commissie geëvalueerd. Het resultaat van deze evaluatie zal besproken worden in de Ecofin-raad.

Naast een meer politieke rol (agendavorming) met betrekking tot accijns op kerosine wil Nederland vooral ook bijdragen aan een inhoudelijke discussie, door het uitvoeren van en het bijdragen aan onderzoek en het bespreken van de resultaten van dit onderzoek in internationaal verband.

44

Waarom zijn de MoU's met Canada en Quebec niet levendig? (blz. 48).

De bilaterale samenwerking met Canada en Québec is op dit moment niet levendig omdat er nu geen onderwerpen zijn waarvoor een gezamenlijke aanpak noopt tot vastlegging in een af te spreken werkprogramma. Er is wel sprake van samenwerking door middel van persoonlijke contacten en afstemming bij multilaterale vergaderingen.

45

Betekent de opmerking dat de aandacht van MoU's zich richt op industrieel sterk ontwikkelde landen dat de ontwikkelingslanden hierdoor buitenspel komen te staan? (blz. 49).

In de paragraaf over bilaterale samenwerking is bedoeld dat meer aandacht gegeven gaat worden aan de zich industrieel sterk ontwikkelende landen in Azië. Reden daarvoor is dat milieubescherming daar vaak achterblijft terwijl, ten gevolge van de zeer snelle economische groei, de problemen met regionale en mondiale gevolgen groot zijn. De bestaande MoU's en duurzame ontwikkelingsverdragen met ontwikkelingslanden blijven gehandhaafd.

46

Op welke wijze wordt sturing gegeven aan internationale milieuorganisaties, zoals de UNEP (Genève, Nairobi), de Commissie voor Duurzame Ontwikkeling (CSD), etc.? Welke initiatieven heeft het ministerie van VROM hiertoe ondernomen gedurende deze kabinetsperiode? (blz. 53).

Sturing op het hoogste politieke niveau vindt wat UNEP betreft plaats via de vergaderingen van de Governing Council, wat de Commisssie voor Duurzame Ontwikkeling (CDO) betreft via de jaarlijkse zittingen van de commissie. Nederland is lid van beide organen en heeft ondermeer specifieke initiatieven genomen op de volgende terreinen: verandering van consumptiepatronen (CDO), technology needs assessment (CDO), duurzame industrie (CDO), duurzaam landgebruik (CDO), bescherming ozonlaag (UNEP), regelgeving milieugevaarlijke stoffen (UNEP) en schonere produktiemethoden en duurzame produkten (UNEP).

47

Waarom krijgen Nederlandse pogingen om in het kader van Intergovernmental Panel on Forests het aspect biodiversiteit een rol te geven geen bijval? (blz. 54).

Gedurende het tweede Intergovernmental Panel on Forests (IPF-2; maart 1996) kreeg Nederland weinig bijval in zijn pogingen om het aspect biodiversiteit nadrukkelijk aan bod te laten komen in de discussie en aanbevelingen. Voornaamste argument daarvoor, dat overigens zeker niet alleen door ontwikkelingslanden naar voren werd gebracht, was dat biodiversiteit slechts één van de aspecten van bosbeheer is.

Onder meer naar aanleiding van een aanbeveling van de tweede Conference of Parties van het Biodiversiteitsverdrag en een groeiend besef dat een holistische benadering van de bossenproblematiek wenselijk is, werd het Nederlandse standpunt gedurende IPF-3 (september 1996) aanzienlijk beter ontvangen: het aspect biodiversiteit wordt thans dus redelijk in het IPF betrokken.

48

Waarom is de UNEP minder geschikt om zich op de uitvoering van het beleid te richten? Welke organisatie zou dan wel de uitvoering op zich moeten nemen? (blz. 54).

UNEP concentreert zich overeenkomstig zijn mandaat op «assessment», «monitoring» en katalyse. De organisatie heeft een belangrijke taak bij beleidsvoorbereiding en beleidsfacilitering. Op specifieke milieuterreinen heeft UNEP daarnaast een beleidsvormende taak. De uitvoering van mede met inzet van UNEP geformuleerd beleid dient bij voorkeur plaats te vinden onder verantwoordelijkheid van nationale overheden, al dan niet via regionale samenwerking. UNEP en andere internationale organisaties, zoals UNDP, de Wereldbank en de FAO, kunnen hierbij zonodig behulpzaam zijn.

49

Vormt de slechte financiële situatie van de UNEP een belemmering voor de uitvoering van haar taken en worden er initiatieven genomen om deze situatie te verbeteren? (blz. 55).

Ja. De slechte financiële situatie van UNEP dreigt de uitvoering van het voor 1996–1997 vastgestelde werkprogramma inderdaad te belemmeren. Om die reden heeft Nederland naast de reguliere bijdrage aanvullende middelen beschikbaar gesteld t.b.v. specifieke onderdelen van het werkprogramma. De financiële slagkracht blijft echter ver achter bij hetgeen gezien de omvang van de internationale milieuproblematiek nodig zou zijn voor 's werelds belangrijkste internationale milieuorgaan (i.e. UNEP).

50

Welk economisch scenario is gebruikt voor het berekenen van de milieukosten? (blz. 58).

Het behoedzame middellange termijn scenario van het CPB. Dit is consistent met het scenario dat voor het Centraal Economisch Plan (CEP) 1996 is gebruikt.

51

Op welke termijn valt er een daling te verwachten van de jaarlijkse milieukosten als gevolg van een stabilisering of reductie van de milieuverontreiniging? (blz. 60).

Voor de termijnen waarvoor thans kostenschattingen beschikbaar zijn – in het NMP2 bijvoorbeeld tot en met 2010 bij het daar ingezette milieubeleid – doen zich nog geen absolute dalingen voor in de jaarlijkse milieukosten. Wel is het zo dat de jaarlijkse toename thans al kleiner is dan enkele jaren geleden, zij het dat deze procentueel nog steeds groter is dan de groei van het bruto nationaal produkt (BNP). De milieukosten als aandeel van het BNP zullen daarom volgens dezelfde schattingen in 2000 zijn opgelopen tot ca. 3% van het BNP om daarna weer wat terug te zakken tot ca. 2,7% in 2010.

52

Waarom zijn de subsidies voor landbouw en transport (tabel 5.3) gedaald ten opzichte van het Milieuprogramma 1996? (blz. 61).

Landbouw: De daling van de subsidies voor de landbouw, zoals die blijkt uit tabel 5.3 van het milieuprogramma 1997, heeft twee oorzaken. Ten eerste is het mest- en ammoniakbeleid nog in ontwikkeling, waardoor het niet mogelijk is precies vast te stellen welk deel van de beschikbare middelen voor het beleid in de vorm van subsidies voor de sector beschikbaar zal komen. Deze zijn daarom nog niet in de tabel opgevoerd. Ten tweede is een deel van de subsidieregelingen, gericht op milieudoelstellingen, opgegaan in een nieuw LNV-subsidie-instrument. De werking van dit zogenaamde Stimuleringskader is zodanig dat niet a priori kan worden aangegeven wat de omvang is van de subsidies ten bate van het beleidsthema milieu.

De conclusie ten aanzien van de hoogte van de subsidies aan de sector moet dan ook luiden dat deze in totaliteit niet is afgenomen.

Transport: Een afname van subsidies betreft de subsidieregeling voor schone bussen. V&W heeft (al in 1996) besloten tot herprioriteren van een deel van het budget, vanwege het uitblijven van toestemming van Brussel voor het subsidiëren van bedrijven via de bedoelde regeling.

Daarnaast is in het milieuprogramma 1996 in de kolom «ontvangen subsidies» ten onrechte de opbrengst van een bestemmingsheffing op vliegtuigtickets als subsidie aan de transportsector opgenomen.

53

In hoeverre wordt de VAMIL-voorziening daadwerkelijk opgebruikt? Door welke sectoren vindt dit plaats en voor welke investeringen met name? (blz. 64).

In 1995 bedroeg het toegestane investeringsniveau van de VAMIL-regeling 875 miljoen gulden. Het gerealiseerde investeringsniveau in dat jaar bedroeg 765 miljoen gulden. Ruim 6000 keer werd in 1995 van de regeling gebruik gemaakt. De land- en tuinbouwsector investeerde voor 118 miljoen gulden, de industrie voor 345 miljoen en de sector dienstverlening voor 293 miljoen.

In 1995 is met name geïnvesteerd ten behoeve van energie (27%), afval (18%), geluid (25%) en lucht (21%).

54

Welke vorm en inhoud krijgt de investeringsaftrek voor energiebesparing en duurzame energie? (blz. 65).

De energie-investeringsaftrek is geregeld in een wetsvoorstel dat onlangs met het Belastingplan 1997 aan de Tweede Kamer is aangeboden; als ingangsdatum wordt 1 januari 1997 voorgesteld.

Om voor de energie-investeringsaftrek (aftrek van de fiscale winst) in aanmerking te komen dienen VpB/IB-plichtige ondernemers te beschikken over een verklaring van de Minister van Economische Zaken dat sprake is van investeringen in energiebesparende bedrijfsmiddelen of duurzame energie. De bedrijfsmiddelen die voor aftrek in aanmerking komen staan vermeld op een tweetal lijsten die in de Staatscourant worden gepubliceerd. De eerste lijst bevat een aantal generiek omschreven energiebesparende technieken waarvoor een bepaalde besparingsnorm geldt. De tweede lijst bevat een groot aantal meer specifiek benoemde bedrijfsmiddelen. Naar verwachting zullen bedrijven uit sectoren waarmee een meerjarenafspraak of een integrale milieutaakstelling is overeengekomen, ruimschoots kunnen profiteren van deze faciliteit omdat bij de aanwijzing van de investeringen in het bijzonder rekening is gehouden met investeringen die relatief veel worden gedaan door deze sectoren.

Energiebesparende investeringen in het MKB zullen extra worden gestimuleerd door kleinere investeringsbedragen (tot ca. f 475 000) een hoger degressief aftrekpercentage te geven. Voor de energie-investeringsaftrek is in 1997 een budget van f 105 miljoen beschikbaar. In 1998 en verder is een hoger budget beschikbaar in verband met de afschaffing van de vrijstelling van de vennootschapsbelasting voor energiebedrijven.

Voor het overige wordt verwezen naar het Belastingplan 1997, alsmede naar de brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer van de Staatssecretaris van Financiën en de Ministers van EZ en VROM van 17 september jl. over het niet doorgaan van de REB-teruggaafregeling.

55

Waarom zijn vanaf 2000 geen middelen gereserveerd voor Joint Implementation? (blz. 66).

Op dit moment zijn middelen beschikbaar gesteld voor joint implementation in het kader van een proeffase waarin geen internationale creditering wordt toegestaan. Naar verwachting is deze proeffase uiterlijk in het jaar 2000 afgerond en hopelijk is daarna internationale creditering van joint implementation wel toegestaan. Is dat het geval, dan komt na 2000 de financiering van joint implementation ook in een geheel ander daglicht te staan omdat het dan voor bedrijven interessant wordt om in Joint Implementation te investeren terwijl nu – bij het ontbreken van een crediteringsprikkel – de overheid Joint Implementation initiatieven moet financieren.

56

Welke maatregelen is de regering van plan te nemen om de totale CO2-emissies uit de glastuinbouw te verminderen? (blz. 74).

Met de glastuinbouwsector is in 1993 door EZ en LNV een meerjarenafspraak energiebesparing overeengekomen. Het hoofddoel is om de energie-efficiency in deze sector zodanig te verbeteren dat in het jaar 2000 per eenheid produkt in vergelijking met 1980 50% minder energie nodig is. Het tussendoel voor 1995, namelijk 40% verbetering van de energie-efficiency, is gehaald. De sector heeft binnen de MJA de vrijheid zelf te bepalen welke middelen zij in wil zetten om het afgesproken doel te bereiken. Tot nu toe zijn de belangrijkste middelen geweest het vergroten van de produktie per oppervlak, de toepassing van restwarmte en van WKK en tenslotte het gebruik van technieken als warmtebuffers en rookgascondensoren. Om het doel voor 2000 te kunnen halen zal de implementatie van deze middelen moeten toenemen.

Verder zal de glastuinbouw ook kunnen profiteren van de financiële middelen die de regering onlangs beschikbaar heeft gesteld in het kader van het CO2-reductieplan. Hierbij moet met name worden gedacht aan het realiseren van grootschalige restwarmte-infrastructuur, ondermeer in het kader van de herstructurering.

Tenslotte wordt door de overheid en de sector sinds kort gewerkt aan het idee om te komen tot een zogenoemde groen-label kas, die voldoet aan allerlei milieu-eisen, alsmede aan eisen ten aanzien van het energiegebruik. Dit idee houdt in dat investeerders in kassen die voldoen aan de gestelde eisen, in aanmerking zouden kunnen komen voor een fiscale ondersteuning zoals Groen beleggen.

57

Kan voor de verschillende teelten worden aangegeven in hoeverre de telers erin slagen om de driftreductie te realiseren? Voor welke teelten valt een aanvullende maatregel op afzienbare termijn te voorzien? (blz. 74).

In het toelatingsbeleid is tot nu toe rekening gehouden met een verwachte driftreductie van 90%. Naar aanleiding van de evaluatie van de uitvoering van het Meerjarenplan Gewasbescherming tot en met 1995, welke bijna gereed is, zal worden bezien of het toelatingsbeleid op dit punt thans moet worden aangepast.

Uit de nu beschikbare gegevens over emissies naar oppervlaktewater wordt duidelijk dat er nog nauwelijks maatregelen zijn genomen om de drift te reduceren en dat in geen enkele sector de driftreductie van 90% is gehaald. Dat betekent dat aanscherping van het toelatingsbeleid nu aan de orde is. Hierbij zal rekening worden gehouden met aanvullende driftreducerende maatregelen in de verschillende sectoren, waarvan de implementatie in de gehele sector op korte termijn is te voorzien. Voor de bloembollensector zijn dergelijke aanvullende maatregelen reeds vastgelegd in een convenant. Deze maatregelen worden aan de desbetreffende bedrijven voorgeschreven op grond van de Wet Verontreiniging Oppervlaktewateren en Landbouwschapsverordeningen. Ook ben ik voornemens om samen met mijn ambtgenoten van Verkeer en Waterstaat en van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij driftreducerende maatregelen voor de andere vollegrondssectoren op te nemen in de Algemene Regels op grond van de Wet Verontreiniging Oppervlaktewateren welke thans in voorbereiding zijn. Mocht daarbij blijken dat de Bestrijdingsmiddelenwet een betere wettelijke basis biedt voor deze maatregelen, dan zal daarvoor worden gekozen.

58

Kan een overzicht worden gegeven van lopende en op handen zijnde afspraken tussen maatschappelijke organisaties en landbouwbedrijfsleven ten behoeve van het terugdringen van milieu-effecten? Op welke wijze kan de regering dergelijke initiatieven stimuleren? (blz. 75).

Een volledig overzicht is niet te geven. De overheid is immers lang niet altijd betrokken bij afspraken tussen maatschappelijke organisaties en landbouwbedrijfsleven over het milieu en dus niet altijd op de hoogte van lopend en op handen zijnde overleg. Een aantal initiatieven, met name die ruimere bekendheid hebben gekregen is wel in beeld. Zo kunnen bijvoorbeeld worden genoemd:

– de Meerjarenovereenkomst over bestrijdingsmiddelengebruik tussen milieuorganisaties, Consumentenbond en Produktschap voor Aardappelen;

– de samenwerkingsovereenkomst rond onderzoek en bescherming van weidevogels tussen de Werkgroep Jonge Boeren Waterland, de Noord-Hollandse Milieufederatie en het CLM;

– de door een werkgroep van boeren en het Milieu Kontakt Eilandspolder opgerichte Vereniging Agrarisch Natuurbeheer Eilandspolder;

– het samenwerkingsverband provincies, standsorganisaties en milieufederaties in Brabant en Limburg.

Naast deze initiatieven is een groot aantal regionale initiatieven van boeren al of niet in samenwerking met milieu- en/of natuurorganisaties bekend onder de naam milieucoöperaties. Bij de vakgroep Agrarische Sociologie van de LUW wordt geregeld bijgehouden om welke initiatieven het gaat. Veel van dit soort initiatieven zijn nog in ontwikkeling. In hoeverre dergelijke initiatieven een bijdrage kunnen leveren aan vermindering van de milieuproblematiek is nog niet duidelijk. Om de mogelijkheden te verkennen is de minister van LNV een experiment met vijf milieucoöperaties aangegaan dat voorlopig tot eind 1997 zal duren. Op basis van de resultaten zal bezien worden hoe hier beleidsmatig verder mee om te gaan.

De overheid heeft op zich de mogelijkheden om initiatieven van maatschappelijke organisaties en landbouwbedrijfsleven te stimuleren bijvoorbeeld met inzet van menskracht, financiële middelen, ondersteuning met regelgeving en algemeen-verbindendverklaring. Of dergelijke instrumenten ook daadwerkelijk worden ingezet moet echter van geval tot geval worden bekeken. Bij ondersteuning zullen wel zakelijke afspraken moeten worden gemaakt over de te halen resultaten, monitoring, verantwoording, controle en handhaving. In het experiment met de milieucoöperaties wordt hier uitvoerig aandacht aan besteed.

59

Kan nader worden toegelicht op welke wijze de normen voor maximale stalemissies regionaal worden gedifferentieerd? (blz. 76).

Regionale differentiatie van de normstelling voor stalemissies is aangekondigd in de Integrale Notitie mest- en ammoniakbeleid van 1995 (Kamerstuk 24 445, nr. 1). De wijze waarop deze differentiatie zal worden uitgewerkt staat toegelicht op pag. 27. Uitgangspunt bij het vaststellen van de eisen aan een emissie-arme stal is het zogenaamde ALARA-principe («as low as reasonable achievable»). Het toepassen van het ALARA-principe leidt ertoe dat buiten de concentratiegebieden minder strenge staleisen gesteld worden dan in de concentratiegebieden. Het is namelijk redelijk om in concentratiegebieden strengere eisen te stellen, omdat de ammoniakproblemen daar groter zijn.

60

Kan de regering aangeven hoeveel bedrijven in de defensieve, volgende, actieve en pro-actieve fase van de milieuzorg zitten? (blz. 80).

Geen onderzoek is verricht naar het aantal bedrijven dat zich in de onderscheiden ontwikkelingsfasen van milieuzorg bevinden. Als indicatie kan gelden dat zich in de «pro-actieve fase» enige 10-tallen bedrijven bevinden. Voor de «actieve fase» ligt dat in de orde van 100-tallen. Deze bedrijven zullen zich steeds meer op certificatie van hun milieuzorgsysteem gaan richten. Het aantal bedrijven in de «volgende fase» ligt in de orde van 1000-tallen. In het kader van het doelgroepenbeleid voor de industrie zullen vooral deze bedrijven in de komende tijd de slag van een «volgend» naar een «actief» milieuzorgbeleid gaan maken.

61

Waarom is het aantal milieukeuraanvragen lager dan verwacht? Betekent de bijstelling van het systeem dat de criteria minder streng worden? (blz. 97).

Het aantal milieukeuraanvragen is lager dan verwacht om een aantal redenen. De hoogte van de criteria wordt een enkele keer genoemd door bedrijven als een oorzaak van het niet aanvragen, maar is zeker niet de hoofdzaak. Veel belangrijker is het feit dat in Nederland nog maar een gering deel van de producenten zich expliciet wil profileren op het gebied van milieu ten opzichte van zijn concurrenten. Verder is de relatieve onbekendheid van het keur een probleem. Omdat er nog maar weinig produkten in de winkel liggen met een milieukeur, is de milieukeur nog niet zo bekend bij de gemiddelde consument. Dat is vervolgens weer een reden voor producenten om terughoudend te zijn in het aanvragen van een milieukeur. Pas als voor één produktgroep enkele milieukeuren zijn aangevraagd worden snel daarna voor de meeste produkten die aan de eisen kunnen voldoen ook een milieukeur aangevraagd. Dit sluit aan bij de ervaring die men in buitenland heeft.

Bijstelling van het milieukeursysteem houdt inderdaad ook in dat naar de criteria gekeken wordt en naar de vaststellingsprocedure van de criteria. Het gaat er dan niet zo zeer om de criteria ter versoepelen maar om het aantal criteria te beperken tot de meest relevante. Dit betekent niet alleen een vereenvouding – dus een kortere doorlooptijd – van het tot standkomen van de criteria maar ook een beperking van de kosten voor het bedrijfsleven bij de aanvraag voor een milieukeur. Door concentratie op de meest relevante criteria kan de toekenningsprocedure worden vereenvoudigd.

62

In hoeverre zullen de voorgenomen maatregelen de groei van de doelgroepindicatoren voertuigkilometers en klimaatverandering omzetten in een daling? (blz. 100).

Volgens de recent in het kader van de Vervolgnota Klimaatverandering uitgevoerde actualisatie hebben de voorgenomen maatregelen de volgende effecten op de doelgroepindicatoren:

Voertuigkilometers (miljard)

 1986199019942010index (2010 t.o.v. 1986)index (2010 t.o.v 1990)
personenauto's71,080,087,499,1139124
bestelauto's5,47,710,515,1280196
vrachtauto's5,16,06,59,9194165
bussen0,60,60,60,7115117
alle wegverkeer84,897,4107,8128,5152132

CO2-emissie (Mton)

 1986199019942010index (2010 t.o.v. 1986)index (2010 t.o.v. 1990)
personenauto14,115,216,314,410295
bestelauto's1,52,12,72,8186133
vrachtauto's4,75,56,07,2153131
bussen0,50,60,50,6120100
alle wegverkeer21,423,725,925,7120108

In 2010 zal voor de doelgroepindicator klimaatverandering naar verwachting sprake zijn van een lichte daling ten opzichte van 1994.

63

Welke emissiereducties zouden gerealiseerd worden door het wegverkeer binnen de bebouwde kom aanzienlijk terug te brengen? (blz. 105).

Het aanzienlijk terugbrengen van het wegverkeer binnen de bebouwde kom zou zeker een evenredige reductie van de CO2-emissie tot gevolg kunnen hebben en een meer dan evenredige reductie van de emissies van CO, NOx, VOS en deeltjes.

Ruim 50% van de autoritten in Nederland gaat over afstanden onder de 7,5 km. In totaal wordt bij deze ritten zo'n 15% van de voertuigkilometers in Nederland afgelegd. Uit in het kader van het Masterplan Fiets uitgevoerd onderzoek onder automobilisten is gebleken dat 25% van deze ritten vervangbaar wordt geacht en daadwerkelijk vervangen zou worden wanneer daarop gerichte maatregelen zouden worden doorgevoerd.

Een reductie van de CO2-emissie door het totale wegverkeer in Nederland met enkele procenten zou zo met een voor individuele burgers matige inspanning haalbaar zijn. De emissiereductie van de overige stoffen zou – gegeven de zoveel hogere koude start-emissies – een factor twee of zelfs drie hoger kunnen zijn.

Een aanzienlijk hogere reductie (tot in totaal 50% van deze ritten) is volgens het genoemd onderzoek haalbaar wanneer daarop versterkt lokaal beleid zou worden ingezet. Dit is overigens volledig in lijn met de kabinetsvoorstellen in de nota Samen werken aan bereikbaarheid.

64

Zal het korte ritten project slechts bestaan uit voorlichting of zal er ook aandacht zijn voor beperking van parkeerruimte, verbetering van de fietsroutes en dergelijke? (blz. 105).

Op dit moment heeft concrete invulling van het korte rittenproject nog niet plaatsgevonden. De insteek is om dit project onder het RPD-programma Meervoudig en Intensief Ruimtegebruik te laten plaatsvinden. Een uit te werken projectvoorstel zal duidelijkheid verschaffen over de maatregelen in het kader van dit project.

Door een creatieve inrichting van ruimte in stedelijk gebied kan het mobiliteitsgedrag van mensen worden beïnvloed. Er zijn veel maatregelen op dit gebied te nemen waarmee korte autoritten worden tegengegaan en alternatieven zoals de fiets worden gestimuleerd.

65

Uit de Milieubalans '96 blijkt dat voor veel stoffen en emissies de dalende trend van de laatste jaren zich in het afgelopen jaar niet doorzet. Heeft de regering reeds geanalyseerd of dit het begin is van een trendbreuk ten nadele van milieuverbetering? (blz. 123 en verder).

De Milieubalans 1995 stelt dat in 1995 voor een aantal milieuterreinen de emissiereductie minder groot was dan in de jaren daarvoor.

Voor een tweetal onderwerpen (gebruik landbouw-bestrijdingsmiddelen, SO2-uitstoot door de industrie) is na een daling in de jaren tot en met 1994, in 1995 een (kleine) toename van de emissies geconstateerd. Het is nog niet met zekerheid vast te stellen of het gaat om structurele effecten, dan wel om een incidentele stagnatie. Zo zou bijvoorbeeld het gestegen gebruik van landbouwbestrijdingsmiddelen zijn oorzaak kunnen hebben in de warme zomer van 1995, waardoor de behoefte aan deze middelen tijdelijk hoger was. Derhalve acht ik het nog te vroeg om te spreken over herkoppeling. Alvorens te kunnen vaststellen of daadwerkelijke herkoppeling aan de orde is, zijn meerjarige reeksen nodig die een significante trendbreuk laten zien.

In het kader van het NMP 3 wordt bezien in hoeverre de doelstellingen worden gehaald. Daartoe worden in de Vierde Milieuverkenning (MV4) de ontwikkelingen in de milieudruk doorgerekend op basis van toekomstscenario's.

66

Hoe zijn bij de cijfers van de Milieubalans '96 de CO2-maatregelen meegewogen, die door bijvoorbeeld de elektriciteitsproducenten buiten de sector zijn ondernomen (bijv. bosbouw projecten)? (blz. 123 en verder).

Bosbouwprojecten die in Nederland plaatsvinden worden wel meegenomen maar bosbouwprojecten in het buitenland niet.

De CO2-uitstoot in de Milieubalans 96 is berekend op basis van de IPCC-methodiek die in het kader van het klimaatverdrag wordt toegepast. Deze methodiek kent de uitstoot toe aan die sector in dat land waar de uitstoot ook daadwerkelijk plaatsvindt. Maatregelen die de uitstoot van CO2 verminderen resulteren dus in een lagere uitstoot van de sector in het land waar de maatregel wordt getroffen. Bij bosbouwprojecten resulteert dit in een toename van de vastlegging van CO2 in de houtvoorraad in het land waar het bosbouwproject plaatsvindt. De vastlegging van CO2 in de houtvoorraad wordt als aparte categorie volgens de IPCC-methode door het RIVM in de Milieubalans 96 meegenomen.

Bij het nastreven van de 3% reductiedoelstelling van CO2 wordt door het kabinet de vastlegging van CO2 in de houtvoorraad in Nederland meegeteld.

67

Hoe is het mogelijk dat de cijfers van de Milieubalans '96 inzake CO2 zo tegenvallen? Hoe vindt de rapportage tussen RIVM en het ministerie van VROM plaats? Zou de monitoring van de ontwikkelingen geen intensivering behoeven? (blz. 123 en verder).

Zoals aangegeven in de brief «Eerste aanzet tot een CO2-reductieplan» aan de Voorzitter van de Tweede Kamer van 17 september 1996 wordt de tegenvallende ontwikkeling inzake de CO2-uitstoot veroorzaakt door een energie-intensivering van de economie, een iets hogere economische groei dan verwacht, een sterke toename van de sector verkeer en vervoer en een incidenteel hogere koleninzet bij de elektriciteitsproduktie.

De rapportage van het RIVM over de ontwikkeling van de CO2-emissies vindt plaats in het kader van de jaarlijkse Milieubalans. Definitieve cijfers zijn pas vlak voor het verschijnen van de Milieubalans bekend. De vaststelling van de basisgevens, zoals het brandstofgebruik (onder andere door het CBS), vergt aanzienlijke tijd omdat deze zijn gebaseerd op een veelvoud van statistieken.

Gestreefd wordt de gegevensverwerking zo goed mogelijk te laten verlopen. Door EZ en VROM wordt bezien hoe de samenwerking tussen RIVM en onder andere CBS, ECN, CPB en Novem op het gebied van de monitoring van economische ontwikkelingen, energie-intensiteiten, energiebesparingen en het effect van beleidsinstrumenten kan worden geïntensiveerd.

68

De uitstoot van CO2 van de elektriciteitsproduktiesector bedraagt volgens de Milieubalans '96 bijna 45%. De SEP geeft heel andere cijfers. Kan de regering een verklaring geven voor dit verschil en welke cijfers moeten als juist worden aangemerkt? (blz. 123 en verder).

Volgens de Milieubalans 96 van het RIVM is de uitstoot van de energiesector bijna 45 Mton CO2. Dit is 24% van de Nederlandse uitstoot. De energiesector in de Milieubalans 96 bestaat naast de centrale elektriciteitsproduktie ook uit andere onderdelen namelijk het decentrale warmte/kracht vermogen en de olie en gaswinning en transport en distributie. De lagere cijfers die de SEP presenteert hebben alleen betrekking op de centrale elektricteitsproduktie.

De uitstoot van CO2 van de centrale elektriciteitsproduktie baseert het RIVM op cijfers van de SEP. Het verschil tussen RIVM en SEP wordt verklaard uit het feit dat de SEP alleen de centrale elektriciteitsproduktie en het RIVM hiernaast ook andere onderdelen beschouwt. Beide cijfers kunnen als juist worden gekenmerkt.

69

Waarom zijn het VOS en SO2-protocol nog niet in werking getreden? (blz. 130).

Voor het VOS-protocol en het tweede SO2-protocol is de inwerkingtreding verbonden met de ratificatie door zestien landen. Voor beide protocollen is dat aantal nog niet bereikt. Het VOS-protocol, van 1991, is inmiddels door 14 landen geratificeerd. Voor Nederland is dat op 29 september 1993 gebeurd. Vier landen hebben inmiddels het tweede SO2-protocol, van juni 1994, geratificeerd, Nederland als eerste op 30 mei 1995.

Een aantal landen heeft aangekondigd nog dit jaar de ratificatieprocedure voor het VOS- en het tweede SO2-protocol te zullen afronden.

70

Waarom verloopt het terugdringen van de NOx emissies moeizaam? (blz. 131).

Volgens het Europese Milieuagentschap heeft de toename van de emissies in de sector wegverkeer de daling van de emissies uit andere bronnen teniet gedaan. Als reden voor de relatieve toename van het aandeel van het wegverkeer in de totale Europese emissie, wordt aangegeven de algemene groei in het gebruik van personenauto's en de groei van het wegtransport bij het goederenvervoer.

71

Welke maatregelen is de regering van plan te nemen om het gebruik van katoenen luiers te stimuleren? (blz. 161).

Uit onderzoek in opdracht van de Stichting Milieukeur, uitgevoerd door Haskoning in 1993, is gebleken dat het niet objectief is vast te stellen dat katoenen luiers minder milieubelastend zijn dan wegwerpluiers. Dit hangt samen met het zeer uiteenlopende patroon in milieu-effecten (aard en omvang) van beide luiersoorten. Er is derhalve vanuit milieuoogpunt geen reden om het gebruik van katoenen luiers op enigerlei wijze te stimuleren.

72

In het Milieuprogramma 1996 werd vermeld dat een indicator voor verdroging in ontwikkeling is. Waarom is deze indicator nog niet opgenomen in het Milieuprogramma 1997? (blz. 171).

Zoals in de Evaluatienota Water is vermeld zal de voortgang bij het bestrijden van verdroging worden aangegeven aan de hand van de kaart van verdroogde gebieden die in die nota is opgenomen. Deze kaart is gebaseerd op gegevens van de provincies en zal regelmatig worden geactualiseerd. In 1996 is een geactualiseerde kaart van verdroogde gebieden gemaakt die is opgenomen in de Milieubalans. Voor opname in het Milieuprogramma 1997 was deze kaart niet tijdig gereed. De kaart bevat nog inconsistenties die ondermeer voortkomen uit verschillen in werkwijze tussen de provincies bij het toekennen van de functie natuur en bij de aanpak van verdroging. De methode voor het bepalen van de voortgang is mede in verband hiermee nog niet geheel uitgewerkt. In overleg met en tussen provincies, wordt getracht de inconsistenties bij een volgende actualisatie te verminderen.

73

Hoe is de stand van zaken in het terugdringen van het areaal verdroogde bodem met 25 procent in 2000 ten opzichte van 1985? (blz. 171).

De RIVM milieubalans 1996 vermeldt dat sinds 1991 over een oppervlak van ca 172 km2 (3% van het totale oppervlak) antiverdrogings-projecten zijn uitgevoerd. Over een oppervlak van ca 617 km2 (10% van het areaal) zijn projecten in uitvoering. Voor 1230 km2 (20%) zijn projecten in onderzoek. Op basis van deze gegevens verwacht ik dat in het jaar 2000 het areaal verdroogd gebied met ca 15% zal zijn gereduceerd. Ik verwacht dat de 25% reductiedoelstelling enkele jaren later zal worden bereikt.

74

Wat gebeurt er in EU-verband op het gebied van verspilling? (blz. 174).

De uitwerking van het thema verspilling richt zich vooral op het nader vormgeven van een duurzaam voorraadbeheer, gericht op het lange-termijn-milieubeleid. Daartoe zijn de sleutelvoorraden energie, ruimte en biodiversiteit geïdentificeerd. Het verder uitwerken en operationaliseren van deze sleutelvoorraden in nationaal kader staat de komende jaren centraal. In EU-verband is het thema «verspilling» als zodanig niet aan de orde. De onderwerpen die hierboven zijn aangegeven hebben elk voor zich echter wel een plaats in het EU-beleid. Dit komt duidelijk naar voren in vijf van de zes milieuonderwerpen die Nederland tijdens zijn voorzitterschap in de eerste helft van 1997 bijzondere aandacht wil geven: klimaat/CO2, autodossier, afvalbeheersstrategie, biodiversiteitsstrategie en de verzuringsstrategie/grote stookinstallaties (zie Milieuprogramma p 46–47).


XNoot
1

Samenstelling: Leden: Lansink (CDA), Van Erp (VVD), Te Veldhuis (VVD), Van den Berg (SGP), Verspaget (PvdA), Soutendijk-van Appeldoorn (CDA), M. M. van der Burg (PvdA), Versnel-Schmitz (D66), voorzitter, Van Gijzel (PvdA), Verbugt (VVD), Aiking-van Wageningen (groep Nijpels), Poppe (SP), Gabor (CDA), Augusteijn-Esser (D66), Duivesteijn (PvdA), Giskes (D66), Stellingwerf (RPF), Crone (PvdA), M. B. Vos (GroenLinks), Dijksma (PvdA), Klein Molekamp (VVD), Hofstra (VVD), Assen (CDA) en Jeekel (D66), Th. A. M Meijer (CDA).

Plv. leden: Biesheuvel (CDA), Blauw (VVD), O. P. G. Vos (VVD), Van Middelkoop (GPV), Houda (PvdA), Bukman (CDA), Oudkerk (PvdA), Jorritsma-van Oosten (D66), Valk (PvdA), Van Blerck-Woerdman (VVD), Hendriks (HDRK), vacature CD, Leers (CDA), Reitsma (CDA), Huys (PvdA), De Graaf (D66), Leerkes (Unie 55+), Van Heemst (PvdA), Oedayraj Singh Varma (GroenLinks), Witteveen-Hevinga (PvdA), Keur (VVD), H. G. J. Kamp (VVD), Ten Hoopen (CDA) en Van 't Riet (D66), Van de Camp (CDA).

Naar boven