25 005
Milieuprogramma 1997–2000

nr. 3
BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSHUISVESTING, RUIMTELIJKE ORDENING EN MILIEUBEHEER

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 17 september 1996

Op het terrein van de bestrijding van luchtverontreiniging is in de afgelopen decennia grote voortgang geboekt. Als gevolg van emissiebeperkende maatregelen in binnen- en buitenland zijn de niveaus van luchtverontreiniging sterk gedaald. Toch zijn de problemen nog niet opgelost, de huidige niveaus van luchtverontreiniging leiden nog steeds tot het optreden van directe nadelige effecten bij mens en milieu. De meest in het oog springende luchtverontreinigingsproblemen van dit moment zijn de verzuringsproblematiek (die veroorzaakt wordt door emissies van stikstofoxiden, zwaveldioxide en ammoniak), de zomersmogproblematiek (veroorzaakt door fotochemische omzetting van stikstofoxiden en vluchtige organische koolwaterstoffen) en de problematiek van deeltjesvormige luchtverontreiniging.

Met name ten aanzien van de deeltjesvormige luchtverontreiniging is de afgelopen jaren veel wetenschappelijke informatie in binnen- en buitenland beschikbaar gekomen waaruit blijkt dat aan de huidige niveaus van luchtverontreiniging gezondheidseffecten gerelateerd zijn. Deze nieuwe informatie vormt de aanleiding tot het uitbrengen van een beleidsstandpunt over fijn stof (PM10; deeltjes kleiner dan 10 μm), hetgeen ik u hierbij doe toekomen.1

De effecten op de volksgezondheid, waarvan uit epidemiologische studies blijkt dat deze gerelateerd zijn aan de fijnstofconcentraties in de buitenlucht, zijn als zeer omvangrijk te kenschetsen. Dit wordt veroorzaakt door het grote aantal mensen dat aan deze vorm van luchtverontreiniging blootgesteld is. Het terugdringen van de fijnstofconcentraties verdient dan ook grote prioriteit. Uit een analyse van de fijnstofproblematiek blijkt dat deze in belangrijke mate een grensoverschrijdend karakter heeft, waarbij de emissies in Nederland daarbovenop tot verdere verhoging van de concentraties leiden. Zo zijn de concentraties in brongebieden zoals steden dan ook in beperkte mate verhoogd ten opzichte van de omgeving.

Dit betekent dat de sleutel tot het verminderen van de effecten op de volksgezondheid voor zover het zich nu laat aanzien ligt in het op europese schaal terugdringen van relevante emissies. Ten aanzien van de vraag welke deeltjes in het fijne stof in welke mate verantwoordelijk zijn voor de gezondheidseffecten, en wat daarvan de belangrijkste bronnen van herkomst zijn, bestaan echter nog belangrijke onzekerheden. De bestaande hiaten in kennis zullen middels een gericht onderzoekprogramma zo veel mogelijk ingevuld worden. Indien uit het thans lopende onderzoek blijkt dat bepaalde typen deeltjes binnen het fijne stof belangrijker zijn voor de effecten dan andere, kan het zo zijn dat specifieke aanvullende maatregelen op nationaal niveau effectief zullen zijn voor het verminderen van de problematiek.

Het nationale bestrijdingsbeleid ten aanzien van emissies van voor de fijnstofproblematiek relevante componenten (verzurende componenten, deeltjes) kan in de europese context bezien als scherp beoordeeld worden. Naast een gedegen uitvoering en handhaving van dit bestaande bestrijdingsbeleid zal in de komende jaren dan ook veel aandacht besteed worden aan het bereiken van vergelijkbare niveaus van bestrijding in andere europese landen. Dit doel wordt met name nagestreefd bij de thans in voorbereiding zijnde europese luchtkwaliteitsrichtlijn voor fijn stof, specifieke europese richtlijnen voor emissies van het wegverkeer en de industrie, alsmede de verdere ontwikkeling van protocollen in het kader van het UN-ECE verdrag betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand.

Het verder terugdringen van de fijnstofconcentraties in Nederland zal nog vele jaren in beslag nemen. Dit betekent dat een belangrijk deel van de geconstateerde effecten op de volksgezondheid voorlopig helaas niet te vermijden zal zijn. Op basis van voorlichting over de actuele fijnstofconcentraties aan risicogroepen kan naar verwachting middels gerichte gedragsaanpassingen een deel van de effecten verminderd of voorkomen worden. Hiertoe zal de bestaande voorlichting over gezondheidseffecten van luchtverontreiniging (smogvoorlichting) via teletekst en de smogbrochure aangepast worden. Daarnaast zullen de resultaten van het thans lopende onderzoek inzicht moeten verschaffen in de vraag in hoeverre met het treffen van tijdelijke emissiebeperkende maatregelen tijdens perioden van verhoogde niveaus van luchtverontreiniging (wintersmog) een belangrijke vermindering van de gezondheidseffecten bereikt zal kunnen worden. Definitieve besluitvorming over de wenselijkheid van het treffen van dergelijke tijdelijke emissiebeperkende maatregelen tijdens wintersmogepisoden zal plaatsvinden nadat de hiervoor benodigde onderzoeksresultaten beschikbaar zijn. Naar verwachting zal dit medio 1997 het geval zijn.

Het is dan ook mijn voornemen om eind 1997/begin 1998 een definitief beleidsstandpunt over fijn stof/wintersmog uit te brengen. Hierin zal dan naast besluitvorming over vorm en inhoud van de wintersmogregeling – mede op basis van de dan beschikbare ontwerp EU-luchtkwaliteitsrichtlijn over fijn stof – een keuze gedaan worden voor herziene grenswaarden voor fijn stof, welke wettelijk vastgelegd zullen gaan worden. Voor zover de benodigde informatie tijdig beschikbaar is zal de nadere beleidsformulering voor fijn stof meelopen in het traject gericht op het uitbrengen van het derde Nationaal Milieubeleidsplan.

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

M. de Boer


XNoot
1

Ter inzage gelegd bij de afdeling Parlementaire Documentatie.

Naar boven