nr. 32
BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Rijswijk, 18 maart 1997
Tijdens het overleg over het Jaaroverzicht Zorg op 18 november 1996 heeft
de Kamer bij motie verzocht om voor 1 maart 1997 mijn plannen omtrent de programmatische
griepvaccinatie voor 1997 en volgende jaren kenbaar te maken. Graag breng
ik u daarvan op de hoogte.
Bij brief van 10 oktober 1996 heb ik u inzicht verschaft in de achtergronden
van de programmatische griepvaccinatie. Als hoofdlijnen heb ik genoemd de
centrale rol van de huisarts, de uitbreiding van de doelgroep met 65-plussers,
de onderbrenging in een subsidieregeling in het kader van de AWBZ en de noodzaak
tot een verbetering van de doelmatigheid in de organisatie. Dit laatste moet
ertoe leiden dat de campagne voor 1997 bij een vaccinatiegraad van 75% maximaal
46 mln kost. In voorgaande jaren bedroeg het beschikbare budget bij een lagere
vaccinatiegraad 61 mln. Tenslotte heb ik aangegeven voorstander te zijn van
een uniform tarief voor ziekenfonds- en particuliere patiënten.
Bij de campagne 96/97 is nog uitgegaan van, zoals gesteld, een maximaal
besteedbaar budget van 61 mln. Voorts is vastgehouden aan de rol die zowel
huisartsen als apothekers in voorgaande jaren bij de griepvaccinatie hebben
gespeeld.
Uit de gevoerde campagne is gebleken dat via de huisarts een goed bereik
kan worden verzekerd. De vaccinatiegraad bedraagt gemiddeld over de diverse
doelgroepen 63%. De Ziekenfondsraad heeft gemeld in de aanloopfase enige startproblemen
van technische en logistieke aard te hebben ondervonden. Het vaccin was in
voldoende mate voorradig.
Bij de campagne 96/97 is een eenheidstarief voor ziekenfonds- en particuliere
patiënten gehanteerd.
In de afgelopen maanden is vanuit mijn ministerie regelmatig op verschillende
niveaus met betrokken partijen overleg gevoerd over de aanpak van de griepvaccinatie
voor de komende jaren. Bij deze besprekingen stond het streven
naar een hoge zorginhoudelijke kwaliteit en een grotere doelmatigheid voorop.
Omdat ik heb vastgesteld dat de meningen over de manier waarop deze doelen
kunnen worden bereikt tussen partijen uiteenlopen, hecht ik eraan mijn voorkeur
uit te spreken.
Gezien de aard van de programmatische griepvaccinatie ben ik van mening
dat de uitvoering daarvan goed binnen een zogenaamd nationaal programma ter
hand kan worden genomen. Onder een nationaal programma versta ik een «public
health» georiënteerde aanpak waarbij grootschalig een specifieke
doelgroep met een gestandaardiseerde interventie of geneesmiddel wordt benaderd.
In het kader van het Rijksvaccinatieprogramma wordt een dergelijke aanpak
voor de actieve immunisatie van zuigelingen gehanteerd.
Omdat op advies van de Gezondheidsraad de doelgroep is uitgebreid met
65-plussers is een grootschalige aanpak geboden. Dit verhoudt zich goed met
de beginselen van een nationaal programma. Selectie kan betrekkelijk eenvoudig
op grond van leeftijd geschieden. Voor de overige doelgroepen geldt evenwel
een noodzakelijke selectie op grond van de medische historie. Dit kan het
best door de huisarts geschieden. In aanvulling op mijn streven om de positie
van de huisarts als poortwachter binnen de gezondheidszorg te verstevigen,
pleit dit ervoor om de regiefunctie voor het nationaal programma juist bij
deze beroepsbeoefenaar neer te leggen.
Een nationaal programma heeft een structureel en duurzaam karakter. Dat
betekent dat onvolkomenheden een lange nawerking zullen vertonen. Daarom heb
ik besloten om de implicaties van de onderbrenging van de griepvaccinatie
in een dergelijk programma zorgvuldig te verkennen. Met name gaat het daarbij
om noodzakelijke aanpassingen in de wet- en regelgeving en technisch-logistieke
implicaties.
Tevens moet voldoende helder zijn dat het financiële kader niet wordt
overschreden en dat het nog dit jaar kan worden ingevoerd. Ik neem mij voor
om het onderzoek naar de haalbaarheid en uitvoerbaarheid van een nationaal
programma voor 1 mei a.s. af te ronden.
Mijn voorkeur voor een nationaal programma neemt niet weg dat ik open
sta voor initiatieven vanuit het veld. Indien deze voldoende gedragen worden,
zorginhoudelijk verantwoord zijn en passen binnen het gestelde kader van 46
mln (bij een vaccinatiegraad van 75% en inclusief eventuele invoeringskosten)
zal ik deze serieus in overweging nemen. Om invoering met ingang van de campagne
97/98 te kunnen verwezenlijken zal een door partijen ontwikkeld voorstel voor
1 mei a.s. beschikbaar moeten zijn.
Voor het geval dat per 1 mei a.s. blijkt dat het onderbrengen van de programmatische
griepvaccinatie in een nationaal programma voor dit jaar niet haalbaar is
en tevens blijkt dat partijen er niet in slagen om met een voorstel binnen
de gestelde randvoorwaarden te komen, zal ik het Centraal Orgaan Tarieven
Gezondheidszorg verzoeken om voor de campagne 1997–1998 een onderbouwde
tariefstructuur voor huisartsen en apothekers voor te bereiden.
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
E. Borst-Eilers