nr. 52
BRIEF VAN DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
's-Gravenhage, 15 september 1997
Hierbij heb ik het genoegen u het onderzoeksrapport «Toetredingsdrempels
voor benzineservicestations» te doen toekomen1.
Dit rapport is het eindverslag van het onderzoek, dat ik door het bureau EIM
heb laten verrichten naar belemmeringen voor potentiële nieuwkomers in
de motorbrandstoffenhandel.
Aanleiding voor dit onderzoek was de uitkomst van het internationaal vergelijkende
onderzoek van Coopers & Lybrand naar de prijsopbouw van Euro 95 en Diesel
in Nederland, België, Frankrijk en Groot-Brittannië van november
1996. In dit onderzoek kwamen twee opvallende verschillen tussen de Nederlandse
motorbrandstoffenbranche en deze sector in de ons omringende landen naar voren.
Op de eerste plaats wordt in Nederland een opmerkelijk hoge distributiemarge
op de verkoop van deze motorbrandstoffen behaald. Daarnaast is een verhoudingsgewijs
groot aandeel in het aanbod van motorbrandstoffen in handen van de vier grootste
marktpartijen met daarbij een opvallend groot aandeel van de marktleider.
Deze uitkomsten hebben mij aanleiding gegeven nader onderzoek naar de
motorbrandstoffenmarkt te verrichten. Dit betreft het onderhavige onderzoek
naar toetredingsdrempels en een mededingingsonderzoek, inzake het vóórkomen
van mededingingsbeperkingen. Beide onderzoeken heb ik bij u aangekondigd in
mijn brief van 21 maart jongstleden (25 000 XIII, nr. 42).
Uit het onderzoek naar de toetredingsdrempels komt naar voren, dat de
mogelijkheden voor de nieuwkomers op de motorbrandstoffenmarkt beperkt zijn.
Hierbij is op de eerste plaats te wijzen op het geringe aantal locaties dat
vrijgegeven wordt voor de vestiging van benzinestations. Gemeenten houden
sterk vast aan de in bestemmingsplannen vastgelegde en merendeels al bezette
locaties voor benzinestations. Nieuwkomers kunnen alleen een nieuw benzinestation
starten, indien er nieuwe locaties bijkomen. Voor toewijzing van deze nieuwe
locaties moeten zij dan vaak opbieden tegen de grote, financieel
sterke oliemaatschappijen. Toetreding vanuit branchevreemde kanalen, zoals
de detailhandel, kent eveneens hoge drempels. Dit hangt samen met het vestigingsbeleid
van de overheid (het beleid ten aanzien van grootschalige en perifere detailhandelsvestiging).
Vestiging van benzinestations bij bijvoorbeeld een meubelzaak of een doe-het-zelf
winkel is daardoor vaak onmogelijk.
Ook voor de snelwegstations is een dergelijk beeld te schetsen. De meeste
bestaande locaties zijn daar in handen van de grote oliemaatschappijen en
nieuwe locaties worden slechts beperkt vrijgegeven. Naar de mogelijkheden
om langs het rijkswegennet via een veilingsysteem tot ruimere toetredingsmogelijkheden
te komen wordt, naar aanleiding van een motie daartoe van de heer Hofstra,
thans in opdracht van het Ministerie van Financiën onderzoek verricht.
Een ander cluster van toetredingsbelemmeringen is volgens het rapport
gelegen in de relatief hoge investeringskosten die met de realisatie van een
benzinestation gepaard gaan. Deze kosten zijn in de loop van de jaren, door
met name de milieu-eisen en het toenemend belang van shops en een carwash
bij benzinestations, alleen maar toegenomen. Ook moeten toetreders steeds
vaker aan de gemeente een hoge entrance fee betalen om een benzinestation
te mogen starten. Voor de kapitaalkrachtige oliemaatschappijen vormen deze
investeringskosten geen grote drempel. Voor startende nieuwkomers wel.
Een belangrijke toetredingsbelemmering is verder de sterke positie van
de oliemaatschappijen. Hierbij noemt het rapport onder meer de gehanteerde
loyaliteitssystemen, de beperkte financieringsmogelijkheden van nieuwe stations
buiten de oliemaatschappijen om en de compensatie- en beloningsregelingen
van oliemaatschappijen, zoals het margebijdrage systeem. Dit laatste systeem
zorgt er voor, dat het zeer moeilijk is voor nieuwkomers om als prijsvechter
een positie op de benzinemarkt te veroveren. Pomphouders worden gesteund door
«hun» oliemaatschappij, indien zij hun prijzen wensen te verlagen
vanwege een door een lokale concurrent doorgevoerde prijsdaling (prijsoorlog).
De pomphouder die op deze wijze wordt gesteund door een kapitaalkrachtige
oliemaatschappij zal dit in de regel langer vol kunnen houden dan de nieuwkomer
die marktaandeel wil veroveren.
Om de toetreding tot de benzinemarkt beter mogelijk te maken komt het
EIM met een vijftal oplossingsmogelijkheden:
– Vergroting van het aantal locaties voor benzinestations, waaronder
mogelijkheden voor kleine, automatische stations.
– Gelijke kansen bij uitgifte nieuwe locaties.
– Verruiming van de mogelijkheden voor toetreding van bedrijven
uit branchevreemde kanalen.
– Toezicht op het marktgedrag van oliemaatschappijen.
– Verruimen van de financieringsmogelijkheden voor startende ondernemers.
Zonder thans al een standpunt ten aanzien van deze oplossingsrichtingen
te willen innemen zal ik over deze kwestie in overleg treden met mijn collega's
van Verkeer & Waterstaat, Financiën en Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer om te bezien welke wegen open staan om tot ruimere
toetredingsmogelijkheden te komen en aldus de marktwerking in de benzinebranche
te bevorderen.
Ten behoeve van het mededingingsonderzoek is de eerste fase van gegevensverzameling
bij de oliemaatschappijen afgerond. De oordeelsvorming ten aanzien van mogelijke
beperking van de mededinging vergt een gedegen inzicht in de marktstructuur,
de marktverhoudingen en de gedragingen van de betrokken marktpartijen. Daarvoor
is nog nader onderzoek nodig. Zodra dit onderzoek is afgerond zal ik u op
de hoogte stellen van de uitkomsten.
De Minister van Economische Zaken,
G. J. Wijers