25 000 XIII
Vaststelling van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van het Ministerie van Economische Zaken (XIII) voor het jaar 1997

nr. 51
BRIEF VAN DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 22 augustus 1997

Bij mijn beantwoording van de op 31 mei 1996 door de leden Woltjer en Van der Ploeg gestelde vragen over de verhoging van de meelprijs1heb ik een onderzoek toegezegd naar het overleg tussen de meelfabri- kanten en naar de feitelijke uitwerking van het advies van de Nederlandse Bakkerij Stichting met betrekking tot de verhoging van de broodprijs.

Dit onderzoek is onlangs afgerond. Door middel van deze brief stel ik u van de resultaten daarvan op de hoogte.

1. De meeste van de in ons land gevestigde meelfabrieken zijn verenigd in de Nederlandse Vereniging van Meelfabrikanten. Doel van die vereniging is het behartigen van de gemeenschappelijke belangen van de Nederlandse meelindustrie. Uit het onderzoek is gebleken dat tijdens de vergaderingen der vereniging regelmatig de actuele marktsituatie wordt besproken, waaronder de actuele graanprijzen (binnen de EU en op de wereldmarkt).

Reeds eerder heb ik kunnen vaststellen dat de graanprijzen in het eerste kwartaal van 1996 aanmerkelijk zijn gestegen. Dat dergelijke prijsverhogingen door de meelfabrikanten al dan niet geheel worden doorberekend aan de afnemende bakkerijen, lijkt mij niet meer dan evident.

Uit het thans afgeronde onderzoek is niet gebleken dat binnen de Nederlandse Vereniging van Meelfabrikanten of door de verschillende fabrikanten buiten het kader van die vereniging met betrekking tot de verhogingen van de graanprijzen besprekingen zijn gevoerd, naar aanleiding waarvan al dan niet bindende afspraken zijn gemaakt over de mate waarin dergelijke (collectieve) prijsverhogingen aan de bakkerijen berekend zouden moeten worden.

2. Naar aanleiding van de door de meelfabrikanten aan de bakkerijen doorberekende prijsverhogingen heeft de toenmalige Nederlandse Bakkerij Stichting (NBS) door middel van een persbericht geadviseerd om onder andere de meelprijsverhoging voor de bakkerijen door te berekenen in de consumentenbroodprijs. Niet is vermeld met welke bedragen of percentages de broodprijzen zouden moeten worden verhoogd. Een dergelijke ongespecificeerde en vrijblijvende aanbeveling belet betrokkenen niet de door hen berekende consumentenprijzen zelfstandig vast te stellen.

Om de feitelijke ontwikkeling van de consumentenbroodprijs te kunnen bezien, is gebruik gemaakt van door het Nederlands Bakkerij Centrum te Wageningen overgelegde cijfers, welke zijn gebaseerd op gegevens uit door GFK Foodscan te Dongen uitgevoerd onderzoek bij 4400 huishoudens. Daaruit blijkt dat de gemiddelde door die huishoudens betaalde broodprijs in het derde kwartaal van 1996 f 0,03 hoger was dan in het tweede kwartaal van dat jaar. Uitgesplitst naar de diverse soorten brood en de verschillende brood verkopende bedrijven variëren de doorgevoerde prijsverhogingen van nihil tot f 0,05.

De suggestie dat de verhoging van de consumentenprijs van brood een rechtstreekse uitwerking zou zijn van het advies van de NBS, valt niet met de uit het onderzoek verkregen informatie te staven. Integendeel, veeleer lijkt er daadwerkelijk sprake van een autonoom bedrijfseconomische afweging bij de individuele bakker waarbij het advies van de NBS louter een signaalfunctie heeft gehad.

3. Van afspraken of overleg met betrekking tot broodprijsverhogingen tussen meelfabrikanten en de NBS, zoals in enkele persberichten is gesuggereerd, is mij overigens niets gebleken.

4. Zoals ik bij de beantwoording van eerdergenoemde Kamervragen reeds meedeelde zijn afspraken omtrent het in rekening brengen van prijzen thans op grond van het Besluit Horizontale Prijsbinding in beginsel verboden. Dit geldt tevens voor onderling afgestemd feitelijk gedrag met betrekking tot prijzen. Ongespecificeerde en vrijblijvende adviezen, zoals het advies van de NBS, om de prijzen te verhogen beperken de mededinging niet en zijn dus niet verboden.

5. Afspraken en onderling afgestemde feitelijke gedragingen omtrent het in rekening brengen van prijzen zullen ook in de toekomst – na inwerkingtreding van de Mededingingswet – niet zijn toegestaan. Zij vallen dan onder het algemeen verbod van mededingingsafspraken (artikel 6 Mededingingswet). Ongespecificeerde, vrijblijvende adviezen om de prijzen te verhogen, waarvan in onderhavig geval sprake is, beperken de mededinging niet en zullen in het algemeen ook straks niet getroffen worden door het verbod op mededingingsafspraken op grond van de Mededingingswet.

Gelet op bovenstaande geven de resultaten van het ingestelde onderzoek mij geen aanleiding voor verdere stappen.

De Minister van Economische Zaken,

G. J. Wijers


XNoot
1

Zie Aanhangsel Handelingen nr. 1357, vergaderjaar 1995–1996.

Naar boven