25 000 XIII
Vaststelling van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van het Ministerie van Economische Zaken (XIII) voor het jaar 1997

nr. 48
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ECONOMISCHE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 27 juni 1997

Bijgaand doe ik u ter informatie toekomen het verslag van de Nederlandse delegatie naar de vergadering van de 22e Zitting Raad en de 20e Zitting Comités van de Internationale Tropisch Hout Organisatie, Santa Cruz de la Sierra (Bolivia), 21–29 mei 1997.

De Staatssecretaris van Economische Zaken,

A. van Dok-van Weele

INTERDEPARTEMENTALE RAAD VOOR DE HANDELSPOLITIEK IRHP 97–55(C)

Verslag van de Nederlandse Delegatie naar de 22e Zitting van de Raad en de 20e Zitting van de Comités van de Internationale Tropisch Hout Organisatie (ITHO), Santa Cruz de la Sierra (Bolivia), 21 – 29 mei 1997

0. Inleiding

De Raad komt iedere zes maanden bijeen om zich te buigen over een reeks van onderwerpen die verband houden met de internationale handel in tropisch hout en het beheer van tropische bossen. Het betrof ditmaal de eerste zitting sinds de voorlopige inwerkingtreding van de Internationale overeenkomst inzake tropisch hout, 1994 (ITTA, 1994), d.d. 1 januari 1997. Tevens vond deze zitting plaats tijdens het Nederlandse voorzitterschap van de EU.

De volgende onderwerpen hadden de bijzondere aandacht:

– ITTA, 1994;

– Jaar-2000-Doelstelling;

– Markttoegang;

– VN/CSD/IPF.

Deze onderwerpen worden hieronder in volgorde van vermelding nader toegelicht.

Er is een bevredigend begin gemaakt met de door consumentenlanden belangrijk geachte operationalisering van de ITTA, 1994, en het stellen van prioriteiten voor de organisatie onder het nieuwe verdrag. Het betreft onder meer het stroomlijnen van de organisatie en het functioneren van Raad en Comités en het operationaliseren van het Bali-Partnerschapsfonds.

Besluitvorming omtrent de problematiek van de benodigde middelen ter realisering van de Jaar-2000-Doelstelling is tot de volgende zitting uitgesteld. Naar het oordeel van de producentenlanden werden in het uitgewerkte concept-besluit ter zake verplichtingen eenzijdig aan producentenlanden opgelegd en was geen verwijzing opgenomen naar morele verplichtingen van consumentenlanden, zoals vrijwillige financiering in het kader van het Bali-Partnerschapsfonds.

Het onderwerp markttoegang houdt de gemoederen van de Raad al enkele zittingen bezig. Maleisië heeft markttoegang verklaard tot het centrale aandachtspunt van dat land onder de ITTA, 1994. In een uitvoerige verklaring wees het onder meer op voortdurende problemen met overheden op verschillende niveaus in diverse Europese landen (met name Nederland en Duitsland) en deed het een oproep aan centrale overheden om toe te zien op de naleving van internationale verplichtingen, zoals bijvoorbeeld in WTO-kader, door lagere overheden. Het kwalificeerde de houding van consumentenlanden in CITES-kader en in verband met vermeende prijsdiscriminatie ten opzichte van tropisch hout als «eco-kolonialisme».

Naar de mening van Maleisië en andere producentenlanden dienen de consumentenlanden verantwoording af te leggen voor hun acties op het gebied van markttoegang en financieel te participeren in het Bali-Partnerschapsfonds teneinde de producentenlanden beter in staat te stellen de Jaar-2000-Doelstelling te verwezenlijken. De consumentenlanden gaven aan bereid te zijn de volgende zitting verder te praten over markttoegang. Diverse donorlanden gaven informeel aan te zullen streven naar een duidelijke positie tijdens de volgende zitting omtrent de eventuele beschikbaarstelling van financiële middelen voor het Bali-fonds.

Op initiatief van de EU besloot de Raad tijdens de volgende zitting nadere actie te overwegen inzake de implementatie van die voorstellen voor actie in het rapport van het door het VN Comité voor Duurzame Ontwikkeling (CSD) ingestelde Open-Ended Inter-Governmental Panel on Forests (IPF) die relevant zijn voor het werk van de organisatie, zulks in het licht van de uitkomsten van de SAVVN in juni 1997.

Veel aandacht moest worden besteed aan het bepalen van de rechten en verplichtingen (bijvoorbeeld ten aanzien van contributie, stemrecht, projectfinanciering) van de landen die nog geen partij bij de ITTA, 1994, zijn, met name door de bijzondere situatie van Brazilië (wel betaald maar niet geratificeerd).

De in gang gezette lijn van meer en betere samenwerking tussen producenten- en consumentenlanden en vergrote participatie in en transparantie van het vergaderproces werd deze zitting voortgezet. De opgedane ervaring heeft de consumentenlanden gesterkt in de opvatting dat het nuttig is om geleidelijk toe te werken naar een situatie waarin de tweedeling tussen consumenten- en producentenlanden steeds minder relevant wordt.

De openingszitting van de Raad werd luister bijgezet door een toespraak van de President van Bolivia, Dr. Sanchez de Lozada. Voorzitter van de Raad was de heer W. Loeis, ambassadeur van de Republiek Indonesië te Japan.

1. Besluiten

De Raad nam de volgende besluiten:1

– Decision 1(XXII) Projects and Pre-Projects (zie bijlage 1);

– Decision 2(XXII) Establishment of Conditions for Accession to the International Tropical Timber Agreement, 1994 (zie bijlage 2);

– Decision 3(XXII) Organization of Work under the ITTA, 1994, Part I, Informal Advisory Group (IAG) (zie bijlage 3);

– Decision 4(XXII) Organization of Work under the ITTA, 1994, Part II, Role of Committees and Streamlining of Committees' Work (zie bijlage 4);

– Decision 5(XXII) Organization of Work under the ITTA, 1994, Part III, Duration of Council Sessions (zie bijlage 5);

– Decision 6(XXII) Intergovernmental Panel of Forests (zie bijlage 6);

– Decision 7(XXII) Expert Panel for the Technical Appraisal of Pre-Project and Project Proposals (zie bijlage 7);

– Decision 8(XXII) Revision of Project related Guidelines and Manuals (zie bijlage 8);

– Decision 9(XXII) Dates for the Twenty-Third and Twenty-Fourth Sessions of the Council (zie bijlage 9);

– Decision 10(XXII) Intellectual Property Rights (zie bijlage 10).

2. Internationale Overeenkomst inzake Tropisch Hout, 1994 (ITTA, 1994)

2.1 Inleiding

De Raad beraadslaagde over een aantal aangelegenheden met betrekking tot de operationalisering van de ITTA, 1994, die 1 januari 1997 voorlopig in werking is getreden.

Dit verdrag maakt het in eerste instantie mogelijk om de activiteiten voort te zetten die onder het verdrag uit 1983 tot stand zijn gekomen. De winst van het nieuwe verdrag ten opzichte van het oude verdrag bestaat met name uit het vastleggen van de Jaar-2000-Doelstelling als inspanningsverplichting, de instelling van het vrijwillige Bali-Partnerschapsfonds en het opnemen van een clausule met de strekking dat de verdragsbepalingen geen titel verlenen tot het nemen van handelsbeperkende maatregelen. Tot slot is het gedachtegoed van de VN-conferentie inzake milieu en ontwikkeling (Rio de Janeiro, juni 1992) in het verdrag verwerkt.

2.2 Organisatie van werkzaamheden

De consumentenlanden hechten bijzonder belang aan dit onderwerp in hun streven naar verbetering van de efficiency en effectiviteit van de organisatie en naar vergroting van de aandacht van de organisatie voor het realiseren van de doelstellingen van de ITTA, 1994, met name de Jaar-2000-Doelstelling.

Er is een bevredigend begin gemaakt met de organisatie van werkzaamheden onder de ITTA, 1994. Niettemin hadden de consumentenlanden meer willen bereiken en hebben zij tegenover de producentenlanden aangegeven dat het proces van aanpassing van de organisatie onder het nieuwe verdrag hun inziens moet worden beschouwd als een voortgaand proces en dat tijdens volgende Raadszittingen verdere discussie en besluitvorming zal dienen plaats te vinden.

2.2.1 Informele Adviesgroep

De Raad besloot tot de instelling van een Informele Adviesgroep (Besluit 3(XXII)) samengesteld uit de voorzitter en vice-voorzitter van de Raad, de voorzitters van de vier Comités, de woordvoerders van de groepen van producenten- en consumentenlanden, een vertegenwoordiger van het gastland van de organisatie (Japan) en de Uitvoerend Directeur (UD) van de organisatie.

Doel van de groep is het versterken van de leiding- en richtinggevende rol van de Raad via adviesverlening aan de Raad inzake de strategische prioriteiten en beleidsopties van de organisatie in de context van de doelstellingen van de ITTA, 1994. In concreto zal de groep zich onder meer buigen over prioriteiten in verband met het beleid van de organisatie inzake public relations en publieke educatie en de Raad adviseren over de prioriteiten inzake coördinatie en samenwerking met relevante internationale instellingen en organisaties alsook over de management- en stafbehoefte van de organisatie in het licht van de door de Raad te stellen prioriteiten. De consumentenlanden hopen dat de groep tevens instrumenteel kan zijn bij het realiseren van meer efficiënte Raadszittingen, onder andere door aan te sturen op een duidelijker agenda en een strakker vergaderschema.

De inzet van consumentenlanden om NGO's (handel en milieubeweging) te laten participeren in de groep en om zo nodig met behulp van een management consultant de management- en stafbehoefte van de organisatie in beeld te brengen, werd door de producentenlanden resoluut zij het zonder motivatie afgewezen. Consumentenlanden hechten sterk aan bevordering van de effectieve participatie van NGO's in de organisatie. Voorts zijn deze landen van mening dat de inwerkingtreding van de ITTA, 1994, de gelegenheid biedt en een noodzaak inhoudt voor een gedegen renovatie van de organisatie met inbegrip van het Secretariaat.

De Adviesgroep is voorlopig ingesteld voor een periode van twee jaar en zal de volgende Raadszitting voor de eerste keer bijeenkomen. Tijdens de voorjaarszitting in 1999 zal de Raad beslissen over voortbestaan alsmede rol, werkwijze en samenstelling van de groep.

2.2.2 Comités

Voorts besloot de Raad (Besluit 4(XXII)) in lijn met de verplichtingen van de ITTA, 1994, dat de Comités door het stroomlijnen van hun werkwijze en het herstructureren van hun agenda's voortaan op meer evenwichtige wijze aandacht dienen te besteden aan projectenwerk en beleidsaangelegenheden voortvloeiend uit het projectenwerk en beleidsonderwerpen dienen te identificeren en aan de Raad voor te leggen.

Bij wijze van experiment is een informele werkgroep ingesteld, bestaande uit zes experts afkomstig uit ledenlanden, die gedurende drie dagen voorafgaand aan de volgende zitting ter ondersteuning van de Comités rapportages ter zake van voortgaande en afgeronde (pre-) projecten zal evalueren. Bedoeling van de groep is de werklast van de Comités te verminderen waardoor laatstgenoemden korter, inhoudelijker en beter kunnen vergaderen. Tijdens de volgende zitting zal de Raad de ervaring met de groep evalueren en zich buigen over verdere maatregelen ter versterking en stroomlijning van het werk van de Comités.

Hieraan gerelateerd besloot de Raad tot verdere versterking van de projectcyclus. De Raad stelde een werkprogramma voor de herziening van de richtlijnen en handboeken in verband met projecten met hulp van consultants (Besluit 8(XXII)) en een aangepast mandaat voor het Expert Panel voor de technische beoordeling van (pré-)projectvoorstellen (Besluit 7(XXII)) vast. Selectie van panel-leden zal door de ledenlanden blijven geschieden. De consultants zullen tijdens de najaarszitting in 1997 een informele presentatie geven van hun vorderingen tot dat moment. Vervolgens zullen de herziene richtlijnen en handboeken medio januari 1998 worden toegestuurd aan de ledenlanden ter voorbereiding van behandeling door de Raad tijdens de voorjaarszitting in dat jaar.

2.2.3 Duur van Raadszittingen

Tot slot heeft de Raad in het kader van de stroomlijning van de werkzaamheden van de Raad en Comités alsmede in navolging van andere grondstoffenorganisaties besloten met ingang van de eerstvolgende zitting de zittingsduur te verkorten en deze vastgesteld op zes dagen, van maandag tot en met zaterdag (Besluit 5(XXII)). Met name zijdens de consumentenlanden was op deze verkorting van de vergadertijd aangedrongen. De praktijk van twee zittingen per jaar blijft gehandhaafd. Op verzoek van de Raad zal de UD de ledenlanden voortaan twee weken voor aanvang van de zitting een concept-vergaderschema toesturen. De Raad zal de nieuwe praktijk tijdens zijn voorjaarszitting in 1999 evalueren.

2.3 Herziening van basisdocumenten

De Raad slaagde er niet in besluitvorming af te ronden over aanpassing van de volgende voorschriften in het licht van de inwerkingtreding van de ITTA, 1994:

– Financial Rules and Rules relating to Projects, met als belangrijk punt de operationalisering van het Bali-Partnerschapsfonds;

– Rules of Procedure;

– Staff Regulations and Rules;

– Headquarters Agreement between the Government of Japan and ITTO.

Belangrijkste reden hiervoor was de Chinese delegatie die persisteerde in de (bijzonder kostbare) uitbreiding van de werktalen met Chinees, ondanks verzet hiertegen van het verdere lidmaatschap van de organisatie. Een en ander is doorverwezen naar de volgende zitting.

2.4 Toetreding

Conform eerdere praktijk onder de ITTA, 1983, besloot de Raad dat de ITTA, 1994, open staat voor toetreding door staten die bereid zijn het geheel aan verdragsverplichtingen te accepteren en dat de tijdslimiet voor de neerlegging van aktes van toetreding wordt gesteld op de einddatum van het verdrag (Besluit 2(XXII)).

3. Jaar-2000-Doelstelling

Aan de Raad lag voor het rapport van het «Panel of Experts to Recommend an Approach and Methodology for Estimating Resources Needed and Costs Incurred to Achieve the Year 2000 Objective» dat van 17 – 21 maart 1997 te Yokohama (Japan) was bijeengekomen.

Eerste taak van het panel was het beoordelen van de nauwkeurigheid en volledigheid van schattingen van producentenlanden van de benodigde middelen en te maken kosten i.v.m. het bereiken van de Jaar-2000-Doelstelling. Tweede taak van het panel was het formuleren van aanbevelingen voor het mobiliseren van middelen om producentenlanden behulpzaam te zijn bij het versnellen van voortgang m.b.t. het realiseren van de Jaar-2000-Doelstelling.

Het panel stelde vast dat de door producentenlanden gemaakte schattingen ($ 22,6 miljard over de periode 1997 – 2000 voor 18 landen die gezamenlijk meer dan 90% van het tropisch bosbezit en de internationale handel in tropisch hout vertegenwoordigen) geen compleet en accuraat beeld geven van de benodigde middelen voor het bereiken van de Jaar-2000-Doelstelling. Het panel zag derhalve geen reden om de geschatte kosten en benodigde middelen nader te specificeren met het enkele doel een globale schatting te maken.

In plaats daarvan stelde het panel voor de inzet te richten op een accuratere inschatting van de middelen die elk van de producentenlanden nodig heeft voor de implementatie van prioritaire acties die een directe invloed hebben op realisering van (voortgang richting) de Jaar-2000-Doelsteling. Het panel onderscheidt de volgende prioritaire acties: verbetering van de oogstmethodes, beperking van oogstniveaus en meer training (met name in het veld).

De gemaakte kostenschattingen geven niet of nauwelijks een indicatie van de kosten in verband met de prioritaire acties en zijn evenmin uitgesplitst naar de huidige bijdragen of de additionele behoefte. Niettemin schat het panel de kosten in verband met de prioritaire acties ruwweg op zo'n $ 2,2 miljard per jaar.

Het panel wees op nationale middelen (m.n. de inkomsten uit de verkoop van bosproducten en -diensten) als de voornaamste bron voor de financiering van duurzaam bosbeheer. Voorts benadrukte het panel de noodzaak van effectievere coördinatie van internationale bijstand op nationaal niveau. Tot slot dienen naar de mening van het panel de prioritaire acties te worden gecompleteerd door acties gericht op de langere termijn (na 2000).

De consumentenlanden waren van mening dat de inzet dient te worden gericht op implementatie van prioritaire acties die een directe invloed hebben op realisering van (voortgang richting) de Jaar-2000-Doelsteling. In dit verband onderstreepten zij het belang van landen-specifieke actieprogramma's en (pre-)projecten gekoppeld aan de aangegeven prioritaire acties alsmede aan institutionele versterking en capaciteitsopbouw.

Het was teleurstellend dat na een week van intensieve en constructieve samenwerking tussen consumenten- en producentenlanden op de laatste dag van de zitting onverwacht geen overeenstemming kon worden bereikt over het voorliggende concept-besluit. Enkele producentenlanden braken toen het daags tevoren overeengekomen pakket van besluiten op dit onderdeel open omdat naar hun oordeel in het concept-besluit verplichtingen eenzijdig aan producentenlanden werden opgelegd en geen verwijzing was opgenomen naar (morele) verplichtingen van consumentenlanden zoals (vrijwillige) financiering in het kader van het Bali-Partnerschapsfonds. Een en ander is doorverwezen naar de volgende zitting.

4. Markttoegang

Het onderwerp markttoegang houdt de gemoederen van de Raad al enkele zittingen bezig.

Onder druk van de producentenlanden is de aandacht van de Raad met name gericht op de acties van (met name lagere) overheden in consumentenlanden die leiden tot een beperking van de internationale handel in tropisch hout.

Tijdens de vorige zitting nam de Raad na veel discussie uiteindelijk een besluit aan over bevordering van mogelijkheden voor markttoegang voor tropisch hout (Besluit 2(XXI)).

In het besluit worden de ledenlanden:

– opgeroepen maatregelen te treffen teneinde mogelijke belemmeringen voor markttoegang voor tropisch hout op te heffen als mogelijk middel ter bevordering van duurzaam bosbeheer;

– opgeroepen sub-nationale en private gebruikers van tropisch hout bewust te maken van de positieve relatie die kan bestaan tussen de internationale handel in tropisch hout en inspanningen van de tropisch houtproducerende landen richting duurzaam bosbeheer in de context van de ITHO Jaar-2000-Doelstelling;

– aangemoedigd lagere overheden en de private sector uit te nodigen hun beleid inzake het gebruik van tropisch hout nader te bezien in het licht van die doelstelling.

Een groot aantal consumentenlanden verzette zich tegen deze eenzijdige en negatieve benadering van de problematiek en pleitte – tevergeefs – voor een meer gebalanceerde en positieve benadering waarbij eveneens aandacht zou worden besteed aan handels-belemmeringen in producentenlanden en aan certificering als middel ter bevordering van duurzaam bosbeheer en markttoegang.

Maleisië – dat markttoegang heeft verklaard tot het centrale aandachtspunt van dat land onder de ITTA, 1994 – ging deze zitting uitvoerig in op dat onderwerp. Indachtig de doelstelling van de organisatie om mede te fungeren als forum voor overleg ter bevordering van niet-discriminerende handelspraktijken met betrekking tot hout en met nog drie jaar te gaan tot het jaar 2000, hield het een pleidooi om in de Raad voortaan evenzeer aandacht aan handelsaangelegenheden (vraagzijde) als aan duurzaam bosbeheer (aanbodzijde) te besteden als voorwaarde om concrete voortgang richting de Jaar-2000-Doelstelling te realiseren. Niet de handel in hout maar het (vermeende) gebrek aan economische waarde van de tropische bossen werd aangewezen als de belangrijkste oorzaak van ontbossing. De voortdurende prijsdiscriminatie van een aantal houtproducten door een aantal consumentenlanden en voortgaande pogingen om tropische houtsoorten op de CITES-lijsten te plaatsen werden door Maleisië gekwalificeerd als «eco-kolonialisme». Gesteld werd dat lonende en billijke prijzen voor hout(producten) noodzakelijk zijn voor de totstandbrenging van duurzaam bosbeheer en certificering van bos en hout. Gewezen werd op het belang van goede markttoegang voor niet- of voorlopig-gecertificeerd hout aangezien het meer voor de hand ligt dat zulk hout tot het jaar 2000 in belangrijke hoeveelheden op de markt komt dan gecertificeerd hout.

Maleisië stelde zich op het standpunt dat de Raad dient te worden geïnformeerd over de stappen die (consumenten)landen in vervolg op bovengenoemd besluit van de Raad hebben genomen en de resultaten daarvan. Het gaf aan nog steeds geconfronteerd te worden met problemen met overheden op verschillende niveaus in Europa (met name Nederland en Duitsland), de Verenigde Staten en andere markten en deed een oproep aan centrale overheden om toe te zien op naleving van aangegane internationale verplichtingen, zoals bijvoorbeeld in WTO-kader, door lagere overheden.

De houding van lagere overheden, prijsdiscriminatie, CITES, certificering en markttoegang voor niet-gecertificeerd hout werden aangemerkt als barrières voor de markttoegang van tropisch hout die een bedreiging vormen voor de tropisch-houtproducerende landen. Maleisië stelt zich op het standpunt dat de consumentenlanden zich dienen te verantwoorden voor hun acties op het gebied van markttoegang en tevens een financiële bijdrage dienen te leveren via het Bali-Partnerschapsfonds om de producentenlanden beter in staat te stellen de geformuleerde doelstellingen te verwezenlijken. Tenslotte riep Maleisië de Raad op tot verdere discussie en studie over markttoegang en tot de implementatie van een monitoringsysteem. Het Maleisische pleidooi kreeg de steun van de overige producentenlanden.

De consumentenlanden gaven aan positief te staan tegenover de suggestie om de volgende zitting een discussie over markttoegang te houden. Zij namen kennis van de wens tot het verrichten van een studie over markttoegang en wezen op een gebalanceerde studie hierover die dit najaar in FAO-verband gereed komt en als basis voor de discussie kan dienen.

5. VN/CSD/IPF

In 1995 is door de VN Economische en Sociale Raad (ECOSOC) op advies van het VN Comité voor Duurzame Ontwikkeling (CSD) het zogeheten Open-Ended Inter-Governmental Panel on Forests (IPF) ingesteld. Het IPF heeft in zijn eindrapport aan de 5e zitting van het CSD (New York, april 1997) conclusies, aanbevelingen en voorstellen gepresenteerd voor actie inzake het tegengaan van ontbossing en bosdegradatie alsmede het bevorderen van behoud, beheer en duurzame ontwikkeling van alle soorten bossen. Knelpunten in het eindrapport betreffen de paragraaf handel en milieu, de institutionele follow-up van het IPF en de wenselijkheid van een wereldbossenverdrag. Gehoopt wordt dat de SAVVN (New York, juni 1997) ten aanzien van deze knelpunten besluiten zal nemen.

Op initiatief van de EU heeft de Raad Besluit 6(XXII) aangenomen waarin wordt opgeroepen tot voortzetting van de financiële en personele participatie van de organisatie in het IPF-secretariaat (de IPF Inter-Agency Task Force on Forests) of de opvolger daarvan indien daarom wordt verzocht en waarin voorts is bepaald dat de Raad tijdens de volgende zitting gepaste acties zal overwegen teneinde actief bij te dragen aan de implementatie van die voorstellen voor actie in het IPF-rapport die relevant zijn voor het werk van de organisatie.

6. Intellectuele Eigendomsrechten

De Raad nam kennis van een expert-rapport waarin de implicaties voor de organisatie van de implementatie van een systeem voor de bescherming van intellectuele eigendomsrechten (IPR's) in beeld worden gebracht. Aanleiding tot het rapport was de wens van de Raad tot adequate juridische bescherming van de intellectuele eigendom van de organisatie en daaruit voortvloeiende inkomsten. Het betreft met name publicaties in verband met projecten die met (mede)financiering van de organisatie tot stand komen en octrooieerbare uitvindingen die voortvloeien uit onderzoek- en ontwikkelingsprojecten van de organisatie.

In de discussie naar aanleiding van de presentatie van het rapport formuleerde de Nederlandse delegatie als randvoorwaarden voor een te implementeren systeem dat zo'n systeem pragmatisch van aard dient te zijn en dat de kosten en moeite in verband met het realiseren en instandhouden van zo'n systeem dienen op te wegen tegen het te beschermen belang en de verwachte baten.

De Raad nam een positieve grondhouding ten aanzien van een IPR-regeling voor de organisatie aan en verzocht de UD een document op te stellen met mogelijke bouwstenen voor concept-richtlijnen voor IPR's en het document uiterlijk medio oktober 1997 onder de ledenlanden te circuleren voor commentaar en ter behandeling door de Raad tijdens de volgende zitting (Besluit 10(XXII)).

7. Comités

7.1 (Pre-)Projectvoorstellen

In de Comités vond zoals gebruikelijk discussie plaats over het projectprogramma van de organisatie aan de hand van (pre-)project-voorstellen. De Raad verleende goedkeuring aan 17 nieuwe projecten, 5 nieuwe pre-projecten en een drietal niet-projectgerelateerde activiteiten (Besluit 1(XXII)).

7.2 Comité inzake Economische Informatie en Markt Informatie (CEM)

Projecten

Het Comité besteedde aandacht aan de voortgang met betrekking tot tien projecten en drie pre-projecten, het eindrapport van een voltooid project, voorstellen voor drie nieuwe projecten en een nieuw pre-project alsmede een niet-projectgerelateerde activiteit.

Na drie jaar touwtrekken is uiteindelijk het projectvoorstel «PD 1/95 Rev.4 (M) Training Development on the Assessment of Sustainable Forest Management in Indonesia» goedgekeurd. Het bezwaar van de Verenigde Staten (ingegeven door nationale overwegingen) tegen de koppeling van duurzaam bosbeheer en certificering binnen het kader van de organisatie werd eindelijk overruled door het overige lidmaatschap van de organisatie dat unaniem steun voor het voorstel uitsprak.

Het Secretariaat deelde mee dat een geactualiseerde versie van de studie «Timber Certification in Transition: Study on Certification of All Internationally Traded Timber and Timber Products» medio 1997 gereed zal zijn en tijdens de volgende zitting ter behandeling aan de Raad zal worden voorgelegd.

Besloten is tot de aanpassing van de «ITTO Annual Forecasting and Statistical Enquiry» in lijn met de aanbevelingen van een technische werkgroep waarover tijdens de vorige zitting besluitvorming had plaatsgevonden.

Marktdiscussie

In het kader van de marktdiscussie werd ingegaan op uitbreiding van de binnen- en buitenlandse handel in tropisch-houtproducten met speciale aandacht voor de situatie in Zuid-Amerika. Belangrijk onderwerp van discussie was het recente voorstel van de Verenigde Staten en Bolivia om mahonie (Swietenia macrophylla) op CITES Appendix II te plaatsen. Er was veel bezwaar tegen dit voorstel zijdens handel, industrie en andere betrokken landen met als gebruikelijk argument dat het voorstel een wetenschappelijke basis ontbeert.

7.3 Comité voor Herbebossing en Bosbeheer (CRF)

Het Comité besteedde aandacht aan de voortgang met betrekking tot eenenzestig projecten en twee pre-projecten, de eindrapporten van zes voltooide projecten en drie voltooide pre-projecten alsmede voorstellen voor veertien nieuwe projecten en vier nieuwe pre-projecten.

Met het oog op de grote werkdruk en de vermindering van de vergadertijd besprak het Comité verschillende suggesties om te komen tot efficiency-verbetering van de diverse werkzaamheden. Sommige van deze suggesties zijn meegenomen in het kader van de organisatie van werkzaamheden (zie 2.2.2 hiervoor).

In de ITTO Policy Development Series is No. 6 «The Development of Guidelines for the Protection of Tropical Forests Against Fire» verschenen.

7.4 Comité voor Bosbouw Industrie (CFI)

Het Comité besteedde aandacht aan de voortgang met betrekking tot tweeëntwintig projecten en negen pre-projecten, de eindrapporten van twee voltooide projecten en een voltooid pre-project, voorstellen voor drie nieuwe projecten en twee nieuwe project-ideeën.

Het Comité besloot tot de instelling van een expertgroep samengesteld uit experts van zes producenten- en zes consumentenlanden met als taak op basis van een consultancy studie verder te werken aan de «Guidelines for the Development of Sustainable Forest Industries». Ledenlanden werden verzocht uiterlijk 31 juli 1997 hun eventuele commentaar en opvattingen te leveren als bijdrage aan de taak van de expertgroep.

Het Comité honoreerde 30 verzoeken in het kader van het «ITTO Fellowship Programme». Doelstelling van dit programma is het bevorderen van de ontwikkeling van opleiding en institutionele versterking van de bosbouwsector in producentenlanden. Het programma wordt beschouwd als een effectief middel om training, overdracht van technologie en samenwerking tussen ledenlanden tot stand te brengen.

8. Financiële en Administratieve Aangelegenheden

De behandeling van financiële en administratieve aangelegenheden vindt voortaan plaats in het Comité inzake Financiële en Administratieve Aangelegenheden (CFA) dat is voorzien in de ITTA, 1994 en deze zitting voor de eerste keer bijeen kwam.

8.1 Administratief budget

De organisatie heeft een goedkeurende accountantsverklaring over boekjaar 1996 gekregen.

Voorts werd geconstateerd dat de financiële situatie en vooruitzichten voor 1997 zodanig zijn dat geen beroep op het werkkapitaal van de organisatie behoeft te worden gedaan. Bespreking van eventuele personele uitbreiding van het Secretariaat en de financiële consequenties daarvan is doorverwezen naar de bespreking van de begroting voor 1998 tijdens de volgende zitting.

Conform het bepaalde in de ITTA, 1983, wordt over achterstanden in de voldoening van contributieverplichtingen van ledenlanden gedurende de looptijd van het verdrag (31/12/'96) rente berekend. Aangezien zo'n regel niet is opgenomen in de ITTA, 1994, is bepaald dat vanaf 1 januari 1997 niet langer rente over achterstanden zal worden berekend. De ITTA, 1994, voorziet daarentegen wel in de mogelijkheid de contributieverplichting te korten in geval van vroegtijdige betaling, te weten binnen vier maanden na aanschrijving. Het kortingspercentage is voor 1997 vastgesteld op 5,5 en kan later door de Raad worden gewijzigd.

8.2 Speciale Rekening

Voor de financiering van het projectprogramma werd een bedrag van $ 9 702 947,– door de donorlanden Japan, Zwitserland, Verenigde Staten, Korea en Australië gecommitteerd. Enkel projecten van landen die partij zijn bij de ITTA, 1994, worden gefinancierd. Genoemde donorlanden committeerden in totaal $ 14 087 600,– voor het projectprogramma en andere activiteiten van de organisatie. Door Nederland werden geen toezeggingen gedaan.

8.3 Bali-Partnerschapsfonds

Zoals reeds aangegeven (zie 4. hiervoor), riep Maleisië met steun van de overige producentenlanden, donorlanden op financieel bij te dragen aan het vrijwillige Bali-Partnerschapsfonds teneinde de producentenlanden beter in staat te stellen de Jaar-2000-Doelstelling te realiseren. Door Japan, Zwitserland en de Verenigde Staten zijn reeds toezeggingen gedaan voor een totaalbedrag van meer dan vijftien miljoen dollar.

Diverse donorlanden gaven informeel aan te zullen streven naar een duidelijke positie tijdens de volgende zitting omtrent de eventuele beschikbaarstelling van financiële middelen voor het fonds. De vertegenwoordiger van de Commissie van de Europese Gemeenschappen benadrukte het belang voor de Commissie en de Lid-Staten van de EU om medefinanciering van het fonds te overwegen teneinde de positie en invloed van de EU binnen de organisatie te handhaven. Zie 2.3 hiervoor in verband met operationalisering van het fonds.

9. Toekomstige zittingen

De Raad besloot inzake toekomstige zittingen als volgt:

– 23e zitting van de Raad, Yokohama (Japan), 1 – 6 december 1997;

– 24e zitting van de Raad, Libreville (Gabon), 20 – 28 mei 1998.

– 25e zitting van de Raad, Yokohama (Japan): data nader te bepalen met het oog op het internationale vergaderschema; voorlopige opties zijn 9 – 14/11/1998 (voorstel Secretariaat) en 30/11 – 5/12/1998 (voorstel Japan).

10. Delegatie

De Nederlandse delegatie was als volgt samengesteld:

mr. M. Braeken (EZ/BEB/DHI/IO) – gedelegeerde;

ir. D. de Groot (LNV/IKC-N) – plv. gedelegeerde;

hr. P. de Groot (BUZA/DMO/HF) – plv. gedelegeerde;

ir. E. Lammerts van Bueren (Stichting Tropenbos) – adviseur.


XNoot
1

Ter inzage gelegd bij de afdeling Parlementaire Documentatie.

Naar boven