25 000 XIII
Vaststelling van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van het Ministerie van Economische Zaken (XIII) voor het jaar 1997

nr. 46
BRIEF VAN DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 17 juni 1997

1. Inleiding

Bij de behandeling van de begroting 1995 van het Ministerie van Economische Zaken (HTK nr. 6 1994–95) heeft u de vraag gesteld of een onderzoek kan worden gedaan naar het aantal en de aard van middelgrote bedrijven in Nederland. Nederland zou te weinig middelgrote en doorgroeiende bedrijven hebben. Daarnaast zou het aantal middelgrote hightech bedrijven in Nederland te laag zijn. Om deze veronderstellingen te toetsen heb ik een onderzoek laten uitvoeren, waarover ik u in mijn brief van 13 november 1996 (VCEZ-96-624) heb bericht. In die brief heb ik u toegezegd na te gaan welke gevolgen de resultaten van het onderzoek hebben voor mijn beleid. In de onderhavige brief zet ik deze gevolgen uiteen.

Uit het onderzoek naar middelgrote bedrijven blijkt dat Nederland in vergelijking tot het buitenland een gemiddeld aantal middelgrote bedrijven heeft. Het onderzoek constateert echter dat bedrijven die de potentie hebben door te groeien tot middelgrote bedrijven geconfronteerd worden met een aantal knelpunten. Het wegnemen van deze knelpunten leidt tot een verhoging van de flexibiliteit en de dynamiek van de economie met alle positieve gevolgen van dien voor de economische groei en de werkgelegenheid. Wet- en regelgeving en de mogelijkheden tot financiering van de ondernemingsgroei zijn de belangrijkste knelpunten. In paragraaf 2 van deze brief zet ik mijn beleid ten aanzien van deze twee knelpunten uiteen.

De tweede belangrijke conclusie van het onderzoek betreft de aard van middelgrote bedrijven. Het onderzoek constateert dat Nederland een gemiddeld aantal middelgrote hightech bedrijven telt. Ten aanzien van drie factoren die het aantal middelgrote hightech bedrijven bepalen scoort Nederland volgens het onderzoek niet optimaal en is verbetering mogelijk. Deze factoren zijn de beschikbaarheid van ß/technisch personeel, de aanwezigheid van technologie-stimulerende regio's (science parken) en de relevantie van het technologie-instrumentarium. In paragraaf 3 schets ik mijn beleid ten aanzien van deze factoren.

2. Het vergroten van het aantal middelgrote bedrijven

Het onderzoek noemt twee factoren die een belangrijke invloed hebben op de mogelijkheden van bedrijven te groeien tot middelgrote bedrijven. Deze factoren zijn wet- en regelgeving en de mogelijkheden tot financiering van de ondernemingsgroei.

De flexibiliteit waarmee bedrijven kunnen inspelen op nieuwe ontwikkelingen is medebepalend voor het concurrentievermogen van het Nederlandse bedrijfsleven.

Hierbij is van belang dat voldoende flexibiliteit wordt geboden aan startende bedrijven en dat de starters vervolgens ook voldoende ruimte krijgen voor verdere doorgroei tot uiteindelijk ook middelgrote bedrijven. De groei van de werkgelegenheid wordt immers voor een belangrijk deel door de groeiers en vooral door de zogenaamde gazellen gerealiseerd. Die flexibiliteit is afhankelijk van de wet- en regelgeving op de arbeids-, de product- en de kapitaalmarkt. Daarbij kan gedacht worden aan belastingen, premies en heffingen van centrale en lokale overheden, maar ook aan regelingen op het gebied van werkgelegenheid, wetgeving op het terrein van arbeidsomstandigheden, kwaliteitseisen en vergunningen en eveneens aan regelgeving ten aanzien van verslaglegging, vestigings- en registratie-eisen, en verplichtingen inzake statistische informatie. Op het gebied van wet- en regelgeving heeft het kabinet reeds enkele belangrijke acties genomen. De mogelijkheden voor startende bedrijven zijn vergroot via de liberalisering van de Vestigingswet en de Winkeltijdenwet. En de concurrentie en daarmee ook de ruimte voor bestaande bedrijven om door te groeien wordt vergroot via de nieuwe Mededingingswet en via het project Marktwerking, Deregulering en Wetgevingskwaliteit (MDW).

Een ander knelpunt voor de dynamiek in de economie betreft de mogelijkheden om een voortdurende ondernemingsgroei te financieren. De laatste jaren is er veel beleidsmatige aandacht geweest voor ondernemingsfinanciering. Dit heeft in 1996 geleid tot een aantal evaluaties, aanpassingen van bestaande instrumenten en nieuwe instrumenten. Zo zullen de nieuw-opgerichte technostartersfondsen voorzien in de financiering en begeleiding van technostarters. Daarnaast is de venture capital industrie in Nederland relatief goed ontwikkeld, waarbij wel bedacht moet worden dat de venture capital industrie uiteraard slechts in een gering deel van de totale investeringen van het Nederlandse bedrijfsleven voorziet. Bovendien zijn er indicaties dat venture capital maatschappijen zich steeds sterker van de onderkant van de kapitaalmarkt afwenden. De evaluatie in 1996 van de regeling Bijzondere Financiering (BF-regeling) wijst uit dat de BF-regeling goed werkt en voorziet in de vermogensbehoefte van juist de middelgrote bedrijven die hiervoor nergens anders terecht kunnen tegen redelijke condities. Het bovenstaande geeft aan dat er altijd verbeteringen mogelijk zijn ten aanzien van de financiering van (snel groeiende) ondernemingen. Dit onderwerp zal derhalve ook in de komende tijd vanuit EZ blijvende aandacht krijgen, zoals onder andere in het kader van de Concurrentietoets 1997.

3. Het vergroten van het aantal middelgrote hightech bedrijven

Het onderzoek naar middelgrote bedrijven laat zien dat Nederlandse middelgrote bedrijven in vergelijking tot het buitenland minder R&D-activiteiten ontplooien. Hierbij dient te worden opgemerkt dat het middelgrote bedrijfsleven zich in deze niet onderscheidt van het overige Nederlandse bedrijfsleven, getuige het feit dat de R&D-intensiteit van de Nederlandse economie als geheel achterblijft bij die van het buitenland. Het huidige technologiebeleid is dan ook gericht op het vergroten van de R&D-intensiteit van het totale bedrijfsleven.

Van de factoren die het aantal middelgrote hightech bedrijven in Nederland bepalen is volgens het onderzoek een drietal voor verbetering vatbaar. Deze drie factoren zijn: de beschikbaarheid van gekwalificeerd ß/technisch personeel, de aanwezigheid van technologie-stimulerende regio's (science-parken) en de relevantie van het technologie-instrumentarium.

Middelgrote bedrijven worden in hun ontwikkeling belemmerd door een tekort aan ß/technisch opgeleiden. Daarnaast zijn ß/technici nogal eenzijdig c.q. specialistisch opgeleid, waardoor er naast een kwantitatief aanbodtekort ook een kwalitatieve mismatch is tussen gevraagde en aangeboden ß/technische kennis. Tot nu toe heeft het beleid zich voornamelijk gericht op de kwantitatieve dimensie van het probleem en dan met name op het vergroten van de instroom van het ß/technisch onderwijstraject. Recentelijk zijn echter ook initiatieven genomen om te bezien in hoeverre ook de doorstroming van het onderwijstraject kan worden verbeterd. Gelet op de actualiteit van de problematiek (o.a. de recente instroomcijfers, zie het rapport van de Commissie Verruijt) zullen de ministeries van EZ en OCenW, in overleg met onder andere VNO-NCW, bezien in hoeverre additionele beleidsmaatregelen in dit verband opportuun zijn. Binnen dit kader wordt tevens gezocht naar maatregelen ter verbetering van de afstemming van het onderwijsaanbod op de moderne werkpraktijk, de kwalitatieve dimensie van het probleem. Het tekort aan ß/technisch opgeleiden is overigens geen specifiek probleem voor middelgrote bedrijven. Het beleid gericht op het wegnemen van dit tekort komt ten goede aan het gehele bedrijfsleven.

De tweede factor die van invloed is op het aantal middelgrote hightech bedrijven is de aanwezigheid van technologie-stimulerende regio's of science parken. De aanwezigheid van technologie-stimulerende regio's en science parken bevordert de netwerkvorming en samenwerking tussen bedrijven onderling en tussen bedrijven en kennisinstellingen. Dit heeft een hoge prioriteit in het nationale technologiebeleid, zoals reeds aangegeven in de nota «Kennis in beweging». Het bijbehorende beleidsinstrumentarium is in hoofdzaak generiek van aard, in de zin dat het in principe voor alle bedrijven toegankelijk is. De regionale autoriteiten onderkennen echter meer en meer het belang van een regio-specifiek technologiebeleid. Gezien de gezamenlijke doelstelling van het nationale en het regionale technologiebeleid, te weten een versterking van de technologische-kennisbasis van economische activiteit in Nederland, hebben deze regionale initiatieven vooral meerwaarde indien ze complementair zijn aan de nationale. Teneinde de gewenste synergie te bewerkstelligen wordt in een structureel overleg tussen het Ministerie met de provincies nagegaan waar verbetering mogelijk is. Hierbij wil ik u verwijzen naar het kabinetsstandpunt inzake het regionaal beleid dat is gevormd naar aanleiding van het AWT-advies.

De derde factor die het aantal middelgrote hightech bedrijven bepaalt is de relevantie van het technologie-instrumentarium. Volgens het onderzoek kan de relevantie van het technologie-instrumentarium voor middelgrote hightech bedrijven verbeterd worden. Uit gegevens van Senter blijkt dat middelgrote bedrijven en middelgrote hightech bedrijven een meer dan evenredige hoeveelheid middelen uit het budget van technologie-regelingen ontvangen. Er zijn derhalve vooralsnog geen aanwijzingen dat juist middelgrote bedrijven relatief minder gebruik maken van de technologie-regelingen.Voor de nieuwe regeling Bedrijfsgerichte Technologische Samenwerkingsprojecten, die per 1 januari 1997 in werking is getreden, zijn nog geen cijfers ten aanzien van de deelname bekend.

Bij een eventuele tegenvallende deelname van middelgrote bedrijven in de BTS-regeling zal ik overwegen om via het flankerend beleid specifieke activiteiten voor de groep van middelgrote bedrijven te ontplooien.

4. Conclusies

Aan de aanbevelingen uit het onderzoek naar middelgrote bedrijven in Nederland verbind ik de volgende beleidsmatige conclusies.

– De mate van wet- en regelgeving bepaalt mede de mogelijkheden die starters en doorgroeiers wordt geboden. Het kabinetsbeleid is er al op gericht de flexibiliteit voor het bedrijfsleven te vergroten en zal ook in de komende tijd worden voortgezet.

– Ten aanzien van de financiering van (snel groeiende) ondernemingen zal ik in het kader van de concurrentietoets 1997 een benchmark onderzoek laten uitvoeren gericht op met name de onderkant van de kapitaalmarkt. Deze concurrentietoets zal naar verwachting in het najaar van 1997 worden afgerond.

– De ministeries van EZ en OCenW zullen, onder andere in overleg met VNO-NCW, bezien in hoeverre additionele beleidsmaatregelen ten aanzien van de instroom, de doorstroom en de kwalitatieve aansluiting van het onderwijstraject opportuun zijn.

– Het beleid ten aanzien van technologie-stimulerende regio's en science parken past binnen een breder kader van regionaal technologiebeleid. Om de informatieuitwisseling over en waar mogelijk afstemming van nationaal en regionaal technologiebeleid te verbeteren zijn het Ministerie van Economische Zaken en de provincies gestart met een structureel overleg over dit onderwerp.

– Ten aanzien van de relevantie van het technologie-instrumentarium voor middelgrote bedrijven zal ik de deelname van deze bedrijven aan het nieuwe samenwerkingsinstrument (de BTS-regeling) monitoren.

De Minister van Economische Zaken,

G. J. Wijers

Naar boven