Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1996-1997 | 25000-XI nr. 3 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1996-1997 | 25000-XI nr. 3 |
| Blz. | ||
| 1. | Het overzicht inzake personeelsgegevens | 2 |
| 2. | De wetgevingsbijlage | 3 |
| 3. | Het overzicht van door de Staten-Generaal aanvaarde moties en door bewindslieden gedane toezeggingen | 6 |
| 4. | De bijlage overzicht circulaires | 19 |
| 5. | De bijlage inzake verzoekschriften van de Nationale Ombudsman | 21 |
| 6. | Grondslagen artikel(onderdel)en en overige (achtergrond)informatie | |
| A. Uitgaven | 22 | |
| B. Ontvangsten | 51 | |
| 7. | De bijlage inzake economische en functionele classificaties | 56 |
| 8. | De voorlichtingsbijlage | 59 |
| 9. | Woningbouwprogramma | 60 |
| 10. | Overzicht prijsklassen en inkomensgroepen binnen het volkshuisvestingsbeleid (prijzen per (1/7/1996 en 1/1/1997) | 62 |
| 11. | Stadsvernieuwingsrapportage 1996 | 63 |
| 12. | Rapportage Monitoring Uitvoering Verstedelijking VINEX 1996 | 74 |
| 13. | Kadaster | 78 |
| 14. | Coördinatie vastgoedinformatievoorziening | 80 |
| 15. | Inspecties en handhaving | 81 |
| 16. | Emancipatiebeleid | 88 |
| 17. | Financieel management en geïntegreerd subsidiebeleid | 89 |
| 18. | De conversietabel uitgaven en ontvangsten en de economische en functionele classificaties per artikel(onderdeel) | 103 |
| 19 | Archieven | 106 |
| 20. | Publieke dienstverlening | 108 |
| 21. | Afkortingen | 109 |
HET OVERZICHT INZAKE PERSONEELSGEGEVENS
Samenvattend overzicht personeelssterkte
| Organisatie-eenheid | Werkelijke bezetting | Personeelsomvang | |||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 30-6-1996 | 1996 | 1997 | 1998 | 1999 | 2000 | 2001 | |
| Ministerie | |||||||
| Centrale directies | 529,8 | 496,7 | 486,8 | 485,9 | 473,9 | 473,9 | 473,9 |
| Gemeenschappelijke diensten | 163,2 | 165,8 | 169,2 | 164,7 | 164,7 | 164,7 | 164,7 |
| Adviesraden VROM | 30,6 | 26,7 | 26,7 | 26,7 | 26,7 | 26,7 | 26,7 |
| Directoraat-Generaal van de | |||||||
| Volkshuisvesting | 1 166,9 | 1 167,0 | 1 121,0 | 1 097,0 | 1 081, 5 | 1 045,0 | 1 045,0 |
| Rijksplanologische Dienst | 279,2 | 282,0 | 285,0 | 285,0 | 285,0 | 285,0 | 285,0 |
| Directoraat-Generaal Milieubeheer | 1 050,7 | 1 105,6 | 1 079,6 | 1 034,6 | 1 001,6 | 1 001,6 | 1 001,6 |
| Onverdeeld | 3,0 | 37,6 | 48,8 | 50,5 | 50,5 | ||
| Totaal | 3 220,4 | 3 243,8 | 3 171,3 | 3 131,5 | 3 082,2 | 3 047,4 | 3 047,4 |
DE WETGEVINGSBIJLAGE
Op wetgevingsgebied is een aantal interessante projecten in voorbereiding. Een experiment is het onderzoeken van de nuttigheid en wenselijkheid om algemene beginselen van milieurecht in de Wet milieubeheer op te nemen, die als aanvulling kunnen dienen op de meer concrete normen in die wet. Zorgplichtbepalingen komen al in enkele wetten voor. De vraag is of deze uitgebreid zouden moeten worden met andere dergelijke beginselen. Over dit onderwerp zijn het afgelopen jaar een nationale en een internationale bijeenkomst gehouden. Deze bijeenkomsten hebben voldoende stof gegeven om tot verder onderzoek over te gaan en in de loop van het volgend jaar een standpunt te bepalen.
Een groot wetgevingsproject voor de komende tijd zal zijn wijziging van de huurwetgeving, in samenwerking met het Ministerie van Justitie. Daarbij wordt er naar gestreefd eerst in een afzonderlijk traject als belangrijkste onderdeel de mogelijkheden voor de huurder te verbeteren tot het ondernemen van effectieve acties bij het niet naleven van de op de verhuurder rustende onderhoudsverplichting. Verder wordt gewerkt aan een integrale herziening van de huurwetgeving, waarbij de Huurprijzenwet woonruimte wordt geschoond van naar het Burgerlijk Wetboek over te brengen privaatrechtelijke elementen. Bij deze operatie wordt de regeling van de huurovereenkomst van het tijdelijke boek 7a naar boek 7 van het Burgerlijk Wetboek overgebracht.
In het kader van het kabinetsproject Martktwerking, Deregulering en Wetgevingskwaliteit (MDW) is eveneens een tweetal grote wetgevingsprojecten in voorbereiding. De eerste twee concept-amvb's in een serie ter uitvoering van het kabinetsstandpunt over het rapport van de MDW-werkgroep Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer zijn inmiddels voorgepubliceerd (ontwerp-besluit Detailhandel en ambachtsbedrijven milieubeheer en ontwerp-besluit Horeca-, sport en recreatie-inrichtingen milieubeheer, St.crt. 20 juni 1996, 116, resp. St.crt. 16 juli 1996, nr. 134). Over het rapport van de MDW-werkgroep geluidhinderwetgeving is een regeringsstandpunt vastgesteld. Dat standpunt zal worden meegenomen bij de verdere werkzaamheden die moeten resulteren in een modernisering van het instrumentarium voor het geluidbeleid.
Ook onder de noemer van het MDW-project is aandacht nodig voor het terugdringen van de administratieve lastendruk voor het bedrijfsleven. Met de hiervoor genoemde voorgepubliceerde en de in dit kader nog op te stellen amvb's zal ook op dit terrein resultaat kunnen worden geboekt. Over de acties gericht op efficiencyverbetering van de milieuregelgeving zoals omschreven in het Plan van Aanpak STEM (Strategie Efficiencyverbetering Milieuregelgeving, brief aan de Voorzitter van de Vaste Commissie voor VROM van 7 november 1995) kan worden gemeld dat inmiddels goede voortgang is gemaakt. Als gevolg van de STEM-acties – die het komend jaar weer prioriteit zullen hebben – zal ook de administratieve lastendruk verder afnemen.
Tenslotte kan in het kader van het terugdringen van de administratieve lastendruk het Bouwbesluit worden genoemd. De beleidsvoornemens die in 1996 aan de Tweede Kamer zijn aangeboden naar aanleiding van de evaluatie van de Woningwet en het Bouwbesluit hebben onder andere betrekking op de vermindering van de administratieve lasten voor bedrijven door standaardisering van procedures.
Met betrekking tot het Bouwbesluit zal verder ook worden bezien of de reikwijdte van de regelgeving niet kan worden teruggebracht, waarbij essentiële onderwerpen als veiligheid, gezondheid, energiezuinigheid e.d. gehandhaafd blijven. Het betreffende onderzoek wordt in september 1996 afgerond en nog in 1996 zullen de beleidsvoornemens terzake aan de Kamer worden aangeboden.
A. Tot stand gekomen wetgeving (periode 1-6-1995 tot 1-6-1996)
| Citeertitel | Kamerstuk nummer | Staatsblad jaar, nr. |
|---|---|---|
| Huisvestingswet (toewijzingscriteria woonruimte) | 24 486 | 1995, 620 * |
| Wijziging Huurprijzenwet woonruimte procesvereisten | 24 465 | Het wetsvoorstel is verworpen |
| Afwijking van het aanpassingsmechanisme in de Wet individuele huursubsidie voor de duur van het subsidietijdvak dat is aangevangen op 1 juli 95 en loopt t/m 30 juni 96 | 24 331 | 1995, 533 * |
| Wijziging van de Wet milieubeheer implementatie in hoofdstuk Afvalstoffen van EG-richtlijn stedelijk afvalwater | 23 603 | 1995, 798 |
| Wijziging Wet milieubeheer: milieuplanbureau | 24 031 | 1996, 163 |
B. Bij de Staten-Generaal aanhangige wetsvoorstellen
| Wetvoorstel | Kamerstuk nummer | Op 1 juni 1996 gevorderd t/m | Verwachting omtrent eerstvolgende fase |
|---|---|---|---|
| Wijziging Wet balansverkorting geldelijke steun volkshuisvesting | 24 514 | Verslag TK 22-01-96 | Nota n.a.v. verslag: juni 96 |
| Uitbreiding Wet bodembescherming (sanering van de waterbodem) | 24 234 | Verslag TK 17-10-95 | Nota n.a.v. verslag: juni 96 |
| Wijziging Wet bodembescherming en de Wet milieubeheer (herstel van enkele onvolkomenheden) | 24 604 | Aangenomen in EK 21-05-96 | Publikatie in Staatsblad |
| Wijziging Huurprijzenwet woonruimte, Wet op huurcommissie en Wet op de individule huursubsidie (huursombenadering) | 24 507 | Aanvaard in TK 02-04-96 | Eindverslag EK |
| Wijziging Wet individuele huursubsidie (wijziging m.i.v. 1 juli 1996) | 24 595 | Memorie van antwoord EK 24-05-96 | Eindverslag EK |
| Wijziging Wet milieubeheer: aanvulling Wet milieubeheer en Wet bodembescherming (nazorg stortplaatsen) | 24 321 | Nota n.a.v. verslag 28-05-96 | Mondelinge behandeling |
| Wijziging Wet milieubeheer: milieuverslaglegging | 24 572 | Nota n.a.v. verslag 27-06-96 | Mondelinge behandeling |
| Wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (financiële bepalingen) | 24 644 | Indiening 19-03-96 | Vaststelling verslag TK |
| Wijziging van de Wet voorkeursrecht gemeenten | 24 235 | Voorlopig verslag EK 10-04-96 | Memorie van antwoord |
| Wet op de VROM-raad | 24 673 | Indiening TK 02-04-96 | Verslag TK |
| Wet op de Waddenadviesraad | 24 704 | Indiening TK 26-04-96 | Verslag TK |
| Wijziging van de Woningwet: vergunningvrije bouwwerken in beschermde stads- en dorpsgezichten | 24 607 | Verslag TK 08-05-96 | Nota n.a.v. verslag |
C. In voorbereiding zijnde wetsvoorstellen
| Wetsvoorstel inzake | Op 01-06-96 gevorderd t/m | Verwachtingen omtrent de eerstvolgende fase | Inwerkingtreding |
|---|---|---|---|
| Antarcticawet | Advies aanvraag RvSt 21-12-95 | Advies RvSt | |
| Integratie van Burgelijk Wetboek, Huurprijzenwetwoonruimte en Wet op de huurcommissies | interdepartementaal overleg | Aanbieding aan ministerraad maart 1997 | |
| Wijziging van de Wet Geluidhinder (diverse wijzigingen) | departementaal overleg | interdepartementaal overleg | |
| Wijziging Huisvestingswet (ruimtelijk beleid) | departementaal overleg | Aanbieding aan ministerraad juli 1996 | |
| Wijziging Huisvestingswet (woonwagens en -schepen) | interdepartementaal overleg | Aanbieding aan ministerraad juli 1996 | |
| Wijziging Huurprijzenwet woonruimte (creëren aparte onderhoudsprocedure) | departementaal overleg | Aanbieding aan ministerraad juni 1996 | 01-01-98 |
| Huursubsisiewet | departementaal overleg | interdepartementaal overleg | 01-07-97 |
| Wijziging Wet milieubeheer: wijziging hoofdstukken 8 en 10 | Adviesaanvraag RvSt 06-02-96 | Advies RvSt | |
| Wijziging Wet milieubeheer: wijziging hoofdstuk 10 | departementaal overleg | interdepartementaal overleg juli 96 | |
| Wijziging Wet milieubeheer: wijziging hoofdstuk 18 | departementaal overleg | interdepartementaal overleg juli 1996 | |
| Wijziging Wet milieubeheer: retributies kennisgevingen | departementaal overleg | interdepartementaal overleg oktober 1996 | |
| Herziening Wet op de Ruimtelijke Ordening | interdepartementaal overleg | Aanbieding aan ministerraad | |
| Wijziging van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing en de Woningwet | interdepartementaal overleg | Aanbieding aan ministerraad juni 1996 | |
| Wijziging van de Woningwet: tegengaan bouwen op verontreinigde grond | Advies RvSt 23-05-96 | nader rapport | |
| Wijziging van de Woningwet: milieugrondslag Bouwbesluit | departementaal overleg | interdepartementaal overleg | |
| Wijziging van de Woningwet: aanschrijving en energiebesparende voorzieningen | Advies RvSt 23-10-95 | nader rapport | |
| Experimenten regeling Stad & Milieu | interdepartementaal overleg | Aanbieding aan ministerraad november 1996 |
HET OVERZICHT VAN DOOR DE STATEN-GENERAAL AANVAARDE MOTIES EN DOOR BEWINDSLIEDEN GEDANE TOEZEGGINGEN
3A OVERZICHT MOTIES EN TOEZEGGINGEN MILIEUBEHEER
| Omschrijving van de motie | Vindplaats | Stand van zaken |
| Van Rijn-Vellekoop | ||
| In het kader van preventie en hergebruik van fotografisch-chemische afvalstoffen, verzoekt zij om wettelijke maatregelen om producenten van fotochemicaliën verantwoordelijk te stellen voor het halen van de 60%-doelstelling in 2000 en het toepassen van regeneratietechnieken. | Kamerstukken II, 1993-1994, 22 183, nr. 10 | Uitvoering aan deze motie wordt gegeven in het kader van het Meerjarenplan gevaarlijk afval II dat in 1997 zal verschijnen (zie NMP 2) |
| Van Rijn-Vellekoop en Lansink | ||
| Om de vergelijking tussen milieugegevens van bedrijven voor burgers mogelijk te maken, verzoeken zij om op korte termijn een wetsvoorstel aan de Kamer voor te leggen waarin de openbare milieuverslaglegging geregeld wordt. | Kamerstukken II, 1993-1994, 23 400 XI, nr. 18 | Deze motie is gestand gedaan met Kamerstukken II, 1995–1996, 24 572. |
| Van der Vlies c.s.Zij verzoeken om een regulerende mineralen boekhouding te ontwikkelen. | Kamerstukken II, 1993-1994, 19 882, nr. 40 | In 1996 zal een voorstel voor een wettelijke basis t.a.v. de mineralenboekhouding aan de Kamer worden voorgelegd. |
| Lansink en Van Rijn-Vellekoop | ||
| Over de milieugerichte productontwikkeling verzoeken zijn – na overleg met het bedrijfsleven – te komen tot een normstellend kader. | Kamerstukken II, 1993-1994, 23 562, nr. 3 | Aan deze motie is uitvoering gegeven met Kamerstukken II, 1995–1996, 23 562, nr. 2. |
| Van Rijn-Vellekoop en Lansink | ||
| Verzoeken met het bedrijfsleven de mogelijkheden voor financiering te onderzoeken om de drempels weg te nemen voor het midden- en kleinbedrijf om milieuvriendelijke ontwerpen te ontwikkelen. Voorstellen voor realisering zien zij op korte termijn tegemoet. | Kamerstukken II, 1993-1994, 23 562, nr. 4 | Aan deze motie is uitvoering gegeven met Kamerstukken II, 1995–1996, 23 562, nr. 2. |
| Van Zijl c.s. | ||
| Verzoeken in de toegezegde notitie de voor- en nadelen van uiteenlopende varianten van het volumebeleid in kaart te brengen, opdat, indien onverhoopt de omstandigheden daartoe dwingen, na hernieuwd overleg met de Kamer, een dergelijk beleid voldoende tijdig vorm kan worden gegeven. | Kamerstukken II, 1994-1995, 19 882, nr. 45 | Aan deze motie is uitvoering gegeven met Kamerstukken II, 1995–1996, 24 445, nr. 15. |
| Augustijn-Essers c.s. | ||
| Verzoeken om in het kader van het CO2-beleid voor 1 januari 1996 inzichtelijk te maken en aan de Kamer voor te leggen, welk pakket maatregelen nodig zou zijn om de in het NMP 2 aangekondigde emmissiereducties te bereiken. Daarbij verzoeken zij om via een kosten-batenanalyse, nader inzichtelijk te maken hoe het rendement van investeringen voor een verdere reductie van het broeikaseffect zo groot als mogelijk kan worden gemaakt, en om daarbij zowel de in nationaal als internationaal verband te ondernemen activiteiten te betrekken. | Kamerstukken II, 1994-1995, 23 900 XI, nr. 56 | Uitvoering aan deze motie is gegeven met Kamerstukken II, 1995–1996, 24 785, nr.1. |
| Crone c.s. | ||
| Over Joint Implementation herbevestigen zij de afspraken in het NMP 2 en spreken zij uit dat bij nieuwe verdragsverplichtingen over CO2, Joint Implementation een belangrijke rol kan spelen. | Kamerstukken II, 1994-1995, 23 900 XI, nr. 57 | Uitvoering aan deze motie is gegeven met Kamerstukken II, 1995–1996, 24 785, nr. 1. |
| Esselink | ||
| Verzoekt met klem de aanvullende notitie mest- en ammoniakbeleid voor 1 oktober 1995 aan de Kamer aan te bieden. | Kamerstukken II, 1994-1995, 19 882, nr. 51 | Aan deze motie is uitvoering gegeven met Kamerstukken II, 1995–1996, 24 445, nr.15. |
| Crone c.s. | ||
| I.v.m. een sterk stijgende lijn m.b.t. een aantal milieuheffingen verzoeken zij te blijven zoeken naar mogelijkheden om de hoogte van de heffingen zoveel mogelijk in overeenstemming te brengen met het «vervuiler betaalt» beginsel en het veroorzakingsbeginsel en daartoe de nodige experimenten te blijven bevorderen. | Kamerstukken II, 1995-1996„ 24 400 XI, nr. 21 | De uitvoering van deze motie wordt beschreven in het Milieuprogramma 1997–2000 dat gelijktijdig met de begroting 1997 aan de Kamer wordt aangeboden, waarmee deze motie gestand gedaan is. |
| Dijksma c.s. | ||
| Verzoeken om de mogelijkheid van een Duurzaamheidscontract met Roemenië te onderzoeken en het resultaat van dit onderzoek aan de Kamer voor te leggen. | Kamerstukken II, 1995-1996, 24 400 XI, nr. 22 | In 1996 wordt een Memorandum of understanding met Roemenië afgesloten, en daarmee zal de motie gestand zijn gedaan. |
| Dijksma c.s. | ||
| Ter versterking van het democratiseringsproces in Oost-Europa is blijvende aandacht voor opbouw van milieudeskundigheid bij de overheden en milieubewegingen aldaar nodig. Verzocht wordt daarom de financiering van de EPCEM te continueren. | Kamerstukken II, 1995-1996, 24 400 XI, nr. 23 | Over het gestelde in deze motie zijn onderhandelingen met Buitenlandse Zaken gaande om de financiering bij het MATRA-programma onder te brengen. |
| Klein Molekamp c.s. | ||
| Verzoeken om versnelde inventarisatie van de belemmeringen die een praktische uitvoering van de bodemsanering in de weg staan waardoor de feitelijke bodemsanering nog onvoldoende van de grond komt en zij willen hierover op korte termijn geïnformeerd worden. | Kamerstukken II, 1995-1996, 24 400 XI, nr. 27 | Met brief aan de Kamer d.d. 10 juni 1996, nr. DGM/DBO 96 031 998 wordt uitvoering gegeven aan deze motie. |
| Klein Molekamp c.s. | ||
| M.b.t. het structurele tekort aan verbrandinsgscapaciteit en stortlocaties verzoeken zij om binnen 3 maanden een beleidsnotitie te ontvangen waarin de afvalverwerking op lange en korte termijn opgenomen is en tevens voorstellen tot wetswijziging die de nieuwe centrale rol van de rijksoverheid tot zijn recht doet komen, bevat. | Kamerstukken II, 1995-1996, 24 400 XI, nr. 28 | Op basis van het advies van de Commissie Epema zal in 1996 een standpunt worden bepaald, waarna de Kamer geïnformeerd zal worden. |
| Stellingwerf c.s. | ||
| Verzoeken om in overleg te treden met VNG en IPO om duidelijkheid te krijgen over hoe de vrijstellingsbevoegdheid van de provincies en de zorgplicht van de gemeenten inzake inzameling en transport van afvalwater zich, gezien het milieuhygienisch rendement, tot elkaar verhouden en onder welke voorwaarden vrijstelling kan worden verleend en de Kamer hierover te berichten. | Kamerstukken II, 1995-1996, 24 400 XI, nr. 33 | De Tweede Kamer wordt in 1996 geïnformeerd over de voortgang in de uitvoering van deze motie. |
| Stellingwerf | ||
| Uit de wens dat de vastgestelde zones in 2000 – Besluit Geluidsbelasting Kleine Luchtvaart – niet worden vergroot. | Kamerstukken II, 1995-1996, 24 400, nr. 53 | Bij de voorbereiding van de zonering voor de kleine luchtvaart zal het niet vergroten van de vastgestelde zones als uitgangspunt dienen, waarmee uitvoering wordt gegeven aan deze motie. |
| Van 't Riet | ||
| Verzoekt om bij aanwijzingen en geluidszonering van kleine luchtvaartterreinen uit te gaan van het stand-still beginsel. | Kamerstukken II, 1995-1996, 24 400 XI, nr. 54 | Bij de voorbereiding van de zonering van de kleine luchtvaart zal een landelijk stand still beginsel als uitgangspunt dienen. Hiermee is uitvoering gegeven aan deze motie. |
| Crone c.s. | ||
| M.b.t. CO2-reductiestrategie wordt verzocht in de Vervolgnota Klimaatverandering duidelijk te maken welke technische en economische mogelijkheden nodig zijn om de gewenste emissiereductie te bereiken en een kosten-batenanalyse hoe het rendement van investeringen in dit kader zo groot mogelijk kan worden gemaakt. | Kamerstukken II, 1995-1996, 24 525/22 232, nr. 4 | Aan deze motie is uitvoering gegeven in de Vervolgnota Klimaatverandering die op 24 juni 1996 is verschenen. (Kamerstukken II,1995–1996, 24 785, nr.1) |
| Middelkoop c.s. | ||
| Meent dat in het overleg dat de Kamer met de regering zal voeren over de Vervolgnota Klimaatverandering inzake de CO2-emissie-beperking zo nodig het energiebeleid opnieuw aan de orde kan worden gesteld. | Kamerstukken II, 1995-1996, 24 525/22 232, nr. 24 | Bij de behandeling van de Vervolgnota Klimaatverandering (Kamerstukken II, 1995–1996, 24 785, nr.1) kan aan deze motie uitvoering worden gegeven. |
| Augusteijn-Esser en Dijksma | ||
| Verzoeken naast de implementatie van de EU richtlijn op zo kort mogelijke termijn te komen tot het afsluiten van een nieuw verpakkingsconvenant met het bedrijfsleven. | Kamerstukken II, 1995-1996, 23 562, nr. 10 | Er wordt overleg gevoerd met de verpakkingsketen over een nieuw af te sluiten convenant. |
B. Overzicht van de toezeggingen Milieubeheer
| Omschrijving van toezegging | Vindplaats | Stand van zaken |
| Duurzaamheid | ||
| De Kamer zal begin 1995 een voorstel ontvangen voor onderzoek naar ontwikkeling van duurzaamheid in diverse sectoren en de manier waarop een maatschappelijk debat hierover wordt opgepakt. | Handelingen II, 94/95, nr. 7 | De Kamer heeft beide studies (DEOS en CPB) in maart 1996 ontvangen, waarmee aan deze toezegging is voldaan. |
| Milieurendementsbenadering | ||
| De Kamer zal een notitie ontvangen waarin de mogelijkheden van een integrale toepassing van een milieurendementsbenadering op het milieubeleid wordt gegeven. | Handelingen II, 94/95, nr. 7 | Eind 1996 zal de Kamer hierover worden geïnformeerd. |
| Bodemsanering | ||
| De Kamer zal te zijner tijd worden geïnformeerd over mogelijkheden tot verdere decentralisatie van de bodemsanering | Handelingen II, 94/95, AO 7-2-95 | Dit onderwerp wordt meegenomen in het project Beleidsvernieuwing bodemsanering (BEVER) en de heroverweging bodemsanering. De Kamer zal hierover in 1997 worden geïnformeerd. |
| De Kamer zal worden geïnformeerd over toetsingskader bodemsanering in verband met harmonisatie verschillende wetten (woningwet, warenwet, waterleidingwet e.a.) | Handelingen II, 94/95, AO 7-2-1995 | De kamer is hierover geformeerd in een brief van PM |
| Leemtewet | ||
| Voor de zomer van 1995 zal een ontwerp Leemtewet aan de Kamer worden voorgelegd. | Handelingen II, 94/95, AO 7-2-1995 | Aan deze toezegging is voldaan met Kamerstuk 24 321. |
| Tankslag | ||
| Naar aanleiding van de evaluatie van de actie tankslag zal nader worden ingegaan op de eventuele instelling van een fonds. | Handelingen II, 94/95, AO 7-2-1995 | De Kamer is hierover geïnformeerd in brief d.d. 10 juni 1996 nr. DGM/DBO 96 031 998. |
| Afvalproblematiek | ||
| De Kamer zal worden geïnformeerd over sturingsorganisaties. | Handelingen II, 94/95, AO 3 mei 1995 | Deze toezegging is gestand gedaan met brief aan de Kamer d.d. 5 maart 1995 (DGM/MBA 96 A 011 096). |
| Milieu en economie | ||
| De Kamer wordt rond de jaarwisseling 1995–1996 geïnformeerd over de resultaten van de studie naar duurzame scenario's voor economische ontwikkeling. | Handelingen II, 95/96, nr. 10 blz. 29-2141 | Beide studies zijn in maart 1996 aan de Kamer aangeboden. |
| In het parlementaire jaar 1995–1996 wordt een proeve voor een plan van aanpak voor een groene nationale boekhouding aan de Kamer voorgelegd. | Handelingen II, 95/96, nr. 10, blz. 29-2141 | Op 12 juni 1996 heeft de Minister van EZ (mede namens de Minister van VROM) een plan van aanpak terzake aan de Kamer aangeboden (AEP 96 035 233). |
| In deze Kabinetsperiode zal de nota Milieu en Economie worden uitgebracht. | Handelingen II, 95/96, nr. 10, blz. 29-2142 | Deze nota zal in het voorjaar van 1997 verschijnen. |
| Milieuheffingen | ||
| Er zal verder met de VNG gesproken worden over de mogelijkheden van tarief-differentiatie t.a.v. lokale (milieu) heffingen. | Handelingen II, 95/96, nr. 10, blz. 29-2146 | Zie motie Crone c.s. ( 24 400 XI, nr. 21). |
| Klimaat | ||
| Vooruitlopend op de vervolgnota Klimaatverandering zal de Kamer, indien mogelijk, bij de Energienota of een aparte hoofdlijnennotitie over het klimaatbeleid ontvangen, of in de Energienota zelf zal aan dit onderwerp aandacht worden besteed. | Handelingen II, 95/96, nr. 10, blz. 29-2147 | Deze motie is gestand gedaan met de Hoofdlijnennotitie terzake, Kamerstukken II, 22 232, nr.14. |
| Afvalstoffen | ||
| De Kamer zal binnen 3 maanden een praktische nota over landelijke sturing (afvalstoffenbeleid) ontvangen. | Handelingen II, 95/96, nr. 10, blz. 29-2183 | Zie motie Klein Molekamp c.s. (24 400 XI, nr. 28). |
3B OVERZICHT MOTIES EN TOEZEGGINGEN RUIMTELIJKE ORDENING
| Omschrijving van de motie | Vindplaats | Stand van zaken |
| Duivesteijn, Verbugt, Giskes, Vos, Esselink, Van Middelkoop, Stellingwerf en Poppe | ||
| De regering wordt verzocht zo spoedig mogelijk opdracht te geven tot het houden van een onderzoek waarin centraal staat welk effect de ruimtelijke ordening en de volkshuisvesting heeft op segregatie binnen de steden en met welke instrumenten deze segregatie door middel van de beleidsterreinen ruimtelijke ordening en volkshuisvesting kan worden tegengegaan en dit onderzoek en beleidsvoorstellen nog voor de begrotingsbehandeling 1996 aan de Kamer te doen toekomen. | Kamerstukken II, 1994-1995, 24 054, nr. 7 | Er is aan deze motie uitvoering gegeven door middel van een opdracht aan de Rijksplanologische Commissie een studie uit te voeren naar de problematiek van segregatie, tweedeling en werkloosheid in de grote steden en de wijze waarop het ruimtelijk instrumentarium een bijdrage aan de bestrijding daarvan kan leveren. Voor de begrotingsbehandeling 1996 is een tussenrapportage uitgebracht. Aanbieding van het eindrapport van de studie is voorzien begin 1997. |
| Esselink en Stellingwerf | ||
| De regering wordt verzocht op korte termijn een notitie voor te leggen waarin de mogelijkheden voor verkorting en integratie van procedures op de terreinen ruimtelijke ordening en milieu worden uiteengezet. | Kamerstukken II, 1994-1995, 24 054, nr. 8 | De motie is ingetrokken nadat (mondeling) was toegezegd dat de Kamer nog voor de begrotingsbehandeling 1996 het kabinetsstandpunt over de evaluatie van de WRO/BRO zal ontvangen. Dit kabinetsstandpunt is op 17 juli 1995 aan de Kamer aangeboden. (Kamerstukken II, 1994-1995, 24 254 nr. 1). |
| Esselink | ||
| De regering wordt verzocht nadrukkelijk in overweging te nemen om bij de actualisering van Vinex naast de hierin reeds genoemde glastuinbouwcentra ook de beide reeds in ontwikkeling zijnde glastuinbouwgebieden in Friesland en Flevoland als centra in Vinex op te nemen. | Kamerstukken II, 1994-1995, 24 054, nr. 10 | De motie is ingetrokken nadat in de brief van 25 april 1995 (Kamerstukken II, 1994-1995, 24 054, nr. 17) was toegezegd dat onderzoek hieromtrent zal plaatsvinden en de resultaten daarvan bij de actualisering van de Vinex te betrekken. Inmiddels is onderzoek afgerond en eindadvies uitgebracht in een brief aan de Tweede Kamer van juni 1996, met een verslag van de werkgroep. De conclusie is dat verplaatsing gewenst is. Gekoppeld aan de herstructurering wordt samen met de noordelijke provincies een totaalpakket van maatregelen ontwikkeld om het noorden als vestigingslocatie verder te versterken. Omdat het Noorden echter reeds een goed vestigingsklimaat biedt, is een verplaatsingssubsidie niet aan de orde. |
| Verbugt, Duivesteijn en Giskes | ||
| De regering wordt verzocht te komen met een strategische verkenning voor de periode 2005–2015, die recht doet aan de meest actuele ontwikkelingen op het gebied van wonen, werken, mobiliteit en milieu. | Kamerstukken II, 1994-1995, 24 054, nr. 11 | Aan de motie wordt uitvoering gegeven, in nauw overleg met de regionale besturen en gericht op besluitvorming over aanvullende woon- en werklocaties en het daarbij behorend groen en infrastructuur, voor de periode 2005–2010. Deel 1 PKB-Actualisering Vinex, wordt eind 1996 naar de Tweede Kamer gestuurd. |
| Giskes, Duivesteijn, Verbugt, Stellingwerf en Esselink | ||
| De regering wordt verzocht ervoor zorg te dragen dat bij de ontwikkeling van nieuwe woon- en werkgebieden voldoende openbaar-vervoervoorzieningen tijdig voor handen kunnen zijn. | Kamerstukken II, 1994-1995, 24 054, nr. 13. | Aan de motie is invulling gegeven via de convenanten met grote stadsgewesten en Bon-regio's, alsook met het «De Boer-geld», zoals omschreven in het rapport van de commissie-De Boer. |
| Vos, Stellingwerf | ||
| In het verzelfstandigingsproces van het openbaar vervoer waarborgen in te bouwen om openbaar vervoer op Vinex-lokaties vanaf het begin te verzekeren en een voorziening in het leven te roepen ter dekking van de exploitatietekorten in de aanloopfase. | Kamerstukken II, 1994-1995, 24 054, nr. 15. | Aan de motie is invulling gegeven via de convenanten met grote stadsgewesten en Bon-regio's, alsook met het «De Boer-geld», zoals omschreven in het rapport van de Commissie «De Boer». |
| Giskes, Verbugt, Duivesteijn, Stellingwerf, Van Middelkoop. | ||
| a. voor 1-1-96 te komen met een evaluatie van het tot op heden gevoerde beleid ten aanzien van het Groene Hart, inclusief de daaraan ten grondslag liggende uitgangspunten en de beschikbare instrumenten, alsmede – waar nodig– met voorstellen voor een nieuwe benaderingswijze van het gebied in kwestie; b. tot het moment van besluitvorming over deze voorstellen ervoor zorg te dragen dat het restrictief beleid ten aanzien van het Groene Hart wordt nageleefd. | Kamerstukken II, 1994-1995, 24 054, nr. 19. | De evaluatie van het Groene Hart beleid zoals bedoeld in de motie Giskes van 1995 zal samen met de nota Randstad en Groene Hart aan de Tweede Kamer toegestuurd worden op de derde dinsdag in september. |
3C OVERZICHT MOTIES EN TOEZEGGINGEN VOLKSHUISVESTING
| Omschrijving van de motie | Vindplaats | Stand van zaken |
| Versnel-Schmitz en Duivesteijn | ||
| De Regering wordt verzocht in het bijzonder de positie van instellingen met een onevenredig deel van met kapitaalmarktleningen gefinancierd DKP-bezit te volgen, jaarlijks te rapporteren en tijdig extra maatregelen te treffen – bijvoorbeeld door een speciale voorziening in het CFV – indien daartoe aanleiding bestaat. | Kamerstukken II, 1994-1995, 23 817, nr. 26 | In brief van 28 juni 1995 (Kamerstukken II, 1994-1995, 23 817, nr. 41) is verbeterde monitoring van de financiële positie van de sector aangekondigd. Rapportage zal eind 1996 plaatsvinden aan de hand van de rapportages over de financiële kerngegevens van de instellingen, die na 1 juli 1996 beschikbaar zijn gekomen. |
| Versnel-Schmitz, Duivesteijn en Hofstra | ||
| De Regering wordt verzocht de prestatie-eisen ten aanzien van de besteding van het maatschappelijk kapitaal ten behoeve van de sociale huisvesting zo te regelen dat het streven, de sector op termijn zichzelf in stand te doen houden, realiteit kan worden. | Kamerstukken II, 1994-1995, 23 817, nr.27 | Aan de motie is door par. 3 brief 28 juni 1995 (Kamerstukken II, 1994-1995, 23 817, nr. 41) invulling gegeven. Na bespreking in oktober en november 1995 (Kamerstukken II, 1995-1996, 23 817, nr.54) volgde hierop een motie over BBSH-verantwoordingsveld: zie motie Kamerstukken II, 1995-1996, 23 817, nr. 46. |
| Versnel-Schmitz en Duivesteijn | ||
| De Regering wordt verzocht na te gaan of het mogelijk is een vertegenwoordiger van de huurders op te nemen in het bestuur van het Centraal Fonds van Volkshuisvesting. | Kamerstukken II, 1994-1995, 23 817, nr.28 | In brief 28 juni 1995 (Kamerstukken II, 1994-1995, 23 817, nr. 41) is aangegeven dat Woonbond geen zitting wil nemen, zolang huidige taak- en doelstelling ongewijzigd blijft. Dit is in oktober en november 1995 met de Kamer besproken (Kamerstukken II, 1995-1996, 23 817, nr. 54). |
| Duivesteijn, Hofstra en Versnel-Schmitz | ||
| De Regering wordt verzocht voor 1 juli 1995 te komen met een voorstel tot wijziging dan wel aanvulling van artikel 11 van het BBSH met een meer adequate omschrijving van wat moet worden verstaan onder het «uitsluitend op het gebied van de volkshuisvesting» werkzaam zijn. | Kamerstukken II, 1994-1995, 23 817, nr. 29 | Aan de motie is in par. 2 brief 28 juni 1995 (Kamerstukken II, 1994-1995, 23 817, nr. 41) invulling gegeven. Dit is in oktober en november 1995 met de Kamer besproken (Kamerstukken II, 1995-1996, 23 817, nr. 54). Is betrokken bij de wijzigingsvoorstellen van het BBSH per 1-1-97. |
| Duivesteijn en Versnel-Schmitz | ||
| De Regering wordt verzocht voor 1 juli 1995 te komen met een voorstel tot wijziging dan wel aanvulling van het BBSH waarin is opgenomen: –dat t.b.v. de totstandkoming van gemeentelijke volkshuisvestingsplannen de toegelaten instellingen in overleg met lokale overheden komen tot de opstelling van een meerjaren beleids- en activiteitplan met daarin opgenomen concreet toetsbare prestatie-afspraken;–dat de in het meerjaren beleids- en activiteitenplan gemaakte prestatie-afspraken het toetsingskader vormen voor het toezicht door de lokale overheid. | Kamerstukken II, 1994-1995, 23 817, nr. 30 | Aan de motie is in par. 4 brief 28 juni 1995 (Kamerstukken II, 1994-1995, 23 817, nr. 41) invulling gegeven. Dit is in oktober en november 1995 met de Kamer besproken (Kamerstukken II, 1995-1996, 23 817, nr. 54). Is betrokken bij de wijzigingsvoorstellen van het BBSH per 1-1-97. |
| Duivesteijn en Versnel-Schmitz | ||
| De Kamer spreekt uit dat de kaders voor het huurbeleid, indien door de Kamer gewenst, jaarlijks zullen worden besproken aan de hand van het standpunt van de regering. | Kamerstukken II, 1994-1995, 23 817, nr. 32 | Het standpunt van de Regering wordt jaarlijks verwoord in de Huurbrief. |
| Duivesteijn, Hofstra en Versnel-Schmitz | ||
| De Regering wordt verzocht op korte termijn: –in overleg met de Algemene Rekenkamer te komen tot de instelling van een onafhankelijk instituut voor financieel toezicht; –het toezicht te concentreren op de doelmatigheid en de rechtmatigheid van het financieel beleid; –het beoogde instituut de bevoegdheid te geven tot het doen van zelfstandig onderzoek naar de solvabiliteit van afzonderlijk toegelaten instellingen en daarover de regering adviseert en aan de Kamer verslag doet. | Kamerstukken II, 1994-1995, 23 817, nr. 37 (vervanging van nr. 31) | Bij de behandeling van de 28 juni brief (Kamerstukken II, 1995-1996, 23 817, nr. 54) is afgesproken de conclusies van het ARK-onderzoek over toezicht in 1993 en 1994 af te wachten. Nader advies van de ARK over College van Advies is reeds op 21-11-95 ter kennisname aan Tweede Kamer gestuurd. Zie ook de paragraaf over toezicht op de woningcorporaties in hfdst. 4 van de MvT. |
| Jeekel | ||
| De Regering wordt verzocht in het BBSH te regelen, dat de stichtingskosten (excl. toeslag p.v.o. en meerwerk) van door toegelaten instellingen gebouwde koopwoningen niet hoger mogen zijn dan de (geïndexeerde) bovenprijsgrens van de categorie middeldure woningen op grond van het BWS 1995. | Kamerstukken II, 1994-1995, 23 817, nr. 45 | Deze motie is aanvaard in de zin van stichtingskosten «gemiddeld per project». Is betrokken bij de wijzigingsvoorstellen van het BBSH per 1-1-97. |
| Jeekel en Duivesteijn | ||
| De Regering wordt verzocht aan het BBSH een verantwoordingsveld toe te voegen gericht op het vermelden van prestaties betreffende de investeringen en de aanwending van de eigen reserves. | Kamerstukken II, 1994-1995, 23 817, nr. 46 | Is betrokken bij de wijzigingsvoorstellen van het BBSH per 1-1-97. |
| Esselink en Duivesteijn | ||
| Het is gewenst dat een deugdelijke motivering wordt gegeven van de huurprijsstijging boven een bepaald percentage binnen de huursombenadering. Over een dergelijke huurprijsstijging dient behoorlijk overleg te worden gevoerd tussen huurder en verhuurder. De huurcommissies dienen versneld een toetsingsbevoegdheid inzake deze aangescherpte procesvereisten te krijgen. De Regering wordt verzocht benodigde wijziging van de Huurprijzenwet Woonruimte vóór de volgende huurverhogingsronde van 1 juli 1995 operationeel te laten zijn. | Kamerstukken II, 1994-1995, 23 900, nr. 30 | Het wetsvoorstel is op 2-4-96 door de Eerste Kamer verworpen. Zie ook de paragraaf over betaalbaarheid in hst.4 van de MvT. Zie ook motie Kamerstukken II, 1995-1996, 24 465, nr.19. |
| Te Veldhuis, Duivesteijn en Jeekel | ||
| De Regering wordt verzocht in de jaren 1996 t/m 1998 een aantal voorbeeldprojecten duurzaam bouwen te (laten) realiseren, ter vergroting van de bewustwording. | Kamerstukken II, 1995-1996, 24 280, nr. 6 | In de zomer van 1996 is bij brief van Staatssecretaris Tommel een budget van 12½ miljoen toegekend aan de SEV ter uitvoering. Het project wordt vanuit VROM nauwgezet gevolgd. Zie ook de paragraaf over duurzaam bouwen in hst. 4 van de MvT. |
| Duivesteijn c.s. | ||
| De Regering wordt verzocht om zo spoedig mogelijk in overleg met de besturen van betrokken (regio)gemeenten en de daarbinnen werkzame woningcorporaties te komen tot een samenhangend pakket van maatregelen binnen de volkshuisvesting waarmee ruimtelijke segregatie effectief kan worden tegengegaan. De Regering wordt tevens verzocht dit pakket van maatregelen vast te leggen in een aanvulling op de reeds bestaande convenanten, welke met de betrokken gemeenten in het kader van het Grote Stedenbeleid zijn afgesloten. | Kamerstukken II, 1995-1996, 24 400 XI, nr. 20 | In brief van 1-12-95 (Kamerstukken II, 1995-1996, 24 400 XI, nr. 39) wordt gewezen op bijdrage aan tegengaan van segregatie door herstructurering en differentiatie en door de met de grote steden afgesloten convenanten. Voor het beleid inzake het tegengaan van de segregatie alsmede voor de gezamenlijke rapportage van het Rijk en de 4 Grote Steden «De gedifferentieerde stad» wordt verwezen naar de paragraaf stedelijke vernieuwing in hst. 4 van de MvT. |
| Jeekel en Duivesteijn | ||
| De Kamer spreekt als haar mening uit dat de in het regeerakkoord extra ter beschikking gestelde middelen beschikbaar dienen te blijven voor de volkshuisvesting. | Kamerstukken II, 1995-1996, 24 400 XI, nr. 29 | Verwezen wordt naar de eerste suppletore begroting 24 juni 1996 (Kamerstukken II, 1995-1996, 24 731, nr. 2). |
| Hofstra en Duivesteijn | ||
| De Regering wordt genodigd: –in overleg te treden met de koepels van corporaties om af te zien van de wettelijke verplichte 3,5% minimale verhoging van de huursom; –indien koepels niet mee willen of kunnen werken en de feitelijk inflatie of 1995 minder dan 2% blijkt te zijn: ontheffing verlenen aan alle corporaties, tenzij de wet dit niet toelaat; –het huurverhogingspercentage waarboven aan de procesvereisten moet worden voldaan, te verlagen van 3,8% naar 2,8% voor 1996, met dien verstande dat voor huren tot f 500,– een maximaal bedrag geldt van f 14,–; –nader voorstellen te doen over het uitdrukken van de huurverhogingen in centen i.p.v. procenten voor het huurbeleid vanaf 1997. | Kamerstukken II, 1995-1996, 24 400 XI, nr. 49 | Voor de standpuntbepaling hierover wordt verwezen naar de paragraaf betaalbaarheid in hst. 4 van de MvT. |
| Jeekel en Van der Burg | ||
| De Regering wordt verzocht met het oog op 1997 en later met zodanige voorstellen te komen dat Huurcommissies de mogelijkheid krijgen te toetsen op de toereikendheid van de informatie van de verhuurders. | Kamerstukken II, 1995-1996, 24 465, nr. 18 | Het wetsvoorstel is op 2-4-96 door de Eerste Kamer verworpen. Verwezen wordt naar de paragraaf betaalbaarheid in hst. 4 van de MvT. |
| Van der Burg en Jeekel | ||
| De regering wordt verzocht op korte termijn een AMvB op te stellen met de beschrijving van representatieve huurders-organisaties, zoals deze is verwoord in het Advies van de Commissie huurders-verhuurders van 22-9-93 en deze zo spoedig mogelijk in werking te laten treden. | Kamerstukken II, 1995-1996, 24 465, nr. 19 | Het wetsvoorstel is op 2-4-96 door de Eerste Kamer verworpen. Verwezen wordt naar de paragraaf betaalbaarheid in hst. 4 van de MvT. |
| Duivesteijn | ||
| De Regering wordt verzocht bij de definitieve opstelling van de Wet op de individuele huursubsidie uit te gaan van handhaving van de bestaande regeling voor subsidiëring van niet zelfstandige woonruimte. | Kamerstukken II, 1995-1996, 24 506, nr. 5 | Is betrokken bij wetsvoorstel IHS, dat voor advies bij Raad van State ligt. Toelichting wordt gegeven bij de MvT op de Wet op de individuele huursubsidie. |
| Duivesteijn | ||
| De Regering wordt verzocht bij de opstelling van de najaarsnota 1996 dan wel bij de voorbereiding van de begroting 1998 additionele middelen vrij te maken om woningen tot een huurprijs van 607 gulden niet te belasten met een kwaliteitskorting van 20%. | Kamerstukken II, 1995-1996, 24 506, nr. 7 | Is betrokken bij wetsvoorstel IHS, dat voor advies bij Raad van State ligt. Toelichting wordt gegeven bij de MvT op de Wet op de individuele huursubsidie. |
| Biesheuvel | ||
| De Regering wordt verzocht de vermogenstoets in de IHS voor zowel een- als meerpersoonshuishoudens overeen te laten komen met de vermogensvrijstelling voor eigenaar-bewoners in de Algemene bijstandswet. | Kamerstukken II, 1995-1996, 24 506, nr. 23 | Is betrokken bij wetsvoorstel IHS, dat voor advies bij Raad van State ligt. Toelichting wordt gegeven bij de MvT op de Wet op de individuele huursubsidie. |
| Duivesteijn en Jeekel | ||
| De Regering wordt verzocht bij de opstelling van de wet te komen met nadere voorstellen inzake de rol van de rijksoverheid waarin de betaalbaarheid en toegankelijkheid van de kernvoorraad voor de langere termijn wordt veilig gesteld. | Kamerstukken II, 1995-1996, 24 506, nr. 24 | Zie de paragraaf betaalbaarheid in hst. 4 van de MvT. |
| Duivesteijn en Jeekel | ||
| De Regering wordt verzocht bij de opstelling van de wet op de huursubsidie uit te gaan van de volgende wijziging: een aftoppingsgrens van 764 gulden voor 1-persoons-huishoudens en een aftoppingsgrens voor de overige huishoudens van 819 gulden. | Kamerstukken II, 1995-1996, 24 506, nr. 25 | Is betrokken bij wetsvoorstel IHS, dat voor advies bij Raad van State ligt. Toelichting wordt gegeven bij de MvT op de Wet op de individuele huursubsidie. |
| Duivesteijn | ||
| De Regering wordt verzocht bij de opstelling van de Wet op de huursubsidie uit te gaan van de volgende wijziging: verlaging van de eigen huurbijdrage voor alleenstaanden van 318 naar 300 gulden. | Kamerstukken II, 1995-1996, 24 506, nr. 26 | Is betrokken bij wetsvoorstel IHS, dat voor advies bij Raad van State ligt. Toelichting wordt gegeven bij de MvT op de Wet op de individuele huursubsidie. |
| Jeekel en Duivesteijn | ||
| De Regering wordt verzocht bij de definitieve opstelling van de Wet individuele huursubsidie uit te gaan van handhaving van de huidige regeling voor subsidiëring van servicekosten en de financiële aanpassing, groot 9 miljoen, te vinden in een efficiëntere uitvoering van de regeling. | Kamerstukken II, 1995-1996, 24 506, nr. 28 | Is betrokken bij wetsvoorstel IHS, dat voor advies bij Raad van State ligt. Toelichting wordt gegeven bij de MvT op de Wet op de individuele huursubsidie. |
| Biesheuvel | ||
| De Regering wordt verzocht een studie te doen naar een IHS-systematiek gebaseerd op aan het (gecorrigeerde) belastbare inkomen gekoppelde normhuurquoten, met een aan het belastbaar inkomen gerelateerde normhuurquote van 15% op minimuminkomensniveau, en over het resultaat hiervan de Kamer te rapporteren. | Kamerstukken II, 1995-1996, 24 506, nr. 29 (wijziging van nr. 10) | Zie de paragraaf betaalbaarheid in hfdst. 4 van de MvT. |
| Duivesteijn, Van Rey en Jeekel | ||
| De Regering wordt verzocht voor de begrotingsbehandeling volkshuisvesting 1996: –te komen met een evaluatie BBSH en waar nodig voorstellen te doen waardoor de toepassing, de controleerbaarheid en het toezicht ervan wordt verbeterd; –te komen met voorstellen die in de bestuursstructuur van de sociale huursector de vermenging van belangen (dubbele petten) tussen de verschillende instellingen uitsluit; –maatregelen te nemen in de interne organisatiestructuur van VROM, waarbij voor «gevoelige dossiers» afspraken worden gemaakt. | Kamerstukken II, 1995-1996, 24 339, nr. 19 (tijdens WBL-debat, 26-6-96) | Bedoeld wordt begrotingsbehandeling 1997. Tijdens debat is aangeven dat meer tijd nodig zal zijn en ruimte nodig is om af te stemmen op de lopende wijzigingen van het BBSH. Ook is tijdens debat aangegeven dat het goed is voor zowel organisatie als personeel als na enige jaren de mogelijkheid van job rotation geboden wordt. Zie verder de paragraaf over de sociale huursector in hfdst. 4 van de MvT. |
B. Overzicht van toezeggingen Volkshuisvesting
| Omschrijving van de toezegging | Vindplaats | Stand van zaken |
| Huisvestingswet | ||
| Vijf jaar na de inwerkingtreding van de Huisvestingswet vindt evaluatie plaats t.a.v. de volgende punten: –Of hetgeen gemeenten privaatrechtelijk regelen op het terrein van de woonruimteverdeling, door middel van erfpachtcontracten, zich verdraagt met de Huisvestingswet. –de rol van de provincie zal gezien de ontwikkelingen m.b.t. BON II actief gevolgd worden. –Het toezicht op het stellen van eisen van economische en maatschappelijke binding zal op rijksniveau gevolgd worden. Ook zullen de ontwikkelingen van het Europese recht op dit gebied gevolgd worden. –Het functioneren van de klachtencommissie. | Plenaire behandeling Huisvestingswet d.d. 18, 26 en 27 februari 1992 Kamerstukken II, 1991-1992, 20 520 AO op 22-2-96 (Kamerstukken II, 1995-1996„ 24 400 XI, nr. 66) | Het evaluatiemoment is vervroegd naar 1995 i.v.m. geconstateerde knelpunten in de bestuurlijke praktijk. Bij brieven van 17 juli 1995 (Kamerstukken II, 1994-1995, 23 900, nr.75) en 22 december 1995 (Kamerstukken II, 1995-1996, 24 400 XI, nr. 46) is de Tweede Kamer geïnformeerd over de stand van zaken. Op 22 februari 1996 heeft hierover een Algemeen Overleg plaatsgevonden (Kamerstukken II, 1995-1996, 24 400 XI, nr. 66). De wet wordt gewijzigd en treedt – volgens planning – per 1 juli 1997 in werking. |
| Liberalisatie | ||
| Na 5 jaar wordt de invoering van de liberalisatie geëvalueerd. In 1997 worden de resultaten aan de Tweede Kamer gerapporteerd. | Kamerbehandeling huidige liberalisatie in 1992. Begrotingsbehandeling 1996 in Eerste Kamer. AO Trendbrief 16-4-96 (Kamerstukken II, 1995-1996, 24 508, nr. 8) | Analyses worden gestart. Rapportage vindt naar verwachting bij volgende begroting plaats. |
| Woonwagens | ||
| Een ontwerp van wet tot intrekking van de Woonwagenwet zal aan de Tweede Kamer worden voorgelegd. | Kamerstukken II, 1994-1995, 23 901, nrs. 1 en 2 | In het najaar van 1996 zal bij de Tweede Kamer een voorstel van wet worden ingediend tot intrekking van de huidige Wet op de woonschepen en de Woonwagenwet. In samenhang daarmee zal in de Huisvestingswet een voorrangsregeling worden opgenomen voor woonwagenbewoners bij de toewijzing van standplaatsen. Beoogde inwerkingtreding nieuwe regeling is 1 juli 1997. |
| Financiële ondersteuning huurdersorganisaties. | ||
| Aan de hand van het Algemeen Overleg 16-4-96 over de integrale herziening huurbeleid zal nader kunnen worden bezien welke alternatieve mogelijkheden bestaan om de positie van de huurder te versterken en hoe deze uitgewerkt zouden kunnen worden. | Kamerstukken II, 1994-1995 Begrotingsbehandeling 1995, 23 900 XI. Brief aan Tweede Kamer op 9 april 1996 (Kamerstukken II, 1995-1996, 24 465, nr. 31) | Zie stand van zaken bij de motie Kamerstukken II, 1995-1996, 24 465, nr. 19. |
| Tijdelijke stimuleringsregeling DUBO | ||
| Bij de Begroting 1997 zal, indien er financiële meevallers zijn, worden bezien of de kasmiddelen van de Tijdelijke Stimuleringsregeling DUBO vervroegd kunnen worden uitgekeerd. | AO Plan van Aanpak Duurzaam Bouwen 13-12-95 (Kamerstukken II, 1995-1996, 24 280, nr. 9) Brief 15 december 1995 (Kamerstukken II, 1995-1996, 24 280, nr. 7) | Binnen de beschikbare budgettaire ruimte is prioriteit gegeven aan de uitfinanciering van de budgetten voor voorbeeldprojecten duurzaam bouwen. |
| Ouderenhuisvesting | ||
| aBij de Begroting 1997 zal worden gerapporteerd over de kwantificering van de investeringsopgave m.b.t. ouderenhuisvesting. bMonitoring: eind 1996 zal de Tweede Kamer worden gerapporteerd over de resultaten van de monitoring van de lokale praktijk m.b.t. ouderenhuisvesting. cLiftenregeling: de Tweede Kamer zal zo spoedig mogelijk worden gerapporteerd over de uitkomst van de bespreking met de VNG over het vervolg van de liftenregeling. dGroepswonen: de Tweede Kamer zal t.z.t. worden geïnformeerd over de resultaten van een binnenkort te starten evaluatief onderzoek naar 10 jaar praktijk van groepswonen voor ouderen. | AO Trendbrief, onderdeel ouderen 15-2-96 (Kamerstukken II, 1995-1996, 24 508, nr. 6) Trendbrief 17-11-95 (Kamerstukken II, 1995-1996, 24 508, nr. 1) | aDe kwantificering v/d investeringsopgave wordt betrokken bij het prognosemodel. bDe IVH rapporteert in oktober/november. cEr vinden gesprekken plaats tussen VROM en BiZa over het oormerken van het liftenbudget t.b.v. ouderenhuisvesting. dHet onderzoek wordt in het 3e kwartaal aanbesteed. |
| Niet-winst beogende instellingen | ||
| Het risico-profiel van de niet-winstbeogende instellingen zal opnieuw worden bezien. | AO modernisering ouderenzorg 15-2-96 (Kamerstukken II, 1995-1996, 24 333, nr. 9) over Brief van 21-12-95 (Kamerstukken II, 1995-1996, 24 333, nr.6). Brief 26 april 1996 (Kamerstukken II, 1995-1996, 24 333, nr. 11). | Verwezen wordt naar de paragraaf sociale huursector in hst. 4 van de MvT. |
| Prognosemodel | ||
| Bezien wordt wat de financiële ontwikkeling van de corporaties de komende vijftien jaar is mede rekening houdend met enerzijds de gewenste investeringen en anderzijds een gematigde huurontwikkeling. | AO Trendbrief, onderdeel ouderen 15-2-96 (Kamerstukken II, 1995-1996, 24 508, nr. 6) Trendbrief 17-11-95 (Kamerstukken II, 1995-1996, 24 508, nr. 1) | Tegelijk met de stukken voor de Begroting 1997 wordt de Tweede Kamer separaat gerapporteerd. Zie ook de paragraaf sociale huursector in hst. 4 van de MvT. |
| Integrale herziening huurbeleid | ||
| In kader van integrale herziening huurbeleid over de volgende onderwerpen rapporteren: 1adequaatheid instrumentarium (opschoning/hercodificatie en afstemming HPW/WHC en nBW); 2toezicht op huurcommissies naar Rijk; 3versterking positie huurders bij m.n. achterstallig onderhoud; 4uitbreiding/verhoging leges, tweezijdige leges, winnaar krijgt leges terug; 5beoordeling van niet of slecht geïsoleerde woonruimte (i.v.m. Dubo); 6mogelijkheid/wenselijkheid sturing op huurontwikkeling (maximale huursom en afspraken Rijk-verhuurders over huurontwikkeling). | Kamerstukken II, 1994-1995 Begrotingsbehandeling 1995, 23 900 XI. Trendbrief 17-11-95 (Kamerstukken II, 1995-1996, 24 508, nr. 1) AO Trendbrief 16-4-96 (Kamerstukken II, 1995-1996, 24 508, nr. 8) AO Plan van Aanpak Duurzaam Bouwen 13-12-95 (Kamerstukken II, 1995-1996, 24 280, nr. 9) | Ad 1 en 6: De Tweede Kamer wordt gerapporteerd door middel van in voorbereiding zijnde Wetsvoorstel hercodificatie. Het Wetsvoorstel zal naar verwachting in de zomer 1997 naar Tweede Kamer worden verzonden. Zie ook de paragraaf betaalbaarheid in hst. 4 van de MvT. Ad 2 t/m 4: De Tweede Kamer wordt gerapporteerd door middel van in voorbereiding zijnde Wetsvoorstel onderhoud, leges en toezicht Huurcommissies, dat naar verwachting op 1-1-98 in werking treedt. Ad 5: In de eerste tussenrapportage duurzaam bouwen van 26-4-96 (Kamerstukken II, 1995-1996, 24 280, nr. 10) is aangegeven dat detailregulering niet past bij de ingeslagen weg. Met de Huurcommissies wordt wel uitgewerkt hoe in het nieuwe stelsel met het punt van energie zal worden omgegaan. |
| Integrale herziening huurbeleid | ||
| Bezien wordt of bij collectieve klachten van groepen huurders maar eenmaal leges hoeft te worden betaald in plaats van per individu. | AO Trendbrief 16-4-96 (Kamerstukken II, 1995-1996, 24 508, nr. 8) | Wordt betrokken bij het Wetsvoorstel onderhoud, leges en toezicht Huurcommissies, dat naar verwachting op 1-1-98 in werking treedt. |
| Integrale herziening huurbeleid | ||
| Het bezien van het aanschrijvingsinstrumentarium op effectiviteit. | AO Trendbrief 16-4-96 (Kamerstukken II, 1995-1996, 24 508, nr. 8) | Verwezen wordt naar de Evaluatie Bouwbesluit en Woningwet, die in het najaar van 1996 aan de Tweede Kamer wordt toegezonden. |
| Integrale herziening huurbeleid | ||
| De Regering wordt verzocht een internationale vergelijking van de huurprijsregelgeving te maken die met name gericht is op de vraag of Nederland meer dan gemiddeld is gereguleerd. | AO Trendbrief 16-4-96 (Kamerstukken II, 1995-1996, 24 508, nr.8) | De Tweede Kamer is in juli 1996 hierover gerapporteerd. |
| Integrale herziening huurbeleid | ||
| De Regering wordt verzocht een effectenanalyse te maken inzake de wijziging van het woningwaarderingssysteem (inhoudende vervanging huidige puntenstelsel naar grondslag gebaseerd op de WOZ-waarde). | AO Trendbrief 16-4-96 (Kamerstukken II, 1995-1996, 24 508, nr. 8) | De Tweede Kamer is in juli 1996 hierover gerapporteerd. |
| Trendbrief | ||
| 1Uitkomsten van exercities – het streven is voor de Kaderbrief – naar de Tweede Kamer: aoverleg met vier grote steden over segregatieproblematiek; bin overleg met regio's opstellen van regionale woningmarktprofielen; cde regionale uitwerking van het prognosemodel sociale huursector. 2Kamer wordt gerapporteerd over voortgang van de woningbouw en uitbreidingsprodukties tot 2000, alsmede over de regionale uitsplitsing van de kwalitatieve behoeftecijfers 1998–2005. 3Er volgt een schriftelijke reactie op brieven van organisaties n.a.v. Trendbrief vhv '95. 4Een notitie over de leegstand in de huursector zal worden opgesteld. | AO Trendbrief 24-1-96 (Kamerstukken II, 1995-1996, 24 508, nr. 5) AO 19-6-96 Vervolg-Trendbrief/voortgang woningbouw. (Kamerstukken II, 1995-1996, 24 508, nr. (nog niet bekend)) | 1aZie stand van zaken bij motie: Kamerstukken II, 1995-1996, 24 400 XI, nr. 20. 1b,cRegionale uitwerking en profielen: begin 97 gereed. Het prognosemodel («macro-model») gaat bij de begroting 1997. 2,3Is gebeurd bij brief van 26-4-96. (Kamerstukken II, 1995-1996, 24 508, nr. 7) 4Deze notitie zal aan de Tweede Kamer rond de begrotingsbehandeling 1997 worden gestuurd. Zie ook de paragraaf stedelijke vernieuwing in hst.4 van de MvT. |
| Vervolg-Trendbrief/voortgang woningbouw | ||
| 1Onderzoeksuitkomsten Belstato in januari 1997 naar de Tweede Kamer. 2Bij begroting wordt teruggekomen op het behoud en de betaalbaarheid van de kernvoorraad. 3Herbevestiging wijzigingsvoorstel Huisvestingswet. | AO 19-6-96 Vervolg-Trendbrief/voortgang woningbouw. (Kamerstukken II, 1995-1996, 24 508, nr. (nog niet bekend)) | 1Verloopt volgens planning. Zie ook de paragraaf stedelijke vernieuwing in hst. 4 van de MvT. 2Zie de paragraaf betaalbaarheid in hst. 4 van de MvT. 3Zie toezeggingen bij Huisvestingswet en de paragraaf betaalbaarheid in hst.4 van de MvT. 4Zie de paragraaf over stedelijke vernieuwing in hst. 4 van de MvT. |
| Zwakke instellingen | ||
| Aan het einde van het jaar wordt – mede aan de hand van de kerngegevens 1995, waarin de feitelijke verwerking van de brutering dan heeft plaatsgevonden – een nader overzicht gepresenteerd van de individuele situatie. | Kamerstukken II, 1995-1996 Vragenuur 24-4-96. Brief 21-5-96 (Kamerstukken II, 1995-1996, 24 400 XI, nr. 72) | Eind 1996 wordt de Tweede Kamer gerapporteerd. |
| Huursomwet | ||
| Aan de Kamer zal jaarlijks gerapporteerd worden over het probleem van de dalende huurontwikkeling versus het subsidie-afbraakpercentage van beleggerswoningen in de bijdrage | Kamerstukken I, 1995–1996 24 507, nr. (nog niet bekend) Behandeling Huursomwet in Eerste Kamer op 18 juni 1996 | Rapportage vindt in najaar van 1996 plaats. |
| Rapportage NWI's | ||
| De Kamer kan de rapportage over het onderzoek naar het risicoprofiel van de NWI's – naar verwachting aan het eind van dit jaar– tegemoet zien. | WBL debat 26 juni 1996. | Zie de paragraaf over de sociale huursector in hst. 4 van de MvT. |
| Toezicht | ||
| De hoofdlijnen voor het toekomstig toezicht zijn:1versterken van het interne toezicht binnen de toegelaten instellingen als keten van de gehele toezichtsstructuur; 2het richten van de rol van de gemeente op de volkshuisvestingsprestaties van die toegelaten instellingen. In overleg met BiZa volgen nadere voorstellen om gemeenten aan te kunnen spreken als verantwoordelijkheden m.b.t tot de volkshuisvestingsprestaties onvoldoende worden opgepakt; 3versterken van de rol van het Rijk, het WSW en het CFV ter zake van het financieel toezicht, met name op het zeer belangrijke punt van «early warning», en het bezien van de bestuurssamenstelling daarbij van het Centraal Fonds; 4er moet een task force rijkstoezicht komen op de financieel zwakke instellingen voor de korte termijn; 5het realiseren van de maatregelen uit de brief van 28 juni 1995; 6het aanpassen van het sanctie-instrumentarium zoals het overnemen van de bestuursbevoegdheden als men de aanwijzingen niet opvolgt. | WBL debat 26 juni 1996. Lijst van vragen en antwoorden (WBL) (Kamerstukken II, 1995-1996, 24 339, nr. 17/ vraag 46) | Verwezen wordt naar de paragraaf sociale huursector in hst. 4 van de MvT. |
| In samenhang behandelen | ||
| De voorstellen uit motie nr. 19 (Kamerstukken II, 1995-1996, 24 339), de mondelinge aanvullingen daarop, vergezeld van het rapport van de ARK zullen in samenhang met de evaluatie worden behandeld. | WBL debat 26 juni 1996. | Zie toezegging toezicht: hoofdlijnen toekomstig toezicht. |
DE BIJLAGE OVERZICHT CIRCULAIRES
| Overzicht circulaires Directoraat–Generaal Milieubeheer in de periode 01-07-1995/01-07-1996 | |||
| Kenmerk | Datum | Staatscrt.nr., datum | Titel |
| B/Mbb/26 795 020 | 30.08.1995 | niet gepubliceerd | MDW-operatie en regelgeving voor inrichtingen |
| B/Mbb/95 021 527 | 08.12 1995 | 247, 20–12–1995 | Regeling verslaglegging Bijdragen gemeentelijk milieubeleid |
| B/Mbb/95 029 678 | 21.12.1995 | 251, 28–12–1995 | Vamil afschrijving/Milieuinvesteringen milieulijst 1996 |
| B/Mbb/96 005 403 | 31.01.1996 | niet gepubliceerd | MDW-–operatie en regelgeving inrichtingen; uitbreiding werkingssfeer amvb's detailhandel en ambachtsbedrijven, horeca, sport en reacreatieinrichtingen |
| IBP05o95 004 | 17.10.1995 | niet gepubliceerd | Circulaire betreffende bedrijfsinterne milieuzorg als basis voor een andersoortige vergunningverlening en handhaving |
| IBPC95 025 463 | 21.12.1995 | 251, 28–12–1995 | Typekeuringsregeling verwarmingstoestellen luchtverontreiniging stikstofoxiden |
| IBP96 016 732 | 30.03.1996 | niet gepubliceerd | Circulaire betreffende uitvoering intentieverklaring papier- en kartonindustrie |
| IBP96 015 499 | 04.04 1996 | niet gepubliceerd | Circulaire betreffende uitvoering intentieverklaring textiel- en tapijtindustrie |
| DBO/31 895 001 | 03.10 1995 | 197, 11–10–1995 | Saneringsregeling Wet bodembescherming: tarief beoordeling onderzoeken en saneringsplannen |
| DBO/95 029 478 | 01.06 1996 | niet gepubliceerd | Circulaire herziening bijdrageverlening bodemsanering |
| DBO/96 002 440 | 13.06.1996 | niet gepubliceerd | Circulaire interventiewaarden bodemsanering voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen |
| MBG 96 006 131 | 29.02.1996 | niet gepubliceerd | Circulaire inzake geluidhinder veroorzaakt door wegverkeer van en naar de inrichting: beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer |
| DGM/SVS/04 795 001 | 18.08.1995 | 165, 28–08–1995 | Risicobenadering voor NS goederenemplacementen |
| SVS/96 011 908 | 27.02.1996 | 53, 14–03–1996 | Circulaire uitvoering en handhaving van het Asbestverwijderingsbesluit |
Overzicht circulaires Directoraat-Generaal Volkshuisvesting in de periode 01-07-1995/01-07-1996
| Kenmerk (mg–nummer) | Datum | Staatscrt.nr. datum | Titel |
| 95–21 | 05.07 1995 | 131, 11.07.1995 | Beëindiging per 1 juli 1995 van de mogelijkheid van subsidietoekenning aan een opvolgend eigenaar-bewoner bij verkoop van een premie-–koopwoning; vervolg mededeling. |
| 95–22 | 12.07.1995 | 135, 17.07.1995 | Rendementen gesubsidieerde woningbouw juli 1995. |
| 95–23 | 19.07.1995 | Wijziging bouwbesluit en van de regelingen bouwbesluit bruikbaarheid en energiezuinigheid | |
| 95–24 | 19.07.1995 | 140, 24.07.1995 | BTW-compensatie bij subsidiëring op voet van huurwoonwagenregelingen en herziening normbedragen standplaatsen en huurprijzen woonwagens. |
| 95–25 | 19.07.1995 | niet gepubliceerd | De uitvoering van de wet balansverkorting geldelijke steun volkshuisvesting. Deze circulaire kan besteld worden bij DGVH/BVH, Helpdesk, Postbus 7008, 8007 HA Zwolle, tel. 038–695 252. |
| 95–26 | 14.08.1995 | 162, 23.08.1995 | Rendementen gesubsidieerde woningbouw augustus 1995 |
| 95–27 | 13.09.1995 | Rendementen gesubsidieerde woningbouw september 1995 | |
| 95–28 | 04.10 1995 | Geactualiseerde lijst van erkende kwaliteitsverklaringen | |
| 95–29 | 02.10 1995 | Wet op de stads- en dorpsvernieuwing (wsdv); omvang stadsvernieuwingsfonds 1996; reservebedrag 1995 | |
| 95–30 | 10.10.1995 | 201, 17.10.1995 | Rendementen gesubsidieerde woningbouw oktober 1995 |
| 95–31 | 13.11.1995 | Rendementen gesubsidieerde woningbouw november 1995 | |
| 95–32 | 15.11.1995 | Aanpassing bedragen in besluit woninggebonden subsidies 1995 en Besluit locatiegebonden subsidies | |
| 95–33 | 04.12 1995 | Wijziging van de Regeling normering woninggebonden subsidies 1995 per 1januari 1996 | |
| 95–34 | 22.12.1995 | Tijdelijke Stimuleringsregeling duurzaam bouwen | |
| 95–35 | 14.12.1995 | Rendementen gesubsidieerde woningbouw december 1995 | |
| 95–36 | 20.12.1995 | Wijziging tijdelijke regeling geldelijke steun liftplaatsing bij bestaande woongebouwen (MG 93–04) | |
| 96–01 | 16.01.1996 | 017, 22.01.1996 | Rendementen gesubsidieerde woningbouw januari 1996 |
| 96–02 | 08.02 1996 | 033, 15.02.1996 | Rendementen gesubsidieerde woningbouw februari 1996. |
| 96–03 | 08.03 1996 | 053, 14.03.1996 | Huurbeleid waaronder de procesvereisten voor de periode 1 juli 1996 tot en met 30 juni 1997 |
| 96–04 | 13.03.1996 | 059, 22.03.1996 | Rendementen gesubsidieerde woningbouw maart 1996 |
| 96–05 | 02.04 1996 | De uitvoering van de Wet balansverkorting geldelijke steun volkshuisvesting: aanvullende richtlijnen mbt accountantscontrole op de aanvragen in het kader van de rentebijdragen herfinancieringsverliezen. | |
| 96–06 | 12.04.1996 | 079, 23.04.1996 | Rendementen gesubsidieerde woningbouw april 1996 |
| 96–07 | 01.07 1996 | 085, 03.05.1996 | Huurbeleid |
| 96–08 | 02.05 1996 | Besluit Beheer Sociale-huursector (BBSH) | |
| 96–09 | 03.05 1996 | Geactualiseerde lijst van erkende kwaliteitsverklaringen | |
| 96–10 | 01.04 1996 | Wijziging van de Regelingen Bouw besluit constructieve veiligheid en gebruiksveiligheid, brandveiligheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en aansluitvoorwaarden. | |
| 96–11 | 14.05.1996 | 097, 23.05.1996 | Rendementen gesubsidieerde woningbouw mei 1996 – Vermenigvuldigingsfactoren normen per 1 juli 1996. |
| 96–12 | 01.01 1996 | Wet op de stads- en dorpsvernieuwing (WSDV); Verslaglegging ex artikel 42. | |
| 96–13 | 11.06.1996 | Het besteden van BWS-middelen ten behoeve van het splitsen van woningen. | |
BIJLAGE INZAKE VERZOEKSCHRIFTEN VAN DE NATIONALE OMBUDSMAN
In 1995 heeft de Nationale Ombudsman over VROM 16 rapporten uitgebracht. De verdeling over de departementsonderdelen (inclusief Kadaster) is als volgt.
| 1994 | 1995 | |
| Centrale sector | 0 | 0 |
| DGVH | 13 | 10 |
| Huurcommissies | 1 | 0 |
| DGM | 2 | 2 |
| RPD | 0 | 0 |
| RGD | 0 | 0 |
| Kadaster | 2 | 4 |
| Totaal | 18 | 16 |
In 1995 heeft de Nationale Ombudsman driemaal een rapport van een aanbeveling voorzien en aan VROM voorgelegd. Het betreft:1.Bezwaarschrift huursubsidie uitblijven beslissing. De Algemene wet bestuursrecht verplicht het DGVH een beslissing te nemen op een bezwaarschrift. De Nationale Ombudsman gaf de minister dan ook in overweging te bevorderen dat alsnog een beschikking op verzoeksters bezwaarschrift zou worden afgegeven. Deze aanbeveling is opgevolgd.2.Overschrijding wettelijke indieningstermijn. De Nationale Ombudsman deed de minister de aanbeveling om verzoekster alsnog in de gelegenheid te stellen huursubsidie aan te vragen over juni 1992 en om haar, bij toekenning daarvan, in aanmerking te brengen voor toepassing van de overgangstabel. Deze aanbeveling is opgevolgd.3.Terugvordering teveel betaalde huursubsidie. De Nationale Ombudsman deed in deze zaak de aanbeveling te bevorderen dat, met betrekking tot het in 1989 aan verzoeker kwijtgescholden bedrag geen invordering plaats zou vinden, dan wel, voor zover die invordering al had plaatsgevonden, dat het betreffende bedrag aan verzoeker zou worden terugbetaald. Deze aanbeveling is opgevolgd.
Overigens, heeft de Nationale Ombudsman over de Huurcommissies, die hij als zelfstandig bestuursorgaan op het terrein van de volkshuisvesting beschouwt, wel 14 verzoekschriften ontvangen. Geen van deze verzoekschriften heeft de Ombudsman echter aanleiding gegeven tot het uitbrengen van een rapport.
Grondslagen artikel(onderdel)en en overige (achtergrond)informatie
In deze bijlage is per artikel(onderdeel) of voor een clustering van artikel(onderdel)en informatie opgenomen over de grondslagen. Bovendien is in deze bijlage de informatie opgenomen, die minder beleidsrelevant is.
Aan de in deze bijlage opgenomen informatie kunnen geen rechten worden ontleend. Met name de vermelde bedragen hebben een indicatief karakter.
Concreet betekent dit dat in deze bijlage de volgende informatie is opgenomen:1.het artikel(onderdeel)nummer of een clustering van artikel(onderdeel)nummers;2.de omschrijving van het artikel(onderdeel);3.alle wettelijke regelingen en/of besluiten, waarop nog verplichtingen worden aangegaan of uitgaven worden verricht in 1997;4.de formele vindplaats van de wettelijke regeling en/of het besluit;5.de vindplaats van de laatste wijziging van de wettelijke regeling en/of het besluit;6.de doelstelling, die de wetgever resp. de minister wil bereiken;7.de doelgroep, die de wetgever resp. de minister wil bereiken;8.de aard van de financiële stimulans of het soort instrument volgens de wettelijke regeling en/of het besluit;9.de aan te gane verplichtingen en de te verrichten uitgaven in 1997 op basis van de wettelijke regeling en/of besluit.
Deze bijlage beoogt met name de rechtmatigheid van de in 1997 aan te gane verplichtingen en te verrichten uitgaven, uit oogpunt van de betaaltitel, te waarborgen. Voor de artikelen 03.73 t/m 03.77 zou dit betekenen dat circa 50 regelingen in deze bijlage opgenomen zouden moeten worden. In verband met de toegankelijkheid van deze bijlage is er voor gekozen bij de artikel(onderdel)en die deel uitmaken van het «Niet-actieve deel» van de Volkshuisvesting-begroting de qua budgettaire omvang grote of (beleids)relevante regelingen te vermelden.
De artikelonderdelen «Ambtelijk personeel»
Op deze artikelonderdelen worden de verplichtingen en uitgaven geraamd, die verband houden met de loonkosten van het ambtelijk personeel.
Onder de loonkosten dient hier verstaan te worden: salarissen, belastbare toelagen en vergoedingen (incl. bovenmatige vergoedingen), sociale lasten, inhoudingen/kortingen, en dergelijke.
Op onderhavig artikelonderdeel worden de loonkosten voor de volgende personen geraamd:–personeel met een vast dienstverband bij VROM;–personeel met een tijdelijk dienstverband bij VROM;
De basis voor het aangaan van verplichtingen en het verrichten van uitgaven is de begrotingswet 1997.
De artikelonderdelen «Overige personele uitgaven»
Op deze artikelonderdelen worden de overige personele uitgaven, met uitzondering van de uitgaven ten behoeve van het post-actief personeel geboekt (zie de artikelonderdelen «Post-actieven»).
Dit betekent dat de volgende uitgaven op onderhavig artikelonderdeel geraamd worden:–externe medewerkers;–de uitgaven voor woon-werkverkeer, inclusief de kosten persoonlijke vervoersbewijzen in het kader van het vervoersmanagementplan VROM;–kosten in het kader van de studiefaciliteitenregeling (tegemoetkomingen in opleidingen en reiskosten medewerkers);–belastingvrije en belastbare gratificaties;–onbelaste vergoeding bewust belonen;–kosten ZVO;–uitgaven t.b.v. binnen VROM gedetacheerde medewerkers;–à priori groepen:*honoraria voor (plaatsvervangende) voorzitters;*gewetensbezwaarden;*personeel t.l.v. derden buiten de rijksoverheid;*personeel o.b.v. werkgelegenheidsmaatregelen;*stagiaires en practicanten.
De basis voor het aangaan van verplichtingen en het verrichten van uitgaven is de begrotingswet 1997.
De artikelonderdelen «Post-actieven»
Op deze artikelonderdelen worden alle uitgaven aan post-actief personeel geraamd en verantwoord. De uitgaven worden verricht in het kader van de volgende uitkeringsregelingen:–Sociaal Beleidskader VROM;–(afgekochte) wachtgelden uit hoofde van de volgende regelingen:*Wachtgeldgarantieregeling 1987;*Rijkswachtgeldbesluit 1959;*Uitkeringsregeling 1966, artikel 8 lid 1 en 2;*WWV-vervangende uitkering Overheidspersoneel;*Uitkering wegens functioneel leeftijdsontslag.
Ook de kosten van het afkopen van wachtgeld en kosten van de aanvullende maatregelen in het kader van het Sociaal Beleidskader VROM (opleidingen, outplacement, e.d.), bedoeld om te voorkomen dat herplaatsers van VROM van de wachtgeld-regeling gebruik moeten maken, komen t.l.v. deze artikelonderdelen.
De basis voor het aangaan van verplichtingen en het verrichten van uitgaven is de begrotingswet 1997.
De artikelonderdelen «Algemene materiële uitgaven»
Materiële uitgaven zijn uitgaven voor duurzame en niet duurzame consumptieve bestedingen van het Rijk, die noodzakelijk zijn voor het functioneren van het ambtelijk apparaat van VROM. Het gaat hierbij om de aanschaf van produkten of diensten.
Op het artikelonderdeel «Algemene materiële uitgaven» worden alle materiële uitgaven, m.u.v. uitgaven t.b.v. automatisering, geboekt. De algemene materiële uitgaven worden onderverdeeld in de volgende drie uitgavenclusters:–uitgaven voor huisvesting, ondersteunende diensten en bureaukosten;–uitgaven voor reis- en verblijfkosten, vorming en opleiding, management development en representatie. De uitgaven voor vorming en opleiding zijn exclusief de uitgaven in het kader van de studiefaciliteitenregeling en het Sociaal Beleidskader VROM. De uitgaven voor reiskosten zijn exclusief de kosten voor woon-werkverkeer.–overige uitgaven. Dit zijn uitgaven voor o.a. bibliotheek- en documentatiekosten, externen vallend onder de produktvariant, rentekosten en schadeclaims en kosten betalingsverkeer. De basis voor het aangaan van verplichtingen en het verrichten van uitgaven is de begrotingswet 1997.
De artikelonderdelen «Automatiseringsuitgaven»
Op de artikelonderdelen «Automatiseringsuitgaven» worden de materiële uitgaven geraamd, die in het kader van automatisering gedaan worden. Als voorbeelden van automatiseringsuitgaven kunnen genoemd worden uitgaven voor:–exploitatie en beheer van bestaande geautomatiseerde informatiesystemen;–onderhoud van bestaande geautomatiseerde informatiesystemen;–ontwikkeling, bouw en implementatie van nieuwe geautomatiseerde informatiesystemen;–werkplekautomatisering;–infrastructurele voorzieningen.
De basis voor het aangaan van verplichtingen en het verrichten van uitgaven is de begrotingswet 1997.
Het artikel 01.07 «Voorlichting»
Op het artikel «Voorlichting» dienen alle uitgaven geraamd te worden die door de directie Voorlichting en Externe Betrekkingen (DVEB) in het kader van het voorlichtingsprogramma worden verricht om het (voorgenomen) beleid van VROM, voorzien van een «vertaalslag» uit te dragen naar de externe doelgroepen en het algemene publiek, met het doel de doelgroep te stimuleren om te participeren in het beleid en/of om het gedrag van de doelgroep te beïnvloeden. Bovendien is er pas sprake van voorlichting, indien de directie Voorlichting en Externe Betrekkingen (DVEB) een inhoudelijke inbreng of toegevoegde waarde heeft gehad.
De basis voor het aangaan van verplichtingen en het verrichten van uitgaven is de begrotingswet 1997.
Onder voorlichting vallen: (niet uitputtend vermeld)
– nieuwsbrieven bedoeld voor derden (niet-VROM), alsmede bewerkingen van onderzoeksrapporten in de vorm van een samenvatting en/of persbericht;
– audiovisueel materiaal;
– advertenties/dia's/sheets in het kader van grote instrumentele campagnes;
– het ontwikkelen van communicatiestrategiën ten behoeve van het beleidsproces;
– herdrukken van zowel ongewijzigd als gewijzigd voorlichtingsmateriaal;
– uitgaven ten behoeve van de organisatie van de uitreiking van prijzen (zoals de Milieuprijs, Bronzen Bever e.d. (niet de kosten van de prijs zelf)).
De artikel(onderdel)en «Onderzoek»
Op de artikel(onderdel)en onderzoek worden uitgaven verantwoord, die gedaan worden voor onderzoek dat is uitbesteed aan externen. De basis voor het aangaan van verplichtingen en het verrichten van uitgaven is de begrotingswet 1997.
Voor het hoofdbeleidsterrein 05. «Milieubeheer» gelden voor de algemene grondslagen de volgende aanvullingen.
In de overzichten is gelet op het specifieke karakter van dit hoofdbeleidsterrein in plaats van de kolom «financiële stimulans/soort instrument» een kolom «categorie uitgaven» opgenomen. In dit kader worden de volgende categorieën onderscheiden.
Uitgaven die enerzijds nuttig kunnen zijn bij nieuw te ontwikkelen beleid, dat nog niet geheel is uitgekristalliseerd, en die anderzijds gedaan worden om activiteiten, die gericht zijn op het bevorderen van duurzame ontwikkelingen, te stimuleren. In het algemeen gaat het daarbij om door DGM verstrekte bijdragen (subsidies) die, zoals aangegeven, een stimulerende en/of gedragsbeïnvloedende werking hebben als het gaat om het bereiken van zaken bij het ontwikkelen of verder uitwerken van beleid. Hieronder vallen ook bijdragen aan fondsen, indien deze tot doel hebben gedragsbeïnvloeding te bewerkstelligen, danwel bepaalde doelen te bereiken. Tevens vallen uitgaven terzake van demonstratieprojecten onder deze definitie, namelijk in die gevallen waarbij er sprake is van het verlenen van een bijdrage op grond van een bepaalde stimuleringsregeling als juridische titel.
Apparaatsuitgaven andere overheden
Uitgaven die er voor zorgen dat het ambtelijk apparaat van andere overheden (provincies, gemeenten, waterschappen, etc., zowel afzonderlijk als verenigd via instanties, zoals IPO, VNG en UvW) kan functioneren. Hierbij gaat het dan om bijdragen die DGM verstrekt in de apparaatskosten van andere overheden voor het uitvoeren van bepaalde (specifieke) milieutaken door die andere overheden. In beginsel zal het daarbij structurele werkzaamheden betreffen, maar ook gevallen, waarbij voor een beperkt aantal jaren een bijdrage voor bepaalde taken wordt gegeven vallen onder deze definitie.
Uitgaven die gedaan worden in die gevallen waarbij regelgeving (het treffen van milieumaatregelen) tot kennelijke onredelijkheid leidt of waarbij DGM (bijvoorbeeld door een gerechtelijke uitspraak) wordt veroordeeld tot het betalen van schadevergoedingen.
Uitgaven die op basis van een wettelijke rijkstaak worden gedaan om milieumaatregelen, die het gevolg zijn van vaststaande normen en vaststaand beleid, te effectueren. Het gaat daarbij voornamelijk om het wegnemen van milieuhygiënische knelpunten in bestaande situaties, die naar verwachting niet danwel in onvoldoende mate vrijwillig of via regelgeving en een volledige toepassing van het principe «de vervuiler betaalt» worden opgeheven.
Uitgaven die er voor zorgen dat het «milieu-bouwwerk» (de milieu-infrastructuur) in stand wordt gehouden. Onder milieu-infrastructuur kan worden verstaan het net van organisaties (en eventueel personen) waarvan DGM het gewenst of noodzakelijk acht dat deze hun (coördinerende) werkzaamheden kunnen blijven uitvoeren. Ook bijdragen op grond van (internationale) verdragen vallen hier onder. Indien bepaalde bijdragen aan fondsen tot doel hebben de instandhouding/ondersteuning van een organisatie en/of bepaalde taken/werkzaamheden, vallen deze bijdragen ook onder de definitie van ondersteuningsuitgaven. Niet onder deze definitie vallen de uitgaven aan het RIVM. Deze worden als onderzoeksuitgaven aangemerkt.
Uitvoeringskosten (materiële uitgaven ten behoeve van de beleidsuitvoering)
Projectgebonden uitgaven met een materieel karakter, in die zin dat door DGM opdracht wordt gegeven tot het leveren van goederen of diensten of het inhuren van personeel, waarbij een en ander echter niet het uitvoeren van onderzoek betreft en evenmin het functioneren van het eigen (VROM) ambtelijk apparaat. Deze materiële uitgaven worden gedaan ten behoeve van de uitvoering van het beleid en hebben dan ook een directe relatie met het beleidsterrein waarvoor uitgaven worden geraamd op het betreffende artikel(onderdeel). Ook onder deze definitie vallen die uitgaven die betrekking hebben op onderzoek dat wordt gedaan ter uitvoering van bestaand en uitgekristalliseerd beleid, als onderdeel van (de uitvoering van) een al dan niet wettelijke taak van DGM. Overigens kunnen op dit «uitvoeringsonderzoek» in voorkomende gevallen wel de Algemene Onderzoeksvoorwaarden van VROM (AOV) van toepassing zijn. Daarnaast worden de uitgaven die door de Inspectie Milieuhygiëne worden gedaan en die veelal een materieel karakter hebben ook in totaliteit beschouwd als onderdeel van de «materiële uitgaven ten behoeve van de beleidsuitvoering».
Hier onder worden verstaan de stimulerings- en ondersteuningsuitgaven.
Het artikelonderdeel 05.01.06 «Algemene materiële uitgaven»
Onder de cluster «Overige uitgaven» vallen bijvoorbeeld ook de inkoop van gegevens, uitgaven ten behoeve van de attachés/gedetacheerden te Washington, Brussel en Parijs en de apparaatskosten met betrekking tot het interdepartementaal programmabureau «Duurzame Technologische Ontwikkeling».
Hierop worden de uitgaven verantwoord met betrekking tot die activiteiten, die tot doel hebben voor de beleidsvoorbereiding, -ontwikkeling en/of -uitvoering van DGM gegevens te verzamelen, kennis te vermeerderen en/of technologische ontwikkeling tot stand te brengen. Het betreft onderzoek dat door derden wordt uitgevoerd. Uitgaven terzake van demonstratie-projecten vallen eveneens onder deze definitie, indien (de uitkomsten van) het betreffende demonstratieproject nodig zijn voor de ontwikkeling van het eigen beleid en de uitgaven niet worden gedaan in de vorm van een bijdrage op grond van een bepaalde stimuleringsregeling. Niet onder de definitie van onderzoek vallen die uitgaven die betrekking hebben op onderzoek dat wordt gedaan ter uitvoering van bestaand en uitgekristalliseerd beleid, als onderdeel van (de uitvoering van) een al dan niet wettelijke taak van DGM.
Voorbeelden van dit «uitvoeringsonderzoek» dat niet onder de definitie van onderzoek valt, maar wordt beschouwd als «uitvoeringskosten», zijn:–door provincies uit te voeren onderzoek bij bodemsaneringsgevallen (is voor DGM onderdeel van de saneringsuitgaven);–door provincies uit te voeren akoestisch onderzoek bij de sanering van geluidhinder (is voor DGM onderdeel van de saneringsuitgaven);–stoffenonderzoek als onderdeel van de DGM-taak «uitvoering wet milieugevaarlijke stoffen» (is voor DGM onderdeel van de uitvoeringskosten);–inspectie-onderzoek als onderdeel van de uitvoering door de Inspectie van haar taken op het gebied van handhaving, toezicht, etc.
Voorts kent DGM de constructie dat een groot deel van het onderzoeksbudget via afspraken in het kader van het zogenoemde «Meerjaren Activiteiten Programma (MAP) wordt opgedragen aan het RIVM. Dit betreft de jaarlijkse structurele bijdrage aan het RIVM (artikel 05.19).
De basis voor het aangaan van verplichtingen en het verrichten van uitgaven is de begrotingswet 1997.
| Wettelijke regeling en/of besluit | formele vindplaats | vindplaats laatste wijziging | beoogde doelstelling | beoogde doelgroep | aard van stimulans/soort instrument | verplichtingen 1997 | uitgaven 1997 |
| Hoofdbeleidsterreinen 01. Algemeen | |||||||
| 01.03 Prijsbijstelling | |||||||
| art. 5, lid 7, 8 en 9 van de Comptabiliteitswet | Stb. 1992, 351 | Administratief artikel voor het stallen van de nog over de artikelen te verdelen prijsbijstelling | 0 | 0 | |||
| 01.04 Loonbijstelling | |||||||
| art. 5, lid 7, 8 en 9 van de Comptabiliteitswet | Stb. 1992, 351 | Administratief artikel voor het stallen van de nog over de artikelen te verdelen loonbijstelling | 14 | 14 | |||
| 01.05 Onvoorziene uitgaven | |||||||
| art. 5, lid 6 van de Comptabiliteitswet | Stb. 1992, 351 | Het verrichten van onvoorziene uitgaven | 7 397 | 7 397 | |||
| 01.08 Hulp aan landen in nood | |||||||
| Begrotingswet 1997 | Het leveren van een aandeel in de door het Ministerie van Economische Zaken te betalen rentesubsidies aan de Nationale Investeringsbank | Nationale Investeringsbank | Bijdrage rentebetaling | 25 | 25 | ||
| 01.11 Nog nader te verdelen | |||||||
| Begrotingswet 1997 | Het zichtbaar maken van nog in te vullen ombuigingstaakstellingen en/of andere over de hoofdbeleidsterreinen/artikelen te verdelen posten | ||||||
| 01.13 Adviesraden VROM | |||||||
| Wet op de Ruimtelijke Ordening, artikel 52; Begrotingswet 1997 | Stb. 1985, 626 | Het adviseren van de Minister gevraagd en ongevraagd inzake aangelegenheden betreffende volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer | De Minister van VROM | Vergoeding personele en materiële uitgaven | 4 213 | 4 213 | |
| 01.14 Stichting Advisering Bestuursrechtspraak | |||||||
| Wet tot wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en de Wet Milieubeheer (onafhankelijkheid adviseurs inzake beroepen) | Stb. 1995, 270 | Onafhankelijke advisering aan bij de administratieve rechter ingestelde beroepen op grond van de Wet Ruimtelijke Ordening en milieuwetgeving | Stichting advisering bestuursrechtspraak | Bijdrage in de exploitatielasten van de stichting | 8 683 | 8 683 | |
| 01.15 Duurzaam bouwen | |||||||
| Begrotingswet 1997 | Duurzaamheidsaspecten een sterkere en op termijn een vaste positie geven in de besluitvorming over de inrichting en het gebruik van de gebouwde omgeving | Consumenten, marktpartijen en overheden | Onderzoek, kennisoverdracht en startbijdrage infopunt DuBo | 1 595 | 1 595 | ||
| Hoofdbeleidsterrein 03. Volkshuisvesting | |||||||
| 03.05.01 Volkshuisvestingsinstellingen | |||||||
| Begrotingswet 1997 | Het bevorderen van activiteiten van volkshuisvestingsinstellingen | Volkshuisvestingsinstellingen | Bijdrage ter dekking van exploitatietekorten en/of ter financiering van bijzondere projecten | 1 260 | 1 418 | ||
| 03.05.02 Experimenten en kennisoverdracht | |||||||
| Begrotingswet 1997 | Het stimuleren van kennisoverdracht, samenwerking t.b.v. innovatieprocessen en het beproeven van nieuwe gedachten d.m.v. experimenten | Professionele organisaties | Bijdrage ter dekking van exploitatietekorten en/of ter financiering van bijzondere projecten | 19 265 | 8 520 | ||
| 03.05.03 Internationale volkshuisvestingsinstellingen | |||||||
| Begrotingswet 1997 | Het bevorderen van kennisoverdracht danwel samenwerking op het volkshuisvestingsterrein in internationaal perspectief | Non-profit en profit organisaties | Bijdrage ter dekking van exploitatietekorten en/of ter financiering van bijzondere projecten | 1 200 | 1 130 | ||
| 03.06.02 Scholing van woonconsumenten | |||||||
| Begrotingswet 1997 | Het verhogen van de deskundigheid van het kader van woonconsumentenorganisaties op het gebied van de volkshuisvesting | Bewonersorganisaties | Bijdragen in de scholingskosten | 93 | 621 | ||
| 03.06.03 Subsidies aan bewonersorganisaties | |||||||
| Begrotingswet 1997 | Het ondersteunen van landelijke organisaties die gericht zijn op de belangenbehartiging van de woonconsument | Bewonersorganisaties | Bijdrage in de exploitatiekosten tot een vastgesteld maximum bedrag | 45 | 2 778 | ||
| 03.12 Garanties | |||||||
| Regeling deelneming in garanties woninggebonden subsidies | Stcrt. 1992, 213 | Stcrt. 1995, 89 Stcrt. 1994, 231 | Het bevorderen van het eigen woningbezit | Eigenaar/bewoners | Vast percentage van verlies. Per woning zal hoogte van het verlies worden bepaald | 0 | 3 000 |
| Begrotingswet 1997 | Het bevorderen van het eigen woningbezit | Waarborgfonds Eigen Woningen | Bijdrage in eventueel tekort bij garantieverstrekking | ||||
| 03.15.01 Huisvesting gehandicapten | |||||||
| Regeling Geldelijke Steun Huisvesting Gehandicapten 1992 | Stcrt. 1986, 152 Stcrt. 1988, 190 Stcrt. 1992, 145 | Stcrt. 1994, 51 | Het geschikt maken van een woning voor bewoning door een gehandicapte | Eigenaar, bewoner, verhuurder, keuringsinstanties | Verstrekking en uitbetaling vindt plaats aan gemeenten, o.b.v. door gemeenten verstrekte subsidies aan eindontvangers | 0 | 95 900 |
| 03.15.02 Woonwagenbewoners | |||||||
| Besluit werk en kosten woonwagencentra | Stb. 1985, 68 | Stb. 1993, 663 | Het bijdragen in de door gemeenten (of woonwagenschappen) gedane uitgaven voor oprichting en instandhouding van een centrum | Gemeenten, woonwagenschappen | Exploitatiebijdrage | 0 | 37 5001 |
| Regeling geldelijke steun huurwoonwagens | Stcrt. 1991, 187 | Stcrt. 1995, 140 | Het zorgdragen voor betaalbare huisvesting voor woonwagenbewoners | Woonwagenbewoners | Exploitatiebijdrage en leningen ter financiering van huurwoonwagens | ||
| 03.15.06 Knelpunten ouderenbeleid | |||||||
| Tijdelijke regeling geldelijke steun liftplaatsing bij bestaande woongebouwen | Stcrt. 1993, 37 | Stcrt. 1995, 36 | Het vergroten van de algemene fysieke toegankelijkheid van bestaande woongebouwen | Ouderen | Bijdragen in de kosten van het plaatsen van liften | 0 | 13 4401 |
| Begrotingswet 1997 | Het stimuleren van ontwikkelingen (en bijdragen aan) het oplossen van specifieke knelpunten op het terrein van ouderenhuisvesting (bv. kennisoverdracht) | Ouderen | Bijdragen in de kosten van specifieke projecten | ||||
| 03.16.01 Individuele huursubsidie | |||||||
| Wet individuele huursubsidie | Stb. 1992, 316 | Stb. 1996, 324 Stb. 1995, 533 Stb. 1995, 326 | Het garanderen van betaalbaar wonen voor de lagere inkomensgroepen | Huurders | Genormeerde bijdrage in de kosten rechtstreeks aan de huurder of huurmatiging via de verhuurder | 2 617 950 | 2 496 450 |
| 03.16.02 Huurgewenningsbijdragen | |||||||
| Overgangsregeling huurgewenningsbijdrage domeinwoningen | Stcrt. 1992, 71 | Het tot stand brengen van een geleidelijke huurverhoging in het kader van stadsvernieuwing of woningverbetering | Huurders | Genormeerde bijdrage in de kosten rechtstreeks aan de huurder of huurmatiging via de verhuurder | 0 | 76 | |
| 03.16.03 Vergoeding verhuurders | |||||||
| Wet Individuele huursubsidie | Stb. 1992, 316 | Stb. 1995, 326 | Het vergoeden van kosten van verhuurders die via het stelsel van huurmatiging actief betrokken zijn bij de uitbetaling van de individuele huursubsidie, alsmede van gemeenten aan huurders die voorschotten aan individuele huursubsidie verstrekken | Verhuurders, gemeenten | Een vaste vergoeding per toegekende aanvraag aan verhuurders en gemeenten | 54 150 | 54 150 |
| 03.18.01 Hoofdinfrastructuursubsidie | |||||||
| Regeling Hoofdinfrastructuur 1992 (m.i.v. 1-1-1994) Regeling overgangsbepalingen locatiegebonden subsidies | Stcrt. 1992, 210 Stcrt. 1994, 241 | Stimuleren van de voortgang van de Volkshuisvesting binnen het door het Rijk gewenste Verstedelijkspatroon | Aangewezen groeikernen en gemeenten | Een bijdrage in de kosten van aanleg en verbetering van de hoofdinfrastructuur | 18 000 | 11 250 | |
| 03.18.02 Locatiesubsidie | |||||||
| Locatiesubsidieregeling 1993 (m.i.v. 1-1-1994) Regeling overgangsbepalingen locatiegebonden subsidies | Stcrt. 1992, 210 Stcrt. 1994, 241 | Stcrt. 1993, 206 | Het verlenen van geldelijke steun voor de ontwikkeling van bouwlocaties | Gemeenten | Eén of meerdere bijdragen in de grondkosten voor een nieuwe-uitleg-locatie | 12 355 | 28 505 |
| 03.18.03 Subsidie grote bouwlocaties (SGB) | |||||||
| Locatiesubsidieregeling 1993 (m.i.v. 1-1-1994) Regeling overgangsbepalingen locatiegebonden subsidies | Stcrt. 1992, 210 Stcrt. 1994, 241 | St.crt. 1993, 206 | Het verlenen van geldelijke steun voor de ontwikkeling van bouwlocaties | Gemeenten | Bijdrage ineens (Lump-sum) | 0 | 6 700 |
| 03.19 Stadsvernieuwing | |||||||
| Wet op de Stads- en Dorpsvernieuwing | Stb. 1984, 406 | Stb. 1994, 750 | Het beschikbaar stellen van middelen voor stads- en dorpsvernieuwing | Gemeenten en provincies | Stortingen van middelen in de provinciale en gemeentelijke stadsvernieuwingsfondsen | 817 000 | 1 017 000 |
| 03 35 Budget Besluit locatiegebonden subsidies | |||||||
| Besluit locatiegebonden subsidies | Stb. 1994, 57 | Stb. 1995, 627 Stb. 1995, 527 | Het verlenen van geldelijke steun voor de ontwikkeling van bouwlocaties | Regionale samenwerkingsverbanden en provincies | Lump-sum | 0 | 266 422 |
| 03 37 Budget Besluit Woninggebonden subsidies 1995 | |||||||
| Besluit Woninggebonden Subsidies | Stb. 1994, 744 | Stb. 1995, 221 | Stimulering van een gedifferentieerd woningaanbod | Budgetbeherende bestuursorganen | Stortingen van middelen in de BWS-budgetten van de budgethouders | 192 398 | 235 489 |
| 03 39 Sanering woningbeheerders | |||||||
| Begrotingswet 1997 | Het saneren van in ernstige financiële problemen geraakte niet-winstbeogende-instellingen, welke geen toegelaten instelling zijn | Niet winstbeogende–instellingen, die geen toegelaten instelling zijn | Bijdrage ineens | 5 000 | 5 000 | ||
| 03.40 Tijdelijke stimuleringsregeling en subsidiëring voorbeeldplannen duurzaam bouwen | |||||||
| Tijdelijke stimuleringsregeling duurzaam bouwen | |||||||
| Begrotingswet 1997 | Stcrt. 1995, 249 | Het bewegen van de marktpartijen tot het toepassen van duurzaam bouwen, ervan uitgaande dat het niet haalbaar is dat de totale meerkosten van duurzaam bouwen in de exploitatie wordt opgevangen. Het hebben van een voorbeeldfunctie bij het overdragen van praktijk-kennis over duurzaam bouwen. | Budgetbeherende bestuursorganen | Bijdrage ineens | 0 | 4 000 | |
| 03.42 Stimulering herstructurering van de woningvoorraad | |||||||
| Begrotingswet 1997 | Het treffen van duurzame ingrepen in het beheer of de samenstelling van de woningvoorraad, gericht op differentiatie van de sociale structuur | Gemeenten en sociale verhuurders | Lump-sum | 8 000 | 8 000 | ||
| 03.73 Afkoop jaarlijkse bijdragen op grond van de wet «Balansverkorting geldelijke steun volkshuisvesting» | |||||||
| Wet Balansverkorting geldelijke steun Volkshuisvesting | Stb. 1995, 313 | Verdere verzelfstandiging van de sociale huursector, beheersing van de overheidsuitgaven en een verantwoorde huurontwikkeling | Sociale verhuurders | Afkoop van de jaarlijkse bijdrage op voet van de vóór 1992 geldende regelingen, bijdragen flankerend beleid en rentebijdragen in herfinancieringsverliezen | 35 000 | 150 000 | |
| 03.74.01 Jaarlijkse bijdragen huurwoningen oude regelingen | |||||||
| Beschikking Geldelijke Steun Particuliere Huurwoningen 1968 | Stcrt. 1967, 124 | Het bevorderen van het beschikbaar komen van goedkope woningen door het subsidiëren van nieuwbouw en verbouw in de sociale huursector | Particuliere verhuurders | Bijdrage in het exploitatietekort | 01 | 44 6001 | |
| Beschikking Geldelijke Steun Verbetering Particuliere Woningen 1977 | Stcrt. 1976, 242 | Het stimuleren van verbeteringen van huurwoningen in de particuliere sector | Particuliere verhuurdersBijdrage in het exploitatietekort | ||||
| Beschikking Geldelijke Steun Verbetering Particuliere Woningen 1979 I | Stcrt. 1979, 34 | Het stimuleren van verbeteringen van huurwoningen in de particuliere sector | Particuliere verhuurders | bijdrage in het exploitatietekort | |||
| Beschikking Geldelijke Steun Verbetering Particuliere Woningen 1979 II | Stcrt. 1979,163 | St. crt. 1983, 140 | Het stimuleren van verbeteringen van huurwoningen in de particuliere sector | Particuliere verhuurders | bijdrage in het exploitatietekort | ||
| Beschikking Geldelijke Steun Voorzieningen Particuliere Huurwoningen 1985 | Stcrt. 1984, 242 | Het stimuleren van verbeteringen van huurwoningen in de particuliere sector | Particuliere verhuurders | bijdrage in het exploitatietekort | |||
| Regeling Geldelijke Steun Voorzieningen Huurwoningen | Stb. 1990, 195 | Het stimuleren van verbeteringen van huurwoningen in de sociale en particuliere sector | (Ver)huurders/bewoners | jaarlijkse bijdrage in het exploitatietekort | |||
| 03.74.02 Jaarlijkse bijdragen huurwoningen DKP-systeem | |||||||
| Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975 | Stcrt. 1975, 134 | Het bevorderen van het beschikbaar komen van goedkope woningen door het subsidiëren van nieuwbouw en verbouw in de sociale huursector | Sociale en particuliere verhuurders | procentuele bijdrage in het exploitatietekort | 01 | 154 8001 | |
| Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 | Stcrt. 1988, 254 | Het bevorderen van het beschikbaar komen van goedkope woningen door het subsidiëren van nieuwbouw en verbouw in de sociale huursector | Sociale verhuurders | procentuele bijdrage in het exploitatietekort | |||
| 03.75.01 Subsidies marktgerichte huur- en koopwoningen en jaarlijkse bijdragen huurwoningen beleggers | |||||||
| Beschikking bijdrage ineens nieuwe vrije sectorwoningen | Stb. 1990, 189 | Het bevorderen van de doorstroming c.q. evenwichtige woningverdeling d.m.v. het stimuleren van het bouwen van huur- en koopwoningen met een max. stichtingskostengrens | Eigenaar/bewoners, verhuurders | bijdrage ineens van f 5000,– | 01 | 17 8291 | |
| Regeling premiehuurwoningen 1989 | Stb. 1990, 195 Stcrt. 1991, 187 | Het bevorderen van de doorstroming c.q. evenwichtige woningverdeling d.m.v. het stimuleren van het bouwen van huurwoningen met een max. stichtingskostengrens | Institutionele beleggers/verhuurders en woningbouwverenigingen met ABR > 50% | 5 jaarlijkse bijdragen van f 2 000,– | |||
| 03.75.02 Bijdragen eigen woningen | |||||||
| Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1979 | Stcrt. 1979, 76 Stcrt. 1983, 30 | Stcrt. 1995, 131 | Het bevorderen van het eigen woningbezit | Eigenaar/bewoners | Inkomensafhankelijke bijdrage | 01 | 413 6601 |
| Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 | Stcrt. 1984, 6 | Stcrt. 1995, 131 | Het bevorderen van het eigen woningbezit | Eigenaar/bewoners | Inkomensafhankelijke bijdrage | ||
| 03.76 Budgetten Besluit woninggebonden subsidies 1992-1994 | |||||||
| Besluit woninggebonden subsidies | Stb. 1991, 440 Stb. 1992, 554 | Het bevorderen van nieuwbouw en ingrijpende verbetering | Sociale en particuliere verhuurders | o.a. genormeerde bijdrage in de exploitatie, inkomensafhankelijke bijdrage, bijdrage ineens | 0 | 400 797 | |
| 03.77 Overige niet-actieve uitgaven | |||||||
| Begrotingswet 1997 | Beëindigen van de Stadsmeierrechten | Gemeente Groningen | Lump-sum | 0 | 0 | ||
| Hoofdbeleidsterrein 04. Ruimtelijke Ordening | |||||||
| 04.03.02 Planvorming en stimulering ruimtelijk beleid | |||||||
| Begrotingswet 1997 | Het realiseren van projecten die vanuit de optiek van de ruimtelijke ordening van essentieel belang zijn | diverse samenwerkingsverbanden tussen het Rijk, de provincies, gemeenten en private instellingen | bijdragen in de kosten van uitvoeringsprojecten | 10 470 | 10 720 | ||
| 04.05 Uitvoering planologische kernbeslissing waddengebied | |||||||
| Wet op de Ruimtelijke Ordening, artikel 56a | Stb. 1985, 626 | Het creëren van een mogelijkheid voor representatieve vertegenwoordiging van maatschappelijke organisaties, die belangen hebben in het waddengebied, om hun oordeel te geven over de vele aspecten van bestuur en beheer van de Waddenzee | De Waddenadviesraad | vergoeden materiële kosten secretariaat | 120 | 120 | |
| 04.06 Veiligstelling van bufferzones | |||||||
| Begrotingswet 1997 en deels Reconstructiewet Midden Delfland 1977 | Stb. 1977, 233 | Het verwerven van strategisch gelegen gronden in bufferzones, landelijk gelegen gebieden tussen stadsgewesten, waarin de kwaliteit van de groene functies wordt bedreigd door verstedelijking | agrarische bedrijven | grondverwerving | 12 523 | 12 523 | |
| 04.08 Leerlingbouwplaatsen | |||||||
| Beschikking Geldelijke Steun Leerlingen op de Bouwplaats | Het stimuleren van een voldoende gekwalificeerde instroom in de bouwnijverheid | Bedrijven | bijdrage in de kosten | 1 930 | 1 930 | ||
| 04.09 Raad voor vastgoedinformatie | |||||||
| Begrotingswet 1997 | Het zorgdragen voor het uitvoeren van onderzoek op het gebied van vastgoed, topografie en leidingen en het verstrekken van informatie hierover binnen de overheid | Stichting RAVI | Bijdrage t.b.v. secretariaat Stichting | 500 | 500 | ||
| Wettelijke regeling en/of besluit | formele vindplaats | vindplaats laatste wijziging | beoogde doelstelling | beoogde doelgroep | categorie uitgaven | verplichtingen |
| Hoofdbeleidsterrein 05. Milieubeheer | ||||||
| 05.13 Garanties | ||||||
| Overeenkomst kredietverlening vrijwillige bodemsanering 1993 (in aansluiting op de Regeling Bijzondere Financiering 1971) | Stcrt. 1993, 239 | Het vergroten van de financieringsmogelijkheden teneinde bodemsaneringen in eigen beheer mogelijk te maken. | (Middel)grote ondernemingen | Saneringsuitgaven | 86 400 | |
| Besluit borgstelling midden- en kleinbedrijfkredieten(Koninklijk besluit inwerkingtreding hoofdstuk II) | Stb. 1994, 225 Stb. 1994, 650 | Het vergroten van de financieringsmogelijkheden teneinde bodemsaneringen in eigen beheer mogelijk te maken. | Midden- en kleinbedrijf | Saneringsuitgaven | 144 000 | |
| 05.15.01 Milieutechnologie en -infrastructuur | ||||||
| Wet Milieubeheer | Stb. 1992, 551 | Stb. 1993, 31 | Het voorkomen van verstoring van concurrentieverhoudingen door middel van het vergoeden van exeptionele kosten als gevolg van het opleggen van milieumaatregelen. | Bedrijven | Schadevergoedingen | 971 |
| Regeling bijdragen ROM-gebieden | Stcrt. 1992, 235 | Stcrt. 1995, 232 | Het bevorderen van gebiedsgericht milieubeleid teneinde de gewenste ruimtelijke– en milieukwaliteit te bereiken. | Provincies | Stimuleringsuitgaven | |
| Bijdragenbesluit openbare lichamen milieubeheer | Stb. 1990, 174 | Stb. 1996, 342 | Het (mede–)financieren van projecten als eenmalige bijdrage met een ROM–achtig karakter buiten de aangewezen ROM–gebieden. | Provincies, gemeenten en waterschappen | Stimuleringsuitgaven | 225 |
| Bijdragenbesluit openbare lichamen milieubeheer (§ 8 1. Bijdragen in de kosten voor gebieden waarin de kwaliteit van het milieu bijzondere aandacht behoeft) | Stb. 1990, 174 | Stb. 1996, 342 | Het stimuleren van het gebiedsgericht milieubeleid in de zogenaamde milieu–aandachtsgebieden en het bevorderen van een integrale aanpak van dit beleid bij de uitvoering door met name andere overheden. | Provincies | Stimuleringsuitgaven | 32 715 |
| Besluit bijdragen maatschappelijke organisaties en milieu | Stb. 1995, 423 | Het bevorderen van de bewustwording voor milieuvraagstukken en de vergroting van het maatschappelijk draagvlak voor een duurzame samenleving. | Non-profit instellingen met domicilie in Nederland | Ondersteunings- uitgaven | 13 425 | |
| Bijdragenbesluit milieugerichte technologie | Stb. 1995, 84 | Het verlenen van bijdragen ter stimulering van de ontwikkeling en maatschappelijke implementatie van milieugerichte technologie | Alle maatschappelijke belangstellenden | Stimuleringsuitgaven | 5 000 | |
| Besluit diverse bijdragen milieubeheer | Stb. 1996, 158 | Het door middel van bijdragen stimuleren van projecten of activiteiten samenhangend met het beleid op het gebied van bestuurlijke coördinatie en strategische planning (kennisoverdracht). | Bedrijven en maatschappelijke organisaties | Stimuleringsuitgaven | 389 | |
| Begrotingswet 1997 | Het ondersteunen van de Commissie voor de Milieu-effectrapportage (MER) | Commissie MER | Ondersteunings- uitgaven | 4 205 | ||
| Begrotingswet 1997 | Het ondersteunen van de Raad voor Milieu en Natuuronderzoek (RMNO) | RMNO | Ondersteunings- uitgaven | 916 | ||
| Begrotingswet 1997 | Het laten uitvoeren van de Bijdragenregeling milieugerichte technologie (inclusief uitgaven die samenhangen met de activiteiten op het programma BMT, maar daar geen onderdeel van vormen) | NOVEM c.a. | Uitvoeringskosten | 3 250 | ||
| Begrotingswet 1997 | Het via opdrachtverlening (laten) uitvoeren van projecten of activiteiten samenhangend met de uitvoering van het beleid op het gebied van bestuurlijke coördinatie en strategische planning. | Diverse | Uitvoeringskosten | 4 200 | ||
| 05.15.02 Apparaatskosten gemeenten | ||||||
| Vervolg-bijdrageregeling ontwikkeling gemeentelijk milieubeleid | Stb. 1995 256 | Het op een adequaat niveau brengen van de uitvoering van het gemeentelijk milieubeleid | Gemeenten | Apparaatsuitgaven andere overheden | 1 511 | |
| 05.15.03 Internationaal milieubeleid | ||||||
| Besluit diverse bijdragen milieubeheer | Stb. 1996, 158 | Het door middel van bijdragen stimuleren van het internationaal milieubeleid | Bedrijven, internationale organisaties, particulieren, overheden | Stimuleringsuitgaven | 4 792 | |
| Ondersteunings- uitgaven | 700 | |||||
| Begrotingswet 1997 | Het ondersteunen van het International Reference Centre for Community Water Supply and Sanitation (IRC) | IRC | Ondersteunings- uitgaven | 2 234 | ||
| Begrotingswet 1997 | Het ondersteunen van (internationale) organisaties/programma's/verdragen, zoals de UNEP en het Antarcticaverdrag. | UNEP; Stichting Geologisch, Oceanografisch en Atmosferisch onderzoek (GOA) | Ondersteunings- uitgaven | 2 100 | ||
| Begrotingswet 1997 | Het via opdrachtverlening (laten) uitvoeren van projecten of activiteiten samenhangend met de uitvoering van het internationaal milieubeleid. | Diverse | Uitvoeringskosten | 2 450 | ||
| 05.16.01 Bodem | ||||||
| Wet bodembescherming | Stb. 1986, 374 | Stb. 1994, 374 | Het verstrekken van bijdragen voor onderzoek en sanering van die gevallen, waarin de bodem zodanig is of dreigt te worden verontreinigd dat de functionele eigenschappen die de bodem voor mens, plant of dier heeft, ernstig zijn of dreigen te worden verminderd. Bijdragen voor onderzoek en sanering van verontreinigde regionale waterbodems. | Provincies, 4 grote steden | Saneringsuitgaven | 238 038 |
| Begrotingswet 1997 (over te boeken naar provincie- en gemeentefonds) | Het verstrekken van een bijdrage in de apparaatskosten aan de budgethouders ten behoeve van de uitvoering van de vrijwillige bodemsanering en andere WBB-taken | Provincies, 4 grote steden | Apparaatsuitgaven andere overheden | 19 000 | ||
| Begrotingswet 1997 (over te boeken naar provinciefonds) | Bijdragen aan de stichtingen BSB ten behoeve van de ondersteuning van de operatie vrijwillige bodemsanering op in gebruik zijnde bedrijfsterreinen | Provinciale stichtingen BSB | Ondersteunings- uitgaven | 4 000 | ||
| Begrotingswet 1997 | Het ondersteunen van de Landelijke Stuurgroep BSB | Landelijke Stuurgroep BSB | Ondersteunings- uitgaven | 200 | ||
| Begrotingswet 1997 | Het ondersteunen van de Technische Commissie Bodembescherming (TCB) | TCB | Ondersteunings- uitgaven | 350 | ||
| Begrotingswet 1997 | Het laten uitvoeren van de kostenverhaalsacties bodemsanering en het in dat kader laten verlenen van juridische ondersteuning | Landsadvocaat | Uitvoeringskosten | 2 500 | ||
| Begrotingswet 1997 | Het via opdrachtverlening (laten) uitvoeren van projecten of activiteiten samenhangend met de uitvoering van het beleid op het gebied van bodembescherming en -sanering. | Diverse | Uitvoeringskosten | 2 870 | ||
| 05.16.02 Drinkwater, water, landbouw | ||||||
| Begrotingswet 1997 | Het ondersteunen van de Raad voor de Drinkwatervoorziening | Raad voor de Drinkwatervoorziening | Ondersteunings- uitgaven | 50 | ||
| Begrotingswet 1997 | Het via opdrachtverlening (laten) uitvoeren van projecten of activiteiten samenhangend met de uitvoering van het beleid op het gebied van (drink)water en landbouw. | Diverse | Uitvoeringskosten | 1 045 | ||
| 05.16.03 Lucht en energie | ||||||
| Bijdragenbesluit milieugerichte technologie | Stb. 1995, 84 | 1. Programma «KWS 2000»: het bevorderen van de praktische maatregelen waardoor de uitworp van vluchtige organische stoffen wordt beperkt 2. Programma «Reductie verzurende emissies bedrijven»: het bevorderen van technisch-economische maatregelen waardoor de uitworp van NOx, SO2 en NH3 door de industrie wordt beperkt | Bedrijven en non-profit organisaties | Stimuleringsuitgaven | 2 750 | |
| Besluit diverse bijdragen milieubeheer | Stb. 1996, 158 | Het door middel van bijdragen stimuleren van projecten of activiteiten samenhangend met het beleid op het gebied van lucht, energie en klimaat (kennisoverdracht). | Bedrijven | Stimuleringsuitgaven | 400 | |
| Begrotingswet 1997 | Het ondersteunen van de Klimaatcommissie | Klimaatcommissie | Ondersteunings- uitgaven | 50 | ||
| Begrotingswet 1997 | Het ondersteunen van (internationale) organisaties/programma's/verdragen, zoals de Effect Related Programmes van VN/ECE, het International Scientific Secretariat van EUROTRAC, het UN/ECE EMEP-protocol, het permanente secretariaat FCCC, de uitvoering van het Weens verdrag 1985, het Montreal protocol 1987, het IPCC Trust Fund en het LOILZ. | Internationale organisaties | Ondersteunings- uitgaven | 470 | ||
| Begrotingswet 1997 | Het laten uitvoeren van het Bijdragenbesluit milieugerichte technologie, het project Koolwaterstoffen 2000 c.a. | NOVEM, Infomil | Uitvoeringskosten | 3 100 | ||
| Begrotingswet 1997 | Het via opdrachtverlening (laten) uitvoeren van projecten of activiteiten samenhangend met de uitvoering van het beleid op het gebied van lucht, energie en klimaat. | diverse | Uitvoeringskosten | 3 323 | ||
| 05.16.04 Geluid en verkeer | ||||||
| Bijdrageregeling schone en lawaai–arme vrachtauto's en bussen | Stcrt. 1990, 152 | Stcrt. 1994, 116 | Het stimuleren van (de aanschaf van) schone en/of lawaai-arme vrachtwagens en bussen. | Bedrijven | Stimuleringsuitgaven | 50 |
| Bijdrageregeling laagzwavelige dieselolie | Stcrt. 1993, 69 | Stcrt. 1994, 214 Stcrt. 1995, 202 | Het bevorderen van het gebruik van laagzwavelige dieselolie | Bedrijven | Stimuleringsuitgaven | 0 |
| Regeling saneringsprogramma verkeerslawaai, waaronder vallen: | Stcrt. 1993, 86 | Stcrt. 1993, 246 Stcrt. 1995, 150 | Het mede bekostigen van de sanering van geluidhinder door (weg en rail)verkeer | Andere overheden en de NS | Saneringsuitgaven | |
| – Saneringsbesluit geluidhinder wegverkeer | Stb. 1993, 397 | Stcrt. 1993, 246 Stcrt. 1995, 150 | Het bestrijden van geluidhinder door het wegverkeer | Gemeenten | Saneringsuitgaven | 96 212 |
| – Besluit geluidhinder spoorweglawaai | Stb. 1993, 396 | Stcrt. 1993, 583 | Het bestrijden van geluidhinder door railverkeer | Gemeenten, NS | Saneringsuitgaven | 7 200 |
| Art. 125 Wet Geluidhinder | Stcrt. 1992, 625 | Het incidenteel verstrekken van bijdragen in de kosten van overdrachtsmaatregelen n.a.v. saneringsprogramma's industrielawaai. | Provincies | Saneringsuitgaven | 1 200 | |
| Bijdragenbesluit openbare lichamen milieubeheer | Stb. 1993, 174 | Stb. 1995, 328 | Het verstrekken van de bijdragen t.b.v. de sanering industrielawaai (bestuursovereenkomst met de provincies in 1994) | Provincies | Saneringsuitgaven | 0 |
| Besluit zonering buitenlandse luchtvaartterreinen Noord- en Midden-Limburg | Stb. 1983, 657 | Stb. 1990, 121 Stb. 1993, 150 Stb. 1995, 132 | Het verstrekken van bijdragen in de kosten van zonebewaking en afronding sanering. | Roermond en omliggende gemeenten, provincie Limburg | Apparaatsuitgaven andere overheden | 150 |
| Besluit zonering buitenlandse luchtvaartterreinen Zuid-Limburg | Stcrt. 1993, 225 | Stb. 1994, 38 | Het verstrekken van bijdragen in de kosten van zonebewaking | Provincie Limburg | Apparaatsuitgaven andere overheden | 155 |
| Bijdragenbesluit openbare lichamen milieubeheer | Stb. 1993, 174 | Stb. 1994, 649 | Het vergoeden van akoestisch onderzoek t.b.v. saneringskosten industrielawaai. | Provincies | Saneringsuitgaven | 0 |
| Besluit diverse bijdragen milieubeheer | Stb. 199, 158 | Het door middel van bijdragen stimuleren van projecten of activiteiten samenhangend met het beleid op het gebied van geluid en verkeer (kennisoverdracht). | Bedrijven en maatschappelijke organisaties | Stimuleringsuitgaven | 141 | |
| Begrotingswet 1997 | Het laten uitvoeren van de regelingen in het kader van verkeerslawaai en industrielawaai, de bijdrageregeling laagzwavelige diesel en de bijdrageregeling schone en lawaaiarme vrachtauto's en bussen. | Bureau Sanering Verkeerslawaai, Sight, Senter. | Uitvoeringskosten | 1 258 | ||
| Begrotingswet 1997 | Het via opdrachtverlening (laten) uitvoeren van projecten of activiteiten samenhangend met de uitvoering van het beleid op het gebied van geluid en verkeer. | Diverse | Uitvoeringskosten | 7 905 | ||
| 05.16.05 Bodemsanering Vinex | ||||||
| Wet Bodembescherming | Stb. 1986, 374 | Stb. 1994, 374 | Het verstrekken van bijdragen voor onderzoek en sanering van die gevallen, waarin de bodem zodanig is of dreigt te worden verontreinigd dat de functionele eigenschappen die de bodem voor mens, plant of dier heeft, ernstig zijn of dreigen te worden verminderd. | Provincies en gemeenten | Saneringsuitgaven | 0 |
| 05.17.01 Afvalstoffen | ||||||
| Bijdragenbesluit milieugerichte technologie | Stb. 1995, 84 | Het bevorderen van de ontwikkeling van technologische vernieuwingen bij de afvalverwijdering | Bedrijven | Stimuleringsuitgaven | 3 000 | |
| Bijdragenbesluit openbare lichamen milieubeheer | Stb. 1990, 174 | Stb. 1991, 432 | Het bevorderen van de sanering van auto sloopbedrijven | Provincies en bedrijven | Saneringsuitgaven | 0 |
| Bijdragenbesluit openbare lichamen milieubeheer | Stb. 1990, 174 | Stb. 1991, 432 | Het verwijderen van gevaarlijk afval, voor zover de saneringskosten niet te verhalen zijn op de vervuiler | Andere overheden | Saneringsuitgaven | 150 |
| Besluit diverse bijdragen milieubeheer | Stb. 1996, 158 | Het door middel van bijdragen stimuleren van projecten of activiteiten samenhangend met het beleid op het gebied van Afvalstoffen | Bedrijven en maatschappelijke organisaties | Stimuleringsuitgaven | 297 | |
| Begrotingswet 1997 | Het verwijderen van gevaarlijk afval, voor zover de saneringskosten niet te verhalen zijn op de vervuiler | Bedrijven | Saneringsuitgaven | 150 | ||
| Begrotingswet 1997 | Het verstrekken van bijdragen ter realisatie van de Centrale bewerkingseenheid voor afgewerkte olie (CBE) | Bedrijven | Stimuleringsuitgaven | 0 | ||
| Begrotingswet 1997 | Het verlenen van schadevergoedingen o.g.v. de EG-verordening en vergunningverlening | Bedrijven | Schadevergoedingen | 200 | ||
| Begrotingswet 1997 | Het ondersteunen van (internationale) organisaties/programma's/verdragen, zoals de UNEP en het Antarcticaverdrag | UNEP, OESO | Ondersteunings- uitgaven | 190 | ||
| Begrotingswet 1997 | Het laten uitvoeren van de EG-verordening Overbrenging Afvalstoffen (EVOA), het bijdragenbesluit milieugerichte technologie, het landelijk afvalstoffenbeleid (via het Afval overlegorgaan, AOO) | Meurs, De Roever, NOVEM, AOO, Landsadvocaat | Uitvoeringskosten | 5 600 | ||
| Begrotingswet 1997 | Het via opdrachtverlening (laten) uitvoeren van projecten of activiteiten samenhangend met de uitvoering van het beleid op het gebied van afvalstoffen | Diverse | Uitvoeringskosten | 4 572 | ||
| 05.17.02 Industrie- en consumentenbeleid | ||||||
| Bijdragenbesluit bedrijfsinterne milieuzorg | Stb. 1994, 796 | Het stimuleren van bedrijfsinterne milieuzorgsystemen bij groepen van vergelijkbare bedrijven en bij overheidsorganisaties | Branche-vertegenwoordigers bedrijfsleven-, bedrijfsmilieudiensten en overheidsbedrijven | Stimuleringsuitgaven | ||
| Bijdragenbesluit milieugerichte technologie | Stb. 1995, 84 | Het stimuleren van de toepassing van alternatieve stoffen in produkten en produktgerichte milieuzorgsystemen | Bedrijven en branche-vertegenwoordigers | Stimuleringsuitgaven | 2 500 | |
| Besluit diverse bijdragen milieubeheer | Stb. 1996, 158 | Het door middel van bijdragen stimuleren van projecten of activiteiten van intermediaire organisaties i.h.k.v. de realisatie van het doelgroepenbeleid. | Intermediaire organisaties doelgroepen | Stimuleringsuitgaven | 350 | |
| Begrotingswet 1997 (over te boeken naar Economische Zaken) | Het via (overboeking naar) de begroting van Economische Zaken stimuleren van milieugerichte produktontwikkeling en van het schoner produceren in het midden- en kleinbedrijf | Midden- en kleinbedrijf | Stimuleringsuitgaven | 4 750 | ||
| Begrotingswet 1997 | Het verlenen van ondersteuning in de bedrijfsvoering van de uitvoering van milieu-informatie, zoals milieukeur | Stichting Milieukeur, Milieu-informatiepunt Consumenten Bedrijven, consumenten | Ondersteunings- uitgaven | 2 000 | ||
| Begrotingswet 1997 | Het verlenen van ondersteuning aan de Stichting Coördinatie Certificatie Milieuzorgsystemen (SCCMZ) | Stichting Coördinatie Certificatie Milieuzorgsystemen | Ondersteunings- uitgaven | |||
| Begrotingswet 1997 | Het verstrekken van een bijdrage in de apparaatskosten i.h.k.v. het doelgroepenbeleid industrie. | VNG, IPO, Unie van Waterschappen | Apparaatskosten andere overheden | 400 | ||
| Begrotingswet 1997 (over te boeken naar VROM-centraal, i.v.m. DUBO) | Het bieden van facilitaire ondersteuning van/door het Milieuberaad bouw (MBB) alsmede projectmanagement. | MBB/Bouwsector | Uitvoeringskosten | 1 105 | ||
| Begrotingswet 1997 | Het via opdrachtverlening (laten) uitvoeren van projecten of activiteiten samenhangend met de uitvoering van het beleid op het gebied van industrie, detailhandel en consumenten | Diverse | Uitvoeringskosten | 5 900 | ||
| 05.17.03 Stoffen, veiligheid, straling | ||||||
| Besluit diverse bijdragen milieubeheer | Stb. 1996, 158 | Het door middel van bijdragen stimuleren van projecten of activiteiten samenhangend met het beleid op het gebied van stoffen, veiligheid en straling (kennisoverdracht). | Bedrijven en maatschappelijke organisaties | Stimuleringsuitgaven | 350 | |
| Begrotingswet 1997 | Het ondersteunen van de Gezondheidsraad | Gezondheidsraad | Ondersteunings- uitgaven | 1 265 | ||
| Begrotingswet 1997 | Het ondersteunen van de Stichting Nederlands Normalisatie Instituut (NNI) | NNI | Ondersteunings- uitgaven | 927 | ||
| Begrotingswet 1997 | Het ondersteunen van de Commissie Genetische Modificatie (COGEM) | COGEM | Ondersteunings- uitgaven | 590 | ||
| Begrotingswet 1997 | Het ondersteunen van de World Health Organization (WHO) | WHO | Ondersteunings- uitgaven | 500 | ||
| Begrotingswet 1997 | Het laten uitvoeren van het kennisgevingbesluit Wet milieugevaarlijkse stoffen | MEBO | Uitvoeringskosten | 450 | ||
| Begrotingswet 1997 | Het via opdrachtverlening (laten) uitvoeren van projecten of activiteiten samenhangend met de uitvoering van het beleid op het gebied van stoffen, veiligheid en straling. | Diverse | Uitvoeringskosten | 7 232 | ||
1) Inclusief de verplichtingen en de uitgaven van de hiena genoemde regeling(en) en/of besluit(en) waar geen bedragen zijn opgenomen.
GRONDSLAGEN ARTIKEL(ONDERDEL)EN EN OVERIGE (ACHTERGROND)INFORMATIE
In deze bijlage is per artikel(onderdeel) of voor een clustering van artikel(onderdel)en informatie opgenomen over de grondslagen. Bovendien is in deze bijlage de informatie opgenomen, die minder beleidsrelevant is.
Concreet betekent dit dat in deze bijlage de volgende informatie is opgenomen:1.het artikel(onderdeel)nummer of een clustering van artikel(onderdeel)nummers;2.de omschrijving van het artikel(onderdeel);3.alle wettelijke regelingen en/of besluiten, waarop nog gelden worden ontvangen in het begrotingsjaar 1997;4.de formele vindplaats van de wettelijke regeling en/of het besluit;5.de vindplaats van de laatste wijziging van de wettelijke regeling en/of het besluit;6.de doelstelling, die door de wetgever resp. de minister wordt beoogd;7.de doelgroep, die de wetgever resp. de minister wil bereiken;8.de aard van de ontvangst of het soort instrument volgens de wettelijke regeling en/of het besluit;9.de ontvangsten in 1997 op basis van de wettelijke regeling en/of besluit.
Deze bijlage beoogt met name de rechtmatigheid van de in 1997 te ontvangen gelden te waarborgen.
De artikelonderdelen «Ontvangsten personeel en materieel»
Op deze artikelonderdelen worden de personele en materiële ontvangsten verantwoord. De personele ontvangsten omvatten:–de eigen bijdrage van de deelnemers aan het vervoersmanagementplan VROM;–de bijdrage uit het Arbeids- en Opleidingsfonds m.b.t. prioritaire groepen;–de AAW-bijdragen;–ontvangsten van deelnemers aan PC-privé projecten;–terugbetalingen van personeel op in vorige jaren gedane uitgaven.
De materiële ontvangsten bestaan uit:–abonnementsgelden en verkoop van literatuur en informatie;–terugbetalingen van derden op in vorige jaren gedane uitgaven;–door personeel terugbetaalde kosten voor vorming en opleiding, niet vallende onder de studiefaciliteitenregeling;–bijdragen van derden voor door VROM geleverde informatie of door VROM ontwikkelde software(pakketten).
| Wettelijke regeling en/of besluit | formele vindplaats | vindplaats laatste wijziging | beoogde doelstelling | beoogde doelgroep | aard van ontvangst/soort instrument | ontvangsten 1997 |
| 03. Volkshuisvesting | ||||||
| 03.03.01 Restituties objectsubsidies | ||||||
| zie hiervoor m.n. de genoemde regelingen en besluiten bij bijlage 6a, art. 03.74 | De terugbetaling van teveel betaalde subsidies voor nieuwbouw en woningverbetering | Gemeenten, (sociale) verhuurders, eigenaar/bewoners | restituties | 5 000 | ||
| 03.03.02 Restituties subjectsubsidies | ||||||
| Wet individuele huursubsidie | Stb. 1992, 316 | Het terugbetalen van ten onrechte uitgekeerde individuele huursubsidie, huurgewenningsbijdragen en kostenvergoedingen verhuurders | Huurders, sociale verhuurders | restituties | 85 4001 | |
| Overgangsregeling huurgewenningsbijdrage domeinwoningen | Stcrt. 1992, 71 | Het tot stand brengen van een geleidelijke huurverhoging in het kader van stadsvernieuwing of woningverbetering | Huurders | restituties | 0 | |
| 03.03.03 Overige restituties | ||||||
| Regeling overgangsbepalingen locatiegebonden subsidies | Stcrt. 1994, 241 | Terugbetalingen van teveel betaalde locatiesubsidies | Gemeenten | restituties | 4 551 | |
| 03.05.02 Overige ontvangsten | ||||||
| art. 10.2, 13.1, 17.2 van de Huurprijzenwet | Stcrt. 1992, 184 | Het ontvangen van leges bij geschillen omtrent huurprijswijzigingen | Huurders | legesgelden | 2001 | |
| Begrotingswet 1997 | Het ontvangen van gelden voor met name onderzoekspublicaties | Geïnteresseerden | vergoedingen | |||
| 03.05.03 Rente | ||||||
| Beschikking leningen toegelaten instellingen | Stcrt. 1977, 81 | Het innen van rente/aflossingen van rijksleningen voor domeinwoningen | Gemeenten en toegelaten instellingen | rente | 7 6661 | |
| Regeling geldelijke steun huurwoonwagens | Stcrt. 1991, 187 | Het innen van rente/aflossingen van rijksleningen | Gemeenten | rente | ||
| Beschikking eigen woningen in de beschutte sfeer | Stcrt. 1976, 241 | Stcrt. 1977, 54 | Het innen van rente/aflossingen van rijksleningen | Eigenaren/bewoners | rente | |
| 03.05.04 Aflossingen | ||||||
| Beschikking leningen toegelaten instellingen | Stcrt. 1977, 81 | Het innen van rente/aflossingen van rijksleningen voor domeinwoningen | Gemeenten en toegelaten instellingen | aflossingen | 8 2651 | |
| Regeling geldelijke steun huurwoonwagens | Stcrt. 1991, 187 | Het innen van rente/aflossingen van rijksleningen | Gemeenten | aflossingen | ||
| Beschikking eigen woningen in de beschutte sfeer | Stcrt. 1976, 241 | Stcrt. 1977, 54 | Het innen van rente/aflossingen van rijksleningen | Eigenaren/bewoners | aflossingen | |
| 03.07 Rente en aflossingen a.g.v. de wet «Balansverkorting geldelijke steun volkshuisvesting» | ||||||
| Wet Balansverkorting geldelijke steun Volkshuisvesting | Stb. 1995, 313 | Het innen van rente/aflossingen van rijksleningen en terugvorderingen in samenhang met de uitvoering van de balansverkorting | Gemeenten en toegelaten instellingen | rente, aflossingen en restituties | 7 000 | |
| 04. Ruimtelijke Ordening | ||||||
| 04.01.02 Overige ontvangsten | ||||||
| Begrotingswet 1997 | Het ontvangen van gelden voor met name uitgebrachte onderzoekspublicaties en incidentele verkoop van grond en onroerend goed verworven in het kader van het bufferzonebeleid | diverse | diversen | P.M. | ||
| 05. Milieubeheer | ||||||
| 05.02 Kostenverhaal bodemsanering | ||||||
| Wet Bodembescherming | Stb. 1986, 374 | Stb. 1994, 374 | Het verhalen van gemaakte kosten aan onderzoek en sanering van gevallen, waarin de bodem zodanig is of dreigt te worden verontreinigd dat de functionele eigenschappen die de bodem voor mens, plant of dier heeft, ernstig zijn of dreigen te worden verminderd. Het verhaal betreft ook kosten voor onderzoek en sanering van verontreinigde waterbodems | Gebruikers, veroorzakers, eigenaren, erfpachters | Verhaalsontvangsten | P.M. |
| 05.03 Overige ontvangsten | ||||||
| Overeenkomst tussen de Minister van VROM en de Hoogovens Groep B.V. | Het beschikbaar stellen door VROM van een krediet voor vernietiging en vervanging van PCB bevattende transformatoren. Het krediet wordt vanaf 1989 in 12 gelijke jaartermijnen van f 1 673 112,–terugbetaald | Hoogovens | Terugbetalingen van kredietbijdragen | 1 673 | ||
| Overeenkomst kredietverlening vrijwillige bodemsanering 1993 (in aansluiting op de Regeling Bijzondere Financiering 1971) | Stcrt. 1993, 239 | Het vergroten van de financieringsmogelijkheden teneinde bodemsanering in eigen beheer mogelijk te maken | (Middel)grote ondernemingen | provisie-ontvangsten en restituties | 1 532 | |
| Besluit borgstelling midden en kleinbedrijfkredieten(koninklijk besluit inwerkingtreding hoofdstuk II) | Stb. 1994, 225 Stb. 1994, 650 | Het vergroten van de financierings- mogelijkheden teneinde bodemsanering in eigen beheer mogelijk te maken | Midden- en kleinbedrijf | provisie-ontvangsten en restituties | 4 800 | |
| Begrotingswet 1996 | Het ontvangen van gelden voor met name licentierechten van door DGM ontwikkelde software(pakketten) | diversen | gelden voor m.n. licentierechten | P.M. | ||
| 05.05 Bodemsanering Vinex | ||||||
| Wet Bodembescherming | Stb. 1986, 374 | Stb. 1994, 374 | Het verstrekken van bijdragen voor onderzoek en sanering van die gevallen, waarin de bodem zodanig is of dreigt te worden verontreinigd dat de functionele eigenschappen die de bodem voor mens, plant of dier heeft, ernstig zijn of dreigen te worden verminderd. | Provincies, 4 Grote Steden | Ontvangsten FES-fonds | 67 450 |
1 Inclusief de ontvangsten van de hierna genoemde regeling(en) en/of besluit(en) waar geen bedragen zijn opgenomen.
DE BIJLAGE INZAKE ECONOMISCHE EN FUNCTIONELE CLASSIFICATIES
Op grond van artikel 7, onderdeel g, van de Comptabiliteitswet bevat de artikelsgewijze toelichting bij de begroting per artikel(onderdeel) een economische en een functionele code, overeenkomstig de door de minister van Financiën gegeven classificatie (zie bijlage 18 bij de Memorie van Toelichting bij de begroting 1997). De classificatievoorschriften zijn gepubliceerd in Hafir.
Overzichten naar (macro-)economische classificatie geven inzicht in de economische aard (bijvoorbeeld consumptie, investeringen) en de bestemming (bijvoorbeeld sector bedrijven, sector gezinnen) van uitgaven en ontvangsten.
Overzichten naar functionele classificatie geven inzicht in de verdeling van uitgaven en ontvangsten over onderwerpen van staatszorg.
De hierna volgende overzichten a en b geven voor de onderhavige begroting een totaalbeeld van de uitgaven en de ontvangsten per economische hoofdgroep respectievelijk functionele categorie. Geaggregeerde overzichten voor de gehele Rijksbegroting naar zowel economische als functionele classificatie zijn in de desbetreffende bijlagen van de Miljoenennota gepresenteerd.
Overzicht a Uitgaven en ontvangsten per (macro-)economische categorie met totalen per economische hoofdgroep
| Code | Omschrijving | Uitgaven | Ontvangsten | ||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 1995 | 1996 | 1997 | 1995 | 1996 | 1997 | ||
| 01 | Nader te verdelen: algemeen | 7 519 | 7 397 | ||||
| 01.11 | Nader te verdelen: loonbijstelling | 14 | 14 | ||||
| 03 | Interne verrichtingen | 62 881 | 67 360 | 67 680 | |||
| 08 | Interne verrichtingen | 16 164 | 48 536 | 67 450 | |||
| 0 | Totaal nader te verdelen | 62 881 | 74 893 | 75 091 | 16 164 | 48 536 | 67 450 |
| 10 | Niet verdeeld | 7 777 | 5 010 | 5 990 | |||
| 11.1 | Eigenlijk loon | 349 489 | 329 708 | 334 557 | |||
| 11.31 | Directe toelagen | 15 969 | 18 377 | 19 467 | |||
| 12.1 | Algemene werkingskosten vergoed aan andere sectoren dan de overheid | 441 940 | 418 116 | 394 945 | |||
| 16.1 | Verkoop van niet–duurzame goederen en van diensten aan andere sectoren dan de overheid | 6 814 | |||||
| 1 | Lopende uitgaven en ontvangsten voor goederen en diensten (consumptieve bestedingen) | 807 398 | 766 201 | 748 969 | 14 591 | 5 010 | 5 990 |
| 21.3 | Rente op schuld binnen de sector overheid | 32 927 930 | 30 778 | 30 000 | |||
| 26.2 | Rente–ontvangsten binnen de sector overheid | 1 919 116 | 8 755 | 7 666 | |||
| 2 | Rente, pacht en andere resultaten van vermogen en van andere ondernemingsactiviteit | 32 927 930 | 30 778 | 30 000 | 1 919 116 | 8 755 | 7 666 |
| 31.1 | Huur- en rentesubsidies | 29 | 25 | 25 | |||
| 31.3 | Overige exploitatiesubsidies aan andere producenten dan overheidsbedrijven | 16 202 | |||||
| 32 | Inkomensoverdrachten, geen exploitatiesubsidies zijnde, aan bedrijven enfinanciële instellingen- | 16 728 | 9 712 | 12 855 | |||
| 33 | Inkomensoverdrachten aan privaatrechtelijke instellingen zonder winstoogmerk t.b.v. gezinnen | 1 918 | 1 930 | 1 930 | |||
| 34.3 | Overige sociale uitkeringen aan gezinnen | 2 706 605 | 2 826 880 | 2 910 186 | 92 321 | 84 000 | 85 400 |
| 35 | Inkomensoverdrachten aan het buitenland | 13 380 | 11 611 | 13 276 | |||
| 35.4 | Inkomensoverdrachten aan andere internationale instellingen dan de E.G. | 1 096 | 963 | 1 130 | |||
| 36 | Indirecte belastingen en heffingen | 113 | 200 | 200 | |||
| 3 | Inkomensoverdrachten aan en van andere sectoren | 2 755 958 | 2 851 121 | 2 915 402 | 92 434 | 84 200 | 85 600 |
| 40.0 | Inkomensoverdrachten aan de centrale overheid | 42 617 | 52 045 | 70 905 | 24 679 | 4 403 | 3 003 |
| 41.4 | Inkomensoverdrachten aan overige instellingen met landelijke reikwijdte | 77 101 | 25 961 | 25 522 | |||
| 43.0 | Niet verdeelde / niet te verdelen inkomensoverdrachten aan de regionale en lokale overheden | 106 613 | 94 291 | 94 911 | |||
| 43.2 | Inkomensoverdrachten aan gemeenten | 304 335 | 211 700 | 192 300 | 53 910 | 14 000 | 5 000 |
| 4 | Inkomensoverdrachten binnen de sector overheid | 530 666 | 383 997 | 383 638 | 78 589 | 18 403 | 8 003 |
| 51.0 | Niet verdeelde / niet te verdelen kapitaaloverdrachten aan bedrijven en financiële instellingen | 10 844 | 111 195 | ||||
| 51.1 | Investeringsbijdragen aan bedrijven en financiële instellingen | 23 935 | 18 234 | 17 829 | |||
| 51.2 | Overige kapitaaloverdrachten aan bedrijven | 157 270 | 5 000 | 5 000 | |||
| 57.0 | Kapitaaloverdrachten van bedrijven en financiële instellingen (exclusief vermogensheffingen) | 5 593 | 6 332 | ||||
| 57.2 | Overige kapitaaloverdrachten van bedrijven | 1 433 | |||||
| 5 | Kapitaaloverdrachten aan en van andere sectoren | 181 205 | 34 118 | 34 024 | 1 433 | 5 593 | 6 332 |
| 63.0 | Niet verdeelde / niet te verdelen kapitaaloverdrachten aan regionale en lokale overheden | 995 760 | 900 454 | 1 043 109 | |||
| 63.11 | Investeringsbijdragen aan provincies | 355 642 | 405 527 | 456 423 | |||
| 63.21 | Investeringsbijdragen aan gemeenten | 1 752 387 | 1 387 674 | 1 203 955 | 72 980 | 8 969 | 4 551 |
| 63.22 | Overige kapitaaloverdrachten aan gemeenten | 3 726 003 | 134 661 | 123 000 | 40 000 | 6 000 | |
| 6 | Kapitaaloverdrachten binnen de sector overheid | 6 829 792 | 2 828 316 | 2 826 487 | 72 980 | 48 969 | 10 551 |
| 71.1 | Niet verdeelde / niet te verdelen aankoop van grond en gebouwen (excl. bijkomende kosten en schadeloosstellingen) | 19 840 | 12 566 | 12 523 | |||
| 7 | Investeringen en desinvesteringen | 19 840 | 12 566 | 12 523 | 0 | 0 | 0 |
| 85 3 | Niet verdeelde / niet te verdelen kredietverleningen aan regionale en lokale overheden | 10 198 | 3 100 | ||||
| 85 32 | Kredietverleningen aan gemeenten | ||||||
| 87 2 | Kredietaflossingen door gezinnen | 24 972 | 9 188 | 8 265 | |||
| 89 3 | Kredietaflossingen door regionale en lokale overheden | 24 456 546 | |||||
| 8 | Kredietverleningen en -aflossingen; deelnemingen en liquidatie van deelnemingen | 10 198 | 3 100 | 0 | 24 481 518 | 9 188 | 8 265 |
| Totaal | 44 125 868 | 6 985 090 | 7 050 134 | 26 676 825 | 228 654 | 199 857 | |
| Overzicht b Uitgaven en ontvangsten per functionele categorie | |||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Code | Omschrijving | Uitgaven | Ontvangsten | ||||
| 1995 | 1996 | 1997 | 1995 | 1996 | 1997 | ||
| 06.2 | Sociale bijstand | 2 188 963 | 2 380 903 | 2 550 676 | 92 321 | 84 000 | 85 400 |
| 06.43 | Werkgelegenheid | 1 918 | 1 930 | 1 930 | |||
| 06 | Sociale voorzieningen | 2 190 881 | 2 382 833 | 2 552 606 | 92 321 | 84 000 | 85 400 |
| 07.0 | Algemeen | 252 462 | 175 909 | 171 023 | 3 676 | 2 619 | 2 399 |
| 07.1 | Volkshuisvesting | 39 493 792 | 2 169 189 | 2 120 976 | 26 529 210 | 82 536 | 33 106 |
| 07.11 | Toegepast wetenschappelijk onderzoek Volkshuisvesting | 16 346 | 12 503 | 19 315 | |||
| 07.2 | Ruimtelijke Ordening | 1 128 106 | 1 158 112 | 1 079 785 | 7 531 | 568 | 568 |
| 07.21 | Toegepast wetenschappelijk onderzoek Ruimtelijke Ordening | 8 191 | 7 695 | 8 261 | |||
| 07.30 | Algemeen milieu | 348 430 | 353 854 | 357 025 | 1 811 | 399 | 1 599 |
| 07.301 | Toegepast wetenschappelijk onderzoek algemeen milieu | 74 255 | 115 606 | 108 306 | |||
| 07.34 | Vuilafvoer en -verwerking | 19 627 | 19 778 | 16 791 | |||
| 07.35 | Overig milieubeheer | 528 663 | 589 491 | 615 926 | 42 276 | 58 532 | 76 785 |
| 07.351 | Toegepast wetenschappelijk onderzoek overig milieubeheer | 64 982 | |||||
| 07.5 | Natuur en landschapsbehoud | 133 | 120 | 120 | |||
| 07 | Volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieu | 41 934 987 | 4 602 257 | 4 497 528 | 26 584 504 | 144 654 | 114 457 |
| Totaal | 44 125 868 | 6 985 090 | 7 050 134 | 26 676 825 | 228 654 | 199 857 | |
DE VOORLICHTINGSBIJLAGE
In deze bijlage wordt inzicht gegeven in alle voorlichtingsuitgaven voor het jaar 1997 van VROM. De voorlichtingsuitgaven die niet apart worden geadministreerd zijn buiten beschouwing gebleven. Verder zijn, voor de onderlinge vergelijkbaarheid tussen ministeries, bepaalde uitgaven niet meegenomen.
| bedragen in mln. | |
| Programma–uitgaven | 21,683 |
| Personele uitgaven | 5,400 |
| Materiële uitgaven | 0,570 |
| Interne voorlichting | 0,800 |
| Totaal | 28,453 |
Naar aanleiding van de toezegging die de Minister-President op 12 december 1995 heeft gedaan aan de Eerste Kamer volgt hier een overzicht van de belangrijkste voorlichtingscampagnes, alsmede een passage over de inschakeling van externen en de resultaten van de campagnes.
In 1995 heeft het ministerie van VROM voorlichtingscampagnes gevoerd over de volgende onderwerpen: huursubsidie, huishoudelijk afval (de deelcampagnes GFT en KCA), energieheffing (samen met EZ en Financiën) en milieukeur. Voorts is de overkoepelende milieucampagne (met als motto «Een beter milieu begint bij je zelf») voortgezet. Een ander belangrijk project waren de Groene Hart gesprekken. Eind 1995 is de deelcampagne «recycling/hergebruik» voorbereid (als vervolg op het thema afvalscheiding). Deze campagne ging in maart 1996 van start. Tevens zijn eind 1995 in verband met wijzigingen in het huurbeleid voorbereidingen getroffen voor de nieuwe campagne over huur(subsidie)beleid. Deze campagne is in juni 1996 van start gegaan.
Het ministerie van VROM ontwikkelt zelf de strategie voor campagnes en grote projecten. Dit geldt ook voor het opstellen van de betreffende communicatieplannen. Externen worden ingehuurd voor de creatieve invulling en/of uitvoering van campagnes, voor de uitvoering van grote projecten en voor communicatie-onderzoek. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om het redigeren, vormgeven en drukken van schriftelijk voorlichtings-materiaal, het maken van Postbus 51-spots, het uitvoeren van pretests, 0-, 1- en 2-metingen en logistieke activiteiten.
Evaluatie van voorlichtingscampagnes vindt plaats volgens het principe van de Zilveren Standaard op basis van gekwantificeerde communicatiedoelstellingen. De Rijksvoorlichtingsdienst stelt op basis van de effect- en evaluatie-onderzoeken een totaaloverzicht op van de effectiviteit van alle Postbus 51-voorlichtingscampagnes van de rijksoverheid. In het najaar 1996 verschijnt het overzicht van de campagnes die in 1995 zijn gevoerd.
WONINGBOUWPROGRAMMA
In de Trendbrief van 17 november 1995 (kamerstukken II, 1995/1996, 24 508, nr.1) is de landelijke nieuwbouwbehoefte voor de lopende Vinexperiode in beeld gebracht. Deze behoefte blijft uitgangspunt voor het nieuwbouwbeleid.
In de Trendbrief is, op basis van de gebleken nieuwbouwbehoefte en door verrekening van de geraamde (pijplijn)produktie in de jaren 1995 t/m 1997, het indicatieve nieuwbouwprogramma voor de jaren 1997 t/m 2003 bepaald. Hieruit is gebleken dat er rekenkundig vanaf het programmajaar 1997 geen behoefte meer bestaat aan sociale nieuwbouw. Gezien echter het belang van een, door herstructurering te stimuleren, gedifferentieerd woningaanbod in binnenstedelijk gebied, en het belang van differentiatie van het aanbod op uitleglocaties, is toch nog een substantieel aantal sociale nieuwbouwwoningen geprogrammeerd.
Voor de zeven programmajaren 1997 t/m 2003 gaat het om 66 500 woningen. Het later dan voorzien in ontwikkeling komen van een aantal grote Vinex-locaties leidt ertoe dat de aantallen voor de eerste twee programmajaren gedeeltelijk worden doorgeschoven naar de jaren daarna. Uitgangspunt is dus dat het totale programma uit de Trendbrief blijft gehandhaafd, maar de fasering wordt gewijzigd conform onderstaande tabel.
| (Indicatief) nieuwbouwprogramma 1997/2001 (aantal woningen x 1000) | |||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| < f 171 000 | f 171 000 f 243 000 | > f 243 000 | totaal | ||||
| jaar | tot | gesubs. | tot | gesubs. | tot | totaal | gesubs. |
| 1997 | 11 | 11 | 18 | 5,4 | 53 | 82 | 16,4 |
| 1998 | 10 | 8 | 17 | 4 | 48 | 75 | 12 |
| 1999 | 9,5 | 8 | 16,5 | 4 | 44 | 70 | 12 |
| 2000 | 9 | 8 | 16 | 4 | 43 | 68 | 12 |
| 2001 | 9 | 8 | 16,5 | 4 | 41 | 64,5 | 12 |
Het voor woninggebonden subsidies beschikbare budget (BWS) bedraagt in totaal f 235 mln. Hieronder wordt toegelicht hoe de voeding van het landelijk beschikbare budget is berekend. Voor de goede orde wordt hier opgemerkt dat bij de feitelijke besteding van het toegekende budget geen schotten gelden tussen de deelbudgetten.
In 1997 wordt het landelijke budget gevoed met middelen die subsidiëring van het gehele sociale bouwprogramma van 11 000 woningen mogelijk maken. De in het landelijke budget beschikbaar gestelde middelen voor stimulering van de binnenstedelijke bouw van marktwoningen is voor 1997 (door verhoging van aantallen en gemiddelde bedragen per woning) verhoogd van f 34 miljoen naar f 51 miljoen. De beschikbaar gestelde middelen voor ingrijpende voorzieningen aan huurwoningen zijn, via een verlaging van de aantallen van 4750 naar ca. 3200, met f 30 miljoen verlaagd tot f 60 miljoen. Het aantal is hiermee in overeenstemming gebracht met het niveau van de realisaties (gunningen) in 1995. Deze verlaging is vooralsnog structureel doorgevoerd. Mede naar aanleiding van de nieuwe KWR-uitkomsten zal de gewenste toekomstige omvang van het programma ingrijpende voorzieningen nader moeten worden bepaald. Het deelbudget voor woonwagens en standplaatsen is niet gewijzigd.
In tabel A en B wordt een nadere uitsplitsing gegeven van het aantal woningen waarmee in de onderbouwing van het landelijk beschikbare BWS-budget is gerekend en de daarmee gemoeide gemiddelde subsidiebedragen. Vergeleken met de in de ontwerp-begroting-1996 opgenomen gemiddelde bedragen wijken (in tabel B) wijken de bedragen bij de kopkosten enigszins af. Het verschil wordt veroorzaakt door een andere relatieve verdeling van het bouwprogramma over de provincies/BoN-gebieden, die ieder hun eigen normbedrag kennen. In de brief, die rond de begroting 1997 aan de Tweede Kamer wordt toegezonden wordt nader op de verdeling van het bouwprogramma/budget 1997 t/m 2000 ingegaan.
| Tabel A.a Landelijk aantal woningen waarvoor de gemiddelde stimuleringspremie beschikbaar is | ||||||||
| jaar | 1997 | 1998 | 1999 | 2000 | 2001 | |||
| nieuwbouw | uitbr. | 9500 | 7 000 | 7 000 | 7 000 | 7 000 | ||
| <f 171 000 | verv. | 1500 | 1 100 | 1 100 | 1 100 | 1 100 | ||
| totaal | 11 000 | 8 100 | 8 100 | 8 100 | 8 100 | |||
| ingr. voorzieningen | 3 170 | 3 170 | 3 170 | 3 170 | 3 170 | |||
| woonwagens | uitbr. | 125 | 125 | 125 | 125 | 125 | ||
| verv. | 125 | 125 | 125 | 125 | 125 | |||
| totaal | 250 | 250 | 250 | 250 | 250 | |||
| standplaatsen | uitbr. | 330 | 330 | 330 | 330 | 330 | ||
| verv. | 170 | 120 | 55 | – | – | |||
| totaal | 500 | 450 | 385 | 330 | 330 | |||
| Tabel A.b Landelijk aantal woningen waarvoor de gemiddelde bereikbaarheidstoeslag beschikbaar is | ||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| jaar | 1997 | 1998 | 1999 | 2000 | 2001 | |||
| aantal | 4 500 | 3 500 | 3 500 | 3 500 | 3 500 | |||
| Tabel A.c Landelijk aantal woningen waarvoor de gemiddelde subsidie voor plaatselijk verschillende omstandigheden beschikbaar is | ||||||||
| jaar | 1997 | 1998 | 1999 | 2000 | 2001 | |||
| soc. sector bouwplaats/funderingskosten | 750 | 540 | 540 | 540 | 540 | |||
| middelduur bouwpl.kopk. | 5 400 | 4 000 | 4 000 | 4 000 | 4 000 | |||
| soc. sector regiokopk. | 6050 | 4 500 | 4 500 | 4 500 | 4 500 | |||
| Tabel B Gemiddelde subsidiebedragen per woning | |
| stimuleringspremie sociale huurwoning | 5 000 |
| ingrijpende voorziening huurwoning | 19 000 |
| stimimuleringspremie woonwagen | 15 000 |
| stimuleringspremie woonwagenstandplaats | 5 000 |
| bereikbaarheidstoeslag sociale huurwoning | 8 500 |
| bouwpl./fund.kopkosten sociale huurwoning | 10 000 |
| bouwplaatskopkosten middeldure woning | 9 500 |
| regiokopkosten sociale huurwoning | 2 600 |
OVERZICHT PRIJSKLASSEN EN INKOMENSGROEPEN BINNEN HET VOLKSHUISVESTINGSBELEID (PRIJZEN PER 1/7/1996 EN 1/1/1997)
Huurprijsgrenzen (EVW-beleid) per 1/7/'96
Huurprijzen BBSH en Huisvestingsbesluit (kale huurprijs per maand)
| goedkope huur | betaalbare huur | dure huur |
| < f 600,– | f 600,– tot f 810,– | > f 810,– |
Inkomensgrenzen doelgroep van het volkshuisvestingsbeleid per 1/7/'96
| Inkomensgrenzen doelgroep BBSH en Huisvestingsbesluit | |
| huishouden | Belastbaar huishoudinkomen per jaar |
| éénpersoonshuishoudens < 65 jaar | < f 35 000,– |
| éénpersoonshuishoudens > 65 jaar | < f 29 000,– |
| meerpersoonshuishoudens < 65 jaar | < f 46 000,– |
| meerpersoonshuishoudens > 65 jaar | < f 39 000,– |
Indicatief Nieuwbouwprogramma (per 1/1/'97)
Stichtingskosten (exclusief toeslag voor plaatselijk verschillende omstandigheden (p.v.o.) en meerwerk)
| goedkoop | middelduur | duur |
| < f 171 000,– | f 171 000,– tot f 243 000,– | > f 243 000,– |
STADSVERNIEUWINGSRAPPORTAGE 1996
| INHOUDSOPGAVE | pag. | |
| 1. | Inleiding | 64 |
| 2. | Voortgang project herijking BELSTATO | 64 |
| 3. | Stand van de stadsvernieuwing | 64 |
| 3.1 | Verdeling en verslaglegging | 64 |
| 3.2 | Voortgang landelijk niveau/gemeente-categorie | 65 |
| 3.3 | Bestedingen per hoofdgroep (uitgaven verwerving, wonen, verkeer, etc.) | 67 |
| 4. | Toezicht- en controlebeleid WSDV | 68 |
| 4.1 | Indiening verslaglegging en uitvoering sanctiemaatregel | 68 |
| 4.2 | Protocol accountantsverklaringen | 68 |
| 4.3 | Toezicht en controle verslaglegging | 68 |
| 5. | Wijzigingen WSDV/BSDV | 69 |
| BIJLAGEN | ||
| A. | Investeringen per gemeente-categorie | 70 |
| B. | Investeringen per hoofdgroep per gemeente-categorie (in % en in mln. guldens) en toelichting | 71 |
| C. | Advies CCSV over Stadsvernieuwingsrapportage 1996 (concept) | 73 |
Op grond van artikel 3 van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing (WSDV) wordt jaarlijks verslag uitgebracht over het gevoerde stadsvernieuwingsbeleid. In deze bijlage treft u achtereenvolgens aan de voortgang van het project herijking BELSTATO, het verslag over de stand van de stadsvernieuwing, het gevoerde toezicht- en controlebeleid en de stand van zaken met betrekking tot de voorgenomen wijzigingen WSDV/BSDV.
2. Voortgang project herijking BELSTATO
Bij de behandeling van de nota Beleid voor Stadsvernieuwing in de Toekomst (BELSTATO) is in 1992 door de toenmalige Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer aan de Tweede Kamer toegezegd, de BELSTATO-raming in 1997 (v.w.b. de kosten- of prijscomponent) te herijken. In dat kader loopt het project herijking BELSTATO, waarvan twee onderzoekstrajecten deel uitmaken, het IJkmoment en de omgevingsverkenningen. In 1995 heeft de Tweede Kamer ingestemd met de onderzoeksopzet terzake.
Het IJkmoment omvat alle onderzoeken naar de prijscomponent in de BELSTATO-raming en sluit aan op de toezegging uit 1992. Daarnaast worden in de omgevingsverkenningen de voortgang van de stadsvernieuwing en ontwikkelingen in de directe omgeving van de stadsvernieuwing (o.a. beheer en onderhoud, ontwikkelingen naoorlogse wijken sociale problematiek e.d.) op hoofdlijnen geanalyseerd in relatie tot de uitgangspunten van BELSTATO. De IJkmoment-onderzoeken verkeren in een vergevorderd stadium. Zowel deze onderzoeken als de omgevingsverkenningen zullen naar verwachting aan het einde van dit jaar worden afgerond. Over de resultaten van de beide onderzoekstrajecten zal, conform de brief van 24 april 1995 aan de Tweede Kamer, het regeringsstandpunt in 1997 aan de Tweede Kamer worden aangeboden.
In de brief van 24 april 1995 aan de Tweede Kamer is meegedeeld de p.m. post monumentenzorg in de BELSTATO-raming in gezamenlijk overleg tussen VROM en OCW/RdMZ nader te bepalen. Het overleg terzake is gaande.
3. Stand van de stadsvernieuwing
3.1 Verdeling en verslaglegging
Op grond van de door de Tweede Kamer in 1993 aanvaarde nota «Verdeling rijkssteun voor stadsvernieuwing in de toekomst» is de verdeelsystematiek met ingang van 1994 zodanig gewijzigd dat recht wordt gedaan aan de uitgangspunten van de nota «Beleid voor stadsvernieuwing in de toekomst» (nota BELSTATO 1992). Deze verdeelsystematiek vindt zijn juridische grondslag in artikel 4 van het per 1994 gewijzigde Besluit op de stads- en dorpsvernieuwing (BSDV). De gewijzigde verdeelsystematiek komt er in hoofdlijnen op neer dat verdeling naar behoefte plaats vindt, het aantal rechtstreekse gemeenten aanzienlijk is verminderd (drempel van 1 promille van het budget is verhoogd naar 1,5 promille) en de provincies de budgetten voor de niet rechtstreekse gemeenten inzetten op projectbasis.
Om beter aan te sluiten bij de onderdelen van de BELSTATO-raming is een nieuw verslagleggingsformulier ontworpen. Bij de verslaglegging over 1994 hebben de gemeenten zowel van het «oude» als het nieuwe formulier gebruik gemaakt. Doordat de beide formulieren nogal afwijken van elkaar is door middel van conversie vooralsnog aansluiting gezocht bij het oude formulier om de informatie over de stand van de stadsvernieuwing vergelijkbaar te maken met voorgaande jaren. In de volgende hoofdstukken wordt nader op de stand van de stadsvernieuwing ingegaan.
3.2 Voortgang landelijk niveau/gemeentecategorie
De rijksbijdrage voor de vulling van de gemeentelijke en provinciale stadsvernieuwingsfondsen is in 1994 bepaald op f 1005,25 mln. Ter voldoening aan de motie Versnel is aan de 4 grote steden nog een bedrag f 20,28 mln. extra uitbetaald voor niet-ingrijpende verbetering van particuliere huurwoningen, dat in de totaal te verdelen rijksbijdrage is verdisconteerd. De in 1993 terzake doorgevoerde interim-regeling voor alle gemeenten is daarmee, uitgezonderd de 4 grote steden, teruggedraaid. Van het totale budget hebben de 48 rechtstreekse gemeenten f 864,96 mln. ontvangen en de provincies, ten behoeve van de niet-rechtstreekse gemeenten, f 140,29 mln. De totale met stadsvernieuwing gemoeide investeringen op landelijk niveau zijn vermeld in tabel 1.
| Tabel 1: landelijk overzicht uitgaven, inkomsten, eigen bijdragen en saldi (x f 1 mln.) 1) | |||||
| 1990 | 1991 | 1992 | 1993 | 1994 | |
| beginsaldo | 657 | 644 | 651 | 725 | 872 |
| inkomsten | 1 977 | 2 119 | 2 087 | 2 007 | 1 732 |
| (waarvan gem. bijdrage) | – 512 | – 516 | – 521 | – 409 | – 430 |
| uitgaven | 1 998 | 2 116 | 2 015 | 1 851 | 1 689 |
| inkomsten min uitgaven | – 21 | 3 | 72 | 156 | 45 |
| eindsaldo | 636 | 647 | 723 | 882 | 915 |
1 Niet alle gemeenten hebben een bestedingsverslag ingediend. Per jaar zijn de aantallen en de daarbij behorende sleutelaandelen als volgt: 1990: 640 gemeenten en 99,2% 1991: 634 gemeenten en 99,7% 1992: 633 gemeenten en 98,8% 1993: 616 gemeenten en 93,3% 1994: 466 gemeenten en 72,0% (voor verklaring: zie 4.1) De sleutelaandelen zijn gebaseerd op het aandeel per gemeente in het totale budget volgens de stadsvernieuwingssleutel. Met weging van de onderscheiden groepen van gemeenten zijn de gegevens tot 100% opgehoogd.
NB: In principe is het eindsaldo van een bepaald jaar gelijk aan het beginsaldo van het daarop volgende jaar. Omdat de gegevens niet ieder jaar van precies dezelfde groep gemeenten zijn verkregen, kunnen de begin- en eindsaldi verschillen.
Uit tabel 1 valt af te leiden dat ten opzichte van 1993 de inkomsten op een lager niveau en de uitgaven op vrijwel hetzelfde niveau liggen. Zowel het begin- als het eindsaldo is verder toegenomen.
Vanwege de vergelijkbaarheid van de gegevens met voorgaande jaren wordt telkenjare uitgegaan van 4 gemeentecategoriën, te weten: 4 grote steden (behorend tot de groep van 22 MPS-gemeenten), 18 MPS-gemeenten, overige rechtstreekse gemeenten en niet-rechtstreekse gemeenten. Het begrip MPS-gemeenten is destijds ingevoerd om de grote en middelgrote gemeenten als groep te onderscheiden in het Meerjarenplan Stadsvernieuwing (MPS), een jaarlijks voortschrijdend plan over de beleidsintenties en voortgang van de stadsvernieuwing. Ook in tabel 2 is uitgegaan van die groepsindeling. Deze indeling komt ongeveer overeen met de eigen groepsbenadering van de desbetreffende (MPS-)gemeenten (4 grote steden en 23 gemeenten1 .
| Tabel 2: Overzicht 1994 per gemeentecategorie, uitgaven, inkomsten, eigen bijdrage en saldi (x f 1 mln.) | |||||
| 4 grote steden | MPS–gem. | overig gem. | niet rechtstreeks | landelijk | |
| beginsaldo | 307 | 159 | 148 | 258 | 872 |
| inkomsten | 814 | 303 | 208 | 407 | 1 732 |
| (w.v. gem. bijdrage) | – 93 | – 27 | – 72 | – 238 | – 430 |
| uitgaven | 676 (40%) | 293 (17%) | 220 (13%) | 500 (30%) | 1 689 (100%) |
| inkomsten min uitg. | 138 | 10 | – 12 | – 93 | 45 |
| eindsaldo | 445 | 169 | 136 | 165 | 915 |
In de verdeling van het uitgaven- en inkomsten-patroon van de verschillende gemeentegroepen – volgens tabel 2 – valt op dat de MPS-gemeenten over 1994 een vrij lage eigen bijdrage (6% van het landelijk totaal) in hebben gezet voor stadsvernieuwing. Daarentegen hebben de niet-rechtstreekse gemeenten in 1994 55% aan eigen middelen aan de stadsvernieuwing besteed. Landelijk is 25% aan eigen middelen ingezet; het geraamde landelijke gemiddelde voor de eigen bijdrage volgens de nota BELSTATO bedraagt 15%.
In bijlage A is een overzicht samengesteld van de investeringen per gemeentecategorie over de afgelopen 5 jaar. Uit het overzicht blijkt dat de begin- en eindsaldi van de 4 grote steden en de overige MPS-gemeenten de afgelopen jaren verder zijn gestegen, terwijl de inkomsten en uitgaven zijn gedaald. Deze constateringen worden veroorzaakt door stijgende spaarsaldi bij de betreffende gemeenten.
Bij de categorieën overige rechstreekse gemeenten en niet-rechtstreekse gemeenten in bijlage A is sprake van aanzienlijke verschillen in het inkomsten en uitgavenpatroon als gevolg van een verschuiving in de budgetten door een dalend aantal rechtstreekse gemeenten en derhalve een stijgend aantal niet-rechtstreekse gemeenten per 1994. Dit heeft met name gevolgen voor het beeld van de begin- en eindsaldi, die nogal afwijken van voorgaande jaren.
| Tabel 3: Eigen bijdragen gemeenten in verhouding tot de totale uitgaven per gemeentecategorie | ||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| absoluut (x f 1 mln.) | % van totale uitgaven | |||||||
| 1991 | 1992 | 1993 | 1994 | 1991 | 1992 | 1993 | 1994 | |
| 4 gr. steden | 117 | 98 | 112 | 93 | 13 | 12 | 13 | 14 |
| overige MPS | 54 | 41 | 8 | 27 | 15 | 13 | 2 | 9 |
| over. rechtstr. | 103 | 103 | 78 | 72 | 31 | 31 | 23 | 33 |
| niet–rechtstr. | 242 | 279 | 211 | 238 | 45 | 51 | 43 | 48 |
| totaal | 516 | 521 | 409 | 430 | 26 | 27 | 20 | 25 |
De gerapporteerde gemeentelijke eigen bijdragen liggen volgens tabel 3 ongeveer op hetzelfde niveau als over de jaren vóór 1993, gemiddeld ca. 25% van de stadsvernieuwingsuitgaven. De inzet van eigen bijdragen door de grote steden is ongeveer gelijk gebleven. Bij de MPS-gemeenten zijn weer meer eigen middelen ingezet in 1994. De inzet van eigen middelen bij de overige rechtreekse gemeenten en de niet-rechtstreekse gemeenten ligt weer ongeveer op het niveau van vóór 1993. Uit de absolute bedragen valt af te leiden dat het aandeel van de niet-rechtstreekse gemeenten over 1994 55% uitmaakt van het totale landelijke gemeentelijke aandeel.
3.3 Bestedingen per hoofdgroep (uitgaven verwerving, wonen, verkeer, etc.)
In tabel 5 zijn de landelijke uitgaven per hoofdgroep weergegeven.
| Tabel 4: De absolute en relatieve verdeling van de landelijke uitgaven over de negen hoofdgroepen voor de bestedingsjaren 1990 t/m 1994, (bedragen x f 1 mln.) | ||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Bestedingen 1990 | 1991 | 1992 | 1993 | 1994 | ||||||
| f | % | f | % | f | % | f | % | f | % | |
| verwrv.etc. | 549 | 27 | 577 | 27 | 533 | 27 | 509 | 27 | 484 | 29 |
| wonen | 387 | 19 | 448 | 21 | 404 | 20 | 346 | 19 | 282 | 17 |
| verkeer | 126 | 6 | 115 | 5 | 123 | 6 | 121 | 6 | 102 | 6 |
| proc.kost. | 175 | 9 | 152 | 7 | 166 | 8 | 171 | 9 | 201 | 12 |
| woonomg. | 292 | 15 | 333 | 16 | 344 | 17 | 289 | 16 | 269 | 16 |
| monum.zorg | 110 | 6 | 103 | 5 | 109 | 5 | 106 | 6 | 92 | 5 |
| bedrijven | 101 | 5 | 116 | 6 | 93 | 5 | 66 | 4 | 43 | 2 |
| milieu | 159 | 8 | 162 | 8 | 136 | 7 | 146 | 8 | 112 | 7 |
| welzijn | 99 | 5 | 110 | 5 | 107 | 5 | 97 | 5 | 102 | 6 |
| Totaal | 1 998 | 100 | 2 116 | 100 | 2 015 | 100 | 1 851 | 100 | 1 689 | 100 |
De ontwikkeling van de landelijke uitgaven verdeeld over de negen hoofdgroepen laat zien dat alle uitgaven, uitgezonderd de «proceskosten», in absolute zin zijn afgenomen. De uitgaven voor «verwerving, sloop en grondwerk» zijn in relatieve zin toegenomen. De uitgaven voor «wonen» zijn zowel absoluut als relatief sterk gedaald.
Met verwijzing naar bijlage B, waarin het gedetailleerde overzicht van de uitgaven, zowel landelijk als per gemeentegroep is weergegeven, kan het volgende worden opgemerkt.
Opvallende verschillen op landelijk niveau, maar ook over de groepen heen, vormen de uitgaven voor «proceskosten», die nogal zijn gestegen t.o.v. 1993 en de uitgaven voor «wonen» die over de jaren een verder dalende tendens laten zien.
In het uitgavenpatroon van de 4 grote steden is sprake van een lichte stijging bij de posten «verwerving c.a.» en «welzijn». Opvallend is verder dat bij die groep de «proceskosten» aanzienlijk zijn gestegen. De uitgaven voor «monumentenzorg» liggen ongeveer op hetzelfde niveau als in 1993. De overige uitgavenposten zijn gedaald; in het kader van de post «verkeer» zijn in 1994 geen uitgaven gedaan door de 4 grote steden.
Bij de groep overige MPS-gemeenten zijn stijgingen te zien bij «proceskosten», «woonomgeving», «monumentenzorg» en «bedrijven». «Verwerving c.a.», «wonen» en «milieu» zijn gedaald; ook «verkeer» is verder gedaald.
Voor de groepen overige rechtstreekse gemeenten en niet-rechtstreekse gemeenten is het niet mogelijk uitspraken te doen over het bestedingspatroon ten opzichte van voorgaande jaren. Door het verminderde aantal rechtstreekse gemeenten en het meerdere aantal niet-rechtstreekse gemeenten hebben zich verschuivingen in de budgetten voorgedaan, waardoor in algemene zin de uitgaven voor de rechtstreekse gemeenten lager zijn en de uitgaven bij de niet-rechtstreekse gemeenten hoger. Hierover kunnen geen verdere gedetailleerde feiten worden gemeld.
4. Toezicht- en controlebeleid WSDV
Ten behoeve van de verslaglegging aan de Tweede Kamer voorziet de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing in de verplichting aan gemeenten en provincies tot tijdige en volledige (met accountantsverklaring) indiening van de verslaglegging over de besteding van de stadvernieuwingsgelden. In de verslagen leggen de gemeenten en provincies (achteraf) verantwoording af over de stadsvernieuwingsuitgaven en het beheer van de gelden. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het door het Rijk uitgevoerde toezicht- en controlebeleid over de verslaglegging over 1994.
4.1 Indiening verslaglegging en uitvoering sanctiemaatregel
In 1995 zijn 466 bestedingsverslagen van de in totaal 647 voor stadsvernieuwingsmiddelen in aanmerking komende gemeenten over het jaar 1994 op het «oude» formulier ingediend (sleutelaandeel 72,0%). Ter vergelijking met voorgaande jaren zijn de «oude» verslagen (geëxtrapoleerd) gebruikt voor de tabellen. Bij niet tijdige/volledige verslaglegging door de gemeenten worden op grond van artikel 42 in de WSDV sancties –20% korting op het jaarbudget- opgelegd door het Rijk/provincie. De verslagen van de 48 rechtstreekse gemeenten zijn tijdig vóór 1 september 1995 bij de provincies ingediend, zodat geen sancties door het Rijk zijn toegepast.
De uitvoering van de sanctiemaatregel voor de niet-rechtstreekse gemeenten berust bij de provincies. Over het verslagjaar 1994 hebben volgens opgave van de provincies een groot aantal niet-rechtstreekse gemeenten niet tijdig (vóór 1 september 1995) het bestedingsverslag ingediend in de provincies: Groningen (5), Friesland (6), Zuid-Holland (11), Noord-Brabant (49) en Limburg (13). In de overige provincies is het beperkt gebleven tot een enkele gemeente. Alle niet-rechtstreekse gemeenten in Utrecht en Zeeland hebben voldaan aan de verslagleggingsverplichting conform de WSDV.
4.2 Protocol accountantsverklaringen
Uitgezonderd één gemeente, hebben alle provincies en gemeenten zich aan de in het Besluit op de stads- en dorpsvernieuwing, artikel 13, derde lid, voorgeschreven vormvereiste gehouden en het protocol, dat richtlijnen aan de accountant geeft voor het vaststellen van de rechtmatige besteding van de stadsvernieuwingsgelden, nageleefd. Op verzoek van het Rijk heeft de gemeente Eindhoven, in het kader van een experiment, een volkshuisvestingsverslag – waarin opgenomen de stadvernieuwingsuitgaven – ingediend.
4.3 Toezicht en controle verslaglegging
Conform artikel 42 WSDV hebben 8 provincies de bestedingsverslagen en bijbehorende accountantsverklaringen over het begrotingsjaar 1994 tijdig – vóór 1 november 1994 – bij het Rijk ingediend. Door vier provincies zijn de verslagen niet tijdig ingediend. Ten aanzien van de provinciale verslaglegging kent de WSDV (nog) geen sancties op niet tijdige indiening.
In het kader van het toezicht door het Rijk op de rechtmatige besteding van de stadsvernieuwingsgelden zijn controles uitgevoerd op de verslaglegging over het begrotingsjaar 1994 en het beheer van de provinciale stadsvernieuwingsfondsen. De bevindingen zijn neergelegd in de reacties van de Staatssecretaris aan de provincies, bij brieven van 9 juli 1996.
De meeste provincies hebben in hun verslag slechts in beperkte mate aangegeven dat er strijdigheid met de WSDV is geconstateerd. Daarbij gaat het om onder andere het niet tijdig indienen van verslagen door gemeenten, het niet of onvoldoende opvoeren van rente en de aandachtspunten die de gemeentelijke accountants in hun verklaringen hebben vermeld. Door de provincies is meestal aangegeven welke acties zijn of worden genomen om de strijdigheid met de WSDV weg te nemen. Indien dit niet is vermeld is de provincies verzocht de desbetreffende punten onder de aandacht van de gemeenten te brengen.
Uit de controles op de verslaglegging kwam als byzonder punt van aandacht naar voren de verantwoording van toegevoegde rentes aan de fondsen. Op de door een aantal gemeenten en provincies te lage opgegeven rentepercentages is door de Staatssecretaris gewezen en verzocht deze te herzien in de verantwoording over 1995. In de circulaires MG 94–12 en MG 95–16 inzake de verslaglegging WSDV is reeds als richtlijn gegeven de werkelijk ontvangen (markt-)rente aan te houden voor gelden die in de stadsvernieuwingsfondsen blijven.
De verslaglegging gaf overigens geen aanleiding om nader onderzoek in te laten stellen.
De laatste jaren is sprake van een verbeterde uitvoering van de financiële verantwoording door provincies en gemeenten. Ook aan beleidsmatige aspecten besteden de provincies en gemeenten in hun verslaglegging aandacht. Deze informatie verschaft veelal een nadere onderbouwing van de financiële gegevens, waarmee het inzicht in de aanpak van de gemeentelijke stadsvernieuwing voor het Rijk wordt vergroot.
Wet op de stads- en dorpsvernieuwing
Bij de wijziging van de WSDV, ingaande 14 maart 1994, is het rente en aflossingsartikel zodanig verruimd, dat er een gelimiteerde mogelijkheid wordt geboden de rijksbijdrage te besteden aan de aflossing van leningen voor stadsvernieuwing. In voorbereiding is een wijziging van de wet, waarin ook voor de provincies sancties worden opgenomen op de tijdigheid en juiste vorm van de verslaglegging.
Besluit op de stads- en dorpsvernieuwing (BSDV)
Met ingang van 1994 is de verdeelsystematiek in het BSDV zodanig gewijzigd dat budgetten worden verstrekt aan de 48 rechtstreekse gemeenten en de 12 provincies (voor de niet-rechtstreekse gemeenten). De verantwoordingsstructuur met betrekking tot het gewijzigde budgethouderschap is formeel per 1995 in werking getreden. Dat houdt in dat alle budgethouders vanaf dat tijdstip de financiële verantwoording over het jaar 1995 rechtstreeks aan het Rijk zullen afleggen. Voor de verantwoording van saldi over het begrotingsjaar 1994 geldt nog de «oude» systematiek.
Investeringen per gemeentecategorie (in mln. geëxtrapoleerd)
| Vier grote steden | 1990 | 1991 | 1992 | 1993 | 1994 |
| beginsaldo | 214 | 179 | 153 | 193 | 307 |
| inkomsten | 810 | 852 | 848 | 842 | 814 |
| (waarvan | |||||
| gem. bijdrage) | ( 134) | ( 117) | ( 98) | ( 112) | ( 93) |
| uitgaven | 846 | 877 | 808 | 728 | 676 |
| inkomsten min | |||||
| uitgaven | – 39 | – 25 | 40 | 114 | 138 |
| eindsaldo | 175 | 154 | 193 | 307 | 445 |
| Overige MPS–gemeenten | 1990 | 1991 | 1992 | 1993 | 1994 |
| beginsaldo | 137 | 121 | 118 | 139 | 159 |
| inkomsten | 356 | 379 | 347 | 343 | 303 |
| (waarvan gem. bijdrage) | – 48 | – 54 | – 41 | – 8 | – 27 |
| uitgaven | 363 | 372 | 326 | 328 | 293 |
| inkomsten min | |||||
| uitgaven | – 7 | 7 | 21 | 15 | 10 |
| eindsaldo | 130 | 128 | 139 | 154 | 169 |
| Overige rechtstr. gemeenten | 1990 | 1991 | 1992 | 1993 | 1994 |
| beginsaldo | 173 | 200 | 216 | 219 | 148 |
| inkomsten | 302 | 347 | 334 | 336 | 208 |
| (waarvan gem. bijdrage) | – 81 | – 103 | – 103 | – 78 | – 72 |
| uitgaven | 275 | 332 | 330 | 324 | 220 |
| inkomsten min | |||||
| uitgaven | 27 | 15 | 4 | 12 | –12 |
| eindsaldo | 200 | 215 | 220 | 231 | 136 |
| Niet–rechtstr. gemeenten | 1990 | 1991 | 1992 | 1993 | 1994 |
| beginsaldo | 136 | 145 | 164 | 174 | 258 |
| inkomsten | 511 | 542 | 558 | 486 | 407 |
| (waarvan gem. bijdrage) | ( 249) | ( 242) | ( 279) | ( 211) | (238) |
| uitgaven | 512 | 533 | 551 | 471 | 500 |
| inkomsten min | |||||
| uitgaven | – 1 | 9 | 7 | 15 | –93 |
| eindsaldo | 135 | 154 | 171 | 189 | 165 |
Investeringen per hoofdgroep per gemeentecategorie
| Tabel 1: Relatieve verdeling van de uitgaven over de 9 hoofdgroepen | |||||||||||||||||||||||||
| %j | a. landelijk | b. 4 grote steden | c. Overige MPS–gemeenten | d. Overige rechtstr.gem. | e. Niet–rechtstr.gem. | ||||||||||||||||||||
| 90 | 91 | 92 | 93 | 94 | 90 | 91 | 92 | 93 | 94 | 90 | 91 | 92 | 93 | 94 | 90 | 91 | 92 | 93 | 94 | 90 | 91 | 92 | 93 | 94 | |
| bestedingen | bestedingen | bestedingen | bestedingen | bestedingen | |||||||||||||||||||||
| 1. VWS | 27 | 27 | 27 | 27 | 29 | 39 | 38 | 39 | 38 | 43 | 26 | 26 | 19 | 26 | 20 | 19 | 20 | 19 | 22 | 26 | 14 | 15 | 17 | 16 | 16 |
| 2. WON | 19 | 21 | 20 | 19 | 17 | 21 | 24 | 24 | 24 | 23 | 23 | 24 | 27 | 22 | 22 | 16 | 15 | 17 | 12 | 10 | 16 | 18 | 13 | 11 | 8 |
| 3. VKR | 6 | 5 | 6 | 6 | 6 | 2 | 1 | 1 | 1 | 0 | 2 | 2 | 2 | 2 | 1 | 13 | 12 | 10 | 12 | 10 | 14 | 12 | 14 | 15 | 16 |
| 4. PRK | 9 | 7 | 8 | 9 | 12 | 10 | 6 | 8 | 7 | 13 | 10 | 11 | 13 | 13 | 16 | 10 | 10 | 10 | 14 | 15 | 4 | 4 | 4 | 6 | 7 |
| 5. WOV | 15 | 16 | 17 | 16 | 16 | 12 | 12 | 13 | 11 | 9 | 14 | 14 | 16 | 14 | 17 | 14 | 16 | 19 | 1 4 | 14 | 20 | 23 | 23 | 25 | 25 |
| 6. MON | 6 | 5 | 5 | 6 | 5 | 3 | 3 | 3 | 4 | 4 | 6 | 6 | 6 | 6 | 8 | 10 | 9 | 11 | 9 | 11 | 6 | 5 | 5 | 6 | 4 |
| 7. BED | 5 | 6 | 5 | 4 | 2 | 6 | 9 | 7 | 6 | 2 | 6 | 6 | 6 | 3 | 4 | 2 | 1 | 2 | 1 | 1 | 5 | 2 | 2 | 3 | 2 |
| 8. MIL | 8 | 8 | 7 | 8 | 7 | 5 | 5 | 2 | 6 | 2 | 8 | 8 | 8 | 11 | 9 | 10 | 8 | 7 | 7 | 5 | 12 | 12 | 12 | 10 | 12 |
| 9. WEL | 5 | 5 | 5 | 5 | 6 | 2 | 2 | 3 | 3 | 4 | 5 | 3 | 3 | 3 | 3 | 6 | 9 | 5 | 9 | 8 | 9 | 9 | 10 | 8 | 10 |
| 100 | 100 | 100 | 100 | 100 | 100 | 100 | 100 | 100 | 100 | 100 | 100 | 100 | 100 | 100 | 100 | 100 | 100 | 100 | 100 | 100 | 100 | 100 | 100 | 100 | |
| Tabel 2: Absolute verdeling van de uitgaven over de 9 hoofdgroepen | |||||||||||||||||||||||||
| %j | a. landelijk | b. 4 grote steden | c. Overige MPS–gemeenten | d. Overige rechtstr.gem. | e. Niet–rechtstr.gem. | ||||||||||||||||||||
| 90 | 91 | 92 | 93 | 94 | 90 | 91 | 92 | 93 | 94 | 90 | 91 | 92 | 93 | 94 | 90 | 91 | 92 | 93 | 94 | 90 | 91 | 92 | 93 | 94 | |
| bestedingen | bestedingen | bestedingen | bestedingen | bestedingen | |||||||||||||||||||||
| 1. VWS | 549 | 577 | 533 | 509 | 484 | 329 | 332 | 317 | 279 | 288 | 94 | 99 | 61 | 85 | 57 | 53 | 66 | 62 | 70 | 58 | 73 | 80 | 94 | 76 | 81 |
| 2. WON | 387 | 448 | 404 | 346 | 282 | 178 | 209 | 190 | 178 | 155 | 84 | 88 | 88 | 74 | 65 | 45 | 51 | 55 | 39 | 22 | 81 | 97 | 71 | 54 | 42 |
| 3. VKR | 126 | 115 | 123 | 121 | 102 | 2 | 5 | 6 | 6 | 0 | 9 | 7 | 6 | 6 | 3 | 36 | 39 | 35 | 38 | 21 | 69 | 65 | 76 | 71 | 77 |
| 4. PRK | 175 | 152 | 166 | 171 | 201 | 89 | 56 | 66 | 54 | 88 | 37 | 39 | 44 | 43 | 47 | 28 | 3 4 | 33 | 45 | 33 | 22 | 22 | 23 | 29 | 33 |
| 5. WOV | 292 | 333 | 344 | 289 | 269 | 100 | 107 | 103 | 80 | 65 | 52 | 53 | 52 | 46 | 50 | 38 | 52 | 61 | 47 | 30 | 103 | 122 | 128 | 117 | 124 |
| 6. MON | 110 | 103 | 109 | 106 | 92 | 27 | 24 | 26 | 28 | 25 | 23 | 24 | 19 | 20 | 23 | 27 | 29 | 35 | 29 | 24 | 30 | 26 | 28 | 28 | 20 |
| 7. BED | 101 | 116 | 93 | 66 | 43 | 50 | 82 | 57 | 40 | 16 | 20 | 20 | 18 | 9 | 12 | 4 | 5 | 7 | 4 | 3 | 26 | 9 | 10 | 13 | 12 |
| 8. MIL | 159 | 162 | 136 | 146 | 112 | 44 | 42 | 20 | 41 | 13 | 27 | 31 | 28 | 35 | 27 | 26 | 2 7 | 24 | 24 | 12 | 63 | 62 | 65 | 46 | 60 |
| 9. WEL | 99 | 110 | 107 | 97 | 102 | 18 | 10 | 23 | 22 | 26 | 17 | 13 | 10 | 10 | 9 | 17 | 28 | 17 | 28 | 17 | 46 | 50 | 56 | 37 | 51 |
| TOT. | 1 998 | 2 116 | 2 015 | 1 851 | 1 689 | 848 | 877 | 808 | 728 | 676 | 363 | 374 | 326 | 328 | 293 | 274 | 332 | 330 | 324 | 220 | 513 | 533 | 551 | 471 | 500 |
De samenstelling van de hoofdgroepen van activiteiten volgens de verslaglegging is weergegeven op de volgende bladzijde.
VWS = verwerving, sloop en grondwerk
WON = wonen
VKR = verkeer
PRK = proceskosten
WOV = woonomgevingsverbetering
MON = monumentenzorg
BED = bedrijven
MIL = milieu
WEL = welzijnToelichting op bijlage B
Samenstelling van de negen hoofdgroepen
De negen hoofdgroepen van activiteiten zijn als volgt samengesteld:1.Verwerving, sloop en grondwerk:
verwervingskosten woningen, sloopkosten woningen, verwervingskosten bedrijven c.a., sloopkosten bedrijven c.a., grondwerk en overige infrastructuur.
2. Woningverbetering en verbouw:
verbetering eigen woningen en woonschepen, verbetering/verbouwing panden tot woonruimten, overig woningen.
3. Verkeer:
verkeersgebieden.
4. Proceskosten en overig:
voorbereiding en planontwikkeling, inspraak en begeleiding, overig van overig.
5. Woonomgeving en groenvoorziening:
woonomgeving en groenvoorzieningen.
6. Monumentenzorg:
restauratie van rijksmonumenten en restauratie van overige panden en werken.
7. Bedrijven:
bijdragen aan ondernemers bij verplaatsing/opheffing en bij voortzetting ter plaatse, (ver)bouw bedrijfshuisvesting en overig (bedrijven). Op de som van deze activiteiten is in mindering gebracht:
a. het deel van de bijdragen aan ondernemers bij verplaatsing/opheffing om milieuhygiënische redenen, en
b. het deel van de bijdragen aan ondernemers om milieuhygiënische redenen bij voortzetting ter plaatse.
8. Milieu:
aftrekposten bij Bedrijven (zie 7), bodemsanering, vervanging van riolering en geluidwerende voorzieningen.
9. Welzijn:
welzijnsaccommodaties, (ver)bouw basisonderwijs en overige welzijnsactiviteiten in het kader van de stadsvernieuwing.
Advies van de Coördinatiecommissie Stadsvernieuwing over de Stadsvernieuwingsrapportage 1996 (concept)
Coördinatiecommissie Stadsvernieuwing
Aan de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
Geachte heer Tommel,
Bij brief van 26 juli 1996, kenmerk DBD 16 796 009, is aan onze commissie om advies gevraagd over de concept Stadsvernieuwingsrapportage 1996, als bijlage bij de Memorie van Toelichting bij de begroting 1997.
Aan onze commissie is gevraagd het advies in een schriftelijke ronde te behandelen en binnen twee weken te adviseren. Ondanks de korte adviestermijn is onze commissie erin geslaagd een advies uit te brengen.
De commissie gaat akkoord met de Stadsvernieuwingsrapportage 1996, als bijlage bij de MvT 1997. Bij de paragraaf over de voortgang van het project Herijking Belstato wijst de commissie op het belang van het aan de orde stellen van de p.m. post monumentenzorg bij de Herijking Belstato in 1997.
Uit de Stadsvernieuwingsrapportage komt naar voren dat een niet onaanzienlijk deel van de stadsvernieuwingsuitgaven aan de kostenpost «monumentenzorg» wordt besteed. De gemeenten zijn van mening dat de integrale aanpak van stadsvernieuwing en monumentenzorg op decentraal niveau een optimale bijdrage levert aan de verbetering van het leefmilieu in wijken en buurten.
De voorzitter
De secretaris
RAPPORTAGE MONITORING UITVOERING VERSTEDELIJKING VINEX 1996
In het navolgende wordt aan de Tweede Kamer verslag gedaan over de wijze waarop de zeven kaderwet-gebieden en de provincies voor wat betreft de overige stadsgewesten de afspraken uit de Vinex-convenanten uitvoeren. Op deze wijze kan de voortgang, de integraliteit en de kwaliteit van de uitvoering van het verstedelijkingsbeleid worden bewaakt. Zo kunnen voor eventueel optredende problemen tijdig oplossingen worden bevorderd.
De kaderwet-gebieden en overige stadsgewesten werken voortvarend aan de integrale ontwikkeling van de Vinex-locaties. De verankering van de in de convenanten gemaakte afspraken krijgt gestalte in streekplannen, structuurplannen, bestuursconvenanten en bestemmingsplannen. De complexiteit van processen is vaak groot. Afstemming met andere beleidsvelden, zoals verkeer en vervoer, bodemsanering en groenvoorzieningen, en overleg met belanghebbenden vragen vaak veel tijd en inspanning. In veel gebieden functioneert de op de uitvoering van het Vinex-convenant gerichte bestuurlijke samenwerking nog goed. De mogelijkheid tot voortzetting van de samenwerking op grond van de Kaderwet Bestuur in verandering dient echter te worden zekergesteld.
Voor de ontwikkeling van de bouwlocaties zijn in de convenanten afspraken vastgelegd. Deze hebben betrekking op de aantallen te bouwen woningen (voor de gehele convenantsperiode en voor de periode tot het jaar 2000), restrictief beleid en de rijksverplichtingen in relatie tot woningbouw.
De woningbouwproductie in de kaderwet-gebieden zal in de eerste periode van het convenant (1995 tot en met 1999) enigszins achterblijven bij de taakstelling. Vooral de bouw van woningen in ROA en BRU blijft de komende jaren (tot 2000) achter. Dit wordt veroorzaakt doordat de grote uitbreidingslocaties nog in het planvormingsstadium verkeren. Voor een groot aantal grote uitbreidingslocaties lopen de planologische procedures. De bouw in de kaderwet-gebieden vindt op dit moment vooral plaats op kleinere uitleglocaties en binnenstedelijke locaties.
De realisatie van de grote Vinex-locaties zal later plaatsvinden dan was voorzien. De oplevering van de eerste woningen op grotere locaties in de kaderwet-gebieden, zoals Ypenburg, Leidsche Rijn en de Waalsprong wordt vanaf 1997–1998 verwacht.
De nieuwe uitleglocaties in het ROA zullen in 1998 tot productie leiden. Er is weliswaar voldoende aanbod in locaties in en aan de stad, echter intensief overleg met de bevolking en een zeer zorgvuldige afweging van bebouwingsvarianten zijn verantwoordelijk voor een stagnerende productie in het ROA. Er wordt thans vooral gebouwd in bestaand stedelijk gebied en in Almere.
Met de inmiddels bereikte overeenstemming over de integratie van de locatie Leidsche Rijn en de rijksweg A-2 is een belangrijke stap voorwaarts gedaan in de ontwikkeling van deze locatie. Rijk en gemeente dragen het plan voor een gedeeltelijke overkapping van de rijksweg A-2. Het rijk is hiervoor een inspanningsverplichting aangegaan voor een bijdrage in de financiering.
De realisatie van de buitendijkse locatie Stadsblokken/Meinerswijk in Arnhem is onderwerp van heroverweging in verband met het rijksbeleid voor het bouwen in uiterwaarden. De departementen van VenW en VROM inventariseren thans in overleg met de regio de toepassing en mogelijke consequenties van dit beleid voor deze locatie.
| Verwachte uitbreidingsproductie 1995 tot 2000 | |||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Gebieden | Realisatie volgens convenant | Verwachte realisatie (alleen uitbreiding) | Totaal | ||||
| 1995–2000 | 1995 | 1996 | 1997 | 1998 | 1999 | 1995– 2000 | |
| BON–gebieden | 190 800 | 26 000 | 29 000 | 34 900 | 37 500 | 39 300 | 166 700 |
| overige stadsgewesten | 95 000 | 18 800 | 19 800 | 20 900 | 20 300 | 20 300 | 100 100 |
| buiten stadsgewesten | 139 600 | 35 900 | 36 600 | 31 100 | 28 500 | 27 100 | 159 200 |
| Totaal | 426 300 | 80 700 | 85 400 | 86 900 | 86 300 | 86 700 | 426 000 |
Bron: Brief aan TK d.d. 26 april 1996 over uitbreidingsproductie in de jaren 1995–2000; de voortgang van de woningbouw in 1995; en de nieuwbouwbehoefte en bouwprogramma, periode 1998–2005
De verwachte productie in de meeste overige stadsgewesten zal hoger zijn dan de overeen gekomen taakstellingen. Daarentegen geldt voor enkele centrale steden in Noord Brabant (Den Bosch en Breda) dat extra inspanningen nodig zijn om de bouwproductie in belangrijke mate te verhogen en daarmee dichter bij de taakstelling te komen. Vooral de binnenstedelijke productie in voornoemde steden verloopt niet naar wens. Vooralsnog compenseren andere gemeenten in deze stadsgewesten voor een deel de achterblijvende woningproductie.
Daarnaast is het de vraag of Alkmaar en de Drechtsteden de binnen de respectievelijke provincies afgesproken aantallen tot het jaar 2000 zullen halen.
In de locatie Broekpolder in de gemeenten Heemskerk en Beverwijk is sprake van een belangrijke archeologische vindplaats. Binnen de gemeenten wordt een nieuwe ruimtelijke opzet van de locatie ontwikkeld, waarin rekening zal worden gehouden met deze vindplaats.
In de gebieden buiten de stadsgewesten wordt een hogere productie verwacht dan waarvan bij het afsluiten van de convenanten werd uitgegaan, uitgezonderd in de provincies Gelderland en Noord Brabant. Dit is vanuit Vinex een zorgelijke ontwikkeling. Het rijk zal deze ontwikkeling dan ook nauwlettend volgen. In enkele provincies met een relatief ontspannen woningmarkt dient een balans tussen het bouwen in de Vinex-stadsgewesten en het bouwen daarbuiten nadrukkelijker worden nagestreefd.
Voor de totstandkoming van de Vinex-locaties is een effectief gevoerd restrictief beleid een belangrijke randvoorwaarde. Daarom zijn in de Vinex-uitvoeringsconvenanten afspraken opgenomen over het te voeren restrictief beleid. Met de provincie Utrecht is inmiddels overeenstemming bereikt over de invulling van het restrictief beleid in het streekplan.
Het rijk acht het streekplan Zuid-Holland oost in strijd met het restrictief beleid. Na intensief overleg met de provincie is het verschil van mening hierover tussen provincie en rijk blijven bestaan. De minister van VROM overweegt de provincie Zuid-Holland een aanwijzing te geven.
In de convenanten met de kaderwet-gebieden zijn afspraken gemaakt over (de financiering van) openbaar vervoer- en weginfrastructuur, afgestemd op de voortgang van de te ontwikkelen woon- en werklocaties. Afspraken over deze projecten over planning en financiële middelen zijn opgenomen in het Meerjarenprogramma Infrastructuur en Transport (MIT). Voor enkele belangrijke openbaar vervoerprojecten gelden thans hogere kostenramingen dan waarvan in de convenanten was uitgegaan. Deze zijn de IJrail en de Noord-Zuidlijn in het ROA en de Beneluxmetro in het Stadsgewest Rotterdam.
Een aantal van de in het Vinex-convenant opgenomen projecten is thans in uitvoering. Dat geldt onder andere voor de tweede fase van de Zuidtangent in het ROA, waarvoor de minister van V&W dit jaar f 160 mln extra ter beschikking heeft gesteld. In de Stadsregio Rotterdam zijn de eerste fase van het project Tramplus en de metro Beneluxlijn in uitvoering. Voorts worden thans openbaar vervoerprojecten uitgevoerd in Eindhoven, Arnhem en in het Stadsgewest Twente.
De openbaar vervoerverbindingen naar de grote Vinex-uitleglocaties verkeren voor een deel in de planstudiefase. Voorbeelden hiervan zijn de ontsluiting van de locaties Ypenburg, de IJtram van Amsterdam CS naar IJburg en de tweede fase van het project Bandstad in het Stadsgewest Twente. Een ander deel van de openbaar vervoerprojecten, zoals de ontsluiting van een aantal locaties in Haaglanden en van de locatie Leidsche Rijn in het BRU verkeren in de verkenningenfase. De afstemming met de woningplanning is hierbij van groot belang. Het tempo waarin de grote woningbouwlocaties worden ontwikkeld is richtinggevend voor de voorbereiding en uitvoering van de openbaar vervoerprojecten.
De Regionale Verkeers- en Vervoerplannen (RVVP) fungeren voor de overige stadsgewesten als kader voor de besluitvorming van veelal kleinere verkeers- en vervoerprojecten (projecten minder dan f 25 mln). Door de ingezette decentralisatie van verkeers- en vervoertaken en bevoegdheden krijgt het RVVP geleidelijk een andere status. De provincies, die een coördinerende rol gaan vervullen, vormen de RVVP's om tot Provinciale verkeers- en vervoerplannen.
In de convenanten zijn met de kaderwet-gebieden en provincies afspraken neergelegd over rijksbijdragen in de kosten met betrekking tot bodemsanering. Tevens is daarbij afgesproken dat de kaderwet-gebieden zorg dragen voor een integrale aanpak van de bodemsanering die is afgestemd op de fasering van het bouwproces.
Veel stadsgewesten zijn actief met het in beeld brengen van de locaties waar bodemsanering plaats moet vinden. In enkele stadsgewesten is de beoogde integrale aanpak nog niet voldoende ontwikkeld. De toepassing van het juridisch instrumentarium geeft in een aantal gevallen spanning met de planning van woningbouw, met name door het proces van kostenverhaal. Vooralsnog heeft dit geen gevolgen voor de verstedelijkingsafspraken met de betreffende stadsgewesten.
De bewindslieden van VROM hebben in het bestuurlijk overleg met het stadsgewest Twente en de provincie Overijssel op 20 juni 1996 het signaal afgegeven, dat het juridisch instrumentarium volledig dient te worden benut en dat er goede integrale plannen dienen te worden ontwikkeld.
In Amersfoort wordt er door de werkgroep bodemsanering gewerkt aan de bodemsanering van de locatie Vathorst. Na uitgebreid overleg heeft de staatssecretaris f 13 miljoen ter beschikking gesteld. Deze middelen zijn op de begroting van VROM gereserveerd.
De convenantsafspraken hebben tevens betrekking op werklocaties (ABC-beleid), grootschalige groenprojecten en, voor zover van toepassing, op de verplaatsing van glastuinbouwbedrijven die voor de verstedelijking moeten wijken.
In de meeste stadsgewesten worden diverse locaties voor kantoren en bedrijven ontwikkeld. In het algemeen kan er een gedifferentieerd aanbod van werklocaties worden verwacht, zodat kan worden ingespeeld op de vraag vanuit de markt. Overleg tussen rijk, andere overheden en marktpartijen blijft noodzakelijk, teneinde de doelstellingen van het locatiebeleid voor bedrijven en voorzieningen te realiseren. Tijdige ontsluiting van de werklocaties met openbaar vervoer, de uitvoering van het parkeerbeleid en – in enkele kaderwetgebieden – een op termijn (dreigend) tekort aan bepaalde typen van bedrijventerreinen – bepalen voor een belangrijk deel de discussies.
In drie van de vier kaderwet-gebieden is een plan van aanpak vastgesteld voor verwerving en hervestiging van glastuinbouwbedrijven. Verwacht wordt dat binnen de onderhandelingen met de betrokken glastuinbouwbedrijven, met name de kosten van de verplaatsing van de betrokken bedrijven en de fasering veel aandacht zullen vragen. Naar verwachting zal de planning van de woningbouw hierdoor vooralsnog niet uit de pas lopen.
Met de vier grote stadsgewesten zijn financiële afspraken gemaakt over de realisatie van groene verbindingen voor wandelen en fietsen. Van de door de provincies op te stellen gebiedsperspectieven zijn er inmiddels twee door de minister van LNV, mede namens de minister van VROM goedgekeurd. Deze hebben betrekking op het Strategisch Groenproject Zoetermeer-Zuidplas, voor wat betreft Bentwoud, en op het grote groengebied Haarlemmermeer in het ROA-gebied.
KADASTER
Conform de Organisatiewet Kadaster richt zich de ministeriële verantwoordelijkheid op een viertal punten, te weten de wijze van uitoefenen van de wettelijke taken, het tarievenbeleid, de algemene bedrijfsvoering, voor zover die gevolgen kan hebben voor de continuïteit van de organisatie en tenslotte de nevenwerkzaamheden. De wettelijke taken betreffen de vastgoedinformatie, de Landinrichting en de Rijksdriehoeksmeting.
De ministeriële verantwoordelijkheid wordt onder meer vorm gegeven door het goedkeuren van het Meerjarenbeleidsplan en de Jaarrekening, het al dan niet geven van verklaringen van geen bedenkingen bij voorgenomen niet wettelijke activiteiten en bij het oprichten/deelnemen van rechtspersonen. Verder worden de leden van de Raad van Bestuur en de Raad van Toezicht benoemd en eventueel geschorst.
Het wordt van groot belang geacht de kadastrale gegevens dichter bij de burger te brengen door onder meer de toegankelijkheid te verbeteren. Zo zijn plannen opgesteld om een kadasterbalie bij gemeenten in te richten. Via een directe aansluiting op de databases wil het Kadaster de distributie van gegevens vereenvoudigen.
Er is overeenstemming bereikt met de Nederlandse Vereniging van Makelaars over een rechtstreekse aansluiting op de Kadasterdatabases van het bedrijfsnetwerk van de makelaars. Verder is een koppeling tot stand gebracht tussen het Kadasternetwerk en het Gemeenschappelijke netwerk van de Bank Nederlandse Gemeenten en de VNG. Hierdoor kunnen gemeenten en woningcorporaties via hun eigen netwerk kadastrale gegevens oproepen.
Het Kadaster heeft een aanvang gemaakt met de registratie van bodembeschikkingen als bedoeld in de Wet Bodembescherming, waardoor inzicht wordt gegeven in de besluiten van de overheid inzake het wel of niet verontreinigd zijn van het desbetreffende perceel.
De positieve resultaten van een uitgevoerde pilot inzake de registratie van publiekrechtelijke beperkingen hebben aanleiding gegeven om, in overleg met de VNG, deze registratie verder uit te werken. Uitgegaan wordt van één registratiesysteem met kadastrale signalering waarin de publiekrechtelijke beperkingen op uniforme wijze raadpleegbaar zijn. De in ontwikkeling zijnde vastgoedbalie bij de gemeenten geeft de burger de mogelijkheid op één plek inzicht te krijgen in alle publiekrechtelijke beperkingen. Zolang de wettelijke regeling nog niet in werking is getreden geldt met ingang van 1 september 1996 een tijdelijke regeling. Deze houdt in dat vier soorten publiekrechtelijke beperkingen die door de gemeenten worden opgelegd, worden aangetekend in de kadastrale registratie en dat de overige publiekrechtelijke beperkingen (van rijk, provincies en waterschappen) in beginsel alle kunnen worden opgenomen in de kadastrale registratie. Op verzoek van opleggers van publiekrechtelijke beperkingen (behalve gemeenten) kan het Kadaster ook het brondocument bewaren, ter raadpleging door derden. Daarvoor zal een tarief worden vastgesteld.
Door het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij is in het voorjaar van 1995 in de prioriteitennota «Dynamiek en vernieuwing» aangegeven, dat het landinrichtingsinstrumentarium herijking behoeft. Het Kadaster werkt mee aan onderzoek naar mogelijkheden om procedures te vereenvoudigen, mede in het licht van de decentralisatie van de landinrichting.
Met het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij wordt overlegd om de bekostigingssystematiek van een lump-sum benadering om te zetten in een vergoeding, gebaseerd op daadwerkelijk gewerkte uren x een vastgesteld tarief.
Op 30 mei 1996 heeft de staatssecretaris het jaarverslag 1995 aan de voorzitter van de Tweede Kamer toegezonden. Uit het jaarverslag blijkt, dat de goede bedrijfsresultaten in 1995 en voorgaande jaren, met name behaald door de voor de vastgoed gunstige conjunctuur en de verbeterde efficiency binnen de Kadasterorganisatie in belangrijke mate worden aangewend om de noodzakelijke kwalitatieve verbeteringen van de kadastrale kaarten mogelijk te maken en een adequaat niveau van voorzieningen op te bouwen om tot het jaar 2000 de ingang gezette reorganisatie te kunnen afronden. De verwachting is, dat de opgebouwde voorzieningen daartoe toereikend zijn. De kostenbeheersing heeft de voortdurende aandacht. Inzicht in de kostenopbouw, kostenstructuur en kostenveroorzakende factoren is hierbij van belang. Tevens worden door de leiding van het Kadaster kwalitatieve beheersmaatregelen getroffen, die tot «kostenbewust» gedrag stimuleren.
Door middel van de planning- en controlcyclus en de verdere verfijning van de hierbij gehanteerde instrumenten wordt informatie verkregen en kan bijsturing plaatsvinden. Het beleid van het Kadaster is erop gericht om vaste capaciteit te relateren aan de trend van de vastgoedmarkt. Fluctuaties in het werkaanbod worden opgevangen met inhuur en uitbesteding in plaats van vergroting van de eigen capaciteit.
In kwantitatieve zin zal in de komende jaren door het Kadaster inzicht worden gegeven in de effectiviteit van de genomen maatregelen op het gebied van de kostenbeheersing.
Marktactiviteiten, die bij de verzelfstandiging van het Kadaster op 1 mei 1994 door de staatssecretaris zijn geaccordeerd zijn, met uitzondering van de GBKN, ondergebracht in de BV Kadata. Deze BV richt zich intensief op markten waarin administratieve en geometrische data worden gekoppeld. In het kader van het bij elkaar brengen van aanbieders en vragers van koopwoningen, is door de Vereniging Eigen Huis tezamen met het Kadaster het Koophuisnet opgericht.
Een verdere uitbreiding en ontwikkeling van marktactiviteiten ligt in de lijn der verwachting. De Raad van Bestuur van het Kadaster zal, in overleg met de Staatssecretaris, hierover zijn beleidsuitgangspunten en visie vaststellen. Dit geeft de staatssecretaris de gelegenheid op fundamentele wijze de verwachte ontwikkelingen te toetsen aan de (bedoelingen van de) Organisatiewet Kadaster.
COÖRDINATIE VASTGOEDINFORMATIEVOORZIENING
Eind 1993 is de Raad voor Vastgoedinformatievoorziening omgevormd tot de Stichting Overlegorgaan Ravi. Doel van de Ravi is het bevorderen van een goede geo-informatievoorziening ten behoeve van publieke taken tegen maatschappelijk zo laag mogelijke kosten. Het Ministerie van VROM heeft aan de Stichting Ravi voor 1997 een financiële bijdrage toegezegd van f 500 000,– voor een minimaal secretariaat onder voorwaarde dat de andere deelnemers aan het Overlegplatform de rest van de financiering voor hun rekening nemen. Deelnemers aan het overlegplatform zijn CBS, ministerie van VROM, ministerie van BiZa, IPO, VNG, Kadaster, Landinrichtingsdienst/Staringcentrum, Meetkundige Dienst van Rijkswaterstaat, Overlegorgaan Nutsvoorzieningen, Rijksgebouwendienst, TDN en Unie van Waterschappen. Naast het Overlegorgaan, waarvan het bestuur gevormd wordt door vertegenwoordigers van organisaties met een publiek doel kent de Ravi een bedrijvenplatform en een Wetenschappelijk Advies College.
Door de Ravi is in 1996 een nieuw beleidsplan opgesteld voor de periode 1997–2000. Op basis van dit beleidsplan is een werkplan voor 1997 uitgewerkt. De in het werkplan opgenomen projecten worden betaald door de deelnemers aan de Stichting.
Eén van de belangrijkste projecten van de Ravi in 1997 is het opzetten van nationaal clearinghouse geo-informatie. Een clearinghouse is een via elektronische netwerken te benaderen «elektronische balie» op internet waarlangs, via zoekstructuren, gebruikers van geo-informatie meta-informatie kunnen verkrijgen over de aanwezigheid, de aard en beschikbaarheid van geo-informatie.
Naast Ravi activiteiten is in 1996 gestart met de voorbereiding van een wetsvoorstel betreffende de registratie van publiekrechtelijke beperkingen op onroerend goed. Onder het begrip «publiekrechtelijke beperkingen» wordt iedere inbreuk verstaan op het recht van gebruik en beschikking van vastgoed, dat op grond van administratiefrechtelijke bevoegdheden door de overheid wordt opgelegd. De wettelijke regeling op de registratie moet een einde maken aan de huidige situatie dat burgers en bedrijven een veelheid van bronnen moeten raadplegen zonder de zekerheid te hebben dat men een complete set van informatie over publiekrechtelijke beperkingen heeft verzameld.
INSPECTIES EN HANDHAVING
Het ministerie van VROM heeft drie inspecties: de Inspectie Volkshuisvesting (IVH), de Inspectie Ruimtelijke Ordening (IRO) en de Inspectie Milieuhygiëne (IMH). De drie inspecties houden toezicht op de uitvoering van het beleid en vervullen een oog- en oorfunctie op het gebied van volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer. De basis hiervoor ligt in de «grote» beleidsdocumenten, Nota Volkshuisvesting '90, Vinex en NMP 1 en 2. Voor een adequaat en uitvoerbaar rijksbeleid en een daarbij aansluitend beleid en uitvoering door andere overheden en marktpartijen vormen de inspecties een onmisbare schakel.
De rijksverantwoordelijkheid voor de zorg van de duurzame kwaliteit van de leefomgeving – de missie van VROM – concentreert zich op de formulering en de eerste uitwerking van het beleid. Die verantwoordelijkheid houdt ook in dat door evaluatie en monitoring de te bereiken resultaten in het oog worden gehouden. Dat wil zeggen dat een rijksoverheid die het beleid ontwikkelt, de uitvoering aanstuurt en de resultaten door middel van inspectie (toezicht, handhaving) tracht te bestendigen.
De inspecties behoren nadrukkelijk tot de kern van VROM. De onderlinge afhankelijkheid tussen inspecties en het beleid is groot. Behalve toezichthouders en informatieleveranciers zijn ze ook de ambassadeurs in de regio van de centrale beleidsdiensten. De inspecties zien er op toe dat beleid ook daadwerkelijk wordt uitgevoerd. Deze uitgangspunten zijn bepalend voor de wijze waarop de inspecties binnen het ministerie zijn gepositioneerd.
In het Algemeen Overleg decentralisatie van 19 juni 1996 is de Tweede Kamer voor het eind van 1996 een notitie toegezegd over de rol en positie van de inspecties.
2.1.1 Beleid: vrijheid en verantwoordelijkheid
Onder het vorige Kabinet heeft een herverdeling van verantwoordelijkheden plaatsgevonden. Het zwaartepunt in de volkshuisvesting is bij gemeenten, corporaties en anderen komen te liggen. Het Rijk houdt – mede vanwege de grote maatschappelijke en sociaal-economische belangen van de volkshuisvesting – een eigen verantwoordelijkheid en heeft belang bij een goede sturing en regie. In de afgelopen jaren hebben partijen veel energie gestoken in het zoeken naar de juiste invulling van hun rol in verhouding tot die van anderen. De inwerkperiode is nu voorbij. Partijen zullen scherper op hun verantwoordelijkheden worden aangesproken. Ook gemeenten zullen nadrukkelijker op hun volkshuisvestingstaken worden aangesproken.
De veranderde positie van het Rijk bij het volkshuisvestingsbeleid heeft consequenties voor de informatievoorziening bij het Rijk. Deze wordt nu verzorgd door versterking van de structurele informatieverzameling uit databestanden voor de verschillende beleidsthema's en door het verkrijgen van systematische informatie uit het veld door de inspecties van de volkshuisvesting en de huurcommissies. De aldus verkregen informatie zal een beeld geven van de effecten van beleid, en van de naleving door gemeenten, corporaties, provincies en anderen van de volkshuisvestingsregelgeving. In deze regelgeving zijn verantwoordelijkheden en taken in de nieuwe ordening kaderstellend vastgelegd.
De veranderde positie van het Rijk bij het volkshuisvestingsbeleid heeft ook consequenties voor de rol van handhaving. Het Rijk blijft verantwoordelijk voor de prestaties in de sector, voor de naleving van wet- en regelgeving, en voor een adequate handhavings- en toezichtsstructuur.
Door de IVH is een handhavingsprogramma opgesteld. Op basis van een risico-analyse van de DGVH-regelgeving wordt een prioritering in de handhavingsactiviteiten van het DGVH aangebracht en opgenomen in het handhavingsprogramma voor het komende jaar. Over de uitvoering van het handhavingsprogramma zal achteraf worden gerapporteerd.
2.1.2 Instrumentarium: speerpunten 1997
Handhaving wet- en regelgeving
Verantwoording over de ontwikkelingen inzake het Besluit locatiegebonden subsidies (BLS) en Besluit woninggebonden subsidies (BWS) zal plaatsvinden door middel van toetsing van de rapportages van de budgethouders. In het voorjaar van 1997 zal een brief aan de Tweede Kamer worden gestuurd over de voortgang in de woningbouw; deze brief zal met name ingaan op de geleverde prestaties op dit vlak.
In 1997 zal een inspanning worden geleverd om de naleving van de bouwregelgeving in beeld te brengen, en zo nodig te optimaliseren.
Verantwoording over de stand van zaken met betrekking tot de Wet stads- en dorpsvernieuwing (WSDV) zal geschieden aan de hand van de toetsing van de rapportages van de budgethouders. De stand van de prestaties zit in de herijking Belstato.
De handhaving van de Huisvestingswet wordt afgestemd op de wijzigingen zoals die per 1 juli 1996 zijn doorgevoerd.
In de brief aan de Tweede Kamer van 28 juni 1995 zijn een aantal voorstellen gedaan ter verbetering van het toezicht. Deze zijn aangevuld met voorstellen naar aanleiding van het WBL-rapport (antwoord 46 op schriftelijk vragen). Terzake zullen zo spoedig mogelijk maatregelen worden voorbereid.
Speerpunt in 1997 zal zijn het uitoefenen van verscherpt financieel toezicht op de financieel zwakke instellingen. Hierbij zal nauw samengewerkt worden met de sectorinstituten. Voorts zal gerapporteerd worden naar aanleiding van kerncijfers van de corporaties over de uitgevoerde activiteiten en over de financiële positie. Dit is temeer van belang omdat in de jaarstukken over 1995 de corporaties de effecten van de bruteringsoperatie verwerken. Daarnaast zullen thema-onderzoeken gehouden worden. Met name verdienen de aandacht het onderzoek naar de huurverhoging die de corporaties per 1 juli 1997 aanzeggen, en het onderzoek dat gehouden zal worden naar het functioneren van het intern toezicht binnen de corporaties.
Evenals in andere jaren zullen activiteiten uitgevoerd worden in verband met de toelating van instellingen: statutenwijzigingen in verband met fusies, werkingsgebiedswijzigingen en organisatiewijzigingen, behandeling van Besluiten van Aanmerkelijk Belang, e.a. Voorts zal gerapporteerd worden over de resultaten van het toezicht over het jaar 1996.
In ons decentrale stelsel van de ruimtelijke ordening zijn de gemeenten primair verantwoordelijk voor de handhaving. Zij maken, onder goedkeuring van de provincie, de eenieder rechtstreeks bindende bestemmingsplannen en zijn verantwoordelijk voor de vergunningverlening. Zij alleen ook beschikken over de instrumenten om rechtstreeks tegen met het bestemmingsplan strijdige situaties op te treden.
Op grond van artikel 52 Wet ruimtelijke ordening (WRO) is de RPD, naast zijn taken op het gebied van de voorbereiding en uitvoering van het nationaal ruimtelijk beleid, werkzaam ten behoeve van het algemeen toezicht op de naleving van de WRO en van de krachtens deze wet uitgevaardigde voorschriften. Tot de dienst behoren de (vier) inspecteurs van de ruimtelijke ordening. Zij zijn met de toezichtstaak belast en vervullen deze, naast hun andere wettelijke taken, overeenkomstig de rijksinzet voor de handhaving van het ruimtelijk beleid, zoals deze in de brief van de Minister van VROM van 14 oktober 1993 aan de Tweede Kamer in hoofdlijnen is neergelegd.
Sinds de genoemde brief is er sprake van een duidelijke vooruitgang in de handhavingspraktijk van de verschillende overheden. Dit beeld is bevestigd tijdens de bestuurlijke werkconferentie van 21 juni 1995, waarbij vele bestuurders uit gemeentelijke en provinciale kring naast een aantal rijksvertegenwoordigers aanwezig waren. De conferentie liet zien dat de noodzaak van handhaving van het ruimtelijk beleid in een steeds bredere bestuurlijke kring wordt onderkend. De primair voor handhaving verantwoordelijke gemeenten zien in toenemende mate het nut en de noodzaak van een goed geformuleerd gemeentelijk handhavingsbeleid, juist ook om gewenste handhavingsacties met succes te kunnen volbrengen. De mede met rijkssteun door de VNG onder de titel «Besturen is ook handhaven», uitgebrachte wegwijzer was en is hiervoor een stimulans. De Vervolg-bijdrage-regeling ontwikkeling gemeentelijk milieubeleid (VOGM), op grond waarvan gemeenten bijdragen kunnen verkrijgen voor opstellen en handhaven van bestemmingsplannen buitengebied, bleek hierbij in de praktijk eveneens stimulerend te werken. Bij de toepassing van deze regeling werken de VROM-inspecties nauw met elkaar samen.
Ook op het niveau van de provincies staat handhaving vaker op de bestuurlijke agenda en worden in samenwerking met de VROM-inspecties veelbelovende beleidsinitiatieven ontplooid en in de komende tijd verder uitgewerkt. Een voorbeeld hiervan is het project handhaving bestemmingsplannen van de provincie Noord-Brabant. Voortbouwend op de resultaten van de actie actualisering bestemmingsplannen buitengebied is in dit project, in samenwerking tussen de provincie, de Vereniging van Brabantse Gemeenten en de Inspectie Ruimtelijke Ordening, aan oplossingen voor de gemeentelijke handhavingspraktijk gewerkt. Andere provincies ontwikkelen vergelijkbare projecten, waarbij vooral wordt gestreefd naar een verbetering van de handhavingsorganisatie. Zo onderzoekt de provincie Noord-Holland de mogelijkheden om beter samen te werken met de politie-regio's en wordt er door de provincie Limburg in het kader van het ROM-beleid (Mergelland, NUBL) gewerkt aan een gezamenlijke aanpak van de handhaving op het gebied van ruimtelijke ordening en milieu.
Praktijkvoorbeelden laten zien dat provincies, VROM-inspecties en de Dienst Recherchezaken van het Ministerie van VROM elkaar ook in toenemende mate weten te vinden bij concrete handhavingsacties en waar nodig de handen ineen slaan. Handhavingsacties in de gemeente Weerselo en Zundert zijn hier voorbeelden van.
Overeenkomstig de rijksinzet voor de handhaving van het ruimtelijk beleid en voortbouwend op de resultaten van de bestuurlijke werkconferentie zal van de kant van het Rijk ook in het komende begrotingsjaar de samenwerking met provincies en gemeenten worden voortgezet, waarbij een verbetering van het draagvlak voor het in gemeentelijke plannen neergelegde ruimtelijk beleid speciale aandacht krijgt. Waar nodig zal, evenals in de afgelopen jaren, tot handhaving worden overgegaan.
De effectiviteit van het sanctie-instrumentarium van de gemeenten verdient verbetering. Daarom zal in het komende voorstel tot wijziging van de WRO worden voorgesteld om de geldboete voor bestemmingsplanovertredingen te verhogen.
In de afgelopen tijd is, in samenwerking met het ministerie van Justitie, ook verder gewerkt aan een voorstel voor de invoering van de bestuurlijke boete als uitbreiding van het bestuurlijk sanctieinstrumentarium. Het is de bedoeling om bij dit voorstel de gehele VROM-wetgeving te betrekken, waarbij de Wet Milieubeheer een centrale plaats inneemt. Naar verwachting zal over de invoering van dit instrument in het komende begrotingsjaar een voorstel kunnen worden gedaan.
De uitvoering van het milieubeleid is voor het grootste deel gelegd in handen van andere instanties dan het Ministerie van VROM. De IMH constateert dat die uitvoering door andere overheden het stadium gaat bereiken van kwaliteitsdenken en professionalisering. Samen met de andere overheden zal de IMH het begrip adequaat niveau definiëren in termen van kwaliteit. Ook bij het bedrijfsleven zijn er de eerste signalen dat men zich terdege bewust is van de eigen zorg voor het milieu (bedrijfsinterne milieuzorg, certificering).
De VOGM-gelden, die de uitvoering stimuleerden, worden ondergebracht in het Gemeentefonds. Daarmee wordt die eigen verantwoordelijkheid nog eens geaccentueerd. Daarvanuitgaande ligt het voor de hand dat de overheden thans ook vragen om kaders, die hen in staat stellen zèlf te bepalen hòe de milieudoelen worden bereikt. Ontwikkelingen als «Stad en Milieu» en in zekere zin ook de dereguleringsoperatie zijn daarvan een uitvloeisel.
Een tegendraadse ontwikkeling dient zich aan door het wegvallen van de Europese binnengrenzen. Daardoor krijgt ons land te maken met andere, soms ook minder geavanceerde opvattingen en regels over de kwaliteit van het milieu. Grensoverschrijdende bedrijfsactiviteiten kunnen het milieu hier te lande ernstige schade berokkenen. Ook nationaal zijn er milieu-overtreders, die zich weinig gelegen laten liggen aan opvattingen over het nemen van de eigen verantwoordelijkheid. Voor de IMH zal in samenwerking met justitie nadrukkelijk een handhavingstaak zijn weggelegd met betrekking tot de hieruit voortvloeiende milieucriminaliteit.
Waar de uitvoering en naleving van regels goed is, zal de IMH zich eerder opstellen náást dan tegenover de actoren in het veld. Maar steeds indachtig het Inspectie-adagium: vertrouw en controleer. Een goed monitoringssysteem maakt die balans tussen vertrouwen en controle mogelijk. De IMH legt in overleg met andere partijen de basis voor een toereikend monitoringssysteem en zal zelf een grote bijdrage leveren bij de totstandkoming van overheidsprestatiemonitoring en doelgroepmonitoring. Daardoor blijft de minister van VROM zicht houden op de resultaten van het door haar uitgestippelde beleid. Een absolute noodzaak om haar politieke verantwoordelijkheid te kunnen waarmaken.
De vorig jaar ingeslagen koers van de IMH voor het jaar 2000 speelt op deze externe en interne ontwikkelingen in. Samengevat: meer handhaving (eerstelijnstoezicht) gezien de nationale en internationale ontwikkelingen. Ander toezicht op de uitvoering (tweedelijnstoezicht) omdat de professionalisering postvat. Een versterkte verbindende schakel en buitenpostfunctie om adequaat te kunnen reageren op ontwikkelingen als «Stad en Milieu», deregulering en gebiedenbeleid. Op deze ingeslagen weg wordt voortgegaan.
Vanaf 1997 zal de IMH haar kerntaken op het gebied van handhaving, toezicht op de uitvoering en verbindende schakelfunctie tussen veld en beleid integraal vanuit vijf regionale vestigingen uitvoeren. Voor de duidelijkheid, zowel in- als extern, zullen de functies ten behoeve van handhaving, toezicht op de uitvoering/verbindende schakelfunctie organisatorisch gescheiden zijn.
Verbetering van het handhavingsinstrumentarium blijft voortdurend de aandacht vragen. Daarbij gaat het onder meer om de toereikendheid van zowel het bestuursrechtelijk, strafrechtelijk als civielrechtelijk handhavingsinstrumentarium. Niet alleen de beschikbaarheid van instrumenten als zodanig is van belang; ook vraagt de wijze waarop het instrumentarium wordt gehanteerd voortdurend aandacht. Daarbij gaat het onder meer om beschikbare expertise en de bestuurlijke wil om handhavend op te treden. Binnen het milieubeleid krijgt de verbetering van het handhavingsinstrumentarium in brede zin aandacht in het kader van het project Verbetering Handhavingsinstrumentarium Milieubeleid (HAM). Het project HAM omvat een aantal deelprojecten, waarvan er enkele tevens zijn aangewezen als prioritaire acties in het kader van het Plan van Aanpak strategie efficiencyverbetering milieuregelgeving (STEM), dat eind 1995 aan de Tweede Kamer is aangeboden. Dit betreft de acties 11 t/m 13 van STEM:11.Wetsvoorstel inzake de bestuurlijke boete voor milieu-overtredingen12.Wetsvoorstel Verbetering bevoegdheidstoedeling bestuurlijke handhaving milieuregelgeving13.Wetsvoorstel inzake de externe milieu-audit voor inrichtingen.
Het streven is er op gericht begin 1997 wetsvoorstellen ter zake aan de Raad van State te kunnen aanbieden. Elders in deze memorie van toelichting is de stand van zaken van de verschillende STEM-acties nader toegelicht.
Enkele andere acties in het kader van het project HAM zijn:
Het opstellen van een «verzamelwetsvoorstel» Handhaving (repareren van technische onzuiverheden). Dit wetsvoorstel kan naar verwachting eveneens begin 1997 aan de Raad van State voor advies worden voorgelegd.
Nader onderzoek naar een mogelijke verruiming van strafrechtelijke instrumenten. Hierover vindt overleg plaats met het Ministerie van Justitie. Een onderzoek naar «Effectieve Handhaving van het milieu-recht» door de Vrije Universiteit Amsterdam. Hierbij wordt onderzocht welke factoren bepalend zijn voor een effectieve handhaving. Wat zijn de succes- en faalfactoren? Het is de bedoeling op basis van dit onderzoek, dat eind 1996 zal worden afgerond, een praktijkgerichte leidraad wordt ontwikkeld voor de toepassing van handhavingsinstrumenten in concrete gevallen.
Mede naar aanleiding van een verzoek van de Algemene Rekenkamer is een inventarisatie verricht van de bestaande wettelijke taken en bevoegdheden van de IMH, de wijze waarop deze wettelijke taken worden uitgeoefend en de wijze waarop van de wettelijke bevoegdheden gebruik wordt gemaakt. De rapportage geeft duidelijk aan dat de aanwijzingen in de wetten, besluiten en regelingen niet eenduidig zijn geformuleerd en verbetering behoeven. Waar nodig zal wetswijziging plaatsvinden.
Kenmerkend voor de milieuwethandhaving is de spreiding van de handhavingsbevoegdheden over vele instanties. De handhavingsinspanningen die deze instanties leveren, zullen moeten geschieden binnen een gezamenlijk strategisch kader om daardoor een zo hoog mogelijk nalevingsrendement te bereiken. Dit vraagt op zijn beurt om een structurele samenwerking tussen de handhavingsinstanties op de diverse niveaus van werkvloer tot beleidmakers. De IMH blijft zich daarom inzetten voor een goede werking van de landelijke handhavingsstructuur met als landelijk bestuurlijk platform de Landelijke Coördinatiecommissie Milieuwethandhaving (LCCM).
De IMH werkt samen met de IRO en IVH de Inspectierol uit bij de projecten «Stad en Milieu» en «Duurzaam Bouwen». De IMH werkt bij de bestrijding van de milieucriminaliteit nauw samen met Inspectiediensten van andere ministeries al dan niet op basis van afgesloten samenwerkingsconvenanten. Belangrijke voorbeelden daarvan zijn het Kernteam zware milieucriminaliteit en de samenwerking met de Douane bij de controle van de grensoverschrijdende afvaltransporten. Met de Arbeidsinspectie van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid wordt samengewerkt in het kader van de uitvoering van de Nota Combizorg (ARBO-, kwaliteitszorg en milieuzorg). Met Rijkswaterstaat wordt tweejaarlijks de handhavingsconferentie «Werk in Uitvoering» voor bestuurders en uitvoerders georganiseerd.
Handhaving verkrijgt in toenemende mate een internationale dimensie. Het volgen van de afvalstromen als onderdeel van het ketentoezicht op afvalstoffen brengt veel internationale contacten met zich, niet alleen binnen Europa maar ook daarbuiten. In vele landen zijn inspectiesystemen in ontwikkeling. Een Nederlandse bijdrage daarin wordt steeds meer gevraagd gezien de brede ervaring die binnen Nederland bestaat. De IMH organiseert uitwisselings- en/of trainingsprogramma's voor inspecteurs van de EU-Lidstaten, geassocieerde Lidstaten (landen die lid willen worden van de EU) en de Nederlandse Antillen. Het Europese netwerk van inspecties (IMPEL) dat mede door Nederlandse inbreng tot stand gekomen is, blijkt grote bijval te krijgen in EU-verband. Ook buiten Europa draagt de IMH in toenemende mate bij in de gedachtenvorming over inspectie en organisatie. Deelname samen met de USA en UN in de organisatie van handhavingsconferenties en workshops is gericht op verdere verbreiding van de handhavingsystematiek zowel per natie als in breed mondiaal verband op regio-niveau (1990 Utrecht, startconferentie; 1992 Budapest, aandacht voor centraal en Oost-Europa; 1994 Oaxaca Mexico, aandacht voor ontwikkelingslanden; 1996 Chiang Mai Thailand, aandacht voor opzetten van internationale netwerken in de wereld op regio-niveau; 1998 Noord-Amerika voortgang thema 1996). De IMH levert bijdragen aan de uitvoering van de Memoranda of Understanding (MoU's).
EMANCIPATIEBELEID
Voor de komende periode staat reactivering van het emancipatiebeleid op de agenda en zal aan het emancipatiebeleid bij VROM een nieuwe vorm worden gegeven. Dit betreft zowel het interne als het externe emancipatiebeleid, waarbij de verwachting is, dat in deze nieuwe vorm het interne- en externe emancipatiebeleid ook over en weer worden versterkt.
VROM gaat actief participeren in Opportunity 2000. Opportunity is een campagne die in Nederland is geïnitieerd door de Ministeries van Economische Zaken en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, nadat daarmee in Groot Brittannië goede resultaten waren geboekt. De campagne heeft als doel het investeren in (personeels-)beleid dat recht doet aan het economisch potentieel van vrouwen. De werkwijze is dat bedrijven en instellingen zich op vrijwillige basis aansluiten en hun eigen doelen en plannen voor het jaar 2000 formuleren. VROM sluit zich aan bij deze campagne en zal ook zitting nemen in de Stuurgroep.
Najaar 1996 zullen de uitkomsten bekend zijn van een evaluatie van het interne prioritair beleid, waaronder het emancipatiebeleid. Op basis van de uitkomsten van deze evaluatie zullen voor VROM een aantal haalbare doelstellingen in het kader van Opportunity 2000 worden geformuleerd. De in 1994 ingezette lijn van dienst-specifieke doelstellingen die aansluiten bij mogelijkheden en beperkingen van de diverse diensten zal hierbij gehandhaafd blijven.
In de praktijk worden tot nu toe de belangrijke beleidsnota's pas beoordeeld op het aspect emancipatie in de laatste fase van het proces. Wanneer de beleidsontwikkelaars op dat moment worden geconfronteerd met emancipatie is het logisch dat dit eerder wordt beschouwd als een last dan als een lust. Integratie van emancipatie in de lijn is daarom van belang. VROM wil de integratie bereiken via een structurele inbedding in het jaarlijkse proces van werkplannen per dienst en control op de realisatie daarvan. Iedere dienst moet daarbij jaarlijks aangeven op welke manier en/of met welke specifieke activiteiten de emancipatie-invalshoek op de beleidsterreinen en bij de beleidsproducten wordt vormgegeven.
Waar mogelijk zal worden aangesloten bij en voortgeborduurd op elders ontwikkelde en te ontwikkelen gedachten. Zo wordt het slotdocument van de in september 1995 in Beijing gehouden vierde wereldvrouwenconferentie gebruikt als referentiekader voor het Nederlands emancipatiebeleid en dus ook bij VROM. Zo zal naar verwachting VROM ook gaan participeren in de interdepartementale contactgroep ten behoeve van de eind oktober 1996 door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid te installeren commissie «Dagindeling van de samenleving».
FINANCIEEL MANAGEMENT EN GEÏNTEGREERD SUBSIDIEBELEID
Ontwikkelingen financieel management
Ook over de financiële verantwoording van begrotingsjaar 1995 kon de departementale Accountantsdienst een goedkeurende verklaring afgeven.
Op basis daarvan kan worden geconcludeerd dat de rechtmatigheid binnen VROM is verankerd. Voldoende aandacht voor de rechtmatigheid blijft evenwel noodzakelijk.
Inmiddels wordt de aandacht meer en meer gericht op de doelmatigheid van de organisatie. Financieel management verbreedt zich in de richting van resultaatgericht management. Hierbij wordt in de planning- en controlcyclus expliciet de relatie gelegd tussen middelen en daarmee bereikte resultaten. Gestreefd wordt om alle acties ter bevordering van de doelmatigheid onder te brengen binnen het kader van resultaatgericht management. In 1996 is op basis van de interne nota «Van ambitie naar resultaat» verder gewerkt aan de invoering daarvan. Voorwaarde voor het realiseren van resultaatgericht management is onder andere dat de doelstellingen, of anders gezegd de beoogde resultaten, duidelijk omschreven zijn. Dit om op doelmatige wijze deze vooraf bepaalde doelen te kunnen bereiken. Daarnaast is voorwaarde dat de informatie aanwezig is om op de verschillende relevante niveaus in de organisatie te kunnen sturen op het bereiken van de doelstellingen en prestaties. In het kader van het aanpassen van de bedrijfsvoering ten behoeve van het resultaatgericht management zal de management-informatie worden aangepast, onder andere door het verder ontwikkelen van kengetallen. Tevens worden de planning- en controlcyclus en de begrotingscyclus zorgvuldig op elkaar afgestemd. Hiermee wordt gestreefd naar een vorm van integrale control binnen het departement. Eén en ander zal mede resulteren in «ambitiedocumenten» waarin de doelstellingen van de organisatie worden uitgewerkt, in jaarplannen en in daarop aansluitende managementrapportages. Deze rapportages sluiten aan op de jaarplannen en geven inzicht in de voortgang van de plannen zowel wat betreft middelen als produkten. Op deze wijze kan het management op adequate wijze sturen op resultaat. Hoewel bedoelde documenten in meer of mindere mate aanwezig zijn, zal de samenhang daartussen nog veel aandacht vragen. Het is de bedoeling om elementen van de omslag reeds in de jaarplannen voor 1997 en de rapportages daarover merkbaar te doen zijn. Parallel daaraan zal bij voortrekkersdirecties het resultaatgericht management in de praktijk in de diepte worden uitgewerkt.
Resultaatgericht management impliceert een continue aandacht voor de doelmatigheid en de doeltreffendheid van de organisatie. Beleidsevaluaties en beheersevaluaties maken integraal onderdeel uit van genoemde wijze van bedrijfsvoering. Nu al is zichtbaar dat meer en meer van deze instrumenten gebruik wordt gemaakt. Naast diverse typen beleids- en beheersevaluaties wordt in toenemende mate gewerkt met de methodiek van de interne en externe bedrijfsvergelijking (benchmarking).
In het afgelopen jaar is ook een helder en toetsbaar stelsel van normen rond de bedrijfsvoering en de financiële functie tot stand gekomen. Daarmee zal in 1997 verder ervaring worden opgedaan. Resultaatgericht management betekent ook het inbedden van evaluaties in de bedrijfsvoering en daarmee in de beleidsontwikkeling. Het gaat daarbij om zowel ex post als om ex ante evaluaties. In 1996 is met betrekking tot beleidsevaluaties aandacht besteed aan de onderbouwing van de programmering, versterking van de relatie met de planning- en controlcyclus, gebruik van de evaluatie-resultaten en het verspreiden van de resultaten van evaluatie-onderzoeken. Deze lijn zal in 1997 worden voortgezet.
Het instrument beleidsevaluatie wordt in toenemende mate gezien als «gereedschap» waarmee het beleidsproces versterkt kan worden. Doelmatigheidsonderzoek wordt gezien als middel om continu problemen en trends te analyseren, te leren van successen en fouten. Onder meer op deze wijze wordt vorm gegeven aan de «lerende organisatie».
Beleidsevaluaties leveren een wezenlijke bijdrage aan de beleidsagenda van het ministerie. Komend jaar zal met name aandacht besteed worden aan de vraag hoe het gebruik van de evaluaties binnen het beleidsproces verder vergroot kan worden. Verder zal bij het opstellen van de jaarlijkse programmeringen van evaluatie-onderzoek nog meer aandacht besteed worden aan de samenhangen tussen de verschillende beleidsterreinen.
Jaarlijks wordt binnen VROM een rapportage opgesteld over de uitgevoerde, in uitvoering zijnde en geprogrammeerde evaluatie-onderzoeken. In de bijlage bij die rapportage zijn de activiteiten binnen VROM rond de doelmatigheid van het beleid, het beheer en de organisatie opgenomen. Het in deze begroting opgenomen overzicht van beleidsevaluatie-onderzoeken is daar een onderdeel van. Deze geïntegreerde rapportage is een stap in de richting van een integrale benadering van beleids- en beheersevaluaties. Naar een integrale benadering wordt gestreefd omdat het nagaan van het doelbereik van beleid een duidelijke meerwaarde krijgt indien daarbij de doelmatigheid van de inzet van middelen ter bereiking van de gestelde beleidsdoelen wordt betrokken.
Door de verinnerlijking van het resultaatgericht management bij de organisatie en de medewerkers wordt bovendien invulling gegeven aan de vereisten van de 6e wijziging van de Comptabiliteitswet. Deze wet bepaalt dat bij elk begrotingsartikel een uiteenzetting dient te worden gegeven van:
– het gerealiseerde beleid ten opzichte van het voorgenomen beleid;
– de gerealiseerde activiteiten, prestaties en effecten ten opzichte van hetgeen werd beoogd.
Deze zaken zullen met name vorm krijgen door het opnemen van kengetallen in de rekening en de begroting. In de begrotingsaanschrijving worden drie typen kengetallen onderscheiden: ramings-, doelmatigheids- en doeltreffendheidskengetallen.
In de begroting 1997 zijn in beginsel alle zinvolle ramingskengetallen opgenomen. Vooruitlopend op de implementatie van resultaatgericht management zijn reeds enkele doelmatigheidskengetallen in de begroting 1997 vermeld. In de begroting 1998 zullen stappen worden gezet richting verdere uitbouw van de doelmatigheidskengetallen en in mindere mate in de richting van doeltreffendheidskengetallen. Doel is om uiteindelijk in 1999 alle artikelen in de begroting met kengetallen toe te lichten.
Het toezicht- en controlebeleid is een terrein dat bij voortduring aandacht van het management krijgt, het beleid met betrekking tot misbruik & oneigenlijk gebruik (M&O-beleid) maakt hiervan integraal onderdeel uit. Het bijzondere van M&O-beleid ten opzichte van het meer algemene controlebeleid komt tot uitdrukking in het sanctiebeleid bij misbruik en nader onderzoek van regelgeving bij geconstateerd oneigenlijk gebruik.
De in het controlebeleid tot uitdrukking komende zienswijze op M&O is nader uitgewerkt in controleprogramma's aan de hand waarvan jaarlijkse toetsing plaatsvindt van de vigerende regelingen op M&O-gevoeligheid.
De samenwerking zowel binnen VROM als met externe partijen is geïntensiveerd waardoor een vroegtijdige afstemming van het M&O-beleid en een verbeterde communicatie bewerkstelligd wordt. Aan de hand van analyse van de rapportages, signalering van knelpunten in de regelgeving en/of het controlebeleid wordt ten behoeve van de beleidsdirecties en inspecties een meerwaarde gecreëerd.
De gehanteerde uitgangspunten van het M&O-beleid zijn nog steeds actueel. Door het introduceren van een uitvoeringstoets wordt bij het opzetten van regelgeving expliciet stilgestaan bij mogelijke M&O-aspecten.
Een belangrijk aspect in nieuwe en aangepaste bijdragenregelingen is (de verplichting van) het formuleren van een anti-cumulatiebeding. Dit legt vooral de aandacht op het vooraf voorkomen van ongewenste en onbedoelde samenloop van bijdragen op Europees en rijksniveau. In de voorbereidingsfase van een nieuwe bijdragenregeling zullen de betrokkenen worden geattendeerd op het voeren van een goed anti-cumulatiebeleid.
VROM is vertegenwoordigd in de werkgroep «Controle-, verantwoordings- en informatieverplichtingen bij specifieke uitkeringen aan decentrale overheden». Deze werkgroep functioneert onder auspiciën van de Ministeriële Commissie Marktwerking, Deregulering en Wetgevingskwaliteit. De werkgroep heeft tot taak aan de hand van een aantal pilots te bezien in hoeverre het door de commissie Griffioen opgeleverde toetsingskader werkbaar is ter vermindering van de beheerslasten. Vanuit VROM zijn het Besluit woninggebonden subsidies (BWS) en het Besluit locatiegebonden subsidies (BLS) als pilots aangemeld.
De aandacht zal blijvend gericht zijn op het afronden, uitvoeren, handhaven en verinnerlijken van met betrekking tot M&O-beleid reeds in gang gezette ontwikkelingen en acties. VROM bouwt voort op die ontwikkelingen en op de daarmee bereikte resultaten. In deze paragraaf zijn de verschillende accenten gelegd. Nieuwe specifieke acties zijn momenteel niet voorzien.
In de hierna opgenomen overzichten zijn de belangrijkste binnen VROM afgeronde, lopende en voor 1996 en 1997 geprogrammeerde beleids-evaluaties opgenomen.
Per evaluatie wordt inzicht gegeven in de doelstelling, belangrijkste onderzoeksvragen, gebruik van de resultaten en jaar van afronding.
AFGERONDE EVALUATIES: 1995, 1996
| nr. | onderwerp | artikel | conclusies en gebruik | gereed |
| DG VOLKSHUISVESTING | 03 | |||
| 1 | Woningwet en Bouwbesluit | Begin 1996 zijn wijzigingen van Woningwet en Bouwbesluit aan de Tweede Kamer voorgesteld. | 1996 | |
| 2 | Huurbeleid | In het kader van de integrale herziening huurprijsbeleid is in 1995 op een aantal deelterreinen onderzoek verricht: | ||
| – Woningwaardering: «Maximaal redelijke huur op basis van economische waarde»; | ||||
| – Analyse van bestaande regelgeving op knelpunten; | ||||
| – «Verkenning huurbeleid verhuurders». | ||||
| De resultaten van deze onderzoeken zijn betrokken bij de Trendbrief. | 1995 | |||
| 3 | Wet voorzieningen gehandicapten (WVG) | In 1995 is een eerste evaluatie afgerond («Een verstrekkende wet»). Dit heeft geleid tot aanpassingen in de eigen bijdragen voor diverse WVG-verstrekkingen. | 1995 | |
| 4 | Duurzaam Bouwen | In 1995 is het isolatie-convenant geëvalueerd. Daaruit blijkt dat de streefcijfers zijn gehaald. Uitkomsten van de evaluatie worden betrokken bij de opstelling van het DuBo-convenant. | ||
| In 1996 heeft een (beperkte) evaluatie plaatsgevonden van het verlengingsjaar 1995 van het energie-convenant met de koepels van huurders en verhuurders. | 1996 | |||
| 5 | Ouderen | In 1995 is het gemeentelijke beleid t.a.v. huisvesting van ouderen geëvalueerd. De resultaten zijn betrokken bij de Trendbrief. | 1995 | |
| 6 | Liftenregeling | In 1995/1996 is de tijdelijke liftenregeling geëvalueerd («Ouderen in de lift»). De uitkomsten hebben geleid tot aanpassingen in de regeling, onder meer om liftenplaatsing bij woongebouwen met smalle portieken mogelijk te maken. De evaluatie is meegenomen in de Trendbrief. | 1996 | |
| 7 | Grote steden | In 1995 is een tweetal evaluatie-onderzoeken verricht: | ||
| «Kijk op de wijk»; | ||||
| «Woonbeleving». | ||||
| De resultaten zijn gebruikt voor het opzetten van de leefbaarheidsmodule van de Grote steden-monitor (voortouw Binnenlandse Zaken). | 1995 | |||
| 8 | Evenwichtige verdeling woningvoorraad (EVW) | Aan de hand van de gegevens van het Woningbehoeftenonderzoek 1993/1994 is de EVW-situatie geëvalueerd. De taakstelling voor de dure scheefheid is gehaald; de taakstelling voor de goedkope scheefheid echter niet. In de Trendbrief zijn de beleidsconclusies naar aanleiding van deze bevindingen vermeld. | 1995 | |
| 9 | Na–oorlogse wijken | In 1995 is onderzoek gedaan naar de situatie in de na-oorlogse wijken («Na-oorlogse wijken in beeld»). De bevindingen worden betrokken bij de omgevingsverkenningen in het kader van Belstato. | 1995 | |
| 10 | Bestuurlijke vernieuwing | Evaluatie van de ervaringen met de BON-gebieden. De uitkomsten worden betrokken bij de discussie omtrent de bestuurlijke herindeling. Mogelijke effecten voor de volkshuisvesting worden geanalyseerd. | 1996 | |
| 11 | Minderheden | Om de effecten te meten van het spreidingsbeleid statushouders is in 1995 het onderzoek «Monitoring uitgevoerd. De resultaten worden gebruikt bij de evaluatie van de taakstelling statushouders en vvtv-ers. Om het effect te meten van de aanbodmodellen woonruimteverdeling op concentratie/segregatie minderheden is in 1995/1996 het onderzoek «Betekenis aanbodmodellen voor etnische minderheden» uitgevoerd. De bevindingen worden betrokken bij de voorgenomen wijziging van de Huisvestingswet. | 1996 | |
| 12 | Gemeentelijk Toezicht | Om inzicht te krijgen in de (mate en wijze) van invullen van het gemeenschappelijk toezicht in het kader van het BBSH is, uitgaande van het verslagjaar 1994, een onderzoek uitgevoerd in 1995. De resultaten hebben o.a. als basis gediend voor de voorlichtingsactie «impuls gemeentelijk toezicht» welke door DGVH in voorjaar/zomer 1996 is uitgevoerd. | 1995 | |
| RIJKSPLANOLOGISCHE/DIENST | 04 | |||
| 1 | Verstedelijking, periode 1990–1994 | 04.03 | Onderzocht is of het verstedelijkingsbeleid van de VINEX bijdraagt aan een goede ruimtelijke kwaliteit van de woningbouwlocaties die in de periode 1995–2005 gerealiseerd gaan worden. De relatie tussen de gekozen werkwijze en het halen van een goede kwaliteit (zoals omschreven in de VINEX) van de verstedelijking stond centraal. Uit het onderzoek blijkt dat er binnen de overheid consensus bestaat over een aantal woningbouwlocaties die in potentie een hoge kwaliteit bezitten. De vraag is of deze kwaliteit zal worden gerealiseerd. De resultaten zullen worden gebruikt bij de actualisering VINEX. | 1995 |
| 2 | Rijksbeleid ten behoeve van de Stedelijke Knooppunten, periode 1988–1994 | 04.03 | Onderzoek naar het rijksbeleid ten behoeve van de Stedelijke Knooppunten II. Het knooppuntenbeleid is gebaseerd op een aantal aannames over de heilzame effecten van geconcentreerd investeren en hoe een aantrekkelijke vestigingsplaats gecreëerd kan worden voor internationale (georinteerde) bedrijven. Uit het onderzoek blijkt dat de uitgangspunten van het beleid worden onderschreven. Alleen wordt het belang van het voorzieningenniveau als vestigingsplaatsfactor niet groot geacht. Het concept dat aan het beleid ten grondslag ligt, wordt onderschreven. Er worden wel kanttekeningen geplaatst bij de operationalisering, met name bij de selectiviteit: er zouden teveel steden zijn aangewezen als knooppunt. Qua investeringen en nieuwe bedrijfsvestigingen lijkt er geen directe relatie te bestaan met het beleid. Het heeft echter een signaalwerking en leidt tot een vergroting van het zelfbewustzijn en een imagoverbetering. Een ruimtelijk-economisch beleid dient gehandhaafd te blijven. Naast een voorwaardenscheppend beleid moet echter ook gedacht worden aan het voeren van een actief stimuleringsbeleid. Het onderzoek ondersteunt de actualisering VINEX. | 1995 |
| 3 | Openbare Ruimte Beleid, periode 1988–1994 | Het betreft het veranderingsperspectief voor de openbare ruimte in rijksbeleid en lokale praktijk. Onderzocht is in welke mate gemeenten door het Vierde Notabeleid zijn aangespoord tot het maken van plannen voor en aanpassingen van de openbare ruimte. Een openbare ruimte beleid, zoals bedoeld in de Vierde Nota blijkt helemaal niet realiseerbaar. Dit soort beleid vindt altijd plaats in het kader van ander beleid. Vanaf de jaren zeventig waren dat de stadsvernieuwing en het verkeersveiligheidbeleid. In de jaren tachtig kwamen daar de sociale veiligheid, stedelijke en sociale vernieuwing bij. Openbare ruimte blijkt interessant als trekker voor vernieuwing; als het gaat om beheer komt het maar moeizaam tot stand. De onderzoekers signaleren het grote succes van de Voorbeeldplannen Openbare Ruimte en zien op dat terrein ook in de toekomst een rijksrol weggelegd. | 1995 | |
| 4 | Restrictief Beleid, periode 1988–1994 | Evaluatie van het restrictief beleid. Restrictief beleid krijgt alleen een kans als de provincie er in slaagt om het integraal onderdeel van haar beleid te maken dat gericht is op hoogwaardige verstedelijking en versterking/behoud van de kwaliteit van het landelijk gebied. Bovendien kan het restrictief beleid op provinciaal niveau pas actief vorm krijgen als daarbij behorend instrumentarium wordt ingezet. Geconcludeerd wordt dat de afstemming op rijksniveau niet optimaal is. Op doelstellingenniveau is er sprake van congruentie; in de vertaling van doelen naar concrete uitvoering is het restrictief beleid te weinig expliciet. Het rijk heeft in zijn onderhandelingen niet aangestuurd op een integrale strategie voor de landelijke gebieden. Provincies zien restrictief beleid als onderdeel van hun verstedelijkingsbeleid. Er is nauwelijks sprake van een bredere strategie. De VINEX-impuls tot aanscherping krijgt op provinciaal niveau onvoldoende vorm: de inzet van mogelijke extra instrumenten blijft veelal achterwege. Provincies zijn niet in staat enkel op grond van het open houden van gebied effectief restrictief beleid te voeren. Uitkomsten worden meegenomen in de actualisering VINEX. | 1995 | |
| 5 | Diagonale Planning, periode 1990–1994 | Onderzocht is in hoeverre de diagonale planning zinvol is als methode voor de verwezenlijking van het nationaal ruimtelijk beleid. De uitvoeringsgerichtheid is geanalyseerd m.b.v. drie criteria: onmisbaarheid, gepastheid en effectiviteit. Diagonale planning kan een heel nuttige implementatiestrategie zijn, maar overbodigheid, ongepastheid en ineffectiviteit zijn geen ondenkbeeldige gevaren. Het moet daarom spaarzaam en weldoordacht worden gebruikt. | 1995 | |
| 6 | Koersenbeleid, periode 1990–1994 | Onderzocht is de doorwerking van het koersenbeleid op provinciaal niveau. Het koersenbeleid is als het ware een rijksfilosofie die op provinciaal niveau doorvertaald moet worden. In de proefgebieden heeft een aantal provincies ervaring opgedaan met het koersenbeleid, dat bedoeld is als referentiekader voor de provincie. Nu moet het beleid doorwerken in de streekplannen. Uit het onderzoek blijkt dat het koersenbeleid niet richtinggevend is geweest voor de ruimtelijke plannen van de provincies. Vrijwel alle provincies besteden aandacht aan de thematiek van de ontwikkelingsgerichtheid. Zij doen dat omdat die aansluit bij de ontwikkelingen en wensen binnen de provincies zelf. De koerskleuren uit de VINEX zijn nooit overgenomen, want het ontbreekt hen aan instrumentatie en aan operationalisatie-mogelijkheden. De meeste provincies hebben zich er wel door laten inspireren. De onderzoeksresultaten worden meegenomen bij de actualisering VINEX. | 1995 | |
| 7 | Planningstelsel, periode 1985–1995 | Planningsstelsel in bestuurlijke perspectief is een RPD-programma met als doel enerzijds de balans op te maken van de omgang met het planningsstelsel in de afgelopen tijd, zowel in termen van wetgeving (recente wetswijzigingen) als van bestuurlijk handelen en anderzijds opties aan te reiken voor een strategie en agenda voor het planningsstelsel in de komende tijd. Geconstateerd is dat het stelsel op hoofdlijnen voldoet, wel zal het stelsel regelmatig onderhoud blijven vergen. Als ontwikkelingsrichtingen wordt gepleit voor meer aandacht voor een zelfstandige projectprocedure en daarnaast voor een duidelijker rolverdeling tussen de bestuurslagen. | 1996 | |
| 8 | RAVI, periode 1994–1996 | 04.09 | De RAVI is opgericht met als doel een structuur voor GEO-informatie te realiseren tegen zo laag mogelijke maatschappelijke kosten. Onderzocht is of dit doel bereikt is. Uit het onderzoek blijkt dat de doelstelling in redelijke tot hoge mate is gehaald. Het functioneren van het secretariaat wordt positief beoordeeld. Ook voor de toekomst wordt het nut en de noodzaak van de RAVI onderkend. Op basis van deze evaluatie wordt de bijdrage van de RPD aan de RAVI gecontinueerd. | 1996 |
| 9 | Voortgangsrapport Stedelijke Knooppunten beleid | 04.03 | In deze voortgangsrapportage wordt de tussenstand opgemaakt van 7 jaar Knooppuntenbeleid. Het knooppuntenbeleid is lange termijn beleid. Daarom is een definitieve beoordeling nu nog niet aan de orde. Er is weliswaar kritiek op het concept en op het financieel instrumentarium, maar een selectief ruimtelijk beleid wordt door allen onderschreven. De uitgangspunten voor het beleid gelden nog steeds. Er bestaat op dit moment geen aanleiding voor beëindiging van het beleid. | 1996 |
| DG MILIEUBEHEER | 05 | |||
| 1 | Landelijk handhavingsprogramma LCCM | 05.01 06 | Evaluatie van de werking van het landelijk handhavingsprogramma van het Landelijk Coördinatiecentrum. Geconcludeerd wordt dat het landelijk handhavingsprogramma draagvlak heeft en doorwerkt in de regionale programma's. Gewerkt zal worden aan de oprichting van een landelijk centraal informatiepunt. | 1996 |
| 2 | Milieu-organisaties | 05.15 01 | De subsidierelatie van DGM met de milieu-organisaties is geëvalueerd. Er hebben gesprekken plaatsgevonden met de milieu-organisaties. De onderzoeksresultaten zullen worden verwerkt in het beleidsstandpunt. | 1995 |
| 3 | Programma Schoner Produceren | 05.15 01 | Het onderzoek had tot doel inzicht te verkrijgen in de effectiviteit en efficiëntie van de activiteiten op het gebied van kennisoverdracht. Geconcludeerd wordt dat de doelstellingen van het project schoner produceren zijn gehaald, maar dat nu aanpassing nodig is. De aandacht bij het MKB voor milieutechnologie is stijgende. Implementatie van de aanbevelingen heeft vorm gekregen in het project «Schoner produceren 2». | 1995 |
| 4 | Beoordeling BUGM-jaarverslagen 1994 (Bijdrageregeling uitvoering gemeentelijk milieubeleid) | 05.15 02 | Op basis van BUGM-jaarverslagen wordt jaarlijks beoordeeld hoe en in welk tempo gemeenten het adequate niveau van vergunningverlening en handhaving oppakken en wordt nagegaan in welke mate intergemeentelijke samenwerking gerealiseerd is. De vergunningverlening en handhaving heeft in 1994 een positieve ontwikkeling doorgemaakt. Wel is er een risico dat een aantal gemeenten de einddatum 1-1-1997 waarop het adequate niveau bereikt moet zijn, niet halen. Op basis van de beoordeling wordt het tweedelijnstoezicht door de Inspectie Milieuhygiëne op de gemeentelijke taakuitvoering onverminderd voortgezet. | 1995 |
| 5 | Van Rijn-Vellekoop jaarrapportages 1994 en 1995 | 05.15 02 | Jaarlijks wordt op basis van de Van Rijn-Vellekoop rapportages beoordeeld in welke mate de provincies een adequaat niveau van vergunningverlening en handhaving hebben gerealiseerd. Op basis van de landelijke rapportage over 1995 is met het IPO overeengekomen dat het adequate niveau op 1-1-1997 gerealiseerd wordt. | 1995, 1996 |
| 6 | Herijking buitenlandbeleid | 05.15 03 | Het onderzoek had betrekking op het verzekeren van de milieu–invalshoek in het Nederlandse internationale beleid. De conclusies en consequenties zijn meegenomen in de Memorie van Toelichting bij de begroting 1997 van OS terzake internationaal natuur– en milieubeleid. | 1995 |
| 7 | International Network of Green Planners | 05.15 03 | De werkzaamheden van het Network of Green Planners zijn geëvalueerd. De evaluatie heeft geleid tot aanbevelingen voor de organisatiestructuur die begin 1997 ingevoerd zullen worden. | 1996 |
| 8 | Besluit Opslaan in Ondergrondse Tanks (BOOT) | 05.16 01 | De effectiviteit van de lopende regeling is onderzocht. Geconcludeerd wordt dat het aan de voorschriften laten voldoen van in gebruik zijnde tanks achterblijft bij de doelstelling van het BOOT. De kosten van hersaneringen en de overwegingen voor aanvullende maatregelen vormen voor veel gemeenten een knelpunt, zeker als een vrijwaringsverklaring is afgegeven. De mogelijkheden voor financiering van particuliere bodemverontreiniging zijn verkend. In een tweede evaluatie zijn de recente beleidsresultaten beoordeeld. De uitkomsten worden t.b.v. verdere gedachtenwisseling in het najaar van 1996 aan de Tweede Kamer aangeboden. | 1995, 1996 |
| 9 | Uitvoering bodemsaneringsbeleid provincies | 05.16 01 | In het onderzoek «Landelijk project provinciaal milieubeleid 1994 bodemsanering» wordt geconcludeerd dat het rijksbeleid en de uitwerking daarvan door de bevoegde instanties niet altijd worden gevolgd. Fricties tussen beleid en praktijk manifesteren zich met name bij de aanpak van grootstedelijke bodemsaneringsgevallen. De aanbevelingen worden meegenomen in het project beleidsvernieuwing bodemsanering. | 1995 |
| 10 | Mest– en ammoniakbeleid | 05.16 02 | Het betrof een beoordeling van de effectiviteit t.b.v. beleidsbijstelling. De Integrale Notitie Mest- en Ammoniakbeleid is op hoofdlijnen in december 1995 door de Tweede Kamer aanvaard. Thans wordt gewerkt aan de implementatie. | 1995 |
| 11 | Besluit kwaliteit en gebruik overige organische meststoffen (BOOM) | 05.16 02 | Het onderzoek richtte zich op de effectiviteit van het BOOM, mede in relatie tot de ontwikkelingen m.b.t. GFT-compost. De aanbevelingen worden meegenomen in het beleidsstandpunt dat eind 1996 aan de Tweede Kamer wordt aangeboden. | 1996 |
| 12 | Interimwet Ammoniak en Veehouderij | 05.16 02 | Het betreft een periodieke evaluatie van de Interimwet Ammoniak en Veehouderij. Geconcludeerd wordt dat de achterstand bij vergunningverlening aan veehouderijen sinds het najaar 1994 fors is ingelopen. Bij de resterende bedrijven doen zich nog knelpunten voor. Naar aanleiding van het onderzoek worden door de Inspectie Milieuhygiëne in overleg met de provincie maatregelen genomen. | 1996 |
| 13 | Evaluatie Nederlandse Emissie Richtlijn (NER) | 05.16 03 | Beoordeeld is de wijze van uitvoering van de NER door provincies en gemeenten. Bezien is of het (vrijwillige) instrument conform de afspraken wordt toegepast en of aldus terecht van verplichtende regelgeving is afgezien. De beleidsconclusies worden meegenomen in het advies aan de Adviesraad Emissierichtlijnen. | 1996 |
| 14 | Uitvoering stankbeleid | 05.16 03 | Onderzocht is of het in 1995 vastgestelde stankbeleid volgens afspraken is doorvertaald in de NER. Geconcludeerd wordt dat de doorvertaling van het stankbeleid in de NER is gerealiseerd en dat de acceptatiegraad bij bedrijfsleven en andere overheden hoog is. | 1996 |
| 15 | Voortgangsrapportage CO2 en Afval | 05.17 01 | Onderzocht is wat de bijdrage van het afvalbeleid aan de vermindering van de uitstoot van CO2 is geweest. Resultaten zijn verwerkt in de vervolgnota Klimaatverandering. | 1996 |
| 16 | Uitvoering vergunningenbeleid scheepswerven | 05.17 02 | De vergunningverlening en de handhaving bij de doelgroep scheepswerven is geëvalueerd. De conclusie is dat het doelgroepenbeleid nog onvoldoende verankerd is in de vergunningverlening. Op basis van de bevindingen is besloten tot een vervolgproject «Van nazorg tot voorzorg» met als doel de vergunningverlening door de provincies op een hoger kwalitatief niveau te brengen. | 1996 |
| 17 | Omgaan met data in wetten en besluiten | n.v.t. | Nagegaan is in welke mate en om welke reden data in regelgeving niet altijd in acht worden genomen door andere overheden. Geconcludeerd wordt dat andere overheden geconfronteerd worden met veel verschillende data en onvoldoende inzicht hebben in wat er op hen afkomt. Als vervolg hierop wordt een onderzoek uitgevoerd naar de stapeling van milieubeleid bij gemeenten. | 1996 |
| In het kader van het evaluatieprogramma Wet milieubeheer van de Evaluatie Commissie Wet milieubeheer (ECW) zijn recentelijk de volgende evaluaties afgerond: | ||||
| 18 | Breedte-onderzoek Milieu-Effect Rapportage (m.e.r.) | n.v.t. | Betreft een beschrijving van de relevante kenmerken van alle m.e.r.-procedures. De evaluatiecommissie heeft op basis hiervan advies uitgebracht aan de Minister van VROM. | 1995 |
| 19 | Doorwerkingsonderzoek m.e.r. | n.v.t. | Het onderzoek geeft inzicht in het verloop van de publieke besluitvorming en de rol van het milieubelang daarbij. 79% van de m.e.r.'s werkt door in de besluitvorming en bij 71% van de m.e.r.'s is sprake van doorwerking in andere processen en situaties dan waarvoor de m.e.r. is doorlopen. Standpunt van de Minister van VROM zal in de tweede helft van 1996 worden uitgebracht. | 1996 |
| 20 | Positionering m.e.r. | n.v.t. | Geconcludeerd wordt dat de m.e.r. bijdraagt aan een volwaardige plaats van milieu in de besluitvorming. De rol van de commissie m.e.r. zorgt voor kwaliteitsborging van de bij besluitvorming gebruikte informatie. De toepassing van m.e.r. in Wm-procedures draagt niet voldoende bij aan het stroomlijnen van procedures, het verminderen van de bestuurslast en het anticiperen op toekomstig beleid. Beleidsstandpunt zal in de tweede helft van 1996 worden uitgebracht. | 1996 |
| 21 | De milieuvergunning in bedrijf | n.v.t. | De onderzoeksrapporten gingen in op de sterke en zwakke punten van de milieuvergunning als beleidsinstrument. Milieuvergunning kan effectief zijn, mits het bevoegde gezag daarbij doordacht optreedt. In de 2e helft van 1996 zal de ECW advies uitbrengen aan de Minister van VROM. | 1996 |
| 22 | Afstemmingsregelingen | n.v.t. | Het onderzoek richtte zich op de afstemming Wm- en WVO-vergunning, de coördinatie Wm- en bouwvergunning en de relatie tussen verklaring geen bezwaar gevaarlijk afval en Wm-vergunning. Het eindadvies van de ECW zal in de 2e helft van 1996 worden uitgebracht. | 1996 |
VOORGENOMEN EN LOPENDE EVALUATIES: 1996, 1997
| nr. | onderwerp | artikel | doel en onderzoeksaspecten | gereed |
| DG VOLKSHUISVESTING | 03 | |||
| 1 | Huurbeleid/liberalisatie | Dit onderzoek moet inzicht verschaffen in de effecten van de liberalisatiemaatregelen van 1 juli 1998 (de interim-maatregel) en de grote liberalisatie van 1 juli 1994. Dit inzicht moet leiden tot de beantwoording van de vraag of verdergaande liberalisatie wenselijk en verantwoord is. Er zal een ex-ante en ex-post evaluatie plaatsvinden van zowel kwalitatieve als kwantitatieve gegevens, zoals: | ||
| – Hoeveelheid en spreiding van geliberaliseerde woonruimte; | ||||
| – Typering van woning, verhuurder, huurder en wijk; | ||||
| – Effecten op geschillen (ook bij de rechterlijke macht); | ||||
| – Effecten op huurontwikkeling, mutatie, leefbaarheid, investeringen en de positie van ouderen; | ||||
| – Internationale vergelijking; | ||||
| – Randvoorwaarden voor liberalisatie: evenwicht tussen vraag en aanbod, versterking van positie van huurder gevolgen voor IHS-budget; | ||||
| – Kwalitatief oordeel van huurders en verhuurders. | 1996 | |||
| 2 | Ouderen | Het betreft hier twee onderzoeken: | ||
| a. Woonsituatie ouderen | ||||
| Op basis van het WBO en Trendrapport wordt een uitgebreide analyse verricht door de Rijksuniversiteit Utrecht van de huisvestingssituatie van ouderen, nu en in de toekomst (1996-2020). De resultaten worden betrokken bij het project interventiestrategie ouderen. | ||||
| b. Groepswonen van ouderen | ||||
| Er vindt – samen met VWS – een evaluatie plaats van de praktijk over de afgelopen jaren van het groepswonen van ouderen. Op basis van de resultaten zal bezien worden of specifieke interventie vereist is. | 1996 | |||
| 3 | Minderheden | De monitoring huisvestingssituatie van statushouders betreft een in 1995 opgezet monitoringssysteem, dat gebaseerd is op het periodiek volgen van een steekproef van statushouders in een panel. De monitoring meet de effecten van het aanbod van reguliere huisvesting aan statushouders zoals dat door de gemeenten conform hun taakstelling wordt gerealiseerd. Mogelijke effecten zijn volgende verhuizingen, de verhuisrichting en het eventuele verband daarvan met de woonsituatie of typen statushouders. De monitoring is een vervolgmeting op die van 1995. Inhoudelijk wordt de monitor verbreed door naast huisvestingsgegevens tevens informatie over de mate van participatie aan onderwijs en arbeid te onderzoeken. VROM en BiZa nemen een deel van de kosten van het onderzoek voor hun rekening. Het onderzoek is recent gestart en zal eind 1996 gereed zijn. | 1996 | |
| 4 | Duurzaam bouwen | Doel van deze evaluatie is te bepalen in welke mate het instrumentarium, gericht op brede toepassing van duurzaam bouwen in nieuwbouw en woningvoorraad, zoals opgenomen in het Plan van aanpak duurzaam bouwen, effectief en doelmatig is. Deze evaluatie van de werking van het gekozen beleid en het instrumentarium op de volkshuisvesting, maakt onderdeel uit van de brede evaluatie van het Plan van aanpak duurzaam bouwen, die in de tweede helft van 1997 plaatsvindt. De resultaten van de evaluatie worden betrokken bij het bepalen van beleid voor de periode na 1997. | 1997 | |
| 5 | Wet voorzieningen gehandicapten (WVG) | In 1996/1997 wordt de tweede fase van de evaluatie uitgevoerd door SGBO/Ipso Facto. Deze evaluatie is voorgeschreven in de Wet voorzieningen gehandicapten. Het voortouw ligt bij SZW. VROM en VWS zijn medebetrokken departementen. | 1997 | |
| 6 | Herijking Belstato en omgevingsverkenningen | De evaluatie herijking Belstato heeft tot doel de in de nota Belstato (1992) opgenomen raming van de nog benodigde rijksmiddelen voor de stadsvernieuwing, voor wat betreft de prijscomponent, d.m.v. onderzoek te herijken. De herijking kent twee onderzoekstrajecten, het IJkmoment en de omgevingsverkenningen. Het IJkmoment omvat intern en extern onderzoek naar de prijscomponent in de Belstato-raming. De omgevingsverkenningen betreffen onderzoek naar de voortgang van de stadsvernieuwing en ontwikkelingen in de directe omgeving van de stadsvernieuwing. Het regeringsstandpunt over de resultaten zal in 1997 aan de Tweede Kamer worden aangeboden. | 1997 | |
| 7 | Besluit Beheer Sociale Huursector (BBSH) | Voor 1997 was een evaluatie van het BBSH voorzien. Op verzoek van de Tweede Kamer (Motie Duivesteijn, Van Rey en Jeekel) is tijdens de bespreking van het rapport van de parlementaire onderzoekscommissie WBL toegezegd reeds dit jaar deze evaluatie te houden. Doel van het onderzoek is het verbeteren van de controleerbaarheid en het toezicht. | 1997 | |
| 8 | Evenwichtige Verdeling Woningvoorraad (EVW) | In de Trendbrief van 17 november 1995 is aangekondigd dat periodiek de voortgang van het EVW-beleid zal worden geëvalueerd. In 1997 zal opnieuw een tussenstand worden gepresenteerd. | 1997 | |
| 9 | Woonconsumenten | 03.06 | In 1997 zullen de beleidsmatige en de financiële doelstellingen van het woonconsumentenartikel worden herijkt. | 1997 |
| 10 | Leefbaarheid | In het Grote Stedenbeleid (GSB) is onder de noemer Monitoring Grote Stedenbeleid ook vorm gegeven aan de evaluatie van dit beleid. Aan de hand van een groot aantal beleidsindicatoren wordt de ontwikkeling in de betreffende steden gevolgd. Onderdeel van de monitoring GSB is de module leefbaarheid waarbinnen de doorwerking van het GSB wordt gemeten op aspecten ten aanzien van de woonbeleving en veiligheid. Dit project wordt door BiZa en VROM gezamenlijk met de steden vormgegeven. Na een fase van instrumentontwikkeling is in de betreffende steden de eerste meting uitgevoerd. Verwacht wordt dat voor het einde van 1996 met de eerste resultaten ook landelijk bewerkingen kunnen worden uitgevoerd, zodat ook over de leefbaarheid kan worden gerapporteerd binnen de Grote Steden Monitor. | 1997 | |
| RIJKSPLANOLOGISCHE DIENST | 04 | |||
| 1 | Voorbeeld ex-ante evaluatie | 04.03 | Ex-ante evaluatie is analyse van voorgenomen beleid op de effecten van dat beleid voor de ruimtelijke kwaliteit. In 1996 zal een voorbeeldproject worden gestart. Onderwerp zal zijn Grote Rivieren Beleid. | 1997 |
| 2 | Evaluatie Groene Hart | 04.03 | Op verzoek van de Tweede Kamer wordt een evaluatie uitgevoerd naar het tot op heden gevoerde beleid t.a.v. het Groene Hart, inclusief de daaraan ten grondslag liggende uitgangspunten en beschikbare informatie. | 1996 |
| 3 | Evaluatie aanpak sleutelprojecten | 04.03 | Sleutelprojecten ruimtelijke inrichting zijn concrete investeringsprojecten voor stedelijke gebieden, infrastructuur en de daarbij behorende milieutechnologie, die van strategisch belang zijn voor de ruimtelijke inrichting van ons lands. De sleutelprojecten-aanpak is in 1988 gestart als instrument voor de uitvoering van het rijksbeleid. Doel van deze evaluatie is nagaan in hoeverre de doelstellingen die door het rijk geformuleerd zijn bij aanvang van de aanpak gerealiseerd zijn of dichterbij zijn gebracht èn in meer algemene zin bezien wat bereikt is met de sleutelprojecten-aanpak. | 1996 |
| 4 | Ex-ante evaluatie instrumentarium restrictief beleid | 04.03 | In de VINEX staat dat het restrictief beleid moet worden aangescherpt. In dit onderzoek worden de wenselijkheden en de mogelijkheden om bestaande planfiguren en instrumenten van de betrokken departementen specifieker in te zetten en toe te snijden op de uitvoering van het ruimtelijk restrictief beleid verkend. Doel: deze gegevens zullen door de RPD worden gebruikt om op rijksniveau tot een betere afstemming van facet- en sectorinstrumentarium op het restrictief beleid te komen. | 1996 |
| 5 | Evaluatie mainports/achterlandverbindingen | 04.03 | In dit onderzoek staat de dubbele doelstelling van economische ontwikkeling en ruimtelijke kwaliteit centraal. Onderzocht wordt in hoeverre de ruimtelijke concepten mainport en achterlandverbindingen dit waargemaakt hebben. | 1996 |
| DG MILIEUBEHEER | 05 | |||
| 1 | Gecoördineerde handhaving op regionaal niveau | 05.01.06 | Periodieke evaluatie van de realisatie van de landelijke handhavingsstructuur op regionaal niveau, in het bijzonder de CIP's (coördinatie- en informatiepunten). | 1997 |
| 2 | NOP verdroging (Nationaal Onderzoeksprogramma) | 05.14 | Beoordeling van de effectiviteit, t.b.v. standpuntbepaling m.b.t. verdere financiële bijdragen voor kennisontwikkeling over verdroging. | 1997 |
| 3 | Circulaire emplacementen | 05.14 | Bezien van de beleidscirculaire op uitvoerbaarheid, handhaafbaarheid en doelmatigheid aan de hand van praktijkervaringen. Bezien hoe deze circulaire in regelgeving vertaald kan worden. | 1997 |
| 4 | Provinciale milieubeleidsplannen | 05.15.01 | Toekomstgerichte evaluatie van de provinciale milieubeleidsplanning i.v.m. de Wm en ontwikkelen van aanbevelingen voor het provinciale milieubeleid en voor het stimuleringsprogramma. | 1996 |
| 5 | Uitvoering ROM-gebiedenbeleid | 05.15.01 | Werpt het Ruimtelijke Ordenings- en Milieu-gebiedenbeleid (ROM-gebieden) vruchten af, m.a.w. draagt dit beleid bij aan de verbetering van de omgevingskwaliteit op regionale schaal? | 1997 |
| 6 | Project HAM (Verbetering Handhavingsinstrumentarium Milieubeleid) | 05.15.01 | Deelproject 1 omvat onderzoek t.b.v. de ontwikkeling van een leidraad voor effectieve toepassing van handhavingsinstrumenten. Deelproject 2 omvat onderzoek naar welke milieudelicten op welke wijze onder de regeling bestuurlijke boete kunnen worden gebracht. | 1996, 1997 |
| 7 | Intergemeentelijke samenwerking (IGS) | 05.15.02 | Jaarlijks vastleggen van het resultaat van het rijksbeleid om intergemeentelijk milieubeleid te stimuleren en de bepalende factoren daarbij. | 1996 |
| 8 | Beoordeling BUGM/VOGM-jaarverslagen 1995 en 1996 (Bijdrageregeling uitvoering gemeentelijk milieubeleid; Vervolg-bijdrageregeling ontwikkeling gemeentelijk milieubeleid) | 05.15.02 | Op basis van BUGM- en VOGM-jaarverslagen wordt jaarlijks beoordeeld hoe en in welk tempo gemeenten het adequaat niveau van vergunningverlening en handhaving oppakken en wordt nagegaan in welke mate intergemeentelijke samenwerking gerealiseerd is. | 1996, 1997 |
| 9 | Van Rijn-Vellekoop jaarrapportage 1996 | 05.15.02 | Op basis van de VRV-jaarverslagen wordt jaarlijks beoordeeld in welke mate de provincies het adequate niveau van vergunningverlening en handhaving hebben behaald. | 1997 |
| 10 | Bilaterale samenwerking | 05.15.03 | Beoordelen van de effectiviteit en doelmatigheid van bilaterale samenwerking, t.b.v. herijking prioriteitsstelling van landen waarmee VROM nu bilateraal samenwerkt (o.a. Oost-Europa) en t.b.v. de positie van bilaterale t.o.v. multilaterale samenwerking. | 1996 |
| 11 | Verwijdering baggerspecie | 05.16.01 | Beoordeling van de effectiviteit van het beleid m.b.t. verspreiding en verwerking van baggerspecie. T.b.v. de voorbereiding van de 4e Nota Waterhuishouding wordt deze evaluatie in 1996 i.p.v. 1997 en compacter uitgevoerd. | 1996 |
| 12 | Apparaatskosten Wet bodembescherming (Wbb) | 05.16.01 | Bezien of de via het provincie- en gemeentefonds voor het uitvoeren van de (nieuwe) Wbb-taken ter beschikking van de budgethouders/bevoegd gezag gestelde middelen toereikend zijn en de doelmatigheid van de ingezette middelen evalueren. | 1996 |
| 13 | Uitvoering Wet bodembescherming (Wbb) | 05.16.01 | Evaluatie van de uitvoeringservaringen 1995/1996 van de met de saneringsparagraaf uitgebreide Wbb. Ook de werking van de meldingen AMvB wordt beoordeeld. | 1997 |
| 14 | Evaluatie Lozingsbesluit, Stortbesluit en Bouwstoffenbesluit | 05.16.01 | Beoordeling van de effectiviteit en doelmatigheid van de drie regelingen, alsmede de uitvoerbaarheid van specifieke bepalingen. | 1997 |
| 15 | Evaluatie urgentiebeschikkingen | 05.16.01 | Inventariseren van de eerste ervaringen met het nemen van beschikkingen op basis van de urgentiesystematiek. Het gaat daarbij om inhoudelijke knelpunten, knelpunten in het werken met de systematiek en knelpunten van juridische aard. | 1997 |
| 16 | Meerjarenplan gewasbescherming (MJP-G) | 05.16.02 | Effectiviteit, knelpunten en successen m.b.t. het MJP-G1996 | |
| 17 | Interimwet Ammoniak en Veehouderij (IAV) | 05.16.02 | Jaarlijkse evaluatie van de werking van de IAV m.b.t. vergunningverlening en planvorming. | 1996 |
| 18 | Interimwet Ammoniak en Veehouderij (IAV) | 05.16.02 | Effectiviteit van de IAV. Het betreft een integrale evaluatie (toegezegd aan de Tweede Kamer). | 1997 |
| 19 | Besluiten mestbassins, melkrundveehouderijen en akkerbouwbedrijven | 05.16.02 | Evaluatie van deze drie AMvB's (conform art. 8.40 Wm): inventarisatie van de uitvoeringsproblemen, mogelijke aanpassingen hiervoor en nadere invulling van de reikwijdte Wm. | 1997 |
| 20 | Implementatie proefprojecten milieukwaliteit natuurgebieden | 05.16.02 | Onderzoek naar het praktische gebruik door de provincies van de resultaten van de proefprojecten die DGM financierde om de effectiviteit van het gebiedsgerichte beleid te verhogen en naar de rol van deze projecten bij de integratie van het regionaal omgevingsbeleid. | 1997 |
| 21 | Regeling gebiedsgerichte bestrijding verdroging | 05.16.02 | Onderzoek naar de effectiviteit en doelmatigheid van de regeling, t.b.v. standpuntbepaling over verdere financiële rijksbijdragen. | 1997 |
| 22 | Raffinaderijen | 05.16.03 | Evaluatie van het doelgroepenbeleid t.a.v. de raffinaderijen. | 1996 |
| 23 | Programma Koolwaterstoffen (KWS) | 05.16.03 | Het KWS-programma wordt elke 4 jaar integraal geëvalueerd, ditmaal t.b.v. strategie 1996-2000. | 1996 |
| 24 | Jaarrapportage REB 1996 (Regulerende Energie Belasting) | 05.16.03 | Op verzoek van de Tweede Kamer zal jaarlijks worden gerapporteerd over de energetische, economische en financiële effecten van de Regulerende Energie Belasting (REB), alsmede over voorstellen voor oplossingen voor gebleken knelpunten. | 1997 |
| 25 | IMZ-proefprojecten (integrale milieuzonering) | 05.16.04 | Betreft de 4e en laatste evaluatie, t.b.v. verdere ontwikkeling van de integrale milieuzonering en bredere toepassingen bij andere overheden. | 1996 |
| 26 | Sanering Luchtvaartlawaai Noord- en Midden-Limburg | 05.16.04 | Eindevaluatie bij afronding van het isolatieprogramma Noord- en Midden-Limburg. | 1996 |
| 27 | Sanering industrielawaai | 05.16.04 | Tussentijdse beleidsevaluatie m.b.t. de effectiviteit en doelmatigheid van de uitvoering van de regelingen industrielawaai met het oog op eventuele bijsturingen (inhoudelijk en/of budgettair). | 1997 |
| 28 | Bijdrageregeling Autowrakkenbeleid | 05.17.01 | Eindevaluatie van de effectiviteit en doelmatigheid van de regeling: o.a. het aantal gesaneerde sloperijen en het aantal sloperijen met afvalstoffenvergunning als gevolg van deze stimuleringsregeling. | 1996 |
| 29 | Meerjarenplan Gevaarlijke Afvalstoffen | 05.17.01 | Analyseren van de resultaten en mede op basis daarvan bezien van de doelstellingen/taakstellingen van het beleid en uitbrengen van een nieuw meerjarenplan (MJP-II) in voorjaar 1997 (in het kader van een vierjarige evaluatiecyclus). | 1997 |
| 30 | Tienjarenprogramma Afval | 05.17.01 | Het Afval Overleg Orgaan zal de resultaten analyseren, waarna mede op basis daarvan de doelstellingen/taakstellingen bezien worden en een nieuw Tienjarenprogramma Afval in 1998 wordt opgesteld (in het kader van een driejarige evaluatiecyclus). | 1997 |
| 31 | Bedrijfsinterne Milieuzorg | 05.17.02 | Beoordeling van de effectiviteit van de regeling bedrijfsinterne milieuzorg (BIMZ). | 1996 |
| 32 | Intentieverklaringen in vier bedrijfstakken | 05.17.02 | Beoordeling van de werking van de instrumenten «convenant» en «bedrijfsmilieuplan» bij de basismetaalindustrie en de chemische industrie (1996), respectievelijk de zuivelindustrie en de grafische industrie (1997). | 1996, 1997 |
| 33 | Evaluatie regelgeving asbest | 05.17.03 | Beoordeling van de doelmatigheid, de uitvoering en handhaving van het bestaande beleid en regelgeving. Uitbrengen van een advies over eventuele bijstelling en verbetering van het beleid. | 1996 |
| 34 | Polycyclisch aromatische koolwaterstoffen (PAK's) | 05.17.03 | Beoordelen van de doelmatigheid, de uitwerking en handhaving van het bestaande beleid en regelgeving inzake PAK's. Uitbrengen van een advies over eventuele bijstelling en verbetering van het beleid. | 1997 |
| 35 | MILBOWA (Milieu-overleg bodem en water) | diverse | Evaluatie van het max. toelaatbaar risico (MTR) en verantwoord risico (VR) van MILBOWA-stoffen m.b.v. wetenschappelijke nieuwe data en methoden. Evaluatie van grens-/streefwaarden (getalsmatig) op grond van eventuele herziene MTR's/VR's, technische haalbaarheid, economische afwegingen en haalbaarheid n.a.v. milieukwaliteitsgegevens. | 1997 |
De conversietabel uitgaven en ontvangsten en de economische en functionele classificaties per artikel(onderdeel)
In onderhavige bijlage zijn in overzicht A. de wijzigingen aangegeven tussen de artikelstructuur van de begroting 1996 en de begroting 1997.
In overzicht B. zijn alle artikel(onderdel)en in de begroting 1997 opgenomen met een verplichtingen- en/of uitgavenraming, danwel een ontvangstenraming voor de begrotingsjaren 1997 en verder.
Overzicht A. Wijzigingen artikelstructuur begroting 1996 versus begroting 1997 per artikel(onderdeel)
| Begroting 1996 | Begroting 1997 | ||
|---|---|---|---|
| Art. nr. | Omschrijving | Art. nr. | Omschrijving |
| 01.10 | Post-actieven | 01.01.03 | Post-actieven |
| 03.01.03 | Post-actieven | ||
| 04.01.03 | Post-actieven | ||
| 05.01.03 | Post-actieven | ||
| – | – | 03.42 | Stimulering herstructurering van de woningvoorraad |
| 04.09 | Raad voor Vastgoedinformatie | 04.09 | Stichting Overlegorgaan RAVI |
| 05.02 | Personeel en materieel Inspectie milieuhygiëne | 05.01 | Personeel en materieel |
| 05.14 | Onderzoek en monitoring | 05.14 | Onderzoek en monitoring |
| 05.14.01 | Onderzoek Algemeen milieubeleid | – | – |
| 05.14.02 | Onderzoek Milieukwaliteit en emissiebeleid | – | – |
| 05.14.03 | Onderzoek Ketenbeheer en milieuzorg | – | – |
| 05.14.04 | Additionele bijdrage aan VWS ten behoeve van het RIVM | – | – |
| 05.15.05 | Bijdragen raden en commissies | 05.15.01 | Milieutechnologie en -infrastructuur |
| 05.16.01 | Bodem | ||
| 05.16.02 | Drinkwater, water, landbouw | ||
| 05.16.03 | Lucht en energie | ||
| 05.17.03 | Stoffen, veiligheid, straling | ||
| 05.15.06 | Schadevergoedingen | 05.15.01 | Milieutechnologie en -infrastructuur |
| 05.17.02 | Industrie, bouw, produkten, consumenten | 05.17.02 | Industrie- en consumentenbeleid |
| Begroting 1996 | Begroting 1997 | ||
|---|---|---|---|
| Art. nr. | Omschrijving | Art. nr. | Omschrijving |
| 05.03.03 | Ontvangsten personeel en materieel Inspectie Milieuhygiëne | 05.03.01 | Ontvangsten personeel en materieel |
Overzicht B. Artikelstructuur begroting 1997 en de economische en functionele classificaties per artikel(onderdeel)
| Art. nr | Omschrijving | Econ. code | Funct. code |
| 01.01.01 | Ambtelijk personeel | 11.1 | 07.0 |
| 01.01.02 | Overige personele uitgaven | 11.1 | 07.0 |
| 01.01.03 | Post-actieven | 11.31 | 07.0 |
| 01.01.06 | Algemene materiële uitgaven | 12.1 | 07.0 |
| 01.01.07 | Automatiseringsuitgaven | 12.1 | 07.0 |
| 01.02.01 | Ambtelijk personeel | 11.1 | 07.0 |
| 01.02.02 | Overige personele uitgaven | 11.1 | 07.0 |
| 01.02.06 | Algemene materiële uitgaven | 12.1 | 07.0 |
| 01.02.07 | Automatiseringsuitgaven | 12.1 | 07.0 |
| 01.03 | Prijsbijstelling | 01.12 | 07.0 |
| 01.04 | Loonbijstelling | 01.11 | 07.0 |
| 01.05 | Onvoorziene uitgaven | 01 | 07.0 |
| 01.07 | Voorlichting | 12.1 | 07.0 |
| 01.08 | Hulp aan landen in nood | 31.1 | 07.0 |
| 01.09 | Garanties | 51.2 | 07.0 |
| 01.11 | Nog nader te verdelen | 01 | 07.0 |
| 01.13.01 | Ambtelijk personeel | 11.1 | 07.0 |
| 01.13.02 | Overige personele uitgaven | 11.1 | 07.0 |
| 01.13.06 | Algemene materiële uitgaven | 12.1 | 07.0 |
| 01 14 | Stichting advisering bestuursrechtspraak | 41.4 | 07.0 |
| 01 15 | Duurzaam bouwen | 12.1 | 07.0 |
| 03.01.01 | Ambtelijk personeel | 11.1 | 07.1 |
| 03.01.02 | Overige personele uitgaven | 11.1 | 07.1 |
| 03.01.03 | Post–actieven | 11.31 | 07.1 |
| 03.01.06 | Algemene materiële uitgaven | 12.1 | 07.1 |
| 03.01.07 | Automatiseringsuitgaven | 12.1 | 07.1 |
| 03.03.01 | Onderzoek op het gebied van wonen | 12.1 | 07.11 |
| 03.03.02 | Onderzoek naar de woningbehoefte en de kwaliteit van de woningvoorraad | 12.1 | 07.11 |
| 03.05.01 | Volkshuisvestingsinstellingen | 12.1 | 07.1 |
| 03.05.02 | Experimenten en kennisoverdracht | 12.1 | 07.1 |
| 03.05.03 | Internationale volkshuisvestingsinstellingen | 35.4 | 07.1 |
| 03.06.02 | Scholing van woonconsumenten | 41.4 | 07.1 |
| 03.06.03 | Subsidies aan bewonersorganisaties | 41.4 | 07.1 |
| 03.12 | Garanties | 63.22 | 07.1 |
| 03.15.01 | Huisvesting gehandicapten | 63.21 | 07.1 |
| 03.15.02 | Woonwagenbewoners | 43.2 | 07.1 |
| 03.15.06 | Knelpunten ouderenbeleid | 41.4 | 07.1 |
| 03.16.01 | Individuele huursubsidie | 34.3 | 06.2 |
| 03.16.02 | Huurgewenningsbijdragen | 34.3 | 06.2 |
| 03.16.03 | Vergoeding verhuurders | 12.1 | 06.2 |
| 03.18.01 | Hoofdinfrastructuursubsidie | 63.21 | 07.1 |
| 03.18.02 | Locatiesubsidie | 63.21 | 07.1 |
| 03.18.03 | Subsidie grote bouwlocaties (SGB) | 63.21 | 07.1 |
| 03.19.01 | Stadsvernieuwingsfonds | 63.21 | 07.2 |
| 03.35 | Budget Besluit locatiegebonden subsidies | 63.0 | 07.1 |
| 03.37 | Budget Besluit woninggebonden subsidies 1995 | 63.0 | 07.1 |
| 03.39 | Sanering woningbeheerders | 51.2 | 07.1 |
| 03.40 | Tijdelijke stimuleringsregeling en subsidiëring voorbeeldplannen duurzaam bouwen | 63.0 | 07.1 |
| 03.42 | Stimulering herstructurering van de woningvooraad | 63.0 | 07.1 |
| 03.73.02 | Flankerend beleid balansverkorting | 21.3 / 63.22 | 07.1 |
| 03.73.03 | Herfinancieringsverliezen rijksleningen | 21.3 / 63.22 | 07.1 |
| 03.74.01 | Jaarlijkse bijdragen huurwoningen oude regelingen | 63.21 | 07.1 |
| 03.74.02 | Jaarlijkse bijdragen huurwoningen DKP-systeem | 43.2 | 07.1 |
| 03.75.01 | Subsidies marktgerichte huur- en koopwoningen en huurwoningen van beleggers | 51.1 | 07.1 |
| 03.75.02 | Bijdragen eigen woningen 1984 en daarvoor geldende regelingen | 34.3 | 07.1 |
| 03.76 | Budgetten Besluit woninggebonden subsidies 1992–1994 | 63.0 | 07.1 |
| 03.77 | Overige niet-actieve uitgaven | 63.0 | 07.1 |
| 04.01.01 | Ambtelijk personeel | 11.1 | 07.2 |
| 04.01.02 | Overige personele uitgaven | 11.1 | 07.2 |
| 04.01.03 | Post-actieven | 11.31 | 07.2 |
| 04.01.06 | Algemene materiële uitgaven | 12.1 | 07.2 |
| 04.01.07 | Automatiseringsuitgaven | 12.1 | 07.2 |
| 04.03.01 | Onderzoek | 12.1 | 07.21 |
| 04.03.02 | Planvorming en stimulering ruimtelijk beleid | 12.1 | 07.2 |
| 04.05 | Uitvoering Planologische Kernbeslissing Waddengebied | 12.1 | 07.5 |
| 04.06 | Veiligstelling van bufferzones | 71.1 | 07.2 |
| 04.08 | Leerlingbouwplaatsen | 33 | 06.43 |
| 04.09 | Stichting Overlegorgaan RAVI | 12.1 | 07.2 |
| 05.01.01 | Ambtelijk personeel | 11.1 | 07.30 |
| 05.01.02 | Overige personele uitgaven | 11.1 | 07.30 |
| 05.01.03 | Post-actieven | 11.31 | 07.30 |
| 05.01.06 | Algemene materiële uitgaven | 12.1 | 07.30 |
| 05.01.07 | Automatiseringsuitgaven | 12.1 | 07.30 |
| 05.13 | Garanties en deelnemingen | 51.0 | 07.35 |
| 05.14 | Onderzoek en monitoring | 12.1 | 07.301 |
| 05.15.01 | Milieutechnologie en -infrastructuur | 40.0 | 07.30 |
| 05.15.02 | Apparaatskosten gemeenten | 43.0 | 07.30 |
| 05.15.03 | Internationaal milieubeleid | 35.0 | 07.30 |
| 05.16.01 | Bodem | 63.11 | 07.35 |
| 05.16.02 | Drinkwater, water, landbouw | 63.11 | 07.35 |
| 05.16.03 | Lucht en energie | 12.1 | 07.35 |
| 05.16.04 | Geluid en verkeer | 63.0 | 07.35 |
| 05.16.05 | Bodemsanering Vinex | 63.11 | 07.35 |
| 05.17.01 | Afvalstoffen | 12.1 | 07.34 |
| 05.17.02 | Industrie- en consumentenbeleid | 32 | 07.35 |
| 05.17.03 | Stoffen, veiligheid, straling | 12.1 | 07.35 |
| 05.19 | Structurele bijdrage aan Volksgezondheid, Welzijn en Sport (XVI) ten behoeve van het RIVM | 03.0 | 07.301 |
Overzicht B. Artikelstructuur begroting 1997 en de economische en functionele classificaties pers artikel(onderdeel)
| Art. nr. | Omschrijving | Econ. code | Funct. code |
| 01.01.01 | Ontvangsten personeel en materieel | 10 | 07.0 |
| 01.01.02 | Overige ontvangsten | 16.1 | 07.0 |
| 03.03.01 | Restituties objectsubsidies | 43.2 | 07.1 |
| 03.03.02 | Restituties subjectsubsidies | 34.3 | 06.2 |
| 03.03.03 | Overige restituties | 63.21 | 07.1 |
| 03.05.01 | Ontvangsten personeel en materieel | 10 | 07.1 |
| 03.05.02 | Overige ontvangsten | 36.0 | 07.1 |
| 03.05.03 | Rente | 26.2 | 07.1 |
| 03.05.04 | Aflossingen | 87.2 | 07.1 |
| 03.07.03 | Restituties in samenhang met de uitvoering van de wet balansverkorting geldelijke steun volkshuisvesting | 63.22 | 07.1 |
| 04.01.01 | Ontvangsten personeel en materieel | 10 | 07.2 |
| 04.01.02 | Overige ontvangsten | 16.1 | 07.2 |
| 05.02 | Kostenverhaal bodemsanering | 57.2 | 07.35 |
| 05.03.01 | Ontvangsten personeel en materieel | 10 | 07.30 |
| 05.03.02 | Overige ontvangsten | 40.0 | 07.35 |
| 05.03.04 | Ontvangsten garantieregelingen | 57.0 | 07.35 |
| 05.05 | Bodemsanering Vinex | 08.0 | 07.35 |
ARCHIEVEN
Het dynamisch archief van VROM beslaat ongeveer 15 600 m. De omvang van het semi-statische deel van de VROM-archieven bedraagt 25 700 m. Ten opzichte van 1995 betekent dit voor de dynamische archieven een afname met ongeveer 3400 m en voor het semi-statische deel een toename van 7400 m. De toename het semi-statische deel van de VROM-archieven wordt enerzijds veroorzaakt door de versnelde overplaatsing van dynamische archieven naar de afdeling Semi-Statisch Archief (SSA). Anderzijds door de uitgestelde vernietiging van jaarblokken van het semi-statische deel van de VROM-archieven. De vernietiging van voornoemde jaarblokken wordt in de komende periode ter hand genomen.
Het totale VROM-archief omvat ongeveer 41 300 m. Ten opzichte van 1995 betekent dit een toename in de omvang van de archieven met circa 4 000 m. Het Project Invoering Verkorting Overbrengingstermijn (PIVOT) is VROM-breed in beweging. De mogelijkheid van implementatie van het basis selectie document (BSD) Rijksbegroting bij VROM is in onderzoek. Naar verwachting zal PIVOT in de loop van 1997 afgerond kunnen worden. Bij de Centrale Sector en het Directoraat-Generaal Milieubeheer is het postregistratiesysteem ABS (Archief Bescheiden Systeem) vervangen door Pro/Document. Naar verwachting zullen het Directoraat-Generaal van de Volkshuisvesting en de Rijksgebouwendienst binnenkort eveneens op Pro/Document overgaan. De ervaringen met Pro/Document bij de diensten van VROM zullen bepalend zijn of de Rijksplanologische Dienst ook zal overgaan op het gebruik van Pro/Document. Het SSA coördineert de archiefbewerking bij de Centrale Archief Selectiedienst (CAS). Dit in het kader van een meerjarenovereenkomst. Archiefgedeelten van het Directoraat van de Volkshuisvesting (DGVH) zijn bij de CAS voor bewerking. Het SSA is tevens betrokken bij de centralisatie van de archieven Eigen Woningen /afdeling Uitvoering Volkshuisvestingsregelingen (DGVH). Deze centralisatie bevordert de doelmatigheid van archiefbeheer en -bewerking. Met name bij de afdelingen van het Directoraat Generaal van de Volkshuisvesting die verantwoordelijk zijn voor de afhandeling van de oude volkshuisvestingsregelingen wordt gewerkt aan het schonen van de archieven. Dit zal zeker doorlopen in 1997. Daarnaast is binnen het Directoraat Generaal van de Volkshuisvesting de kwaliteit van de archieven besproken. Geconcludeerd is dat met name de beleidsmatige ontsluiting verbetering behoeft. In 1996 is voor alle onderdelen van de Rijksplanologische Dienst een archiefinspectietraject opgezet. Dit traject zal begin 1997 afgerond worden. In het kader van een reorganisatie binnen het centrale deel van de Rijksgebouwendienst wordt onderzocht hoe het archiefbeheer, met name op organisatorisch vlak, zo optimaal mogelijk kan worden ingericht. Bij de regionale directies wordt door een projectgroep het beheer van de comptabele- en objectarchieven onderzocht. Het onderzoek zal resulteren in de vervaardiging van een handleiding Administratieve Organisatie (AO). De archieven van de regionale directies Noord en Noord-West van de Rijksgebouwendienst worden, in het kader van de verhuizing in 1997–1998 naar de verzamelkantoren, voor bewerking aan de CAS aangeboden.
Het traject Verbetering Archiefbeheer (VAB) van het Directoraat-Generaal Milieubeheer (DGM) verkeert in de overgang naar de kwaliteitsfase. Het project Verkorting Overbrengingstermijn (PIVOT) vormt een belangrijke basis voor de ontwikkeling van het kwaliteitsinstrumentarium aldaar. In de loop van 1997 vindt de implementatie van VAB plaats. Medio 1996 wordt een aanzet gemaakt voor een documentair informatiebeleid bij DGM. De relatie van de documentaire informatievoorziening (DIV) met het documentaire informatie systeem (DIS) speelt hierbij een cruciale rol. In de loop van 1997 wordt na gegaan welk documentair informatiebeleid DGM-breed van toepassing wordt verklaard. Het gaan werken met een documentair informatiesysteem kan gevolgen hebben voor de werkzaamheden binnen de documentaire informatieverzorging bij DGM. Binnen de Centrale Sector onderzoekt men de mogelijkheid van electronische opslag en archivering van documenten. Eventuele toepassingen hiervan zullen primair binnen de Centrale Sector plaatsvinden. De veranderingen op het documentaire informatievoorzieningsgebied laten zich vertalen in een veranderende opleidingsbehoefte voor de documentaire informatievoorzieningsmedewerkers. De Centrale Sector onderzoekt de behoefte en haalbaarheid van een afgestemd basisopleidingsprogramma voor de documentaire informatievoorzieningsmedewerkers. Eind 1996 zal de archiefinspectie van alle dienstonderdelen binnen de Centrale Sector afgerond zijn.
PUBLIEKE DIENSTVERLENING
Het ministerie van VROM kent een grote mate van decentralisatie, zowel op gebied van het beleid als het beheer. De directeuren-generaal zijn met betrekking tot de klantgerichtheid ieder op hun gebied verantwoordelijk voor het beleid en uitvoering. Op centraal niveau maakt klantgerichtheid een integraal onderdeel uit van het beleid. Dit wordt o.m. vertaald in de projecten «Werken aan Kwaliteit», «F(lexibel) O(mgevingsgericht) S(amenwerken)» en «Oog en Oor». Via deze projecten wordt gewerkt aan het meten en monitoren van de publieke dienstverlening. Onder publiekscontacten verstaat VROM de mondelinge en schriftelijke contacten die het ministerie direct heeft met burgers en met burgerlijke bedrijven.
VROM kent jaarlijks ongeveer 570 000 directe publiekscontacten, waarvan 200 000 schriftelijk en 370 000 telefonisch/persoonlijk. Verreweg het grootste deel van deze publiekscontacten vindt plaats in de sector Volkshuisvesting, onderdeel Individuele Huursubsidie onderdeel Huurgeschillen en onderdeel regeling Eigen Woningen. De aandacht voor het meten van de kwaliteit van de publieke dienstverlening is met name direct op deze sectoren gericht. Ten aanzien van het onderdeel Individuele Huursubsidie en Eigen Woningen wordt structureel geïnvesteerd in de tijdige en juiste vaststelling en betaling van jaarlijks circa een miljoen primaire beschikkingen. Via geautomatiseerde registratie en rapportage wordt gestuurd op doorlooptijden die zijn afgeleid van de wettelijke voorschriften. De medewerkers zijn geschoold in «klantgericht schrijven» en beschikkingen zijn met professionele ondersteuning voor burgers begrijpelijker gemaakt. De bellende of schrijvende burger komt meteen bij de juiste afdeling en medewerker terecht. Ter ondersteuning van gemeenten en verhuurders bij hun publiekstaken op huursubsidiegebied worden jaarlijks voorlichtingsbijeenkomsten gehouden; worden door VROM-regiomanagers contacten onderhouden op lokaal niveau en worden handleidingen en toelichtingen verstrekt. In 1997 worden de toekenningsbeschikkingen opnieuw herzien voor verdere optimalisering van de lees- en begrijpelijkheid. Een niet onbelangrijke ontwikkeling is de investering in een goede telefonische bereikbaarheid via een verbeterde interne organisatie en techniek.
Met betrekking tot het onderwerp Huurgeschillen wordt de kwaliteit van de dienstverlening van de secretariaten van de Huurcommissie gemeten via een project waarbij de werkwijzen van de commissies worden onderzocht hetgeen moet leiden tot verdere standaardisering van procedures en correspondentie welke een betere kwaliteit van de publieke dienstverlening moeten waarborgen. Voorts worden de kritische opmerkingen en suggesties ten aanzien van de kwaliteit van de publieke dienstverlening vanuit het overleg met huurders- en verhuurdersorganisaties verwerkt in de aanpassingen van de procedures en correspondentie.
AFKORTINGEN
| AO | Algemeen Overleg |
| AOO | Afval Overlegorgaan |
| ARK | Algemene Rekenkamer |
| BBSH | Besluit Beheer Sociale Huursector |
| Belstato | Beleid van de Stadsvernieuwing in de toekomst |
| BEVER | project Beleidsvernieuwing bodemsanering |
| BGM | Bijdrageregeling Gebiedsgericht Milieubeleid |
| BiZa | Ministerie van Binnenlandse Zaken |
| BLS | Besluit Locatiegebonden Subsidies |
| BON | Besturen op Niveau |
| BRU | Beraad Regio Utrecht |
| BWS | Besluit Woninggebonden Subsidies |
| CDO | Commissie Duurzame Ontwikkeling |
| CFV | Centraal Fonds voor de Volkshuisvesting |
| CPB | Centraal Planbureau |
| CS | Centrale Sector |
| DGM | Directoraat-Generaal Milieubeheer |
| DGVH | Directoraat-Generaal van de Volkshuisvesting |
| DuBo | Duurzaam Bouwen |
| EK | Eerste Kamer |
| EROP | Europese Ruimtelijke Ontwikkelingsperspectief |
| EU | Europese Unie |
| EZ | Ministerie van Economische Zaken |
| fte | full-time equivalent (voltijds eenheid) |
| GFT | Groente, Fruit en Tuinafval |
| HAM | projectverbetering Handhavingsinstrumentarium Milieubeleid |
| HPW | Huurprijzenwet Woonruimte |
| HSL | Hoge Snelheidslijn |
| IGC | Intergouvernementele Conferentie |
| IHH | Integrale Herziening Huurbeleid |
| IHS | Individuele Huursubsidie |
| IMH | Inspectie Milieuhygiëne |
| IPO | Inter Provinciaal Overlegorgaan |
| IRO | Inspectie Ruimtelijke Ordening |
| IVH | Inspectie voor de Volkshuisvesting |
| KCA | Klein Chemisch Afval |
| KWR | Kwalitatieve Woningregistratie |
| LNV | Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij |
| MD | Management Development |
| MDW | Marktwerking, Deregulering en Wetgevingskwaliteit |
| MER | Milieu-effectrapportage |
| MIG | Modernisering Instrumentarium Geluidbeleid |
| MIT | Meerjarenprogramma Infrastructuur en Transport |
| mld. | miljard |
| mln. | miljoen |
| MvT | Memorie van Toelichting |
| NMP | Nationaal Milieubeleidsplan |
| Novem | Nederlandse Onderneming voor Energie en Milieu |
| NTI | niet-toegelaten instelling |
| NU/ROM | Nadere uitwerking Ruimtelijke Ordening en Milieu |
| NWI | Niet-winst beogende instelling |
| NWR | Nationale Woningraad |
| OLCHV | Overlegorgaan Landelijke Centrales Huurders-Verhuurders |
| PKB | Planologische Kern Beslissing |
| p.v.o. | plaatselijk verschillende omstandigheden |
| RARO | Raad voor de Ruimtelijke Ordening |
| Ravi | Raad voor Vastgoedinformatievoorziening |
| RAVO | Raad voor de Volkshuisvesting |
| ROA | Regionaal Orgaan Amsterdam |
| Rgd | Rijksgebouwendienst |
| RHP | Rijkshuisvestingsplan |
| RIVM | Rijksinstituut voor de Volksgezondheid en Milieuhygiëne |
| RMB | Raad voor het Milieubeheer |
| RMC | Rijksmilieuhygiënische Commissie |
| RPC | Rijksplanologische Commissie |
| RPD | Rijksplanologische Dienst |
| RvSt | Raad van State |
| RVVP | Regionaal Verkeer en Vervoersplan |
| SCP | Sociaal en Cultureel Planbureau |
| SEV | Schema Elektriciteitsvoorziening |
| SGB | Subsidie Grote Bouwlocaties |
| St.crt | Staatscourant |
| Stb. | Staatsblad |
| STEM | Strategie efficiencyverbetering milieuregelgeving |
| SVV | Structuurschema Verkeer en Vervoer |
| SZW | Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid |
| TK | Tweede Kamer |
| TNLI | Toekomst van de Nederlandse Luchtvaart Infrastructuur |
| V&W | Ministerie van Verkeer en Waterstaat |
| Vinex | Vierde Nota Ruimtelijke Ordening Extra |
| VN | Verenigde Naties |
| VNG | Vereniging Nederlandse Gemeenten |
| VOGM | Vervolg Bijdrageregeling Ontwikkeling Gemeentelijk milieubeleid |
| VROM | Ministerie van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer |
| VWS | Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport |
| Wbb | Wet Bodembescherming |
| WBL | Woningbeheer Limburg |
| WBO | Woningbehoefte onderzoek |
| WDSW | Wet op de Stads- en Dorpsvernieuwing |
| WNF | Wereld Natuur Fonds |
| WOZ | Wet Waardering onroerende zaken |
| WRO | Wet op de Ruimtelijke Ordening |
| WSW | Waarborgfonds Sociale Woningbouw |
Samenwerkingsverband van 23 middelgrote stadsvernieuwingsgemeenten o.v.v. mevr. Meidertsma, wethouder te Zwolle.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-25000-XI-3.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.