nr. 78
BRIEF VAN DE MINISTER VAN DEFENSIE
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
's-Gravenhage, 21 februari 1997
Tijdens de behandeling van de defensiebegroting zijn vragen gesteld over
de accreditatie van Nederlandse militaire attachés in Iran en Irak,
alsmede de accreditatie van militaire attachés uit deze landen in Nederland.
De leden Van den Doel en Valk hebben over dit laatste aspect een motie ingediend
(25 000 X, nr. 26). Overeenkomstig mijn toezegging tijdens het debat
van 12 november jl. heb ik hierover nader overleg gevoerd met de minister
van Buitenlandse Zaken. Mede namens mijn betrokken ambtgenoot ga ik in deze
brief in op de stand van zaken alsmede op onze opvattingen terzake.
Accreditatie van militaire attachés vormt een onderdeel van het
onderhouden van diplomatieke betrekkingen. Door accreditatie nemen de mogelijkheden
toe voor intensieve communicatie, ook als er zeer belangrijke verschillen
van beleid zijn.
Bij de schriftelijke voorbereiding van de defensiebegroting is aangegeven
dat de militaire attaché in Syrië mede-geaccrediteerd is in Iran
en de militaire attaché in Egypte mede-geaccrediteerd was in Irak.
De accreditatie van een militaire attaché in Teheran biedt een mogelijkheid
relevante ontwikkelingen in de Golfregio te volgen en, zij het beperkt, met
Iraanse militairen contacten te onderhouden. Hoewel dergelijke overwegingen
tot op zekere hoogte ook gelden voor Irak, valt het eindoordeel over de met
dat land te onderhouden diplomatieke betrekkingen, waaronder de militaire,
anders uit. Zoals ik op 12 november 1996 heb meegedeeld, wordt aan de mogelijkheid
tot mede-accreditering in Irak geen inhoud gegeven. In 1992 is bij het aantreden
van een nieuwe militaire attaché in Egypte bewust afgezien van een
agrément-aanvraag voor Irak. Gebruikmaking van de mogelijkheid tot
reciprociteit bij de stationering van militaire attachés is niet vanzelfsprekend.
Aan de Iraanse ambassade in Den Haag is sinds vele jaren een militaire
attaché verbonden. Voor diens aanwezigheid geldt een vergelijkbare
argumentatie als voor de Nederlandse aanwezigheid in Teheran: zij schept de mogelijkheid informatie in te winnen en contacten te onderhouden.
Gelet op de vele verschillen van inzicht tussen Nederland en Iran is de omvang
van deze contacten beperkt.
Irak heeft geen militairen geaccrediteerd in Nederland.
De stationering van een militaire attaché gaat uit van het zendende
land. De opties aan Nederlandse kant om de komst van een persoon in kwestie
te beïnvloeden, zijn beperkt. In de praktijk staan slechts twee wegen
open: akkoord gaan of bezwaar maken tegen een door de zendstaat aangemelde
attaché. Het niet honoreren van een agrément-aanvraag vormt
overigens in het diplomatieke verkeer een maatregel waarvoor in dit geval
onvoldoende gronden bestaan.
De minister van Buitenlandse Zaken en ik zijn van opvatting dat er op
dit moment alles afwegende geen aanleiding bestaat om de bestaande situatie
te veranderen.
De Minister van Defensie,
J. J. C. Voorhoeve