25 000 X
Vaststelling van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van het Ministerie van Defensie (X) voor het jaar 1997

nr. 73
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN DEFENSIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 15 april 1997

Inleiding

De minister van Economische Zaken heeft u onlangs, mede namens zijn ambtgenoot van Buitenlandse Zaken en mij, een reactie doen toekomen op de mededeling van de Europese Commissie, getiteld «Uitdagingen voor de Europese defensie-industrie». In verband met het voorziene Algemeen Overleg hierover, informeer ik u over recente ontwikkelingen op het terrein van de materieelsamenwerking in Europa, en in het bijzonder over materieelagentschappen.

Het Europese kader

De Europese Commissie duidt in haar mededeling de gefragmenteerde markt in Europa aan als kern van de oorzaak van de beperkte concurrentiekracht van de Europese defensie-industrie. De fragmentatie is mede een gevolg van het feit dat landen de aanschaf van defensie-materieel overwegend beschouwen als integraal bestanddeel van hun nationale souvereiniteit, terwijl er in veel gevallen geen sprake is van een gezamenlijke vaststelling van de operationele eisen waaraan militair materieel moet voldoen. Niettemin hebben de Europese overheden de afgelopen jaren initiatieven ontplooid om de materieelsamenwerking te intensiveren en zo een Europese defensie-technologische en -industriële basis te bevorderen. Het gaat in het bijzonder om de in 1995 opgerichte «Research Cell» van de «Western European Armaments Group» (WEAG), die op termijn zou kunnen uitgroeien tot een Europees materieelagentschap waarbij grote materieelsamenwerkingsprogramma's kunnen worden ondergebracht. Daarnaast is het recent door Frankrijk, Duitsland, het Verenigd Koninkrijk en Italië opgerichte materieelagentschap van belang, en de mogelijkheid dat Nederland zich daarbij aansluit.

Een Europese defensietechnologische en -industriële basis moet worden geplaatst tegen de achtergrond van een Europees Gemeenschappelijk Buitenlands- en Veiligheidsbeleid en een gemeenschappelijk defensiebeleid, en zal daarvan een onlosmakelijk onderdeel zijn. Gelet op de concurrentiepositie van de Europese defensie-industrie op de wereldmarkt moeten, voorzover mogelijk, nu al voorwaarden voor een Europese defensietechnologische en -industriële basis worden geschapen. Zowel overheden als defensie-industrie kunnen hieraan een bijdrage leveren.

Nationale overheden kunnen Europese materieelagentschappen gebruiken om de samenwerking op defensiegebied te stimuleren. De ministers van de landen die deel uitmaken van de WEAG hebben op 18 november 1996 in Oostende de kiem gelegd voor een volwaardig Europees materieelagentschap met de oprichting van de «Western European Armaments Organization» (WEAO). Kort daarvoor, op 12 november, hebben Frankrijk en Duitsland, de initiatiefnemers, met het Verenigd Koninkrijk en Italië het materieelagentschap «Organisme Conjoint de Cooperation en Matière d'Armement» (OCCAR), opgericht.

Agentschappen

Het uitvoeren van materieelprojecten in een agentschap biedt een aantal praktische voordelen. Zo kunnen projecten sneller worden uitgevoerd omdat de operationele eisen van de deelnemende landen snel en doeltreffend met elkaar in overeenstemming kunnen worden gebracht. De projectkosten kunnen worden gedrukt door gezamenlijk management en doordat allerlei deskundigheid, zoals op het gebied van contracten en commerciële onderhandelingen, binnen het agentschap voor handen is. Daarbij moet het risico van het ontstaan van een nieuwe bureaucratie worden vermeden. Daarnaast biedt samenwerking in een agentschap de mogelijkheid de behoeftestellingen op langere termijn te coördineren. Zo wordt geprobeerd de gefragmenteerde defensiemarkt aan de vraagzijde te organiseren. Naarmate hierbij resultaten worden geboekt, zal hiervan ook een impuls tot samenwerking aan de aanbodzijde uitgaan.

Bij het oprichten van materieelagentschappen hebben de grotere landen met een omvangrijke defensie-industrie het voortouw. Dit vergt de nodige aandacht voor de positie van de Nederlandse defensie-industrie. Overigens moeten, evenals bij de conventionelere samenwerkingsvormen, de nationale bevoegdheden om strategische beslissingen te nemen, bijvoorbeeld over programma's, gewaarborgd blijven.

Europees materieelagentschap

Tijdens de intergouvernementele conferentie van Maastricht in 1991 is het initiatief gelanceerd voor de vorming van een Europees materieelagentschap. De afgelopen jaren wees overleg in de WEAG echter uit dat de tijd nog niet rijp was om een scala aan verwervingsactiviteiten onder te brengen bij een materieelagentschap van dertien landen. Als compromis is besloten tot de oprichting van de «Western European Armaments Organization» (WEAO), onder gemeenschappelijk bestuur van de nationale materieeldirecteuren. De WEAO moet zich stap voor stap ontwikkelen tot een volwaardig materieel-agentschap van alle dertien WEAG-landen. In eerste instantie beperkt de WEAO zich tot gezamenlijke onderzoeksprojecten. De «Research Cell» van de WEAG is in verband hiermee per 1 april 1997 bij de WEAO ondergebracht en zal als uitvoerend orgaan functioneren.

Het uitvoerend orgaan moet met name het onderzoeks- en technologieprogramma EUCLID doeltreffender gaan besturen. Om dat te bereiken, zijn ook de contractuele verantwoordelijkheden gecentraliseerd. De WEAO bezit de vereiste rechtspersoonlijkheid om contracten te kunnen sluiten. De totale omvang van het EUCLID-programma bedraagt 250 miljoen ECU. De Nederlandse bijdrage aan het programma is thans ongeveer 10 miljoen gulden per jaar. Sinds het begin van het programma, in januari 1995, zijn 71 onderzoeks- en technologieprojecten gedefinieerd. Voor 27 van die projecten zijn inmiddels contracten gesloten.

Een van de belangrijkste initiatieven in EUCLID-kader tot nu toe is het project Eurofinder uit 1996. In het kader van Eurofinder formuleren bedrijven en instituten onderzoeksprojecten. Nederlandse bedrijven en instituten hebben in 1996 tien Eurofinder-projecten ingediend, waarvan er zes zijn geaccepteerd. Daarmee behoort Nederland tot de koplopers in het programma. Eurofinder-projecten worden gezamenlijk door overheden en bedrijfsleven gefinancierd.

Tot nu toe duurt het erg lang voordat voor een EUCLID-project het contract kon worden getekend. Nu de contractuele verantwoorde-lijkheden zijn overgedragen aan de «Research Cell» zal dit proces hopelijk worden versneld. Een succesvol management van EUCLID kan namelijk als katalysator fungeren voor de verdere ontwikkeling van het Europees materieelagentschap.

OCCAR

Frankrijk en Duitsland hebben een lange traditie van samenwerking op materieelgebied. Zij zijn overeengekomen die samenwerking te versterken en op een andere, doelmatiger, leest te schoeien. Zo zullen sleutelfuncties voortaan niet langer dubbel, dat wil zeggen door vertegenwoordigers van beide landen, worden bezet. Om de hechtere samenwerking gestalte te geven, wilden beide landen een bilateraal materieelagentschap oprichten, het OCCAR. Het Verenigd Koninkrijk en Italië toonden echter al snel belangstelling, zodat op 12 november 1996 het oprichtingsdocument door vier landen kon worden ondertekend. De vier grote Europese landen willen met hun samenwerking de Europese defensie- en veiligheidsidentiteit bevorderen en een begin maken met de herstructurering van de Europese defensie-industrie. De aldus te bereiken, praktische vooruitgang zou volgens de vier een belangrijke stap zijn in de richting van een Europees materieelagentschap. Om rechtspersoonlijkheid te verkrijgen, streven zij ernaar OCCAR als «subsidiary body» in de Weu te integreren.

De samenwerking binnen OCCAR is gestoeld op vijf beginselen, die de Minister van Economische Zaken en ik volledig onderschrijven:

1. Projecten: in gezamenlijke projecten moet een optimale verhouding tussen kosten en baten worden bereikt. De doelmatigheid van het projectmanagement en de doeltreffendheid van de procedures voor de gunning van contracten moeten worden vergroot. De totstandkoming van doeltreffend opererende, supranationale groepen van hoofdcontractanten moet worden gestimuleerd;

2. Voorbereidingen op de toekomst: voor zover hun militaire behoeften dat toelaten, streven de deelnemende landen naar coördinatie van de operationele behoeftestellingen op de lange termijn en een gemeenschappelijk technologie-investeringsbeleid, waarbij de beginselen van complementariteit, reciprociteit en goede balans in acht worden genomen;

3. Verwerving: de partners zullen door middel van gezamenlijke projecten trachten de concurrentiepositie van de Europese industriële en technologische basis te bevorderen, selectief gebruik te maken van leidende industrieën in de partnerlanden en te streven naar een nauwere relatie tussen hun ondernemingen. Concurrentie moet zoveel mogelijk aan – nog te ontwikkelen – regels zijn gebonden;

4. Industriële samenwerking: om de concurrentiepositie van de Europese industriële en technologische basis te versterken, zien de partners op terreinen waarop wordt samengewerkt af van het «juste retour»-beginsel voor elk individueel project. In plaats hiervan streven zij naar een balans op langere termijn tussen verschillende projecten. Doorzichtigheid is verzekerd door jaarlijks voortgangsrapporten voor elk project op te stellen. De samenwerking is erop gericht een werkelijke industriële en technologische complementariteit tussen de deelnemende landen tot stand te brengen, en de ondersteuning van de strijdkrachten op korte en middellange termijn te verzekeren;

5. Deelneming van andere landen: de deelnemende landen zijn zeer geïnteresseerd in deelneming van andere Europese landen, als deze de voornoemde beginselen onderschrijven en alle deelnemende landen kunnen instemmen met toetreding. Dergelijke deelname, waar het gaat om grote projecten, is afhankelijk van de financiële omvang van de veronderstelde deelname.

In aanvulling op deze beginselen zijn de deelnemende landen overeengekomen succesvolle, in OCCAR ontwikkelde producten voorrang te verlenen in concrete projecten. Deze benadering is ook voor Nederland niet nieuw. Deelneming aan een ontwikkeling impliceert dat in beginsel de productontwikkelaar de voorkeur geniet als het komt tot levering van een serie.

Hoewel van een Europees agentschap verwacht mag worden dat het in eerste instantie Europese leveranciers en producenten beschouwt, zijn er geen formele beperkingen om met partners buiten de WEAG zaken te doen als dat een betere verhouding tussen prijs en kwaliteit zou opleveren. Ook de vier OCCAR-leden sluiten niet uit dat zij, mits er sprake is van unanimiteit en reciprociteit, de concurrentiestelling uitbreiden tot niet-WEAG-landen.

Overigens staat OCCAR nog in de kinderschoenen en heeft het momenteel slechts de supervisie over een beperkt aantal lopende Frans-Duitse samenwerkingsprojecten, waarvan de oorspronkelijke projectbureaus blijven bestaan. De eerste opdracht is de bestaande Frans-Duitse samenwerking doelmatiger te maken. Veel van de regelgeving en werkwijzen moet nog worden uitgewerkt. Te denken is aan verwervingsprocedures, concurrentie en een andere benadering van «juste retour». In een later stadium zullen nieuwe projecten bij OCCAR worden ondergebracht. Voor elk project zal een afzonderlijke overeenkomst worden gesloten, nadat nationaal is bezien of verwerving wel of niet via dit agentschap zal geschieden. De mogelijkheden voor betrokkenheid van de nationale industrieën zullen bij die afweging uiteraard een belangrijke factor zijn. Hoewel het «costshare is workshare»-principe per project wordt losgelaten, wordt er met een verrekening over meer jaren en meer projecten naar gestreefd dat uiteindelijk een goede balans ontstaat.

De uitgangspunten van OCCAR en het feit dat de beslissing al dan niet aan een project deel te nemen een nationale aangelegenheid blijft, lijken voldoende waarborgen te bieden voor een goede verhouding tussen prijs en kwaliteit. Een zekere mate van Europese preferentie is hierbij denkbaar. Dit zal in de nabije toekomst in de praktijk blijken. Hoewel de organisatie zich nog in de aanloopfase bevindt en het succes nog moet worden bewezen, staat buiten kijf dat de opzet een bijdrage kan leveren aan een Europese defensietechnologische en -industriële basis.

Nederland en OCCAR

De uitgangspunten van OCCAR stroken volledig met het Nederlandse inzicht dat de ontwikkeling van een Europese defensie technologische en -industriële basis wenselijk is. Aansluiting bij OCCAR biedt kansen om de deelneming van de Nederlandse defensie-industrie aan grote Europese samenwerkingsprojecten te bevorderen en in elk project waaraan Nederland deelneemt een zo goed mogelijke positie te verwerven. Ik heb mijn ambtgenoten in de vier OCCAR-landen dan ook bericht dat ons land de vijf genoemde beginselen onderschrijft en om die reden aansluiting bij dit materieelagentschap nastreeft.

Dit is echter niet voldoende; Nederland moet ook opgeven met welk project het zou willen toetreden, en welk aandeel het daarin wil nemen. Vier projecten zouden voor Nederland interessant kunnen zijn. Het zijn drie projecten waarin Frankrijk, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk samenwerken: COBRA (counter-battery radar), GTK/VBM en TRIMILSATCOM, en het Panzerhaubitze 2000-project van Duitsland en Italië. Deelname aan het GTK/VBM-project, de ontwikkeling en productie van pantservoertuigen na het jaar 2000, zou voor ons land aantrekkelijk kunnen zijn. Ik zal u hierover binnenkort, in het kader van de behoeftestelling van het project voor de vervanging van pantservoertuigen voor de Koninklijke landmacht, uitgebreid informeren. Ook andere projecten komen wellicht in aanmerking voor samenwerking in OCCAR. Besluiten hierover zal ik u, overeenkomstig het principe dat per project over toetreding zal worden beslist, in de desbetreffende DMP-brief voorleggen.

Tenslotte

Het zal in de toekomst steeds vaker blijken dat grote investeringsprojecten alleen doelmatig kunnen worden uitgevoerd in internationaal verband, door middel van een materieelagentschap. De directe betrokkenheid van de Nederlandse overheid hierbij zal onze nationale industrie de mogelijkheid bieden om, op voorwaarde van concurrerende aanbiedingen, een bijdrage te leveren aan de totstandkoming van een Europese defensietechnologische en -industriële basis en zich daarin een positie te verwerven.

De WEAO en het OCCAR zullen beide uiteindelijk moeten opgaan in één Europees materieelagentschap waaraan alle Weu-landen meedoen. De pogingen op termijn een volwaardig Europees materieelagentschap te ontwikkelen verdienen daarom alle steun. Voorshands lijkt vooral OCCAR te kunnen uitgroeien tot een materieelagentschap waarbij grote Europese materieelsamenwerkingsprojecten kunnen worden ondergebracht. Om Nederlandse deelneming aan dergelijke, belangrijke materieelprogramma's mogelijk te maken, en de Nederlandse defensie-industrie een perspectief op betrokkenheid te bieden, zal ik mij inspannen voor de toetreding van ons land tot OCCAR. Over de resultaten van mijn inspanningen zal ik u te zijner tijd uitgebreid informeren.

De Staatssecretaris van Defensie,

J. C. Gmelich Meijling

Naar boven