Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1996-1997 | 25000-IXA nr. 2 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1996-1997 | 25000-IXA nr. 2 |
Inhoudsopgave
| ALGEMEEN DEEL | ||
| 1. | Inleiding | 2 |
| 2. | Toelichting op de gewijzigde indeling van de begrotingsartikelen | 3 |
| 3. | Toelichting op de wijziging van de wetsartikelen | 3 |
| 4. | Hoofdlijnen 1996 | 6 |
| 4.1. | De financieringsbehoefte van het Rijk | 6 |
| 4.2. | De dekking van de financieringsbehoefte | 7 |
| 4.3. | Dutch Treasury Certificates (DTC's) | 10 |
| 4.4. | Houderschap gevestigde schuld | 11 |
| 4.5. | De Grootboeken der Nationale schuld | 12 |
| 5. | Hoofdlijnen 1997 | 14 |
| 5.1. | De financieringsbehoefte van het Rijk | 14 |
| 5.2. | Het financieringsbeleid | 15 |
| 5.3. | Niet-reguliere aflossingen: inkoop van staatsschuld | 16 |
| 5.4. | Geldmarktfinanciering en schatkistsaldo | 17 |
| ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING | ||
| Wetsartikel 1 (uitgaven/verplichtingen) | 18 | |
| 11.01. | Rente vaste schuld | 18 |
| 11.02. | Aflossing vaste schuld | 19 |
| 11.03. | Agio bij inkoop schuld | 20 |
| 11.04. | Disagio bij uitgifte schuld | 21 |
| 11.05. | Overige uitgaven vaste schuld | 22 |
| 12.01. | Rente vlottende schuld | 23 |
| 12.02. | Overige uitgaven vlottende schuld | 25 |
| Wetsartikel 2 (ontvangsten) | 25 | |
| 11.01. | Ontvangen rente bij uitgifte vaste schuld | 25 |
| 11.02. | Uitgifte vaste schuld | 26 |
| 11.03. | Agio bij uitgifte schuld | 27 |
| 11.04. | Disagio bij inkoop schuld | 27 |
| 11.05. | Overige ontvangsten vaste schuld | 28 |
| 12.01. | Rente kortlopende vorderingen | 28 |
| 12.02. | Rentevergoeding op schatkistsaldo | 29 |
| Wetsartikel 3 | 30 | |
| Wetsartikel 4 | 30 | |
| Wetsartikel 5 | 30 | |
| Bijlagen bij de begroting van de Nationale Schuld (IXA) | ||
| Bijlage 1 | Lijst van gebruikte termen en hun betekenis. | 2 |
| Bijlage 2 | Overzicht van economische en functionele coderingen. | 5 |
| Bijlage 3 | Overzicht van relevante en niet-relevante uitgaven en ontvangsten. | 7 |
| Bijlage 4 | Conversietabel nieuwe – oude begrotingsindeling | 9 |
Met dit wetsvoorstel wordt beoogd de begroting van de uitgaven en ontvangsten van de Nationale Schuld (IXA) voor het jaar 1997 te doen vaststellen. Aan de hoofdlijnen van het financieringsbeleid 1997 is aandacht besteed in hoofdstuk 5 van het algemene deel van de Memorie van Toelichting.
Daarnaast is ingegaan op de ontwikkelingen in het lopende jaar 1996 (hoofdstuk 4).
De verantwoording over het voorgaande jaar 1995 wordt afgelegd in de Financiële Verantwoording 1995, die evenals de Slotwet 1995 inmiddels bij het Parlement is ingediend. Hiermee is het beeld over de verschillende jaren uit de begrotingscyclus compleet.
Naast de eerdergenoemde, gebruikelijke, onderdelen van de Memorie van Toelichting zijn de hoofdstukken 2 en 3 opgenomen voor twee bijzondere onderwerpen. Zoals reeds eerder aangekondigd (Tweede Kamer 1995/96, 24 400 IXA, nr. 7 d.d. 24 mei 1996) is de indeling van de begrotingsartikelen van de begroting Nationale Schuld (IXA) ingrijpend gewijzigd met ingang van de Ontwerp-begroting 1997. Op de wijziging alsmede de achtergronden daarvan wordt nader ingegaan in hoofdstuk 2.
Ook de wetsartikelen 3 tot en met 5 wijken af van die in de Ontwerpbegroting 1996. Het gaat hier om artikelen die tot en met begrotingsjaar 1994 deel uitmaakten van de respectieve Leningwetten. Een algemene uiteenzetting is opgenomen in hoofdstuk 3, terwijl op de huidige wetsartikelen bij de artikelsgewijze toelichting nader is ingegaan.
In tegenstelling tot voorgaande jaren is ervoor gekozen de tabel met toelichtende tekst inzake garantieverlening te laten vervallen. De onderhavige begroting Nationale Schuld (IXA) heeft geen machtigingskarakter ten aanzien van de garanties, waarvan alleen de leningmodaliteiten door het ministerie van Financiën, i.c. het Agentschap, worden beoordeeld. Machtiging wordt verleend door autorisatie van de begroting, waarin het betreffende artikel is opgenomen. In de Rekening 1995 zijn de kernpunten van een evaluatie betreffende de renteniveaus van Rijksgaranties vermeld en is nader ingegaan op de in 1995 beoordeelde garanties. Naar analogie zullen de door het Agentschap in 1996 beoordeelde garanties in de Rekening 1996 worden opgenomen. Voor een globaal overzicht van de machtigingen inzake garanties in 1996 en 1997 wordt verwezen naar bijlage 10 van de Miljoenennota 1997.
In de begroting IXA zijn zoals gebruikelijk niet de personele en materiële uitgaven van het Agentschap opgenomen. Deze uitgaven, die in 1997 ca. f 6,3 mln. zullen bedragen, worden verantwoord als onderdeel van het uitgavenartikel 01.01, personeel en materieel kernministerie, van de begroting van Financiën (IXB).
Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting.
Bijlage 1 bevat een lijst van gebruikte termen en hun betekenis. In bijlage 2 is een overzicht inzake economische en functionele codering opgenomen. Het overzicht van de relevante en niet-relevante uitgaven en ontvangsten wordt in bijlage 3 gepresenteerd. Bijlage 4 bevat een conversietabel om de aansluiting van de begrotingsartikelen volgens de «nieuwe» en de «oude» indeling te kunnen maken.
2. Toelichting op de gewijzigde indeling van de begrotingsartikelen
Zoals eerder aangekondigd (Tweede Kamer 1995/96, 24 400 IXA, nr. 7 d.d. 24 mei 1996) is de indeling van de begrotingsartikelen met ingang van deze ontwerp-begroting gewijzigd.
Een belangrijke aanleiding hiervoor is dat deze artikelindeling niet goed meer aansloot bij de huidige begrotingssystematiek. Agio en disagio worden niet langer als relevant aangemerkt voor het beleidsrelevante financieringstekort en daarmee voor het uitgavenkader. Derhalve worden agio en disagio met ingang van het begrotingsjaar 1997 op aparte artikelen verantwoord en niet langer op artikelen waarop ook beleidsrelevante uitgaven (en ontvangsten) worden geboekt.
Het aantal hoofdbeleidsterreinen is teruggebracht van vier naar twee, namelijk «Vaste schuld» en «Vlottende schuld». Het hoofdbeleidsterrein «Portefeuille Staatsschuld» is opgeheven, alsmede het qua omvang uit de toon vallende en beleidsmatig weinig interessante «Diverse uitgaven/ontvangsten».
In het hoofdbeleidsterrein Vaste schuld is rente in een apart artikel ondergebracht. Rente wordt niet meer vermengd met onder meer provisie en kosten. Het hoofdbeleidsterrein Vlottende schuld is gesplitst in rente en overige uitgaven.
De opheffing van de «Portefeuille Staatsschuld» heeft een aantal redenen, waarop hier kort wordt ingegaan (voor een volledig overzicht wordt verwezen naar de Financiële Verantwoording 1995). Al een aantal jaren dalen de aan- en verkopen van staatsobligaties in het kader van de portefeuille, die in de markt bekend staat onder de naam interventieportefeuille. De doelstelling was het bevorderen van een gunstig emissieklimaat voor Nederlandse staatsleningen door het tegengaan van koersmanipulaties. De mogelijkheden tot koersbeïnvloeding zowel door marktpartijen als door de Staat zijn in de afgelopen jaren echter sterk verminderd. Dit hangt samen met gewijzigde marktomstandigheden en het gebruik van andere emissietechnieken.
Door de introductie in 1990 van het toonbank-uitgiftesysteem is de Staat langer in de markt dan voorheen. Deze in volume belangrijkste emissietechniek heeft een uitgifteduur van gemiddeld bijna een week versus een dag bij een tenderemissie, de emissietechniek vóór 1990. Eventuele koersbeïnvloeding door de markt over een periode van enkele dagen is minder waarschijnlijk. Daarnaast speelt een rol de toenemende verstrengeling van nationale obligatiemarkten, waaronder de Duitse en de Nederlandse. Niet-marktconforme koersvorming op de Nederlandse markt wordt door internationale arbitrage verhinderd.
Een en ander heeft heeft ertoe bijgedragen dat de Portefeuille Staatsschuld thans geen functie meer heeft. De betreffende artikelen zijn dan ook vervallen.
Bijlage 4 bevat een aansluitingstabel tussen de oude en de nieuwe artikelindeling (conversietabel).
3. Toelichting op de wijziging van de wetsartikelen
Sinds de ontwerp-begroting 1995 zijn de wetsartikelen, die voorheen deel uitmaakten van de Leningwet, opgenomen in het wetsvoorstel houdende vaststelling van de begroting van de uitgaven en ontvangsten van de Nationale Schuld (IXA).
Integratie van de Leningwetartikelen in de ontwerp-begroting IXA heeft onder meer tot voordeel dat een duidelijker relatie wordt gelegd tussen de machtiging voor het aangaan van geldleningen en de desbetreffende ramingen op de begroting IXA. Tevens betekent integratie van de Leningwetartikelen een vereenvoudiging van het wetgevingsproces.
Gaandeweg is de behoefte gegroeid deze artikelen opnieuw te bezien op hun relevantie. Zij vinden in hoofdzaak hun oorsprong in wetgeving die vele jaren geleden tot stand is gekomen onder omstandigheden die sterk konden afwijken van de huidige. Daardoor is een «lappendeken» ontstaan van zeer uiteenlopende wetteksten. Tevens zijn in de loop der tijd de inzichten gewijzigd omtrent hetgeen wel, of niet, bij wet zou moeten worden geregeld.
Tenslotte vormt ook de Economische en Monetaire Unie (EMU) aanleiding tot herbezinning op de betreffende artikelen, gelet op de gewijzigde verhouding tussen overheid en centrale bank, met name wat betreft eventuele kredietverlening aan de overheid.
Tegen deze achtergrond is bekeken of de betreffende artikelen – het gaat om de wetsartikelen 3 t/m 7 (zie ontwerp-begroting 1996) – aanpassing behoeven, of zelfs geheel achterwege kunnen blijven. Bij het proces van herziening is tevens betrokken enige nauw verwante wetgeving, zoals de Wet schatkistpapier en de Wet van 9 november 1950 betreffende de amortisatie van staatsschuld (zie hierna).
Een en ander heeft geleid tot het – ten opzichte van de ontwerp-begroting 1996 – niet langer opnemen van artikel 4 (inzake de maximale looptijd van geldleningen van 50 jaar), artikel 5 (inzake de aan leningen te verbinden voorwaarden), artikel 6 (inzake de maximale provisie die aan bemiddelaars in onderhandse leningen kan worden uitgekeerd) en artikel 7 (inzake de verjaringstermijn van 10 jaar van betaalbaar gestelde aflossingen).
Dit kan als volgt worden toegelicht:
– artikel 4, inzake de maximale looptijd (50 jaar) van leningen, was opgenomen om te voorkomen dat perpetuele leningen zouden worden uitgegeven; in de meeste Leningwetten, ook die van vóór 1940, kwam deze bepaling voor, zij het soms met andere maximale looptijden, bijvoorbeeld 40 jaar;
– artikel 5, inzake de voorwaarden die aan leningen verbonden worden, is van oudsher opgenomen in de diverse Leningwetten;
– artikel 6, inzake de maximale provisie ten behoeve van bemiddelaars in onderhandse leningen, werd voor het eerst opgenomen in de Leningwet 1979; in 1976 werd door de Staat een begin gemaakt met het aantrekken van gelden op de onderhandse kapitaalmarkt, waarbij (meestal) gebruik werd gemaakt van de diensten van bemiddelaars;
– artikel 7 betreft de verjaringstermijn van betaalbaar gestelde aflossingen van aangegane vaste schuld, die in afwijking van het Burgerlijk Wetboek is bepaald op 10 jaar; deze bepaling is reeds te vinden in de Wet van 25 juni 1844 (Stb. 28) «tot aflossing of verwisseling van Nationale Schuld»; na de eeuwwisseling raakte de bepaling geleidelijk in onbruik en verdween deze uit de tekst van de meeste Leningwetten om in 1935 weer in beeld te komen; vanaf 1936 werd de termijn vervolgens weer standaard in alle Leningwetten opgenomen.
Deze artikelen lenen zich, vanwege hun uitvoerende aard, niet langer voor een regeling bij wet; tevens hebben zij hun praktische betekenis verloren.
Het eventueel vaststellen van een maximale looptijd (artikel 4) dient veeleer bezien te worden in de context van de omstandigheden op de financiële markten en van het algemene financieringsbeleid, dan dat daarvoor een wettelijke bepaling in het leven wordt geroepen. Overigens bestaat geenszins het voornemen opnieuw perpetuele leningen uit te geven.
Het verbinden van voorwaarden aan geldleningen van de Staat (artikel 5) wordt naar huidig inzicht gerekend tot de machtiging tot het aangaan van leningen door de Minister, als bedoeld in artikel 3.
Wat betreft bepalingen inzake een maximale provisie (artikel 6) heeft de Staat zich altijd geconformeerd aan de provisievoorwaarden, vastgesteld door de Vereniging van Bemiddelaars in Onderhandse Leningen. Hierdoor verkeert de Staat in een gelijke positie als andere aanbieders van onderhandse leningen, zoals de BNG en de Waterschapsbank. Het uitgangspunt dat de Staat marktconform handelt – dit is een belangrijke randvoorwaarde van het financieringsbeleid – maakt beheersing van provisiekosten via een wetsartikel overbodig. Overigens is de Staat de laatste jaren niet meer actief als geldnemer op de onderhandse markt, aangezien de rente op onderhandse leningen zich meestal boven het rendement op openbare leningen bevindt.
Het niet langer opnemen van de bepaling inzake de verjaringstermijn (artikel 7) heeft tot gevolg dat het Burgerlijk Wetboek van toepassing is. Dat betekent dat voor de verjaring van zowel de rente als de aflossingen op staatsschuld dan de wettelijke termijn van vijf jaar geldt. Overigens geldt dit alleen voor nieuw uit te geven leningen; de «oude» verjaringstermijn van 10 jaar blijft van toepassing op reeds aangegane leningen gelet op de betreffende bepaling in de vigerende Leningwet c.q. Begrotingswet van de totnutoe uitgegeven leningen. Voor toepassing van een – van het BW – afwijkende, ruimere verjaringstermijn voor de schuldeisers van de Staat bestaat geen aanleiding. Verjaring van CF-schuldbewijzen komt ook praktisch niet voor. De Staat geeft bovendien sinds 1988 geen K-schuldbewijzen – die thuis bewaard kunnen worden – meer uit; de laatste lening met K-schuldbewijzen, uitgegeven door de Staat, zal in 2002 in zijn geheel zijn afgelost; rente en aflossing op inschrijvingen in de schuldregisters en op onderhandse leningen worden automatisch overgemaakt, zodat hierbij verjaring niet zal plaatsvinden.
De eerdergenoemde Wet van 9 november 1950 en de Wet schatkistpapier kunnen worden ingetrokken; wat dat betreft wordt verwezen naar hetgeen in de artikelsgewijze toelichting is vermeld.
4.1. De financieringsbehoefte van het Rijk
De opbouw van de financieringsbehoefte van het Rijk in 1995 en 1996 is samengevat in onderstaande tabel.
| Tabel 1. Financieringsbehoefte van het Rijk in 1995 en 1996 (op kasbasis, in miljarden guldens)1 | ||||
| 1995 | 1996 | |||
| Beleidsrelevant financieringstekort | 22,2 | 18,6 | ||
| – Brutering Volkshuisvesting | 9,5 | 0,1 | ||
| – Debudgetteringen | – 0,0 | – 0,0 | ||
| – Studieleningen | 0,4 | 0,8 | ||
| – Agio/disagio (saldo) | 0,2 | – 0,3 | ||
| – FES-saldo2 | – 3,0 | – 3,8 | ||
| – Aan- en verkoop staatsbezit | – 2,6 | – 1,9 | ||
| – Kasverschuivingen | – 2,4 | 0,0 | ||
| – Versnelde belastinginning | – 0,8 | 0,0 | ||
| – Derdenrekening | – 0,5 | – 0,0 | ||
| Feitelijk financieringssaldo | 23,0 | 13,4 | ||
| Aflossing vaste schuld: | ||||
| – reguliere aflossingen | 29,0 | 19,6 | ||
| – vervroegde aflossingen | 0,0 | 2,03 | ||
| Aflossingen totaal | 29,0 | 21,6 | ||
| Financieringsbehoefte | 52,0 | 35,1 | ||
Door afronding kan de som der componenten afwijken van het totaal.
1 «–» is tekort-verbeterend.
2 Fonds Economische Structuurversterking.
3 Tot en met 30 juni.
De financieringsbehoefte neemt in 1996 fors af ten opzichte van die in 1995. Twee factoren springen daarbij in het oog: het wegvallen van de eenmalige hoge lasten die samenhangen met de afwikkeling in 1995 van de Bruteringsoperatie in de Volkshuisvesting en de (tijdelijke) daling van de aflossingen vergeleken met 1995.
De aflossingen zijn in de jaren 1996 en 1997 relatief beperkt. Dit heeft zijn oorzaak in het verleden. In 1986 is de Nederlandse kapitaalmarkt geliberaliseerd en werd het toegestaan om fixe leningen (met aflossing ineens) uit te geven. Vóór die tijd werden leningen uitgegeven met aflossingen gespreid over een aantal jaren. Gezien de belangstelling voor fixe leningen is de Staat er na 1986 toe overgegaan bijna uitsluitend deze leningen uit te geven. Met name door marktomstandigheden zijn in de jaren 1986 tot en met 1988 betrekkelijk weinig staatsleningen uitgegeven met aflossingen in 1996 en 1997. Vanaf 1988 is in het emissiebeleid de nadruk komen te liggen op de uitgifte van (fixe) tienjarige leningen. Door deze combinatie van factoren is een tijdelijke «dip» ontstaan in het meerjarige aflossingsbeeld.
4.2. De dekking van de financieringsbehoefte
De dekking van de financieringsbehoefte van het Rijk in 1995 en 1996 is in tabel 2 weergegeven.
| Tabel 2. Dekking van de financieringsbehoefte van het Rijk (in miljarden guldens) | ||
| 1995 | 1996 | |
| Financieringsbehoefte | – 52,0 | – 35,1 |
| Bruto kapitaalmarktberoep | ||
| via de openbare markt | 52,8 | 34,0 |
| Liquiditeitssaldo | 0,8 | – 1,1 |
| Netto-uitgifte DTC's1 | 4,9 | – 2,5 |
| Diversen | – 0,5 | |
| Mutatie schatkistsaldo | 5,2 | – 3,6 |
| Schatkistsaldo (jaarultimo) | (14,8) | (11,2) |
Door afronding kan de som der componenten afwijken van het totaal.
1 zie paragraaf 4.3
In tegenstelling tot 1995 zal het kapitaalmarktberoep in 1996 achterblijven bij de verwachte financieringsbehoefte («underfunding»). Dit hangt samen met de zogenoemde meeropbrengst van de KPN-emissie in 1995 (f 1,1 mld. meer dan geraamd). Besloten is dat deze ten gunste van de staatsschuld wordt gebracht. Er wordt in 1996 derhalve f 1,1 mld. minder schuld aangetrokken.
Voor een toelichting op de wijze waarop de dekking op de kapitaalmarkt heeft plaatsgevonden, wordt verwezen naar onderstaande tabel.
| Tabel 3. Uitgifte van openbare staatsleningen in 1995 en 1996 (storting tot en met juni 1996; in miljarden) | |||||
| fonds | stortingsdatum | looptijd bij emissie (in jaren) | emissie omvang | rendement | totaal uitstaand bedrag na emissie |
| Emissies in 1995: | |||||
| 7,25% 1994 per 01-10-2004 | 16-01-1995 | 9 | 8,5 | 7,67% | 16,0 |
| 7,75% 1995 per 01-03-2005 | 01-03-1995 | 10 | 12,5 | 7,67% | 12,5 |
| 6,50% 1993 per 15-04-20031 | 09-03-1995 | 8 | 1,2 | 7,39% | 9,2 |
| 7,50% 1995 per 15-04-2010 | 19-04-1995 | 15 | 7,5 | 7,62% | 7,5 |
| 6,50% 1993 per 15-04-20031 | 04-05-1995 | 8 | 1,2 | 6,92% | 10,4 |
| 7,00% 1995 per 15-06-2005 | 15-06-1995 | 10 | 8,8 | 6,99% | 8,8 |
| 6,50% 1993 per 15-04-20031 | 04-07-1995 | 8 | 0,9 | 6,75% | 11,3 |
| 7,00% 1995 per 15-06-20051 | 19-09-1995 | 10 | 2,1 | 6,55% | 10,9 |
| 6,75% 1995 per 15-11-2005 | 15-11-1995 | 10 | 10,0 | 6,71% | 10,0 |
| Totaal | 52,8 | ||||
| Emissies in 1996: | |||||
| 6,00% 1996 per 15-01-2006 | 15-01-1996 | 10 | 7,3 | 6,20% | 7,3 |
| 9,00% 1991 per 15-01-20011 | 05-03-1996 | 8 | 2,8 | 5,48% | 10,5 |
| 6,00% 1996 per 15-01-2006 | 15-04-1996 | 10 | 9,0 | 6,60% | 16,3 |
| 8,25% 1992 per 15-06-20021 | 01-05-1996 | 6 | 1,5 | 5,63% | 11,5 |
| Totaal | 20,6 | ||||
| 6,25% 1993 per 15-07-19982 | 01-03-1996 | 2 | 5,2 | 4,10% | 20,9 |
Door afronding kan de som der componenten afwijken van het totaal.
1 Betreft (her)uitgifte via het tendersysteem.
2 De uitgifte van deze lening dient voor de financiering van vervroegde aflossingen.
Het emissiebeleid is ook in 1996 gericht op het naar de markt brengen van grote, voldoende liquide leningen. Zoals is af te lezen van de rechter kolom van tabel 3 is het aantal leningen met een omvang van 10 miljard of meer sterk gestegen. Medio 1996 waren er 18 staatsleningen die de 10 miljard overschreden. Een dergelijke omvang wordt in de markt als voldoende beschouwd om een goede verhandelbaarheid te verzekeren. Door het emissiebeleid is de liquiditeit en daarmee de aantrekkelijkheid van de staatsfondsenmarkt als geheel verder toegenomen (zie ook par 5.2).
Het aantal heruitgiftes in de eerste helft van 1996 bedraagt vier. Twee maal vond dit plaats via een toonbankemissie, tweemaal via een tenderemissie. Er werd één nieuwe lening (de 6% lening 1996 per 2006) geëmitteerd.
Apart wordt vermeld de heropening van een korte, ruim 2-jarige, lening. Deze werd uitgegeven ten behoeve van de herfinanciering van vervroegde aflossingen. De emissie van deze 6,25% lening 1993 per 1998 bracht f 5,2 mld. op. De lening biedt een goed referentiekader voor vervroegde aflossing van onderhandse leningen. Door de gekozen looptijd verandert de gemiddelde resterende looptijd van de vaste staatsschuld niet.
Een en ander brengt wel een verhoging van de aflossingen in 1998 met zich mee, waardoor deze relatief aan de hoge kant zijn. Een gelijkmatig aflossingspatroon van de uitstaande staatsschuld is op zichzelf gunstig. Schommelingen in de aflossingen leiden tot navenante schommelingen in de financieringsbehoefte.
In vergelijking met het aflossingsbeeld per eind 1994 heeft inmiddels een zekere effening plaatsgevonden, zoals uit onderstaande grafiek blijkt.Grafiek 1: Aflossingen vaste staatsschuld 1997–2007

Voor de dekking van de reguliere financieringsbehoefte (excl. vervroegde aflossingen) werd tot en met 30 juni 1996 een bedrag van f 20,6 mld. aangetrokken op de kapitaalmarkt. Dit betekent dat in de eerste helft van het jaar ca. 61% van het verwachte (reguliere) kapitaalmarktberoep is gerealiseerd (zie tabel 4).
| Tabel 4. Kapitaalmarktberoep in de eerste helft van het jaar (in % van het totale kapitaalmarktberoep; t/m 30 juni 1996) | ||||||
| 1991 | 1992 | 1993 | 1994 | 1995 | 1996 | |
| mate van front–loading | 67 | 70 | 66 | 66 | 75 | 611 |
1 Ten opzichte van het verwachte kapitaalmarktberoep ten tijde van de Voorjaarsnota 1996 bedraagt het percentage 52%.
Het kapitaalmarktberoep in de eerste helft van 1996 is daarmee relatief lager dan in voorgaande jaren. Dit hangt samen met een beleidsafweging inzake de verdeling van het kapitaalmarktberoep, die is toegelicht in de Financiële Verantwoording 1995. Gebleken is dat de motieven voor het beleid van frontloading, dat vanaf begin jaren tachtig is gevoerd, niet langer valide zijn.
Ten eerste behoeft door middel van frontloading niet langer te worden aangesloten bij een onregelmatig kaspatroon waarbij het zwaartepunt van de uitgaven in de eerste helft van het jaar lag. Dat patroon heeft zich in het verleden nog wel geruime tijd voorgedaan, maar werd gaandeweg steeds minder pregnant.
Ten tweede is gelet op de huidige (internationale) kapitaalmobiliteit de vrees voor een dwangpositie op de markt aan het einde van het jaar niet langer geldig. Een rente-opdrijvend effect op de financiële markt als gevolg van een, niet-structurele, grote (netto)vraag van de Nederlandse Staat wordt niet langer relevant geacht (zie voor een uitgebreide toelichting de Financiële Verantwoording 1995).
De jarenlange frontloading in het verleden heeft er overigens wèl toe geleid dat de verplichtingen op de staatsschuld (aflossingsen rentebetalingen) zich eveneens zijn gaan concentreren in de eerste jaarhelft.
Op deze problematiek is nader ingegaan in paragraaf 5.2.Grafiek 2: Ontwikkeling van rendement op 10-jaars staatsleningen vanaf 1-1-1994

Uitgaande van dekking van de reguliere behoefte bedraagt het gemiddelde rendement waartegen in de eerste helft van 1996 werd geleend, 6,24%. Dat is lager dan de 7,48% uit de overeenkomstige periode van 1995. Dit hangt vooral samen met de lagere rente in de eerste helft van 1996, ten opzichte van de eerste zes maanden in 1995 (zie grafiek 2).
De gemiddelde resterende looptijd van de totale schuld heeft zich min of meer gestabiliseerd, zoals blijkt uit grafiek 3.Grafiek 3: Gemiddelde resterende looptijd gevestigde staatsschuld (t/m 30 juni 1996)

De financieringsbehoefte is tot dusver in 1996 gedekt op de openbare markt. Het beroep op de onderhandse markt zal naar verwachting, evenals in voorgaande jaren, nihil zijn. Door de combinatie van reguliere en vervroegde aflossingen van onderhandse leningen en inkoop van onderhandse leningen neemt het aandeel van onderhandse schuld in de totale vaste schuld sterk af (zie hiervoor paragraaf 5.2 en tabel 8).
4.3. Dutch Treasury Certificates (DTC's)
Tijdelijke tekorten in de schatkist worden grotendeels opgevangen door het plaatsen van DTC's, waarvan de looptijd doorgaans tussen de drie en negen maanden ligt. DTC's worden uitgegeven in programma's met eenzelfde aflosdatum. De keuze van de looptijd hangt af van de behoefte van de Staat (de ontwikkeling van het schatkistsaldo). Met beleggersvoorkeur wordt rekening gehouden. De DTC's worden in onderhandelingen met geldmarktpartijen (onderhands) op discontobasis geplaatst. De prijs en de stortingsdatum worden per transactie overeengekomen. Geldgevers zijn veelal banken en beleggers in binnen- en buitenland. Doorgaans wordt van bemiddelaars (geldmarktmakelaars) gebruik gemaakt.
Op 30 juni bedroeg de uitstaande stand van DTC's (op kasbasis) f 6,0 mld.
Tabel 5 geeft het verloop van de uitgegeven DTC-programma's weer. Twee programma's zijn (nog) niet volgetrokken (per 30 juni 1996).
| Tabel 5. Uitgifte en aflossingen van DTC's (in mld.) 1) 2) 3) | ||||
| 1995 | 1996 | |||
| 1. Programma's 1995 | 7,6 | |||
| – plaatsing 1995 | (–2,4) | |||
| – aflossing 1995 | (10,0) | |||
| 2. Programma 02-01-1996 | – 2,5 | 2,5 | ||
| – plaatsing 1995 | (–2,5) | |||
| – aflossing 1996 | ( 2,5) | |||
| 3. Programma 31-01-1996 | – 5,0 | 5,0 | ||
| – plaatsing 1995 | (–5,0) | |||
| – aflossing 1996 | ( 5,0) | |||
| 4. Programma 28-03-1996 | – 5,0 | 5,0 | ||
| – plaatsing 1995 | (–5,0) | |||
| – aflossing 1996 | ( 5,0) | |||
| 5. Programma 28-06-1996 | 0,0 | |||
| – plaatsing 1996 | (–4,1) | |||
| – aflossing 1996 | ( 4,1) | |||
| 6. Programma 30-09-1996 | 0,0 | |||
| – plaatsing 1996 | (–5,0) | |||
| – aflossing 1996 | ( 5,0) | |||
| 7. Programma 31-10-1996 | 0,0 | |||
| – plaatsing 1996 | ( 0,0) | |||
| – aflossing 1996 | ( 0,0) | |||
| 8. Programma 29-11-1996 | 0,0 | |||
| – plaatsing 1996 | (–1,0) | |||
| – aflossing 1996 | ( 1,0) | |||
| 9. Veronderstelde plaatsing 1996 | – 10,0 | |||
| Netto–plaatsing van DTC's (1 t/m 9)4 | – 4,9 | 2,5 | ||
1«–» is tekortverbeterend; 2 de linkerkolom, tussen haken, heeft betrekking op plaatsing of aflossing; de rechterkolom geeft per programma weer de bijdrage aan de netto-plaatsing in dat jaar; 3 Programma's worden aangeduid naar datum van aflossing; 4 Ten opzichte van het voorgaande jaar;
Naast de DTC's worden kas- en callgeldleningen op de geldmarkt gebruikt om de kastekorten te dekken. In het eerste halfjaar van 1996 is hier slechts zeer beperkt gebruik van gemaakt.
4.4. Houderschap gevestigde schuld
Van oudsher bestaat belangstelling voor de vraag wie de houders van de Nederlandse staatsschuld zijn. Deze vraag is echter in de loop der jaren steeds moeilijker te beantwoorden.
Ten eerste is het aandeel van de naamschuld in de totale vaste schuld steeds verder afgenomen. In 1980 was nog driekwart van de staatsschuld op naam. De houders waren derhalve bekend. Eind 1995 bestond nog maar 21% van de schuld uit naamschuld.
Ten tweede wordt het verkrijgen van een beeld over het houderschap bemoeilijkt, doordat de betaling en afwikkeling van transacties in Nederlandse staatsleningen steeds vaker in een internationale context plaatsvindt via internationale settlementsorganisaties. Ook enquêtes leveren een niet geheel betrouwbaar beeld op, omdat ook Nederlandse beleggers gebruik kunnen maken van internationale afwikkelingsorganisaties.
De in tabel 6 getoonde cijfers geven derhalve slechts een ruwe indruk van het houderschap in de afgelopen jaren.
| Tabel 6. Houderschap vaste staatsschuld (in mld.; tussen haken in % van de openbare schuld; jaarultimo-cijfers)1 | ||||||
| 1993 | 1994 | 1995 | ||||
| Openbare schuld: | ||||||
| – Beleggings– en sociale fondsen | 14 | ( 5) | 13 | (5) | 15 | (5) |
| – Particulieren | 36 | (13) | 37 | (130) | 33 | (11) |
| – Banken | 43 | (16) | 43 | (15) | 45 | (14) |
| – Abp | 20 | (7) | 23 | (8) | 25 | (8) |
| – Overige inst. beleggers | 70 | (25) | 83 | (30) | 102 | (33) |
| – Buitenland | 94 | (34) | 82 | (29) | 92 | (29) |
| 276 | (100) | 281 | (100) | 312 | (100) | |
| Onderhandse schuld | 90 | 79 | 72 | |||
| Totale schuld | 366 | 360 | 384 | |||
1 O.b.v. voorlopige cijfers (enquêtes en statistieken) van De Nederlandsche Bank en ramingen van het Ministerie van Financiën.
Na een jarenlange stijging was het buitenlandse aandeel in 1994 gedaald. In 1993 zorgde valuta-turbulentie voor een vlucht naar (obligatie)- beleggingen in stabiele muntsoorten als de gulden, waardoor het buitenlandse aandeel in de staatsschuld verder steeg. Mede door incidentele oorzaken keerde geld terug in 1994.
In 1995 zijn de beleggingen in Nederlandse staatsleningen door buitenlandse investeerders weer gestegen en hebben zich nagenoeg hersteld tot het (absolute) niveau van 1993.
Bij de institutionele beleggers (ABP, verzekeringsmaatschappijen en pensioenfondsen) heeft een aanzienlijke stijging van het houderschap van staatsschuld plaatsgevonden.
Overigens staat daar bij deze categorie beleggers enige daling in de onderhandse schuld tegenover.
De genoemde stijging is opmerkelijk, omdat institutionele beleggers de laatste jaren streven naar uitbreiding van zakelijke waarden, met name aandelen, in hun portefeuilles.
Omdat het totaal van uitzettingen van institutionele beleggers sneller stijgt dan de staatsschuld, kan het aandeel staatsobligaties in hun portefeuilles afnemen, terwijl hun houderschapsaandeel in de staatsschuld toeneemt.
Het houderschap van de categorie particulieren is in 1995 gedaald. Hieronder is een heterogene groep van beleggers begrepen, onder anderen ook woningbouwcorporaties. Deze sector was in 1995 netto-ontvanger bij de Balansverkorting Volkshuisvesting. De gelden zijn deels belegd in staatsleningen.
4.5. De Grootboeken der Nationale Schuld
Een belangrijk deel van de Grootboekschuld is in handen van oude instellingen van weldadigheid, kerkelijke instellingen, gemeenten, gilden en particulieren, al dan niet belast met een recht van vruchtgebruik.
De Grootboekwet stelde vele formaliteiten ten aanzien van de wijze waarop een volmacht diende te worden verstrekt en de wijze van rente-inning. Daardoor ontstond de behoefte bij zowel de houders van een inschrijving als bij Financiën om het regime van de Grootboeken te vereenvoudigen.
Daartoe is een eenmalige «vertaalslag» nodig, waarvoor een periode van tien jaar is uitgetrokken.
In de wettelijke bepalingen en de administratieve afhandeling van de inschrijvingen in de Grootboeken is derhalve, per 1 april 1996, een verandering opgetreden. Op die datum trad de Wet Administratie Grootboekschuld (WAG) in werking, waardoor alle zogenoemde Grootboeken der Nationale Schuld werden gesloten. De rechthebbenden in de Grootboeken hebben de keuze om hun inschrijving ofwel om te zetten in schuldbewijzen aan toonder danwel in Schuldregisterinschrijvingen. De houders van een inschrijving dienen zich binnen 10 jaar na de inwerkingtreding van de WAG voor omwisseling te melden bij het Agentschap van het ministerie van Financiën, dat zijn tweede naam «Directie der Grootboeken der Nationale Schuld» hiermee is kwijtgeraakt. Een en ander zorgt voor een vereenvoudiging van de administratie. Medio 1996 was f 38,4 miljoen aan inschrijvingen aangemeld voor omwisseling op een totaal van f 85,2 miljoen aan «oude» Grootboek-inschrijvingen.
De Grootboeken der Nationale schuld kennen een even rijke als lange geschiedenis, waarop hierna wordt ingegaan. De perpetuele Grootboekschuld van Nederland is één van de oudst bekende, nog uitstaande ter beurze genoteerde schulden ter wereld en dateert van de Napoleontische tijd.
Bij het uitroepen van de Bataafse Republiek in 1798 was een groot deel van de schulden in handen van provinciën, admiraliteiten en de generaliteit nog niet afgelost. In een Staatsregeling van 2 mei van dat jaar werd bepaald dat de uitstaande schulden als nationale schuld dienden te worden aangemerkt. Deze schuldbewijzen moesten worden ingeleverd, zodat de schulden konden worden ingeschreven op rekeningen in een zogenaamd Grootboek der Publieke Schuld1 .
Om ook na het vertrek van de Fransen middelen te kunnen vinden voor de wederopbouw van Nederland werden de schulden in de Publieke Schuld vervangen door een nieuwe perpetuele schuld2 , te weten het 2½% Grootboek der Nationale Schuld. Ook nadien werden nieuwe perpetuele schulden aangegaan, waaronder een 3%-Grootboek in 1844 en een 3½%-Grootboek in 1886. Omdat de oorspronkelijke voorwaarden uit de periode 1809 – 1815 sterk verouderd waren trad per 1 januari 1914 de Grootboekwet in werking.
5.1. De financieringsbehoefte van het Rijk
De opbouw van de financieringsbehoefte van het Rijk in 1996 en 1997 is in tabel 7 samengevat.
| Tabel 7. Financieringsbehoefte van het Rijk in 1996 en 1997 (op kasbasis, in miljarden guldens)1 | ||||
| 1996 | 1997 | |||
| Beleidsrelevant financieringstekort | 18,6 | 19,8 | ||
| – Brutering Volkshuisvesting | 0,1 | 0,1 | ||
| – Debudgetteringen | – 0,0 | – 0,0 | ||
| – Studieleningen | 0,8 | 1,2 | ||
| – Agio en disagio | – 0,3 | 0,0 | ||
| – FES-saldo2 | – 3,8 | 1,0 | ||
| – Aan- en verkoop staatsbezit | – 1,9 | – 1,1 | ||
| – Kasverschuivingen | 0,0 | 0,0 | ||
| – Versnelde belastinginning | 0,0 | 0,0 | ||
| – Derdenrekening | – 0,0 | – 0,0 | ||
| Feitelijk financieringssaldo | 13,4 | 21,0 | ||
| Aflossing vaste schuld: | ||||
| – reguliere aflossingen | 19,6 | 12,5 | ||
| – vervroegde aflossingen | 2,03 | |||
| Aflossingen totaal | 21,6 | 12,5 | ||
| Financieringsbehoefte | 35,1 | 33,5 | ||
Door afronding kan de som der componenten afwijken van het totaal.
1 «–» is tekort-verbeterend;
2 Fonds Economische Structuurversterking;
3 t/m 30 juni 1996.
De financieringsbehoefte van het Rijk in 1997 bedraagt naar raming 33,5 mld. De reguliere aflossingen dalen aanzienlijk van f 19,6 mld. in 1996 naar f 12,5 mld. in 1997. Voor de oorzaak hiervan wordt verwezen naar paragraaf 4.1.
De rentelasten van de vaste schuld stijgen van f 29,5 mld. in 1996 naar f 29,7 mld. in 1997 in samenhang met het (feitelijke) financieringstekort van 1996 en de daaruit voortvloeiende stijging van de staatsschuld.
In grafiek 4 zijn de met de groeiende schuld gemoeide lasten nog eens weergegeven.Grafiek 4: Rente en aflossing vaste schuld

De financieringsbehoefte in 1997 is aanzienlijk lager dan die in de voorgaande jaren, zoals blijkt uit onderstaande grafiek.Grafiek 5: Financieringsbehoefte 1991 t/m 1997

In 1997 zal de behoefte voor zover nodig op de kapitaalmarkt worden gedekt (zie ook paragraaf 5.4). Daarnaast zal aandacht besteed worden aan het redresseren van de neveneffecten van de frontloading, die in het verleden heeft plaatsgehad. Met name gaat het om het effect van rente- en aflossingsdata die zich in het eerste halfjaar hebben geconcentreerd (zie par 4.2). Bezien zal worden in hoeverre coupon- en aflossingsbetalingen zoveel mogelijk in het tweede deel van het jaar kunnen plaatsvinden zonder marktverstorend op te treden.
Het uitgiftebeleid van de Staat zal gericht blijven op het uitgeven van leningen met een voldoende grote omvang. Daarbij speelt het besef dat dergelijke omvangrijke leningen ertoe bijdragen dat beleggers (grote) pakketten staatsfondsen zonder substantiële koersbeïnvloeding kunnen verhandelen.
Dit feit – ook wel liquiditeit genoemd – bepaalt mede de aantrekkelijkheid van huidige Nederlandse staatsleningen en draagt er tevens toe bij dat toekomstige (liquide) staatsleningen tegen een lager rendement geplaatst kunnen worden. Een lening die minder liquide wordt geacht, b.v. door een minder courant aflossingspatroon (zoals een lotende lening) of door slechte verhandelbaarheid (zoals een onderhandse lening), rendeert dus hoger dan de eerdergenoemde liquide lening; er is dan sprake van een liquiditeitspremie, waardoor het rendement komt te liggen boven dat van een liquide lening met eenzelfde looptijd.
De betekenis van liquiditeitsbevordering in het financieringsbeleid is de laatste jaren sterk toegenomen. Uit onderzoek in opdracht van het Agentschap is onder meer gebleken dat marktdeskundigen van mening zijn dat, mede als gevolg van het daarop gerichte beleid, thans sprake is van een liquide staatsfondsenmarkt. Bijna twee derde deel van de verhandelbare schuld bestaat in 1996 uit (fixe) leningen met een omvang van 10 mld of groter.
Door de oriëntatie van het emissiebeleid op grote liquide leningen en het herfinancieren van onderhandse leningen met grote, fixe leningen zal de liquiditeit in de komende jaren nog verder kunnen toenemen, zoals blijkt uit tabel 8 hierna.
| Tabel 8. Ontwikkeling van onderhandse schuld en liquide leningen (% van vaste schuld; jaarultimo-cijfers) | |||||||||
| 1980 | 1985 | 1990 | 1995 | 1996 | 1997 | 1998 | 1999 | 2000 | |
| onderhands | 63 | 45 | 35 | 19 | 15 | 13 | 10 | 7 | 4 |
| liquide schuld1 | 0 | 0 | 0 | 51 | 61 | 67 | 73 | 84 | 95 |
1 dit omvat alle fixe leningen met een omvang van 10 mld of groter bij ongewijzigd emissiebeleid.
Door een consistent en helder financieringsbeleid en een emissiebeleid gericht op het (blijven) uitgeven van liquide leningen, wordt de liquiditeit van de markt in beginsel in voldoende mate gewaarborgd. Daarnaast heeft liquiditeit, en meer in het bijzonder de liquiditeitspremie, betekenis in het beleid ten aanzien van de niet-reguliere aflossingen (zie hierna).
5.3. Niet-reguliere aflossingen: inkoop van staatsschuld
Met ingang van deze ontwerp-begroting zijn alle vormen van niet-reguliere aflossingen in één begrotingsartikel(-onderdeel) ondergebracht; het gaat daarbij om vervroegde aflossing, inkoop van onderhandse leningen, conversie, amortisatie en andere vormen van inkoop van schuld, die alle gemeenschappelijk hebben dat aflossing niet plaatsvindt aan het einde van de looptijd, maar vóór de expiratiedatum.
De in de vorige paragraaf genoemde liquiditeitspremie speelt bij de niet-reguliere aflossingen een cruciale rol. De Staat kan immers een voordeel behalen door deze minder liquide leningen in te kopen tegen een lage inkoopkoers – die correspondeert met een in verband met de liquiditeitspremie hoger rendement1 .
Doordat de Staat op die wijze de liquiditeitspremie kan innen, behaalt zij een voordeel, dat op bedrijfseconomische gronden berekend kan worden, maar dat niet als zodanig in de budgettaire rente- en aflossingslasten zichtbaar wordt. Niettemin rechtvaardigt het bedrijfseconomische voordeel de niet-reguliere aflossing, omdat de financieringslasten voor de Staat lager uitvallen, dan wanneer gewacht zou zijn tot het moment van reguliere aflossing. In de eerste helft van 1996 is door de Staat voor een bedrag van f 486,5 mln. aan onderhandse leningen ingekocht. Het behaalde, bedrijfseconomische voordeel bedraagt ca. f 6 mln, berekend op basis van de resterende looptijd en een te gelde gemaakte liquiditeitspremie.
In twee gevallen speelt de liquiditeitspremie geen (doorslaggevende) rol: bij vervroegde aflossingen en bij een beslissing tot amortisatie. Bij de vervroegde aflossing wordt a pari afgelost met betaling van een boete. Het hangt volledig af van de actuele rendementsverhoudingen op de markt (de ligging van de yieldcurve), of de Staat daarvan voordeel heeft en zo ja, hoe groot dat is. Wanneer «de» rente relatief laag ligt, is de kans op een dergelijk voordeel uiteraard groter. Het voordeel van vervroegde aflossing wordt het beste zichtbaar in geval van herfinanciering tegen dezelfde (gemiddelde) looptijd. Tot eind juni 1996 is f 1594 mln. vervroegd afgelost. Het eerder genoemde bedrijfseconomische voordeel kan berekend worden op f 53 mln.
Amortisatie van staatsschuld was tot en met de begroting 1996 wettelijk vorm gegeven in de desbetreffende wet van 1950 (zie hoofdstuk 3, Algemeen Deel van deze memorie van toelichting).
In tegenstelling tot de andere genoemde vormen van inkoop van schuld is het beleid van de Staat met betrekking tot amortisatie vooral passief. Het uitgangspunt is dat aan houders van Grootboekschuld de mogelijkheid wordt geboden om hun schuldbewijzen of rechten uit inschrijvingen (zie paragraaf 4.5) aan de Staat te verkopen. Daarvoor bestaat aan de beurs te weinig belangstelling, hetgeen mede samenhangt met de gestaag afnemende omvang van de Grootboekschuld.
Omdat de doelstelling van amortisatie niet is het behalen van een (bedrijfseconomisch) voordeel door de Staat, is hiervoor een zeker bedrag op de begroting opgenomen. Tot en met de begroting 1996 was dit f 50 mln. Met ingang van deze ontwerp-begroting wordt voorgesteld het bedrag te beperken tot f 25 mln., gelet op de omvang van de totale Grootboekschuld (f 100 mln. ultimo 1995) en de realisaties van de laatste jaren; gemiddeld is f 6,5 mln. aan Grootboekschuld ingekocht in de jaren 1993 t/m 1995.
5.4. Geldmarktfinanciering en schatkistsaldo
Wat betreft de geldmarkt en de positie van de Staat daarop, werpt de komst van de derde fase van Europese Economische en Monetaire Unie (EMU) in 1999 zijn schaduwen vooruit. Al vóór de ingang van de tweede fase van de EMU, in 1994, introduceerde het Agentschap Dutch Treasury Certificates, (DTC's). De Staat mocht geen krediet-relatie meer hebben met de centrale bank, ofwel roodstanden van de schatkistrekening bij De Nederlandsche Bank waren niet langer toegestaan.
In de derde fase van de EMU zal de Europese Centrale Bank zich bij het monetaire beleid waarschijnlijk in belangrijke mate richten op sturing van de korte rente via de liquiditeit op de geldmarkt. Sterk wisselende saldi van de verschillende overheden bij centrale banken kunnen tot ongewenste schommelingen van de geldmarktruimte leiden. Om te voorkomen dat de Nederlandse overheid met de fluctuaties in het schatkistsalo het monetair beleid van de ECB verstoort, worden in de aanloop naar de derde fase afspraken gemaakt over een vooraf vastgesteld, beperkt saldo bij De Nederlandsche Bank. Daartoe zal in 1997 het saldo reeds worden afgebouwd.
Wetsartikel 1 (uitgaven/verplichtingen)
1. De grondslag van het artikel en het te voeren beleid
Het financieringsbeleid van de Staat is erop gericht om de jaarlijkse financieringsbehoefte binnen het begrotingsjaar in beginsel op de kapitaalmarkt te dekken. Artikel 3 van het onderhavige wetsvoorstel machtigt de Minister van Financiën tot het aangaan van geldleningen ten laste van de Staat der Nederlanden. Rentepercentage en datum van rentebetaling worden wat betreft openbare leningen vastgelegd in een Ministerieel besluit en voor onderhandse leningen in een afzonderlijke overeenkomst.
Rente vaste schuld werd voorheen verantwoord op artikel 01.01 Rente en kosten, onderdeel rente gevestigde schuld.
| Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 mln.) | ||||||||
| 1995 | 1996 | 1997 | 1998 | 1999 | 2000 | 2001 | ||
| Ontw.begr. 96 | 29 075,1 | 30 593,6 | 32 029,4 | 33 669,7 | 35 133,9 | |||
| 1e suppl.wet 96 | – 16,4 | – 34,7 | – 33,4 | – 31,8 | – 36,6 | |||
| mutatie 1 | + 415,5 | – 82,2 | – 82,2 | – 56,2 | – 56,2 | |||
| mutatie 2 | – 10,2 | – 10,3 | – 9,5 | – 9,3 | ||||
| mutatie 3 | – 608,2 | – 1 252,0 | – 1 200,2 | – 1 112,1 | ||||
| mutatie 4 | – 119,2 | – 339,0 | – 339,0 | – 339,0 | ||||
| Ontw.begr. 97 | 27 948,5 | 29 474,2 | 29 739,1 | 30 312,5 | 32 033,0 | 33 580,7 | 34 538,4 | |
3. De toelichting bij de cijfers
De raming van de rentelasten is opgesteld op basis van tot en met 30 juni 1996 in de markt opgenomen en gestorte leningen. De rentelasten die voortvloeien uit de dekking van de resterende financieringsbehoefte in 1996 en die van volgende jaren zijn berekend met een zogenaamde rekenrente. Een overzicht van de gehanteerde rekenrentes volgt hieronder. Bij de berekening van de rentelasten wordt geen rekening gehouden met het eventueel niet verzilveren van coupons van schuldbewijzen die betaalbaar zijn gesteld, en in samenhang daarmee evenmin met het alsnog verzilveren van niet-verjaarde coupons uit voorgaande jaren.
| Overzicht rekenrentes gevestigde schuld vanaf de vorige ontwerp-begroting | ||||||||
| 1995 | 1996 | 1997 | 1998 | 1999 | 2000 | 2001 | ||
| Ontw.begr. 96 | 7,00% | 7,00% | 7,00% | 7,00% | 7,00% | 7,00% | ||
| 1e suppl.wet 96 | 7,00% | 7,00% | 7,00% | 7,00% | 7,00% | |||
| Ontw.begr. 97 | 6,40% | 6,25% | 7,00% | 7,00% | 7,00% | 7,00% | ||
De eerstgenoemde mutatie is toegelicht in de eerste suppletore begroting samenhangende met de Voorjaarsnota (Kamerstukken II, 1995/96, 24 727, nr. 1). Er wordt aan herinnerd dat in de eerste suppletore begroting alleen die mutaties zijn opgenomen, die hun oorsprong hebben in 1996. De mutaties 1 t/m 4 worden als volgt toegelicht.
Mutatie 1
Doordat de dekking van de financieringsbehoefte 1996 deels heeft plaatsgevonden door middel van een vervolg-uitgifte van twee leningen met een rentevervaldatum in 1996 nemen de rentelasten in 1996 toe. Tegenover deze rente-uitgaven staan ontvangsten in de vorm van door beleggers bijbetaalde lopende rente (zie ontvangstenartikel 11.01). Voorts is in deze mutatie opgenomen het verschil tussen de coupon-rente op in 1996 gestorte leningen en de voor 1996 gehanteerde rekenrente. De rentelasten zijn daardoor vanaf 1997 lager dan aanvankelijk geraamd.
Mutatie 2
Deze mutatie heeft betrekking op het effect van de tot en met 30 juni 1996 gerealiseerde vervroegde aflossing van leningen. De betaalde boete is verantwoord op artikel 11.05.
Mutatie 3
Als gevolg van de wijziging van de te verwachten (feitelijke) financieringstekorten zijn de rente-uitgaven vanaf 1997 neerwaarts bijgesteld.
Mutatie 4
Als gevolg van een lagere lange rekenrente in de jaren 1996 en 1997 heeft neerwaartse bijstelling van de rente-uitgaven vanaf 1997 plaatsgevonden.
De bij dit artikel behorende economische en functionele codering luidt 21.1 respectievelijk 13.1.
1. De grondslag van het artikel en het te voeren beleid
Binnen dit artikel wordt onderscheid gemaakt naar reguliere en niet-reguliere aflossingen. Overigens zijn aflossingen niet relevant voor het feitelijke financieringstekort.
De reguliere aflossingen vloeien voort uit de overeengekomen aflossingsverplichtingen op afgesloten leningen.
Niet-reguliere aflossingen hebben betrekking op de aflossing van vaste schuld voordat de volledige looptijd van de lening is verstreken. Niet-reguliere aflossingen zijn onder te verdelen in drie categorieën:
– op grond van een vervroegde aflossingsclausule in de oorspronkelijke leningvoorwaarden, waardoor geheel of gedeeltelijk kan worden afgelost tegen een vooraf vastgestelde koers (inclusief boete);
– indien geldgever en geldnemer dit tegen een af te spreken koers nader overeenkomen;
– bij amortisatie van grootboekschuld.
Aflossing vaste schuld werd voorheen verantwoord op de artikelen 01.03 Aflossingen en 01.04 Vervroegde aflossingen.
| Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 mln.) | ||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 1995 | 1996 | 1997 | 1998 | 1999 | 2000 | 2001 | ||
| Ontw.begr. 96 | 19 717,7 | 12 860,0 | 35 351,9 | 46 914,0 | 48 778,7 | |||
| 1e suppl.wet 96 | + 1 418,6 | – 4,9 | + 5 197,0 | – 2,9 | – 3,1 | |||
| mutatie 1 | + 618,7 | |||||||
| mutatie 2 | – 93,8 | – 373,8 | – 374,1 | – 470,7 | – 500,0 | |||
| mutatie 3 | – 25,0 | – 25,0 | – 25,0 | – 25,0 | – 25,0 | |||
| Ontw.begr. 97 | 29 052,4 | 21 636,2 | 12 456,3 | 40 149,8 | 46 415,4 | 48 250,6 | 42 209,6 | |
3. De toelichting bij de cijfers
Bij de raming van de aflossingsverplichtingen is rekening gehouden met de gerealiseerde vervroegde aflossingen tot en met 30 juni 1996. Geen rekening is gehouden met de gevolgen van eventuele toekomstige vervroegde aflossingen en inkoop van staatsschuld. Voorts is opgenomen een bedrag van f 25 mln. voor de amortisatie van Grootboekschuld (zie paragraaf 5.3 van het algemene deel van de Memorie van Toelichting).
Mutatie 1Deze mutatie heeft betrekking op de kaseffecten van de tot en met 30 juni 1996 gerealiseerde vervroegde aflossing.
Mutatie 2Deze mutatie heeft betrekking op de vervallen reguliere aflossingen op leningen die vervroegd zijn afgelost.
Mutatie 3De mutatie heeft betrekking op de verlaging met f 25 mln. van het bedrag dat beschikbaar is voor de amortisatie van perpetuele schuld.
4. De onderverdeling in artikelonderdelen
| De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (x f 1 mln.) en de economische en functionele codering | ||||||||
| Artikelonderdeel | Uitgaven | Codering | ||||||
| 1995 | 1996 | 1997 | econ. | funct. | ||||
| Reguliere aflossing | 29 004,3 | 19 579,1 | 12 431,3 | |||||
| Niet-reguliere aflossing | 48,1 | 2 057,1 | 25,0 | |||||
| Totaal | 29 052,4 | 21 636,2 | 12 456,3 | 91.1 | 14.1 | |||
1. De grondslag van het artikel en het te voeren beleid
Op dit artikel wordt het agio verantwoord dat wordt betaald bij de inkoop van vaste schuld indien de couponrente van de lening hoger is dan de geldende marktrente.
Dit artikel wordt als niet-relevant aangemerkt voor het beleidsrelevante financieringstekort.
Agio bij inkoop werd voorheen verantwoord op artikel 01.01 Rente en kosten, onderdeel boete bij vervroegde aflossing.
| Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 mln.) | ||||||||
| 1995 | 1996 | 1997 | 1998 | 1999 | 2000 | 2001 | ||
| Ontw.begr. 96 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | |||
| mutatie | + 45,8 | |||||||
| Ontw.begr. 97 | 0 | 45,8 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | |
3. De toelichting bij de cijfers
De raming is meerjarig pro memorie opgenomen, omdat het beleid er niet op is gericht leningen uit te geven onder of boven pari.
De mutatie heeft betrekking op het agio dat is geboekt bij de inkoop van onderhandse schuld tot en met 30 juni 1996.
De bij dit artikel behorende economische en functionele codering luidt 91.4 resp. 14.7.
11.04 Disagio bij uitgifte schuld
1. De grondslag van het artikel en het te voeren beleid
Op dit artikel wordt het disagio verantwoord dat wordt betaald bij de uitgifte van vaste schuld. Disagio wordt betaald indien de couponrente van de uit te geven lening lager is dan de geldende marktrente op het moment van inschrijving. Het disagio is te zien als een vergoeding aan de belegger voor lagere rentebetalingen in de toekomst.
Dit artikel wordt als niet-relevant aangemerkt voor het beleidsrelevante financieringstekort.
Disagio bij uitgifte schuld werd voorheen verantwoord op artikel 01.01 Rente en kosten, onderdeel disagio.
| Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 mln.) | ||||||||
| 1995 | 1996 | 1997 | 1998 | 1999 | 2000 | 2001 | ||
| Ontw.begr. 96 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | |||
| 1e suppl.wet 96 | + 96,4 | |||||||
| mutatie | + 369,4 | |||||||
| Ontw.begr. 97 | 436,8 | 465,8 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | |
3. De toelichting bij de cijfers
De raming is meerjarig pro memorie opgenomen, omdat het beleid er niet op is gericht leningen uit te geven onder of boven pari.
De mutatie heeft betrekking op het geboekte disagio bij de heropening van de 6%-lening uit januari 1996, waarop de storting in april heeft plaatsgevonden.
De bij dit artikel behorende economische en functionele codering luidt 91.5 resp. 14.7.
11.05 Overige uitgaven vaste schuld
1. De grondslag van het artikel en het te voeren beleid
Op dit artikel worden de overige kosten verantwoord die rechtstreeks samenhangen met de transacties ten aanzien van vaste schuld, te weten:
– provisie en kosten (aanmaak waardepapier, drukken van schuldbewijzen, aanmaken van prospectussen, advertentiekosten staatsleningen, noteringskosten effectenbeurs, kosten CF-kantoor en Necigef en provisie bij amortisatie). Voorts vallen ook de kosten van publicaties als het kwartaalbericht en het jaarverslag (ca. f 0,15 mln.) onder dit onderdeel; deze kosten zijn aan te merken als voorlichtingsuitgaven.
– boete bij vervroegde aflossing;
– overige kosten
Op het onderdeel overige kosten is een bedrag van f 250 000 opgenomen om in bijzondere gevallen aan houders van schuldbewijzen na de verjaringstermijn van rentebetalingen (verjaring na 5 jaar) en aflossingen (verjaring na 10 jaar) alsnog een vergoeding toe te kennen. Voor leningen die vanaf 1 januari 1997 worden aangegaan en gestort zal de verjaringstermijn van de aflossingen ook op 5 jaar worden gesteld. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar paragraaf 3 van het algemeen deel van de memorie van toelichting.
De overige uitgaven vaste schuld werden voorheen verantwoord op de artikelen 01.01 Rente en kosten, onderdelen provisie en kosten en boete bij vervroegde aflossing en 01.02 Vergoeding verjaarde vorderingen.
| Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 mln.) | ||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 1995 | 1996 | 1997 | 1998 | 1999 | 2000 | 2001 | ||
| Ontw.begr. 96 | 15,8 | 15,8 | 15,8 | 15,8 | 15,8 | |||
| 1e suppl.wet 96 | + 14,4 | |||||||
| mutatie | + 50,1 | |||||||
| Ontw.begr. 97 | 3,5 | 80,3 | 15,8 | 15,8 | 15,8 | 15,8 | ||
3. De toelichting bij de cijfers
De mutatie heeft betrekking op de boete die is betaald op grond van de leningvoorwaarden bij het vervroegd aflossen van openbare en onderhandse leningen tot en met 30 juni 1996.
4. De onderverdeling in artikelonderdelen
| De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (x f 1 mln.) en de economische en functionele codering | ||||||||
| Artikelonderdeel | Uitgaven | Codering | ||||||
| 1995 | 1996 | 1997 | econ. | funct. | ||||
| Provisie en kosten | 1,9 | 15,5 | 15,5 | 12.1 | 13.9 | |||
| Boete | 1,5 | 64,5 | 0 | 12.1 | 13.9 | |||
| Overige kosten | 0,1 | 0,3 | 0,3 | 21.1 | 13.1 | |||
| Totaal | 3,5 | 80,3 | 15,8 | |||||
1. De grondslag van het artikel en het te voeren beleid
In artikel 3 van dit wetsvoorstel wordt de Minister van Financiën gemachtigd tot het aangaan van geldleningen. Via uitgifte van DTC's (Dutch Treasury Certificates), kas en callgeldleningen worden eventuele tijdelijke tekorten in het schatkistsaldo gedekt.
Een nadere toelichting op de artikelonderdelen wordt gegeven onder punt 4, «De onderverdeling in artikelonderdelen».
De rente vlottende schuld werd voorheen verantwoord op de artikelen 02.01 Rente en kosten van schatkistpapier, kasgeldleningen en van gelden in rekening-courant met 's Rijks schatkist en 03.02 Overige rentelasten.
| Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 mln.) | ||||||||
| 1995 | 1996 | 1997 | 1998 | 1999 | 2000 | 2001 | ||
| Ontw.begr. 96 | 319,3 | 320,0 | 320,8 | 321,3 | 322,3 | |||
| 1e suppl. wet 96 | – 54,4 | 0 | – 13,6 | – 13,6 | – 13,6 | |||
| mutatie 1 | – 14,6 | – 82,4 | + 13,6 | + 13,6 | + 13,6 | |||
| mutatie 2 | + 175,0 | + 107,3 | + 300,3 | + 300,3 | + 300,3 | |||
| Ontw.begr. 97 | 281,6 | 425,3 | 344,9 | 621,1 | 621,6 | 622,6 | 622,6 | |
3. De toelichting bij de cijfers
Mutatie 1De mutatie heeft betrekking op bijstelling van de raming als gevolg van gewijzigde rekenrentes.
Mutatie 2De mutatie heeft betrekking op de extra uitgaven die worden verwacht als gevolg van de plaatsing van DTC-programma's. De meerjarige effecten hangen samen met nader te maken afspraken met DNB over een beperkt schatkistsaldo in de aanloop naar de derde fase EMU (zie algemeen deel, paragraaf 5.4) en met de veronderstelde rekenrentes (zie hierna).
4. De onderverdeling in artikelonderdelen
| De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (x f 1 mln.) en de economische en functionele codering | ||||||||
| Artikelonderdeel | Uitgaven | Codering | ||||||
| 1995 | 1996 | 1997 | econ. | funct. | ||||
| Rente DTC's | 260,0 | 404,2 | 324,6 | |||||
| Rente overig kort papier | 1,8 | 1,5 | 0,0 | |||||
| Overige rentelasten | 19,8 | 19,6 | 20,3 | |||||
| Totaal | 281,6 | 425,3 | 344,9 | 21.1 | 13.1 | |||
Rente Dutch Treasury Certificates (DTC's)
DTC's (Dutch Treasury Certificates) zijn verhandelbaar geldmarktpapier dat door de Staat wordt uitgegeven (en verhandeld) op discontobasis. DTC's kunnen een looptijd hebben van 1–24 maanden. Gebruikelijk is een looptijd bij uitgifte tussen 3 en 9 maanden. Met de uitgifte van DTC's kunnen tijdelijke kastekorten worden gefinancierd.
| Overzicht rekenrentes vlottende schuld vanaf de vorige ontwerp-begroting | ||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 1996 | 1997 | 1998 | 1999 | 2000 | 2001 | |||
| Ontw.begr. 96 | 5,25% | 5,25% | 5,25% | 5,25% | 5,25% | |||
| 1e suppl.wet 96 | 4,25% | 5,25% | 5,00% | 5,00% | 5,00% | |||
| Ontw.begr. 97 | 3,50% | 3,75% | 5,25% | 5,25% | 5,25% | 5,25% | ||
Op dit artikelonderdeel worden rentelasten verantwoord van korte leningen (kas- en callgeldleningen) die worden gebruikt voor de overbrugging van tijdelijke liquiditeitstekorten.
Op dit artikelonderdeel wordt de rente over saldi die worden aangehouden door:*het Fonds Luchtverontreiniging, het Groenfonds en het Restauratiefonds in 's Rijks schatkist*agentschappen op de rekening-courant met het rijk*derden, te weten de Nederlandse Financieringsmaatschappij voor Ontwikkelingslanden N.V. (FMO; regeling is vastgelegd bij brief d.d. 11 november 1982, nr. 382-10 727; voor een nadere toelichting wordt verwezen naar begroting IXB Financiën) en de Nederlandse Investeringsbank voor Ontwikkelingslanden N.V. (NIO; regeling is vastgelegd bij brief d.d. 29 augustus 1972, nr. A72-12 615; voor een nadere toelichting wordt verwezen naar begroting V Buitenlandse Zaken).
Voorts wordt op dit onderdeel verantwoord de rente van borgtochten van belastingschuldigen, rente van geconsigneerde gelden en andere rentelasten.
12.02 Overige uitgaven vlottende schuld
1. De grondslag van het artikel en het te voeren beleid
Op dit artikel worden verantwoord de kosten die direct samenhangen met de uitgifte van vlottende schuld, waaronder advertentiekosten en leveringskosten.
Deze kosten werden voorheen niet afzonderlijk verantwoord. De raming van het artikel Onvoorziene uitgaven, dat in de nieuwe begrotingsindeling is komen te vervallen, is bij dit artikel opgenomen.
| Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 mln.) | ||||||||
| 1995 | 1996 | 1997 | 1998 | 1999 | 2000 | 2001 | ||
| Ontw.begr. 96 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | |||
| Ontw.begr. 97 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | |
3. De toelichting bij de cijfers
De raming bedraagt f 15 000.
De bij dit artikel behorende economische en functionele codering luidt 12.1 respectievelijk 13.9.
11.01 Ontvangen rente bij uitgifte vaste schuld
1. De grondslag van het artikel en het te voeren beleid
Op dit artikel wordt verantwoord de ontvangen rente bij uitgifte van vaste schuld. Indien bij (her)uitgifte van een staatslening de datum van storting niet samenvalt met de coupondatum, dient het bij de inschrijving toegewezen bedrag te worden verhoogd met de lopende rente.
De ontvangen rente bij uitgifte schuld werd voorheen verantwoord op artikel 01.01 Ontvangsten bij storting op staatsleningen, onderdeel rente.
| Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 mln.) | ||||||||
| 1995 | 1996 | 1997 | 1998 | 1999 | 2000 | 2001 | ||
| Ontw.begr. 96 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | |||
| mutatie | + 480,9 | |||||||
| Ontw.begr. 97 | 320,7 | 480,9 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | |
3. De toelichting bij de cijfers
De mutatie heeft betrekking op het ontvangen agio op de tot en met 30 juni 1996 uitgegeven en gestorte leningen.
De bij dit artikel behorende economische en functionele codering luidt 26.1 en 13.1.
1. De grondslag van het artikel en het te voeren beleid
Artikel 3 van het onderhavige wetsvoorstel machtigt de Minister van Financiën tot het aangaan van geldleningen ten laste van de Staat der Nederlanden. Uitgifte van vaste schuld vindt plaats door een beroep te doen op de kapitaalmarkt. Het kapitaalmarktberoep is in beginsel gelijk aan de financieringsbehoefte.
De uitgifte vaste schuld werd voorheen verantwoord op artikel 01.02 Uitgifte van vaste schuld.
| Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 mln.) | ||||||||
| 1995 | 1996 | 1997 | 1998 | 1999 | 2000 | 2001 | ||
| Ontw.begr. 96 | 39 147,3 | 33 155,2 | 56 444,5 | 68 520,6 | 70 419,2 | |||
| mutatie | – 5 179,9 | – 10 396,8 | + 7 122,2 | +1 114,7 | + 288,3 | |||
| Ontw.begr. 97 | 52 790,9 | 33 967,4 | 22 758,4 | 63 566,7 | 69 635,3 | 70 707,5 | 62 194,2 | |
3. De toelichting bij de cijfers
De mutatie heeft betrekking op de wijzigingen in het verwachte kapitaal- marktberoep.
De bij dit artikel behorende economische en functionele codering luidt 96.1 respectievelijk 14.1.
11.03 Agio bij uitgifte schuld
1. De grondslag van het artikel en het te voeren beleid
Op dit artikel wordt het agio verantwoord dat wordt ontvangen indien bij de uitgifte van vaste schuld de couponrente van de uit te geven lening op het moment van inschrijving hoger is dan de op dat moment geldende marktrente voor soortgelijke leningen.
Dit artikel wordt als niet-relevant aangemerkt voor het beleidsrelevante financieringstekort.
Agio bij uitgifte schuld werd voorheen verantwoord op artikel 01.01 Ontvangsten bij storting op staatsleningen, onderdeel agio.
| Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 mln.) | ||||||||
| 1995 | 1996 | 1997 | 1998 | 1999 | 2000 | 2001 | ||
| Ontw.begr. 96 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | |||
| mutatie | + 842,2 | |||||||
| Ontw.begr. 97 | 197,8 | 842,2 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | |
3. De toelichting bij de cijfers
De mutatie heeft betrekking op het ontvangen agio op tot en met 30 juni 1996 uitgegeven en gestorte leningen.
De bij dit artikel behorende economische en functionele codering luidt 96.4 respectievelijk 14.7.
11.04 Disagio bij inkoop schuld
1. De grondslag van het artikel en het te voeren beleid
Op dit artikel wordt het disagio verantwoord dat wordt geboekt bij de inkoop van vaste schuld indien de koers van de lening beneden pari noteert. Het nominale bedrag van de aflossing wordt verantwoord op uitgavenartikel 11.02 (onderdeel niet-reguliere aflossingen).
Dit artikel wordt als niet-relevant aangemerkt voor het beleidsrelevante financieringstekort.
Disagio bij inkoop schuld werd voorheen verantwoord op artikel 03.01 Overige ontvangsten, onderdeel disagio bij inkoop van schuld.
| Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 mln.) | ||||||||
| 1995 | 1996 | 1997 | 1998 | 1999 | 2000 | 2001 | ||
| Ontw.begr. 96 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | |||
| mutatie | + 1,7 | |||||||
| Ontw.begr. 97 | 4,1 | 1,7 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | |
3. De toelichting bij de cijfers
De mutatie heeft betrekking op het betaalde disagio op tot en met 30 juni 1996 ingekochte leningen.
De bij dit artikel behorende economische en functionele codering luidt respectievelijk 96.5 en 14.7.
11.05 Overige ontvangsten vaste schuld
1. De grondslag van het artikel en het te voeren beleid
Op dit artikel worden verantwoord de overige ontvangsten die betrekking hebben op de vaste schuld. Het gaat daarbij met name om de in mindering gebrachte rente op ter verzilvering aangeboden aflosbare schuldbewijzen wegens het ten onrechte ontbreken van nog niet vervallen coupons. Deze post wordt onder de overige uitgaven geboekt omdat de aflossingen van de Nationale Schuld in nominale bedragen luiden.
De overige ontvangsten vaste schuld werden voorheen verantwoord op artikel 03.01 Overige ontvangsten (exclusief het onderdeel disagio; zie artikel 11.04 Disagio)
| Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 mln.) | ||||||||
| 1995 | 1996 | 1997 | 1998 | 1999 | 2000 | 2001 | ||
| Ontw.begr. 96 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | |||
| Ontw.begr. 97 | 0,1 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | |
De bij dit artikel behorende economische en functionele codering luidt 16.1 respectievelijk 13.9.
12.01 Rente kortlopende vorderingen
1. De grondslag van het artikel
Bij de rekening-courantverhouding tussen de Staat der Nederlanden en de rijksfondsen en agentschappen, zoals genoemd bij de toelichting op uitgavenartikel 12.01, wordt de over eventuele debetsaldi aan de Staat verschuldigde rente onder dit artikel verantwoord.
.e rente van kortlopende vorderingen werd voorheen verantwoord op artikel 02.01 Rente van kortlopende vorderingen en is onveranderd.
| Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 mln.) | ||||||||
| 1995 | 1996 | 1997 | 1998 | 1999 | 2000 | 2001 | ||
| Ontw.begr. 96 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | |||
| Ontw.begr. 97 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | |
De bij dit artikel behorende economische en functionele codering luidt respectievelijk 26.2 en 13.1.
12.02 Rentevergoeding op schatkistsaldo
1. De grondslag van het artikel
Op dit artikel wordt de rentevergoeding verantwoord die met ingang van 1996 door De Nederlandsche Bank N.V. (DNB) over het schatkistsaldo wordt vergoed. Tot 1996 vond rentevergoeding op het schatkistsaldo door DNB niet (expliciet) plaats, maar was deze begrepen in de winstafdracht van DNB.
De rentevergoeding op het schatkistsaldo werd voorheen verantwoord op artikel 02.02 Rentevergoeding schatkistsaldo.
| Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 mln.) | ||||||||
| 1995 | 1996 | 1997 | 1998 | 1999 | 2000 | 2001 | ||
| Ontw.begr. 96 | 288,8 | 288,8 | 288,8 | 288,8 | 288,8 | |||
| mutatie 1 | – 88,9 | – 82,5 | ||||||
| mutatie 2 | –93,8 | –262,5 | –262,5 | –262,5 | ||||
| Ontw.begr. 97 | 0 | 199,9 | 112,5 | 26,3 | 26,3 | 26,3 | 26,3 | |
3. De toelichting bij de cijfers
De mutatie is het gevolg van de gewijzigde rekenrentes. Voorts is opgenomen het verschil tussen de gerealiseerde en voor 1996 gehanteerde rekenrente.
De mutatie hangt samen met nader te maken afspraken met DNB over een beperkt schatkistsaldo in de aanloop naar de derde fase EMU (zie algemeen deel, paragraaf 5.4) en met de veronderstelde rekenrentes.
Voor de raming op dit artikel dient als basis het voorziene schatkistsaldo bij DNB en de rekenrente vlottende schuld (zie de tabel bij uitgavenartikel 12.01).
De bij dit artikel behorende economische en functionele codering luidt 26.1, resp. 13.1.
Dit artikel stemt overeen met wetsartikel 3 van de Ontwerpbegroting 1996, met dien verstande dat de machtiging in dat artikel mede betrekking had op het uitgeven en belenen van schatkistpapier. Deze bepaling is echter niet meer opgenomen. Verwezen wordt naar hetgeen hieromtrent wordt opgemerkt bij de toelichting op wetsartikel 5.
Artikel 3 ziet thans uitsluitend op de machtiging die aan de Minister van Financiën wordt verstrekt terzake het aangaan van geldleningen in de sfeer van de korte dan wel de lange financiering van de Staat.
In de Wet van 9 november 1950 tot verwisseling van Leningwetobligaties in Grootboekobligaties en samensmelting van enige amortisatiebepalingen (Stb. K 494) (hierna te noemen: Wet van 1950) waren oorspronkelijk enige verspreid staande artikelen met betrekking tot de inkoop van staatsschuld samengevoegd en vervangen door een eenvoudiger regeling met een perpetueel karakter. Bij Wet van 13 juli 1973 (Stb. 340) is het grootste deel van de Wet van 1950 vervallen; gehandhaafd is alleen artikel 3, eerste lid, dat luidt: «Behoudens de delgingsverplichtingen uit anderen hoofde, wordt jaarlijks op de begroting van staatsuitgaven een bedrag uitgetrokken voor de inkoop, tot ten hoogste de parikoers, van gevestigde Nationale Schuld, enz.». Dit betreft amortisatie van staatsschuld.
Daarnaast bestaat sinds lange tijd de mogelijkheid om, op grond van een daartoe strekkende clausule in het leningcontract, onder bepaalde voorwaarden leningen vervroegd af te lossen tegen een te voren vastgestelde prijs. In meer recente jaren zijn in de praktijk nog andere vormen van inkoop van schuld ontstaan, zoals conversie en tweezijdig vervroegde aflossing tegen op de markt tot stand gekomen prijzen.
Daardoor is de behoefte gegroeid aan een eenduidig kader voor alle vormen van niet-reguliere aflossingen. In het Algemeen Deel van deze Memorie van Toelichting is apart ingegaan op het beleidskader terzake. Een wettelijke basis voor amortisatie is niet langer nodig. Thans kan dus ook het laatste onderdeel van de Wet van 1950 komen te vervallen en kan deze wet worden ingetrokken.
In de Wet schatkistpapier (van 10 maart 1976, Stb. 110) zijn bepalingen omtrent de uitgifte van schatkistbiljetten (looptijd ten hoogste vijf jaar met rentebetaling op vastgestelde tijdstippen) en van schatkistpromessen (maximale looptijd van twaalf maanden en disconto-verrekening bij uitgifte) opgenomen. Sinds 1990 staat geen schatkistpapier meer in de markt uit.
Het thans gebruikte instrument voor de korte financiering (Dutch Treasury Certificates, DTC's) wordt niet gerekend tot schatkistpapier in de zin van de Wet schatkistpapier.
Weliswaar zijn DTC's vergelijkbaar met schatkistpromessen (looptijd, discontoverrekening), maar het betreft geen toonder- of orderschuld. Bij DTC's wordt een Global Note gedeponeerd bij het Clearing Instituut van De Nederlandsche Bank en aan- of verkoop geschiedt door overboeking in het register van het Clearing Instituut; levering vindt giraal plaats.
Plaatsing van DTC's heeft als wettelijke basis het algemene machtigingsartikel, wetsartikel 3, van deze wet.
Artikel 4 van de Wet schatkistpapier maakt tevens melding van het belenen van schatkistpapier. Belening vond plaats ten behoeve van De Nederlandsche Bank N.V. Een dergelijke belening zou thans in strijd komen met het Verdrag betreffende de Europese Unie, waarvan artikel 104 een verbod behelst op het verlenen van voorschotten in rekening courant of andere krediet-faciliteiten bij de centrale bank ten behoeve van de overheid (zie ook de toelichting op artikel 3 van deze wet).
Aangezien de Wet schatkistpapier geen bepalingen bevat die thans nog van betekenis zijn, kan deze wet worden ingetrokken.
Besluit van 27 Januari 1809 houdende eene Wet tot daarstelling van een Grootboek der Publieke Schuld.
Wet an 14 mei 1814 tot herstel der Nationale Schuld en tot vinding der Fondsen benoodigd tot stijving van 's Lands Kas (Stb. 1814, 58).
Koers en rendement bewegen in tegengestelde richting. Een verlaging van de koers van een lening impliceert een stijging van het rendement op die lening.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-25000-IXA-2.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.