25 000 IV
Vaststelling van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van het Kabinet voor Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse Zaken (IV) voor het jaar 1997

nr. 27
VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 16 april 1997

De vaste commissie voor Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse Zaken1 heeft op 11 december 1996 overleg gevoerd met minister Voorhoeve voor Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse Zaken over het besluit van de rijksministerraad van 29 november 1996 inzake het rapport-De Ruiter. De minister was bij dit overleg vergezeld van gevolmachtigd minister De Haseth van de Nederlandse Antillen en gevolmachtigd minister Croes van Aruba. Het overleg vond plaats aan de hand van de brief d.d. 29 november 1996.

Van het overleg brengt de commissie bijgaand beknopt verslag uit.

Vragen en opmerkingen uit de commissie

De heer Van Oven (PvdA) complimenteerde de drie betrokken regeringen met de toch vrij snelle besluitvorming over de aanbevelingen van het rapport-De Ruiter, hoewel er het nodige op tafel lag en ook de sfeer tussen Nederland en Aruba de afgelopen maanden te wensen overliet.

De redenen waarom de rijksministerraad niet de aanbeveling tot instelling van één gemeenschappelijk openbaar ministerie voor de Nederlandse Antillen en Aruba heeft gevolgd, vond hij niet allemaal even overtuigend. Zo wordt zonder meer gesteld dat de politieke verantwoordelijkheid van de afzonderlijke ministers van Justitie het beste kan worden gewaarborgd door handhaving van afzonderlijke openbare ministeries. Hij kon zich echter ook een constructie indenken waarbij de beide openbare ministeries afzonderlijk blijven bestaan, maar de functie van procureur-generaal van Aruba en die van procureur-generaal van de Nederlandse Antillen door één en dezelfde persoon wordt vervuld. Is die mogelijkheid nog overwogen?

Naar aanleiding van de afspraak om de procureur-generaal van de Nederlandse Antillen voorlopig ook de functie van procureur-generaal van Aruba te laten vervullen, vroeg hij hoe dit precies geregeld is. Artikel 62 van de samenwerkingsregeling tussen de Nederlandse Antillen en Aruba biedt weliswaar de mogelijkheid om strafzaken die in eerste aanleg in het ene land zijn berecht, vervolgens door het hof in het andere land te laten behandelen, maar daarmee is er nog geen hiërarchische bevoegdheid ontstaan ten opzichte van het openbaar ministerie van het andere land. De1

bevoegdheid beperkt zich immers tot het optreden ter zitting. Hij ging er daarom van uit dat voor het voorlopig waarnemen van de functie van procureur-generaal van Aruba een afzonderlijk besluit nodig is. Hij vond daarvoor steun in het derde lid van artikel 65 van de samenwerkingsregeling, dat bepaalt dat elk der landen zelf de waarneming van de procureur-generaal regelt.

Zeer gelukkig was hij met de afspraak over een gezamenlijk rechercheteam voor de bestrijding van grensoverschrijdende criminaliteit. Hij had begrepen dat spoedig een rapportage van de werkgroep-Piar verwacht mag worden. Is binnen de koninkrijksministerraad nog gesproken over de periode waarvoor dat gezamenlijke team wordt ingesteld?

Hij drong erop aan dat voor de procureur-generaal van Aruba die naar Nederland zal terugkeren, een behoorlijke andere functie wordt gezocht. Dat komt deze functionaris zeker toe, gezien hetgeen hij heeft moeten doormaken.

In punt 7 van het besluit van de koninkrijksregering wordt de veronderstelling geuit dat de Arubaanse Rekenkamer samenwerking zoekt met de Nederlandse Rekenkamer. Wordt die samenwerking ook in de praktijk bewaarheid? Aan wie zal vervolgens worden gerapporteerd? Is hierin ook nog een rol voor de koninkrijksregering voorzien?

Afsluitend wees hij erop dat ook de sfeer waarbinnen de afspraken worden uitgevoerd, van belang is. Hij had echter twijfels of die sfeer wel zo goed is, o.a. gezien de uitlatingen van de Arubaanse ministers Croes en Vos direct na de publicatie van het rapport-De Ruiter en de kritische opmerkingen van de Arubaanse minister-president in de marge van zijn bezoek aan Nederland in verband met de besluitvorming over het rapport. De heer Van Oven vond het daarom van groot belang om de uitvoering van het rapport regelmatig te evalueren. Nu een aantal afspraken al begin volgend jaar uitgewerkt moeten zijn, zou hij in ieder geval graag zien dat een eerste evaluatie al over drie maanden plaatsvindt en de Kamer daar uiterlijk 1 maart 1997 over wordt geïnformeerd. Aan de hand van die evaluatie kan dan worden bezien wanneer de volgende evaluatie dient plaats te vinden.

Mevrouw Scheltema-de Nie (D66) onderschreef de waardering voor het feit dat de koninkrijksregering zo spoedig met een reactie op het rapport-De Ruiter is gekomen en dat gezamenlijk overeen is gekomen dat de rechtshandhaving, de intensivering van de criminaliteitsbestrijding en de deugdelijkheid van bestuur een concrete aanpak vergt. Dat daarbij wederzijds vertrouwen en respect is uitgesproken, vond zij van belang, zeker gezien de af en toe minder gelukkige opmerkingen die de afgelopen maanden in de publiciteit zijn gekomen. Zij vroeg in dit verband nog of de oppositie op Aruba op enigerlei wijze bij de standpuntbepaling in de rijksministerraad betrokken is geweest.

Verheugend vond zij dat uitzicht wordt geboden op een rijkswet voor de interregionale rechtshulp. Kan al worden gezegd wanneer indiening van de ontwerpwet te verwachten is?

Zij was aanvankelijk geporteerd voor één gemeenschappelijk openbaar ministerie voor zowel de Nederlandse Antillen als Aruba, met het oog op de afstand die zo'n openbaar ministerie kan hebben tot de dagelijkse praktijk en met het oog op de onafhankelijkheid. De bezwaren die daartegen zijn aangevoerd door de rijksministerraad, snijden op zichzelf wel hout, maar deze bezwaren waren al bekend en vond zij ook niet voldoende om van haar voorkeur voor één openbaar ministerie af te stappen. De rijksministerraad heeft daarnaast nog een andere afspraak gemaakt ter waarborging van het onafhankelijk functioneren van het openbaar ministerie, namelijk dat aanwijzingen van de minister van Justitie in individuele zaken schriftelijk dienen te worden vastgelegd en dat de procureur-generaal daartegen in beroep kan gaan bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie dat een bindende uitspraak doet. Op zichzelf leek haar dat een goede afspraak, maar zij vroeg wel of hierdoor niet het risico ontstaat dat het hof meer een politiek orgaan wordt. Verder had het omkleden met extra waarborgen van de aanstellings- en ontslagregeling voor de leden van het openbaar ministerie haar instemming. Zij hoopte dat hiermee politieke beïnvloeding voldoende wordt afgeschermd.

Met dit alles is evenwel het probleem van de afstand nog niet weggenomen. In dat verband dacht ook zij aan een personele unie, in de zin zoals die nu voor een aantal maanden zal gelden. Is deze mogelijkheid door de rijksministerraad overwogen?

Instelling van een gezamenlijk rechercheteam voor de bestrijding van de internationale grensoverschrijdende criminaliteit juichte zij toe. Zijn er al ideeën over de gezags- en beheersstructuur voor dit team? Kan dit team niet al sneller van start gaan dan halverwege 1997?

Zij had de indruk dat het een forse inspanning van Aruba zal vergen om vóór 1 maart 1997 de landsrecherche op organieke sterkte te brengen. De vorige recherche werd door de procureur-generaal geformeerd en bestond voornamelijk uit Nederlanders, met alle positieve en negatieve kanten van dien. Zijn er nu op Aruba voldoende geschoolde mensen beschikbaar, of moet de scholing nog verder worden geïntensiveerd?

Ook zij drong erop aan dat de procureur-generaal van Aruba in Nederland een adequate functie aangeboden krijgt.

Bij punt 7 van het besluit van de koninkrijksregering vroeg zij hoe het reguliere onderzoek naar de projecten die de laatste jaren in opspraak zijn geraakt, zich verdraagt met de erkenning door de Arubaanse Rekenkamer in het rapport-Aarts dat zij niet geheel aan haar wettelijke taak kan voldoen. Ondanks de hulp die kennelijk gezocht zal worden bij de Nederlandse Rekenkamer, zag zij op dit punt risico's. Verder vroeg zij of met het uitbrengen van een rapportage dit onderwerp als afgesloten zal worden beschouwd. Of wordt de mogelijkheid opengehouden dat er vervolgens nog strafrechtelijk onderzoek plaatsvindt?

Ten slotte drong ook zij aan op een regelmatige evaluatie van de uitvoering van het besluit. Het gaat hier om belangrijke onderwerpen en zij wilde daar graag bij betrokken blijven.

De heer Van Middelkoop (GPV) vond eveneens dat een compliment op zijn plaats is. In het bijzonder wilde hij dat richten tot de Nederlandse minister voor Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse Zaken, de Arubaanse regering en de gevolmachtigde ministers. Hetgeen nu op tafel ligt, kan zorgen voor betere verhoudingen dan de afgelopen maanden het geval was. Er is inmiddels de nodige vooruitgang geboekt. Dat was ook noodzakelijk, gezien het slechte imago van Aruba waar zijns inziens de publiciteit rond het recente bezoek van een aantal fractievoorzitters bepaald geen goed aan heeft gedaan. Hij verwachtte dat daar verbetering in kan worden gebracht met de uitvoering van het nu genomen besluit.

Volgens de brief van 29 november jl. gaat het om een besluit van de koninkrijksregering dat is bekrachtigd in de raad van ministers van het Koninkrijk. Wat is dan de rechtskracht van dit besluit en wie zijn daar precies aan gebonden? De koninkrijksregering is er uiteraard aan gebonden, maar geldt dat ook voor de regering-Eman? Het besluit is niet voorzien van de handtekening van de Arubaanse minister-president, terwijl het protocol indertijd wél was voorzien van de handtekeningen van de ministers-presidenten. Verder vroeg hij wat de relatie is tussen dit besluit en artikel 43 van het Statuut. Het eerste lid van dit artikel zegt dat de zorg voor de verwezenlijking van de fundamentele menselijke rechten en vrijheden, de rechtszekerheid en de deugdelijkheid van bestuur een taak is van elk land en de diverse punten van het besluit betreffen ook grotendeels landszaken. Het tweede lid van artikel 43 bepaalt evenwel dat het waarborgen van de genoemde rechten, vrijheden, rechtszekerheid en deugdelijkheid van bestuur een aangelegenheid van het Koninkrijk is. Omdat het gaat om een besluit van de koninkrijksregering, ligt de veronderstelling voor de hand dat het ook koninkrijksaangelegenheden betreft, maar volgens hem was dat meer zeer ten dele het geval. Bovendien wees hij erop dat de koninkrijksregering een landsregering niet kan binden.

Hij herinnerde vervolgens aan de motie bij de recente begrotingsbehandeling waarin ervoor is gepleit om de kwestie van de ene procureur-generaal maar even terzijde te laten en vooral in te zetten op het oplossen van de actuele problemen. Omdat hij die motie indertijd mede had ondertekend, had hij met instemming gezien dat dit nu ook de lijn van de koninkrijksregering is geworden. De relatie tussen het Gemeenschappelijk Hof en het openbaar ministerie is wel een opvallende, uit een oogpunt van scheiding van machten, maar gelet op de aard en de schaal van de problemen op de Nederlandse Antillen en Aruba vond hij deze relatie toch alleszins aanvaardbaar.

De commissie-De Ruiter heeft aanbevolen om de beide landsrecherchediensten samen te voegen, maar deze aanbeveling is niet gevolgd en deze beide diensten blijven dus op landsniveau opereren. De heer Van Middelkoop kon zich voorstellen dat dan spanningen kunnen ontstaan met het ene gezamenlijke rechercheteam voor de bestrijding van de internationale grensoverschrijdende criminaliteit. Heeft dat gezamenlijke team ook de instemming van de regering van de Nederlandse Antillen?

Ook hij zou graag een regelmatige evaluatie van de uitvoering van het besluit zien. 1 maart a.s. leek hem een geschikte datum voor een eerste rapportage aan de Kamer over de stand van zaken.

Ten slotte vroeg hij hoe de minister denkt over het besluit van de Amerikaanse regering om Aruba, voor de eerste keer, te plaatsen op de lijst van drugsproducerende of belangrijke doorvoerlanden. Wat is de betekenis hiervan en vergt dit nog actie vanwege Nederland of vanwege het Koninkrijk?

Mevrouw Bijleveld-Schouten (CDA) vond het verstandig dat in het besluit van de koninkrijksregering de actuele knelpunten het eerst zijn aangepakt. Bij de uitvoering van dit besluit komt het vooral aan op een goede samenwerking tussen Aruba en Nederland en in dat verband heeft de koninkrijksregering geconstateerd dat ten aanzien van de regering van Aruba niets is gebleken dat een op vertrouwen gebaseerde samenwerking in de weg zou staan. Dat klinkt hoopgevend, maar desondanks zal er veel aandacht moeten zijn voor de uitvoering van een en ander. Hoe denkt de minister in dit verband over de «checks and balances» waar in het rapport-De Ruiter over wordt gesproken in relatie met de deugdelijkheid van bestuur?

Zij constateerde dat er veel werk zal moeten worden verzet om tot uitvoering van de diverse afspraken te komen. Bovendien zijn in het besluit vrij strikte termijnen genoemd. Kunnen die termijnen ook echt in de praktijk worden gehaald? Zal tijdig overleg met de Kamer plaatsvinden als het ernaar uitziet dat ze niet gehaald kunnen worden? Het leek haar belangrijk dat wordt bewaakt of er met name op Aruba het nodige gebeurt aan de uitvoering. Zijn al afspraken gemaakt over inzet van Nederlandse deskundigen in het geval de voorgenomen uitvoeringsactiviteiten vertraging dreigen op te lopen door gebrek aan menskracht of deskundigheid?

Nederland kan niet tolereren dat in een deel van het Koninkrijk de rechtshandhaving tekort schiet en met het oog hierop was zij ook blij met de aanpak en de wederzijdse wil die is gebleken. Zij vroeg in dit verband wat nu al dan niet koninkrijksaangelegenheid is geworden en in hoeverre door het besluit van de koninkrijksregering de landsregeringen worden gebonden.

Met het gezamenlijke rechercheteam voor de bestrijding van internationale grensoverschrijdende criminaliteit was ook zij verheugd. Verder stond zij achter het besluit om niet tot één gemeenschappelijk openbaar ministerie te komen, maar daarbij was voor haar wel de vraag gerezen hoe het dan precies zit met de bezwaren tegen één procureur-generaal voor zowel de Nederlandse Antillen als Aruba, nu voorlopig de procureur-generaal van de Nederlandse Antillen diezelfde functie ook op Aruba zal waarnemen.

Ten slotte sloot zij zich aan bij de al gestelde vragen over regelmatige evaluatie en rapportage aan de Kamer.

De heer Remkes (VVD) uitte op zijn beurt woorden van waardering voor het genomen besluit. Hij zag dat besluit als een adequate reactie op het rapport-De Ruiter, ook waar het gaat om de aanbeveling inzake één gemeenschappelijk openbaar ministerie. Voor hem had daarbij steeds de onafhankelijkheid van het openbaar ministerie voorop gestaan en als die nu waarschijnlijk ook op een andere manier kan worden bereikt dan door de commissie-De Ruiter is aanbevolen, wilde hij dat voorlopig respecteren. Wel zal dan nauwgezet gevolgd moeten blijven, als de personele invulling op Aruba eenmaal heeft plaatsgevonden, of die onafhankelijkheid inderdaad formeel en materieel inhoud krijgt.

Hij had zorgen over de uitvoering van het besluit, waarbij hij de reeds gestelde vragen over de status van het genomen besluit onderschreef. Ook beklemtoonde hij de noodzaak van regelmatige evaluatie en rapportage aan de Kamer, opdat de vinger aan de pols kan worden gehouden. Zijn zorgen over de uitvoering hadden mede te maken met de inhoud van recente interviews met de Arubaanse minister-president, welke bij hem de vraag hadden doen rijzen of de problematiek die in het rapport-De Ruiter wordt geschetst, inmiddels echt wordt onderkend door de Arubaanse bestuurders. Daarnaast wees hij in dit verband op de recente berichten over de parlementaire gang van zaken op Aruba, in het bijzonder de stelling van de oppositie in het parlement dat zij geen zitting mag nemen in delegaties, waar weer tegenover is gesteld dat dit wel mogelijk is als de oppositie eerst haar «excuses zou aanbieden». Als het inderdaad zo gaat, vond hij dat bijzonder merkwaardig. Bovendien komen er berichten dat het meldpunt ongebruikelijke transacties op Aruba onvoldoende van de grond komt.

Samenvattend had de heer Remkes er waardering voor dat nu een besluit is genomen. Hij hoopte dat de negatieve spiraal van de afgelopen maanden hierdoor kan worden doorbroken. Zorgen had hij echter wel over de uitvoering van een en ander.

Antwoord van de bewindslieden

De minister voor Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse Zakenwas dankbaar voor de waarderende en complimenteuze woorden die hij graag mede doorleidde naar de regeringen van Aruba en de Nederlandse Antillen.

In reactie op de vraag naar de status van het genomen besluit merkte hij op dat het hier gaat om afspraken tussen de regeringen van Nederland, Aruba en de Nederlandse Antillen over de uitvoering van de aanbevelingen van de commissie-De Ruiter. Deze afspraken die op zichzelf al bindend zijn voor de drie regeringen, zijn vervolgens geagendeerd voor de rijksministerraad waar in aanwezigheid van de drie ministers-presidenten en de gevolmachtigde ministers de afspraken nogmaals zijn bekrachtigd als besluit van de rijksministerraad. Discussie over de vraag of een bepaald onderdeel in formele zin al dan niet een koninkrijksaangelegenheid is, vond hij daarom niet zo vruchtbaar. De afspraken zijn volledig bindend en zullen derhalve tot uitvoering worden gebracht. Dat laatste is uiteraard het voornemen van de drie regeringen, anders hadden zij die afspraken niet gemaakt.

Aanvullend wees hij erop dat voorafgaand aan de vergadering van de rijksministerraad de drie ministers-presidenten in een persconferentie hebben meegedeeld dat zij het eens waren geworden over de uitvoering van de aanbevelingen en dat de afzonderlijke punten in de rijksministerraad aan de orde zouden komen, om daar te worden vastgesteld. Verder merkte hij op dat het niet gebruikelijk is om een besluit van de rijksministerraad van allemaal handtekeningen te voorzien. Er waren waarschijnlijk wel handtekeningen gezet als het was gebleven bij het tripartiete overleg tussen de ministers-presidenten, maar juist omdat een en ander vervolgens in de rijksministerraad is bezegeld, was het niet meer nodig om nog handtekeningen te plaatsen. Ook de verwijzing in het besluit van de rijksministerraad naar de instelling van de commissie-De Ruiter heeft geen directe relevantie voor de status van dit besluit. Dit besluit registreert en bekrachtigt immers afspraken tussen de drie regeringsdelegaties die werden geleid door de ministers-presidenten en waarin ook de ministers van Justitie zitting hadden. Dat is op geen enkele manier in strijd met het Statuut. Het Statuut bevat trouwens de bepaling (artikel 38, eerste lid) dat de leden van het Koninkrijk afspraken kunnen maken op alle terreinen die zij wensen. Daar passen de nu gemaakte afspraken in en die zijn bovendien nog eens bekrachtigd door een besluit van de rijksministerraad. Mooier kan het niet, zo vond de bewindsman.

Met het besluit om niet over te gaan tot instelling van één gemeenschappelijk openbaar ministerie is, zoals ook in het besluit is beargumenteerd, geen afbreuk gedaan aan de geest van de aanbeveling van de commissie-De Ruiter inzake versterking van de onafhankelijke positie van het openbaar ministerie. Verder geldt dat de regeringen van de Nederlandse Antillen en van Aruba niet veel voelden voor uitvoering van deze aanbeveling. Overigens had de commissie-De Ruiter blijkbaar ook het gevoel dat dit onderwerp nog niet volledig was doordacht, want zij heeft instelling van één gemeenschappelijk openbaar ministerie niet als aanbeveling geformuleerd, maar dit «de regeringen ter overweging gegeven». Welnu, die overweging heeft plaatsgevonden en vervolgens is gezamenlijk de conclusie bereikt die in het besluit is geschetst. Dit betekent ook dat het blijven bestaan van aparte openbaar ministeries niet als een politiek compromis moet worden gezien, maar als een besluit dat met overtuiging door alle drie regeringen is genomen. De minister beaamde overigens dat in dit geval inhoudelijke overwegingen en politieke opportuniteit tot dezelfde conclusie hebben geleid.

Hij onderkende dat de samenwerkingsregeling al bepaalt dat het hof de procureur-generaal kan bevelen om een vervolging in te stellen, terwijl de procureur-generaal ook in de praktijk de gelegenheid heeft om een dergelijk beslispunt aan het hof voor te leggen, maar met het genomen besluit is er nu ook de mogelijkheid om het oordeel van het hof te vragen vóórdat er een meningsverschil is gerezen. Hij zag dat als een extra steun in de rug voor een onafhankelijke positie van het openbaar ministerie.

In reactie op de geuite vrees dat het hof hierdoor een politieke taak krijgt, merkte hij op dat het hof nergens toe kan worden aangezet wat het niet zelf wil. Hij ging ervan uit dat het hof verstandig genoeg is om zich niet voor een of andere politieke kar te laten spannen en vond ook niet dat het hof een soort politieke instelling wordt als het een oordeel geeft over mogelijke meningsverschillen tussen een minister van Justitie en een procureur-generaal. De op dit punt gemaakte afspraak zal, zo verwachtte hij, in de praktijk preventief werken.

Er is een afzonderlijk Koninklijk Besluit nodig over de tijdelijke waarneming van de functie van procureur-generaal van Aruba door de procureur-generaal van de Nederlandse Antillen. Er bestaat hierover volledige overeenstemming tussen de drie regeringen en hij ging er dan ook van uit dat dit Koninklijk Besluit er voor 1 maart a.s. ligt. Deze waarneming is niet bedoeld als het begin van een soort permanente waarneming, maar bedoeld als een tijdelijke overgangsmaatregel voor zes maanden. Die periode kan zo nodig nog een keer met zes maanden worden verlengd.

Er is bewust afgezien van de mogelijkheid om de functie van procureur-generaal van Aruba en die van de Nederlandse Antillen door één en dezelfde persoon te laten vervullen. In het bijzonder de regering van de Nederlandse Antillen toonde zich daar geen voorstander van, omdat zij het risico zag dat dit tot een belasting van de relatie tussen Aruba en de Nederlandse Antillen zou leiden. Deze relatie is in het verleden niet altijd vrij van spanningen geweest, maar inmiddels is deze goed te noemen en het streven is er uiteraard op gericht om dat zo te houden.

De huidige procureur-generaal van Aruba zal naar Nederland terugkeren en daar een nieuwe functie aangeboden krijgen. De minister was hierover al in overleg met zijn collega van Justitie en ging er zonder meer van uit dat de procureur-generaal een bevredigende functie binnen het Nederlands openbaar ministerie zal kunnen krijgen.

De werkgroep-Piar zal nader adviseren over gezag en beheer van het gezamenlijk rechercheteam. Daarna is het in de eerste plaats aan de ministers van Justitie om zich over dat advies te buigen en hierover afspraken te maken. Dit rechercheteam is overigens bedoeld als een blijvende samenwerkingsvorm voor het aanpakken van gezamenlijke problemen binnen het Koninkrijk.

Het rapport-Aarts waarin opmerkingen zijn gemaakt over de werkbelasting en de onderbezetting bij de Arubaanse Rekenkamer, zal nog nader in discussie komen, nadat het is behandeld in de rijksministerraad. De zorgen op dit punt hebben mede geleid tot de verwijzing in de afspraken over het rapport-De Ruiter naar samenwerking tussen de Arubaanse en de Nederlandse Rekenkamer en naar het desgewenst inschakelen van externe expertise, zoals accountantsbureaus en technische bijstand, teneinde de werkbelasting bij de Arubaanse Rekenkamer die nu plotseling sterk is toegenomen, het hoofd te kunnen bieden. De Arubaanse Rekenkamer is overigens, zoals rekenkamers dat behoren te zijn, een onafhankelijke instantie en zij zal een en ander dan ook zelf moeten invullen en waarmaken, waarvoor zij zeer gemotiveerd is. De Nederlandse regering zal harerzijds de Nederlandse Rekenkamer zoveel mogelijk stimuleren om samenwerking met de Arubaanse Rekenkamer te bieden.

De minister ging ervan uit de Arubaanse Rekenkamer rapporteert aan de Staten van Aruba. In ieder geval wordt er niet aan de rijksministerraad gerapporteerd. De rijksministerraad kan echter uiteraard kennis nemen van deze rapportage. Of er na het uitbrengen van de rapportage eventueel nog strafrechtelijk onderzoek nodig is, kon hij niet beantwoorden. Er hoeft, zo meende hij, niet van uit te worden gegaan dat dit zeker nodig zal zijn, maar het is verder geheel aan het openbaar ministerie om hier een besluit over te nemen.

De sfeer, het onderlinge vertrouwen en de onderlinge verhoudingen zijn de afgelopen jaren aanmerkelijk verbeterd. Hij was zeer positief gestemd over de wijze waarop de Arubaanse regering zich heeft ingezet voor de uitvoering van de aanbevelingen van de commissie-De Ruiter. In het bijzonder de Arubaanse minister Vos heeft een actieve rol gespeeld in het totstandkomen van de nu gemaakte afspraken en neemt deze afspraken volledig voor zijn rekening. De bewindsman had daarnaast nog afzonderlijk gesproken met de Arubaanse minister Croes die zijn volle medewerking aan de uitvoering van de afspraken heeft toegezegd en heeft beklemtoond er alle belang bij te hebben dat de rapportages van de Arubaanse Rekenkamer grondig en uitgebreid zullen zijn, omdat hiermee onrust kan worden weggenomen.

In formele zin is de oppositie op Aruba niet betrokken geweest bij de besluitvorming door de rijksministerraad, want Aruba wordt vertegenwoordigd door de Arubaanse regering. Op Aruba zelf, tijdens de voorgesprekken, had de minister wel contact gehad met de oppositiefracties (en daarnaast overigens ook met de coalitiefracties) en bij die gelegenheid kennis kunnen nemen van hun visie. Bovendien had hij zich bereid verklaard om de oppositieleider in Den Haag te ontvangen, in het geval deze de behoefte zou hebben om de visie van de oppositie nog eens uiteen te zetten en te beklemtonen.

Op het punt van de landsrecherche is afgeweken van de aanbeveling terzake van de commissie-De Ruiter, want er is besloten om de beide landsrecherches niet samen te voegen, maar volledig op sterkte te brengen. Voor de landsrecherche van Aruba is daarvoor als datum 1 maart a.s. gesteld. Dat is inderdaad een ambitieus streven, maar de Arubaanse minister van Justitie heeft gezegd deze datum te willen aanhouden. Zelf kon de bewindsman niet goed beoordelen of op Aruba voldoende geschoolde mensen voor dit werk aanwezig zijn. Wel wist hij dat een aantal mensen die op Aruba voor politie- en recherchetaken zijn opgeleid, elders zijn gaan werken en wellicht kunnen deze mensen weer terugkeren naar Aruba om te gaan werken bij de politie of de landsrecherche. Bovendien is er de mogelijkheid van bijstand van andere leden van het Koninkrijk en Nederland is bereid om die bijstand te leveren. Ook op andere terreinen is Nederland bereid om waar nodig assistentie te verlenen bij de uitvoering van de gemaakte afspraken.

Tot een regelmatig overleg met de Kamer over de uitvoering van de gemaakte afspraken was hij graag bereid, maar het leek hem beter om dat overleg steeds te laten plaatsvinden ná het periodieke tripartiete overleg van de ministers van Justitie. Omdat deze voor het eerst eind april, begin mei 1997 weer bijeen komen, vond hij eind mei een geschikt moment voor het volgende overleg met de Kamer. Overigens was hij op zichzelf natuurlijk bereid om per 1 maart a.s. al de stand van zaken op dat moment op te maken en de Kamer daarover te informeren.

De Amerikaanse regering is, zo had hij begrepen, ten opzichte van het Congres de verplichting aangegaan om jaarlijks landen die in meerdere of mindere mate te maken hebben met doorvoer of productie van drugs, in categorieën in te delen en daarover vervolgens aan het Congres te rapporteren. Hij had niet de indruk dat de recente plaatsing van Aruba op één van die Amerikaanse lijsten een verergering van de problematiek zou weerspiegelen. Plaatsing op zo'n lijst leidt wel tot meer aandacht van Amerikaanse kant, maar voorzover hij wist betekent het niet dat er ook concrete sancties zullen volgen. Hij zag de recente plaatsing van Aruba op zo'n lijst vooral als een aansporing om de problemen aan te pakken.

Verder merkte hij op dat de Arubaanse en de Nederlandse regering met de Amerikaanse autoriteiten in gesprek zijn over maatregelen die worden genomen om de dreigingen te keren die zich voordoen vanuit de drugshandel en daarmee verwante activiteiten, zoals witwassen. Recent is ook een Amerikaanse delegatie op Aruba en in Nederland op bezoek geweest. Daarnaast is een Engelse vertaling van de afspraken op basis van het rapport-De Ruiter aan geïnteresseerde landen gezonden.

Overigens had hij begrepen dat de Nederlandse Antillen zijn of binnenkort zullen worden geplaatst op een lijst van landen waar de doorvoer van drugs of de drugscriminaliteit een probleem dreigt te worden. Ook ten aanzien van Nederland zijn er trouwens vragen over doorvoeractiviteiten. Het is voor ieder lid van het Koninkrijk zaak om in ieder geval zo laag mogelijk en in de laagste categorie op dergelijke lijsten terecht te komen en daarvoor zijn concrete maatregelen nodig, waar het nu genomen besluit een onderdeel van is. De Amerikaanse autoriteiten hebben inmiddels duidelijk gemaakt dat zij waardering hebben voor de genomen maatregelen.

Ten slotte had ook hij begrepen dat het meldpunt ongebruikelijke transacties op Aruba nog niet optimaal functioneert, in verband met een nog beperkte personele invulling.

De gevolmachtigd minister van Aruba wees eerst, naar aanleiding van de opmerkingen over de sfeer en over enige interviews van de afgelopen maanden, op de constatering van de koninkrijksregering dat «ten aanzien van de regering van Aruba niets is gebleken wat een op vertrouwen gebaseerde samenwerking in de weg zou staan». Tegen de achtergrond van dat vertrouwen heeft de rijksministerraad, waar alle drie de ministers-presidenten ook het woord hebben gevoerd, zijn conclusies getrokken en is onderling alle medewerking toegezegd. Hij hoopte daarom dat er de komende tijd niet opnieuw onwelluidende klanken naar voren zullen komen. Ter illustratie wees hij daarbij op de Kamervragen over de begroting van Aruba die «in drie minuten in de Staten zou zijn afgehandeld». Daar is echter geen sprake van, want de begroting van Aruba moet nog in de Staten behandeld worden. Helaas wordt met dergelijke beweringen een verkeerd signaal gegeven, hetgeen de sfeer niet ten goede komt.

Vervolgens merkte hij in dit verband op dat Aruba bezig is het meldpunt ongebruikelijke transacties te implementeren. Er worden mensen aangetrokken en er zijn mensen naar Nederland uitgezonden om stage te lopen. Bovendien moet worden bedacht dat er ook rond het Nederlandse meldpunt ongebruikelijke transacties de nodige problemen zijn. Zo heeft het bestaan van dit meldpunt tot voor kort nooit geleid tot enige vervolging. Dergelijke problemen wil Aruba vermijden. Aruba streeft naar een goed functionerend meldpunt, niet naar een meldpunt dat alleen maar een soort «window dressing» voor de buitenwereld is.

Er is langdurig gesproken over de mogelijkheid om de functie van procureur-generaal van de Nederlandse Antillen en diezelfde functie op Aruba door één persoon te laten vervullen. Vooral vanwege de Nederlandse Antillen is daar bezwaar tegen gemaakt, gezien het risico dat één procureur-generaal de huidige goede relatie tussen beide landen zou belasten. Verder treedt juist de procureur-generaal vaak op als vertegenwoordiger van het land, bijvoorbeeld in de commissie die zich met de kustwacht bezighoudt, en als deze persoon dan de belangen van twéé landen moet gaan behartigen, kan dat in de praktijk tot moeilijkheden leiden.

Artikel 66 van de samenwerkingsregeling tussen Aruba en de Nederlandse Antillen geeft al aan dat de procureur-generaal in elk land verplicht is om gehoor te geven aan een bevel van het Gemeenschappelijk Hof om te vervolgen of te doen vervolgen. Met de afspraak in punt 3 van het besluit van de rijksministerraad is nu in feite een regeling getroffen voor de omgekeerde situatie. Bovendien moet worden bedacht dat het hof toetst op basis van rechtmatigheid, niet op basis van doelmatigheid of opportuniteit.

Aan de Arubaanse Rekenkamer is al door de Staten van Aruba opdracht gegeven om twee projecten te onderzoeken. Het uit te brengen rapport is een openbaar stuk en zal ook ter kennis worden gebracht aan de koninkrijksregering. Voor de Arubaanse regering is het niet mogelijk om de Rekenkamer opdracht te geven om met andere instanties samen te werken, maar er wordt van uitgegaan dat de Rekenkamer van Aruba contact zal opnemen met de Nederlandse Rekenkamer, zoals dat de laatste jaren gebruikelijk is in de zeer goede relatie tussen beide rekenkamers.

Naast de afspraken die nu door de rijksministerraad zijn gemaakt over een gezamenlijk rechercheteam, wordt door de ministers van Justitie gewerkt aan andere vormen van samenwerking. De feitelijke samenwerking op dit gebied gaat dus veel verder dan op het eerste gezicht uit het besluit van de rijksministerraad zou blijken.

Ten slotte merkte de minister over de Amerikaanse lijsten nog op, dat deze zijn gebaseerd op de informatie waarover de Amerikaanse autoriteiten in maart 1996 meenden te beschikken. Op dat moment deden allerlei Indianenverhalen over Aruba de ronde, ook in Nederland. De Engelse vertaling van het rapport-De Ruiter heeft in dat verband al goed gewerkt en er zijn ook contacten geweest met de Amerikaanse autoriteiten, o.a. met de Amerikaanse missie die op Aruba is geweest en daar kennis heeft genomen van de vele maatregelen die inmiddels zijn genomen, en van het operationeel zijn van de kustwacht. Verder heeft Aruba al te kennen gegeven dat het er prijs op stelt om ook een vertegenwoordiger van de Amerikaanse immigratiedienst op het eiland te krijgen, naast de vertegenwoordiger van de Amerikaanse douane die al op Aruba aanwezig is. De bewindsman ging er daarom van uit dat Aruba te zijner tijd weer van deze Amerikaanse lijsten zal worden afgevoerd. Aruba zal overigens altijd wel met drugsproblemen te maken blijven houden, zolang Aruba ligt op de route Colombia-Verenigde Staten en Aruba wordt opgescheept met problemen die ánderen veroorzaken.

De gevolmachtigd minister van de Nederlandse Antillen zag niet het risico dat het nieuwe gezamenlijk rechercheteam en de landsrecherches elkaar in de wielen zullen rijden. Het gezamenlijke team en de landsrecherches hebben immers verschillende taken: enerzijds bestrijding van de internationale grensoverschrijdende criminaliteit, anderzijds onderzoek naar ambtsdelicten van ambtenaren en bestuurders. Er zullen soms overlappingen optreden en in die gevallen is samenwerking tussen het nieuwe team en de landsrecherches uiteraard aangewezen.

Discussie in tweede termijn

De heer Van Oven (PvdA) had begrepen dat de bewindslieden van oordeel zijn dat er nog een afzonderlijke regeling moet komen ter uitvoering van de afspraak dat de procureur-generaal aanwijzingen van de minister van Justitie aan het hof kan voorleggen. Hij wees echter op de tekst van artikel 66 van de samenwerkingsregeling tussen de Nederlandse Antillen en Aruba, waar het volgens hem juist gaat om opdrachten om niet te vervolgen. Hij had dan ook de indruk dat dit punt nu al afdoende is geregeld.

Hij had vertrouwen in de uitvoering van de gemaakte afspraken en vond daarom dat afdoende tegemoet is gekomen aan de indertijd ingediende motie-Scheltema. Hij was ook bereid om tot mei te wachten met het volgende overleg, maar zou wel graag zien dat per 1 maart schriftelijk wordt gerapporteerd over de stand van zaken, vooral over de maatregelen die op korte termijn genomen zullen moeten worden, zoals de vervanging van de procureur-generaal en de politietop op Aruba.

Hij wees verder op de aanbeveling van de commissie-De Ruiter om aandacht te schenken aan de parlementaire verhoudingen op Aruba. Er ligt hier geen taak voor de minister, vond hij, maar het leek hem wel zinvol wanneer de Kamer zich hier nog eens over buigt.

Ten slotte ging hij opnieuw in op de status van het voorliggende besluit van de koninkrijksregering. Dit besluit valt niet onder de regeling van koninkrijksaangelegenheden en ook niet onder de uitwerking van artikel 38 van het Statuut, waar wordt gesproken over vastlegging in een rijkswet of een algemene maatregel van rijksbestuur. Dan resteert de verder niet geregelde samenwerking van de drie landen zoals voorzien in het eerste lid van artikel 38, maar in alle commentaren op dit lid wordt gesteld dat deze bepaling overbodig is, omdat de drie landen uiteraard ook buiten het Statuut om tot samenwerking kunnen komen. De koninkrijksregering heeft er dan echter geen enkele taak in. Hij vond dit belangrijk, omdat hij niet graag zou zien dat de rijksministerraad zich bevoegdheden gaat toe-eigenen die deze raad niet heeft. In de koninkrijksverhoudingen is immers niet voorzien in een koninkrijksparlement of een toezichthoudend hof. Hij drong erop aan dat de minister over dit onderwerp advies van de Raad van State vraagt en de Kamer hier te zijner tijd over informeert.

De minister voor Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse Zakenmeende dat hier een probleem wordt geschetst dat in feite niet bestaat, maar desondanks was hij graag bereid om nog eens schriftelijk uiteen te zetten wat precies de juridische status van het besluit van de rijksministerraad is. Zijns inziens kan een rijksministerraad ten allen tijde kennis nemen van een afspraak die de drie regeringen hebben gemaakt, en vervolgens uitspreken dat hij het daarmee eens is. Daarmee wordt het Statuut niet aangetast en is het onderwerp ook geen koninkrijksaangelegenheid geworden.

Mevrouw Scheltema-de Nie (D66) was van mening dat de indertijd aangenomen motie over een integrale uitvoering van de aanbevelingen van de commissie-De Ruiter toch niet helemaal naar de letter wordt uitgevoerd. Zij kon daar echter mee leven en had vertrouwen in de uitvoering van de gemaakte afspraken.

De heer Van Middelkoop (GPV) had het destijds bij de begrotingsbehandeling allemaal heel anders begrepen, maar op zichzelf was hij tevreden met de situatie die nu is ontstaan.

Mevrouw Bijleveld-Schouten (CDA) sloot zich daarbij aan. Het komt nu overigens op de uitvoering aan.

De heer Remkes (VVD) vond dat de motie zelf nog niet is uitgevoerd. Er is nu weliswaar een eerste aanzet gegeven, maar de feitelijke uitvoering moet nog beginnen. Verder had hij in eerste termijn zeker geen verwijten willen maken, maar alleen willen aangeven dat het mooie begin dat er nu is, in de toekomst nog veel mooier zal moeten worden.

De voorzitter van de commissie,

Van Rooy

De griffier van de commissie,

Van Overbeeke


XNoot
1

Samenstelling: Leden: Mateman (CDA), Korthals (VVD), Te Veldhuis (VVD), Van der Heijden (CDA), Van Rey (VVD), Lilipaly (PvdA), Mulder-van Dam (CDA), Rosenmöller (GroenLinks), ondervoorzitter, Scheltema-de Nie (D66), Ybema (D66), Apostolou (PvdA), Van Middelkoop (GPV), Bijleveld-Schouten (CDA), Middel (PvdA), Van Rooy (CDA), voorzitter, Remkes (VVD), Schuurman (CD), Noorman-den Uyl (PvdA), Fermina (D66), Van Oven (PvdA), Van der Stoel (VVD), Oudkerk (PvdA), Van Dijke (RPF), De Graaf (D66) en R. A. Meijer (groep-Nijpels).

Plv. leden: V. A. M. van der Burg (CDA), Voûte-Droste (VVD), Rijpstra (VVD), Reitsma (CDA), Verbugt (VVD), Valk (PvdA), Van Ardenne-van der Hoeven (CDA), Oedayraj Singh Varma (GroenLinks), Hoekema (D66), Van Vliet (D66), Van der Ploeg (PvdA), Van den Berg (SGP), Smits (CDA), Van Traa (PvdA), De Hoop Scheffer (CDA), Weisglas (VVD), Poppe (SP), Van Gijzel (PvdA), De Koning (D66), De Cloe (PvdA), Van den Doel (VVD), Woltjer (PvdA), Leerkes (Unie 55+), Wolters (CDA) en Aiking-Van Wageningen (groep-Nijpels).

Naar boven