24 844
Financiële verantwoordingen over het jaar 1995

nr. 19
FINANCIËLE VERANTWOORDING VAN HET MINISTERIE VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT (XVI)

Deze financiële verantwoording bestaat uit:

– de rekening van verplichtingen, uitgaven en ontvangsten zoals blijkt uit bijgevoegde staten, voorzien van een toelichting;

– de op deze rekening aansluitende saldibalans per 31 december 1995, voorzien van een toelichting.

Den Haag, 30 augustus 1996

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

E. Borst-Eilers

Staat behorende bij de Wet van .........19..., Stb ....en bij de financiële verantwoording over het jaar 1995 Rekening 1995 (inclusief slotwetmutaties), Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (XVI) Onderdeel uitgaven en verplichtingen (bedragen x f 1000)

   (1) (2) (3)  (4) = (1) + (2) + (3) (5) (6) = (5) – (4)
Art.Omschrijving Oorspronkelijk vastgestelde begroting Mutaties (+ of –) op grond van eerste suppletore begroting Mutaties (+ of –) op grond van tweede suppletore begroting  Totaal beschikbaar Realisatie* Slotwetmutaties (+ of –) (+ = tekortschietend beschikbaar bedrag)
   verplichtingenuitgaven verplichtingen uitgaven verplichtingen uitgaven verplichtingen uitgaven verplichtingen uitgavenverplichtingen uitgaven
  TOTAAL 12 060 813 192 643 71 469  12 324 925 12  220 935 – 103 990
                
22 Algemeen 306 992      364 847 242 022  
                
 01Personeel en materieel algemeen224 258230 649– 4 681– 4 781– 1 616 #1 914 # 217 961227 782230 516234 06612 5556 284
 02VUT-uitkeringen en suppletie wachtgelden trendvolgers19 79219 792– 3 890– 3 8903 9493 949 19 85119 851460460– 19 391– 19 391
 03Loonbijstelling47 75147 75168 12768 127– 7 818 #– 7 818 # 108 060108 060  – 108 060– 108 060
 04Prijsbijstelling1 8511 851     1 8511 851  – 1 851– 1 851
 05Onvoorzien261261     261261  – 261– 261
 06Sociaal en cultureel planbureau 3 7023 727– 65– 65– 526  3 1113 6624 1554 2811 044619
 07Inspectie jeugdhulpverlening en bescherming 2 9612 961244244175175 3 3803 3803 2373 215– 143– 165
                
23 Staatstoezicht op de Volksgezondheid 26 687      39 837 39 560  
                
 01 Personeel en materieel Inspectie gezondheidszorg26 68726 6876 0246 1846 6516 966 39 36239 83739 64239  560280– 277
                
24 Welzijn 5 899 128      5 893 497 5 895 331  
                
 01Welzijn algemeen83 856115 971– 9 248– 4 19811 005650 85 613112  42377 626108 366– 7 987– 4 057
 02Ouderenbeleid3 219 2913 250 42726 332 – 7 107– 7 211 3 238 5163 243 2163 310 5763 265 47172 06022 255
 03Gehandicaptenbeleid32 82034 901– 9 868– 9 1833 5863 700 26 53829 41832 53729 1215 999– 297
 04Jeugdbeleid1 017 1901 267 89342 35019 471– 30 40911 132 1 029 1311 298 4961 021 9051 296 978– 7 226– 1 518
 05 Verzetsdeelnemers, vervolgden en burgeroorlogsgetroffen874 896876 8259 8519 85113 30310 700 898 050897 376885  741887 746– 12 309– 9 630
 06 Vluchtelingen en minderheden 266 022304 979– 41 648– 44 792– 2 271– 2 050 222 103258 137295 335249 35373 232– 8 784
 07 Sportbeleid46 85348 132– 201– 2017 4676 500 54 11954 43152 88258 296– 1 2373 865
 08Garantie van rente en aflossing van leningen welzijn  Memorie  70 000  70 000 50 439 – 19 561 
                
25 Volksgezondheid 5 516 831      5 677 043 5 694 393  
                
 01Volksgezondheid algemeen69 03170 630– 13 271– 13 2017 0216 809 62 78164  23859 73955 992– 3 042– 8 246
 02Volksgezondheidsbeleid166 469208 1182 0838 989118 96341 654 287 515258 761299 154244 65511 639– 14 106
 03 Rijksbijdragen volksgezondheid 5 249 2815 223 337156 572156 572– 47 612– 43 411 5 358 2415 336 4985 385 4415 376 07127 20039 573
 04Garantie van rente en aflossing van leningen volksgezondheid925925  25 000  25 9259254 872872– 21 053– 53
 05Bijdrage aan begroting VIII inzake doelsubsidies TNO 11 80913 821  5802 800 12 38916 6212 98216 803– 9 407182
                
26 Inspectie Gezondheidsbescherming 95 829      95 683 94 486  
                
 01Personeel en materieel95 69995 829  – 126– 146 95 57395 68395 28494 486– 289– 1 197
  Inspectie gezondheidsbescherming              
                
27 Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiëne 215 346      254 018255 143   
                
 01Personeel en materieel RIVM 201 856215 3463 5163 51625 15935 156 230 531254 018258  096255 14327 5651 125

* De gerealiseerde bedragen zijn steeds afgerond naar boven (op duizenden guldens).

# De hier gepresenteerde cijfers zijn correct. In de Staat behorende bij de 2e Suppletore wet 1995 (Kamerstukken I, vergaderjaar 1995-1996, 24 532, Nr. 147) stond abusievelijk – 1 666, 1 864, –7 768 en –7 768. Het verschil van 50 heeft betrekking op een overboeking ten behoeve van apparaatsuitgaven in het kader van het post WAGGS-bestel van uitgavenartikel 22.03 naar uitgavenartikel 22.01 (Kamerstukken II, vergaderjaar 1995–1996, 24 532, Nr. 2 blz 8).

Mij bekend,

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Staat behorende bij de Wet van .......19.., Stb .... en bij de financiële verantwoording over het jaar 1995 Rekening 1995 (inclusief slotwetmutaties), Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (XVI) Onderdeel ontvangsten (bedragen x f 1000)

   (1) (2) (3)  (4) = (1) + (2) + (3) (5) (6) = (5) – (4)
Art.Omschrijving Oorspronkelijk vastgestelde begroting Mutaties (+ of –) op grond van eerste suppletore begroting Mutaties (+ of –) op grond van tweede suppletore begroting  Totaal geraamdRealisatie* Slotwetmutaties (+ of –) (+ = meer ontvangen)
   ontvangsten ontvangstenontvangsten  ontvangsten ontvangsten ontvangsten
  TOTAAL234 9333 02662 212 300 171294 068– 6 103
          
22 Algemeen7 173   7 93512 436 
          
 01Algemeen4 477– 1 00054 3 5316 2372 706
 02Overige ontvangsten andere begrotingen en organisaties2 696 1 708 4 4046 1991 795
          
23 Staatstoezicht op de volksgezondheid123   123965 
          
 01Inspectie gezondheidszorg 123   123965842
          
24 Welzijn97 377   118 371112 900 
          
 01Welzijn algemeen21 290 24 950 46 24048 2051 965
 02Bijdrage van andere begrotingen 51 637215– 45 51 80749 474– 2 333
 03Jeugdbeleid24 4501 370– 5 496 20 32415 221– 5 103
          
25 Volksgezondheid26 912   37 59136 553 
          
 01Volksgezondheid algemeen10 037 6 877 16 91415 495– 1 419
 02Medisch tuchtwet20   20266
 03Registratie geneesmiddelen 16 730 3 802 20 53220 907375
 04Terugbetaling op effectief geworden garanties Memorie      
 05Bijdrage van begroting       
  VI inzake de Vereniging tegen kindermishandeling125   125125 
          
26 Inspectie500   5001 390 
  Gezondheidsbescherming       
          
 01Inspectie gezondheidsbescherming 500   5001 390890
          
27 Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiëne102 848   135 651129 824 
          
 01RIVM44 9242 20027 200 74 32465 713– 8 611
 02Bijdrage van begroting XI inzake het RIVM 57 9242413 162 61 32764 1112 784

* De gerealiseerde bedragen zijn steeds afgerond (op duizenden guldens).

Mij bekend,

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

HOOFDSTUK I INLEIDING

Deze departementale jaarrekening is het sluitstuk van het financieel beheer over het jaar 1995. Deze jaarrekening verschaft op hoofdlijnen inzicht in de uitvoering van de begroting (kas en verplichtingen).

Deze jaarrekening is samengesteld uit:

– Begrotingsstaat onderdeel uitgaven en verplichtingen;

– Begrotingsstaat onderdeel ontvangsten;

– de toelichting bij de Rekening 1995, zowel algemeen als artikelsgewijs;

– de saldibalans 1995 met een toelichting;

– de staat van deelnemingen 1995;

– de staat van garanties 1995.

Met deze departementale jaarrekening wordt extern verantwoording afgelegd over het begrotingsbeheer in het dienstjaar 1995 betreffende het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (XVI). De in deze jaarrekening opgenomen begrotingsbedragen vloeien voort uit:

– De Wet van 6 april 1995 (Staatsblad 228) tot vaststelling van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (XVI) voor het jaar 1995 (kamerstukken II, vergaderjaar 1994–1995, 23 900);

– De Wet van 14 september 1995 (Staatsblad 477) tot wijziging van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (XVI) voor het jaar 1995 (wijziging samenhangende met de Voorjaarsnota) (kamerstukken II, vergaderjaar 1994–1995, 24 194);

– De Wet van 26 januari 1996 (Staatsblad 105) tot wijziging van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (XVI) voor het jaar 1995 (wijziging samenhangende met de Najaarsnota) (kamerstukken II, vergaderjaar 1994–1995, 24 532).

De toedeling van de loonbijstelling 1995, de onderschrijdingen/overschrijdingen van uitgaven, verplichtingen en ontvangsten ten opzichte van het tweede wijzigingsvoorstel 1995 worden, indien de Staten-Generaal daarmee instemmen, door middel van een aanvullende begrotingswijziging vastgesteld bij Slotwet.

HOOFDSTUK II FINANCIEEL MANAGEMENT

De in de ontwerp-begroting 1995 opgenomen begrotingsbedragen voor uitgaven en ontvangsten hebben tijdens de begrotingsuitvoering mutaties ondergaan.

Het bedrag van de uitgaven is circa f 156,2 miljoen hoger dan de raming in de Begrotingswet. De meest significante mutaties betreffen (bedragen in miljoenen guldens):

– nominale bijstellingen (loon/OVA)60,8 
– correctie op de van Financiën ontvangen WAGGS-bijstelling 1994–25,0 
– VUT-uitkeringen en suppletie wachtgelden–19,6  
– tegemoetkoming HIV besmette hemofiliepatiënten33,5  
– opvang vluchtelingen (BIV)–61,4  
– afschaffing eigen bijdragen medische hulpmiddelen25,0  
– extra werkgelegenheidsmiddelen zorgsector100,0  
– eindejaarsmarge 1994 (arbeidsmarktimpuls 1994)20,2  
– materiële uitgaven RIVM29,5  
– saldo mutaties op diverse artikelen (< f 10 miljoen)–6,8+
Totaal156,2 

Het bedrag van de ontvangsten is circa f 59,1 miljoen hoger dan de raming in de Begrotingswet. De meest significante mutaties betreffen (bedragen in miljoenen guldens):

– ontvangsten als gevolg van in voorgaande jaren te hoog verstrekte subsidievoorschotten35,6 
– ontvangsten ouderbijdragen regeling Jeugdhulpverlening–14,4 
– ontvangsten RIVM20,7  
– saldo mutaties op diverse artikelen (< f 10 miljoen)17,2+
Totaal59,1 

HOOFDSTUK III FINANCIEEL BEHEER

Over het door VWS in 1995 gevoerde financieel beheer kan het volgende worden opgemerkt.

1. Administratieve organisatie

De administratieve organisatie bij het Ministerie van VWS functioneert naar behoren. Om te bevorderen dat de beschrijving van de administratieve organisatie departementsbreed blijft voldoen aan genoemde eisen is in 1995 de standaardopzet van de handboeken administratieve organisatie zodanig gewijzigd dat het onderhoudsgevoelige deel wordt beperkt. Daarbij blijft de decentraal opgezette onderhoudsorganisatie overigens gehandhaafd.

In de nieuwe opzet van de handboeken worden de als departementsbreed gedefinieerde financiële processen centraal beschreven. Deze beschrijvingen betreffen zowel het traject van de begrotingsvoorbereiding, -uitvoering en -verantwoording als van verschillende ondersteunende processen. Parallel aan deze wijziging zijn de richtlijnen voor de inrichting van het handboek administratieve organisatie aangepast.

2. Financiële informatie systemen/Verplichtingen-kasadministratie

In 1995 zijn enkele belangrijke wijzigingen in het financiële informatiesysteem IFIS doorgevoerd. Deze wijzigingen hebben met name betrekking op de controle-regel-programmatuur en de schoningsfuncties. Ook is vastgesteld, dat de uitwijk- en recovery voorzieningen naar behoren functioneren.

3. Financiële regelgeving

3.1. Uitvoering sanctiebeleid

Op het terrein van het departementale sanctiebeleid is de «Richtlijn naleving subsidiebepalingen» van kracht. Deze regeling bevat eenduidige sanctierichtlijnen zoals die binnen het Ministerie aangehouden worden.

Bij de implementatie van deze richtlijn is de balans tussen noodzakelijke differentiatie en even noodzakelijke rechtsgelijkheid van belang. De uitvoering van het sanctiebeleid wordt in het tripartite overleg tussen beleidsdirecties, Accountantsdienst en CDFEZ regelmatig besproken en geëvalueerd.

In 1995 is de interne projectgroep evaluatie sanctierichtlijn van start gegaan om het departementale sanctiebeleid te toetsen op onder meer eventuele strijdigheden met de Algemene wet bestuursrecht, strijdigheid met departementale regelgeving alsmede op technische uitvoerbaarheid. De projectgroep zal in 1996 haar werkzaamheden hebben afgerond.

3.2. Subsidiebeheer

De Algemene Rekenkamer concludeerde in haar rapportage dat ondanks het feit dat voortgang is geboekt in het wegwerken van de achterstand van het afrekenen van de subsidievoorschotten, het bedrag aan achterstanden bij VWS alsnog te hoog bleef. Naar aanleiding hiervan heeft in 1995 het wegwerken van deze achterstand hoge prioriteit gekregen bij het subsidiebeheer. Een belangrijk vertrekpunt hierbij was om het inzicht te vergroten in de «verwijtbare achterstand» en in de belemmerende factoren en omstandigheden bij het afrekenen. Vervolgens werd een actie gestart gericht op het wegwerken van de verwijtbare achterstand per 31-12-1995. Hierbij werd onder meer elke maand gerapporteerd over de stand van de wel en de niet afgerekende subsidievoorschotten per budgethouder.

Deze actie heeft ertoe geleid, dat in 1995 een substantieel deel van de (verwijtbare) achterstand is weggewerkt.

3.3. Aansturing zelfstandige bestuursorganen

In navolging van het kabinetsvoorstel gedaan in het kabinetsstandpunt over het rapport van de Algemene Rekenkamer «Zelfstandige bestuursorganen en de ministeriële verantwoordelijkheid» (Kamerstukken II, vergaderjaar 1994–1995, 24 130, Nr.5) is binnen VWS geïnventariseerd in hoeverre instellingen met de karakteristieken van een zelfstandig bestuursorgaan zijn opgericht en ingericht conform de ontwerp-aanwijzingen inzake zelfstandige bestuursorganen (ZBO's).

Deze toets aan de ontwerp-aanwijzingen is niet alleen toegepast op de door de Algemene Rekenkamer onderzochte ZBO's, maar ook op nieuwe en nog niet eerder onderzochte instellingen die karakteristieken van een ZBO zouden kunnen hebben.

De resultaten van deze inventarisatie zijn inmiddels in een rapportage vervat en zullen conform de interdepartementale afspraak aan de Minister van Binnenlandse Zaken ter beschikking worden gesteld.

3.4. Informatievoorziening

Met het doel concentratie en eenvormigheid in de schriftelijke informatievoorziening te bereiken verzorgt CDFEZ een informatiebulletin op het terrein van het financieel beheer en -beleid. De onderwerpen die daarin behandeld worden zijn divers van aard. Naast aandacht voor toepassing van regelgeving en de wijziging van bestaande regels, worden rapportages met betrekking tot financieel beheer en -beleid behandeld en is er ruimte voor aankondigingen en mededelingen.

4. Beleidsevaluatie

Gedurende het afgelopen jaar is via verschillende, elkaar aanvullende wegen uitvoering gegeven aan beleidsevaluatie. Gewezen kan worden op de heroverwegingsonderzoeken, de evaluatie-onderzoeken die plaatsvinden in het kader van de opstelling van het Financieel Overzicht Zorg (FOZ) en de begrotingsvoorbereiding waarbij onder meer aandacht wordt besteed aan de ontwikkeling van kengetallen en subsidie-onderzoek. Verder zijn innovatieprogramma's en projecten, monitorfuncties alsmede extern wetenschappelijk onderzoek uitgevoerd.

Gelet op het verzoek van de Algemene Rekenkamer om nader inzicht te verschaffen in de aandacht die het Ministerie besteedt aan beleidsevaluatie, is een inventarisatie van het beleidsevaluatie-onderzoek binnen VWS uitgevoerd. De resultaten zijn naar de Algemene Rekenkamer gestuurd. Een overzicht van beleidsevaluatie-onderzoeken is opgenomen in de departementale begroting.

5. Controle beleid

5.1. Algemeen

De Accountantsdienst voert een volkomen controle uit, die uitmondt in een verklaring bij de financiële verantwoording van het Ministerie. Het departementale controleberaad (Audit Committee) ziet toe op de voortgang van de genomen maatregelen ten aanzien van de opheffing van de geconstateerde tekortkomingen.

5.2. Controlebeleid bij de fondsen

Gedurende het afgelopen jaar is aandacht besteed aan het controlebeleid bij de fondsen. Het primaire vraagstuk hierbij is in hoeverre de ministeriële verantwoordelijkheid voor de uiteindelijke bestemming van de verstrekte subsidiemiddelen nog kan worden gedragen. Bij de onder de verantwoordelijkheid van het Ministerie van VWS vallende instellingen, die (mede) tot doel hebben de ontvangen subsidie te verdelen naar andere instellingen of het financieren van activiteiten die voorheen rechtstreeks door het ministerie werden gesubsidieerd, is voor het meerdere thans voorzien in een afdoende en doelmatige controlestructuur.

De vereiste aandacht voor het controlebeleid zal niet alleen worden gericht op het doorlichten en verbeteren van de beheers- en controlestructuur van de bestaande organisaties, maar met name op de uitwerking van de voornemens om dergelijke nieuwe organisaties op te richten.

6. Voorkoming misbruik en oneigenlijk gebruik («M en O»)

6.1. Algemeen

Het «M en O»-beleid is ingebed in het gevoerde subsidiebeleid en -beheer. Het betreft het geheel van maatregelen ten aanzien van regelgeving, controle, sanctie en voorlichting, welke tot stand komen en worden geoptimaliseerd in de verschillende fasen van beleidsontwikkeling tot en met evaluatie en die erop gericht zijn het misbruik en oneigenlijk gebruik van regelingen te bestrijden.

In het kader van de voortgangsrapportage geïntegreerd subsidiebeleid zijn op het terrein van het controlebeleid alsmede het «M en O»-aspect dat daarbij aan de orde is, toetsingscriteria ontwikkeld ten behoeve van de ontwikkeling van wet- en regelgeving. Nieuwe subsidieregelingen worden voorgelegd aan de departementale Accountantsdienst, de CDFEZ en de Centrale Directie Wetgeving en Juridische Zaken die ze onder andere beoordelen op «M en O»-gevoeligheid.

Anderzijds bieden de inrichting van het controlebeleid en de individuele aanpak per subsidieregeling in het algemeen zekerheid omtrent de rechtmatigheid van de verstrekte subsidies. Daarbij ligt de verantwoordelijkheid voor het controlebeleid in eerste instantie bij de beleidsdirectie. De AD signaleert gedurende het jaar indien er zich veranderingen voordoen ten aanzien van het overzicht van «M en O»-gevoelige regelingen, of indien anderszins nieuwe punten opgenomen zouden moeten worden in dit overzicht.

6.2. Specifieke regelingen

Hoewel het beleid gericht is op de voorkoming van «M en O», is er toch een aantal regelingen inkomensafhankelijk. Bij deze regelingen is ondanks het gevoerde «M en O»-beleid bij voorbaat geen volledige zekerheid over de rechtmatigheid vast te stellen. Bij de artikelsgewijze toelichting wordt per regeling ingegaan op de aard van de «M en O»-gevoeligheid.

6.3. Wachtgelden

De stichting Centrale Administratie Welzijn verzorgt een belangrijk deel van de uitvoering van verschillende wachtgeldregelingen uit het gesubsidieerde veld. De stichting kan geen gegevens bij de fiscus opvragen. Het «M en O»-aspect heeft betrekking op het feit, dat het wachtgeld lager dient te worden vastgesteld, indien de betrokkene inkomsten uit arbeid verkrijgt.

HOOFDSTUK IV LEESWIJZER ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

De vorm en inhoud van de toelichting zijn met ingang van de verantwoording over 1995 sterk veranderd. In het verleden werden de verschillen tussen de stand Begrotingswet en de realisatie in de rekening toegelicht. Met ingang van deze verantwoording wordt in de artikelsgewijze toelichting in eerste instantie een verklaring opgenomen van het uitgegeven of ontvangen bedrag. Het gaat daarbij om een beleidsmatige toelichting in tegenstelling tot het verleden waar de verklaring toch een min of meer technisch karakter had (was er meer of minder dan 5% afwijking ten opzichte van de Begrotingswet).

Bij de beleidsmatige toelichting wordt, indien mogelijk, aandacht besteed aan realisaties zoals bijvoorbeeld verrichte activiteiten (bijvoorbeeld ten aanzien van beleid en beheer). Ondanks het feit dat de toelichtingen bij de artikelen in de ontwerp-begroting 1995 (van september 1994) zo nu en dan wat algemeen zijn, is getracht in deze verantwoording op een gedetailleerder niveau te verantwoorden. Deze verantwoording moet in die zin gezien worden als een eerste uitwerking om tegemoet te komen aan de wens van de Tweede Kamer zoals die nog eens naar voren is gekomen bij de behandeling van de 6e wijziging van de Comptabiliteitswet.

Daar waar in de ontwerp-begroting 1995 volume- en prestatiegegevens opgenomen waren, is getracht daar in deze verantwoording op terug te komen. Omdat in een aantal gevallen deze gegevens over 1995 op een later tijdstip beschikbaar komen, is dat niet altijd mogelijk. Die realisatiecijfers zullen in de ontwerp-begroting 1997 worden opgenomen.

De realisatiecijfers zijn op artikelonderdeel naar boven afgerond voor wat betreft de uitgaven en normaal afgerond voor wat betreft de ontvangsten. Gevolg hiervan is dat de som van de artikelonderdelen niet in alle gevallen aansluit bij het totaal van de realisatie van het artikel. Het betreft dus echter slechts afrondingsverschillen.

Artikel: U2201 Personeel en materieel algemeen (bedragen x f 1000)

TOETSING REALISATIE AAN DE BEGROTINGSWET, STAND 2E SUPPLETORE WETSLOTWET
Ontwerp-BegrotingNota v. W. Amendement1e Suppletore wet2e Suppletore wetBinnen ArtikelTotaal van de begrotingRealisatieVerschil (+ = tekort)Perc.Loon/PrijsOverig
123456=1 t/m 578 = 7 – 6 8 =10 + 119=8 : 61011
ArtikelOmschrijving          
Artikelonderdeel          
           
U2201 Personeel en materieel algemeen         
           
V: 377 924– 153 666– 4 681– 1 6160217 961230 51612 55565 6996 856
K: 384 315– 153 666– 4 7811 9140227 782234 0666 28435 699585
           
U2201/01 Actief regulier personeel
           
V: 272 485– 134 500– 1 953109398136 539136 92738804 632– 4 244
K: 272 485– 134 500– 1 953109398136 539136 82128204 632– 4 350
           
U2201/02 Overige personele uitgaven
           
V: 20 610– 7 003– 215– 1 109– 3 1569 12710 5841 457163841 073
K: 20 610– 7 003– 215– 1 109– 3 1569 12710 5841 457163841 073
           
U2201/03 Post-actieven
           
V: 20 495– 6 694– 83103 10016 07017 9561 886123551 531
K: 20 495– 6 694– 83103 10016 07017 9561 886123551 531
           
U2201/04 Personeel ten laste van derden
           
V: 8 595– 834– 1 451– 9152 5537 9489 0561 10814249859
K: 8 595– 834– 1 451– 9152 5537 9489 0561 10814249859
           
U2201/05 Materieel
           
V: 55 739– 4 635– 231299– 2 89548 27755 9557 71816797 639
K: 62 130– 4 635– 3313 829– 2 89558 09859 6521 5543791 475

Onderdeel 01:

Op dit artikelonderdeel zijn voornamelijk uitgaven verantwoord voor salarissen, toelagen en sociale lasten. Daarnaast zijn uitgaven verantwoord voor vervangend en extern personeel. Totale uitgaven: f 136,9 miljoen. Per 31 december 1995 betrof het een bezetting van 1 362,13 fte's op een formatie van 1 608,79 fte's.

«M en O»-beleid:

De op dit artikelonderdeel verantwoorde toelagen voor Tegemoetkoming Ziektekosten Rijksambtenaren (TZR) zijn gebaseerd op een «M en O»-gevoelige regeling. In 1994 bestond het controlebeleid uit een integrale controle van de aanvraag met bewijsstukken. In 1995 is de controle voortgezet voor wat betreft de door personeelsleden doorgegeven wijzigingen.

Onderdeel 02:

De uitgaven op dit artikelonderdeel zijn voornamelijk voor langdurig zieken, opleidingen en kosten van de Bedrijfsgezondheidsdienst RBB en de ZVO-regeling (Ziektekostenvoorziening overheidspersoneel). De uitgaven voor langdurig zieken zijn circa f 3,8 miljoen lager. Dit wordt veroorzaakt door de afname van het aantal langdurig zieke personeelsleden dat ten laste van dit artikelonderdeel wordt verantwoord.

Voorts zijn uitgaven verantwoord van vergoedingen aan personeel voor beloningsdifferentiatie, ouderschapsverlof, verplaatsingskosten, werving en selectie en uitgaven voor opleidingen en kinderopvang.

Daarnaast is in de raming een bedrag opgenomen voor flexibele inzet van formatieplaatsen waarmee uitgaven voor dergelijke formatieplaatsen elders in de begroting worden gefinancierd. Totale uitgaven: f 10,6 miljoen.

Onderdeel 03:

De uitgaven op dit artikelonderdeel zijn hoger, omdat meer personeelsleden een beroep hebben gedaan op de wachtgeldregelingen dan oorspronkelijk geraamd. Totale uitgaven: f 18,0 miljoen.

«M en O»-beleid:

Deze regelingen zijn «M en O»-gevoelig. Het onder het Ministerie van Binnenlandse Zaken ressorterende Dienst Uitvoering Ontslaguitkeringsregelingen (DUO) (vanaf 1996 de USZO (Uitvoeringsinstelling Sociale Zekerheid voor Overheid en Onderwijs)) is belast met de uitvoering van deze regelingen en heeft daarvoor een adequaat controlebeleid geformuleerd.

Onderdeel 04:

Op dit artikelonderdeel zijn de niet geraamde uitgaven verantwoord voor personeel van het Sociaal en Cultureel Planbureau (f 0,8 miljoen) dat ten laste van derden komt. Deze uitgaven zijn voor circa f 0,5 miljoen abusievelijk op artikelonderdeel 01 geraamd. Voorts hebben de uitgaven betrekking op personeel van het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG) en het Rijksinstituut voor geneesmiddelenonderzoek (RIGO) dat ten laste van derden komt. Totale uitgaven: f 9,1 miljoen.

Onderdeel 05:

De op dit onderdeel geraamde uitgaven betreffen voor een deel de materiële uitgaven ten behoeve van het kernministerie in Rijswijk. De materiële uitgaven hebben hoofdzakelijk betrekking op de bedrijfsvoering van het ministerie. Hier vallen bijvoorbeeld ook uitgaven voor automatiseringssystemen onder. Aan automatisering is in totaal circa f 12,5 miljoen uitgegeven. Het betreft 3 categorieën uitgaven: uitgaven ten behoeve van de zogenaamde kantoorautomatisering, uitgaven ten behoeve van de departementale automatiseringssystemen en tenslotte uitgaven ten behoeve van specifieke systemen zoals de P-systemen en die op het gebied van jeugdbeleid. De verplichtingen en uitgaven voor de inning van de ouderbijdragen jeugdhulpverlening zijn hoger dan geraamd. Dit komt doordat de wijziging van de regelgeving voor de ouderbijdragen en de integratie van de werkzaamheden bij het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO) complexe aanpassingen in de geautomatiseerde administratie noodzakelijk maakte.

De uitgaven op dit artikelonderdeel hebben voorts voornamelijk betrekking op facilitaire diensten ten behoeve van het kerndepartement (f 19,4 miljoen). Hierbij kan worden opgemerkt, dat voor de dekking van de niet begrote uitgaven voor facilitaire ondersteuning aan andere departementen, die zijn gehuisvest in de VWS-gebouwen, compensatie plaatsvindt met de ontvangsten op ontvangstenartikel 22.02 (f 1,9 miljoen).

De uitgaven voor de vervanging van de telefooncentrale (f 2,0 miljoen) zijn voor het grootste gedeelte (f 1,7 miljoen) gecompenseerd door uit het Gemeentefonds in verband met de vertraagde invoering van de Wet Orgaandonatie (2e Suppletore wet).

De uitgaven hebben daarnaast tevens betrekking op:

– de materiële uitgaven (f 3,3 miljoen);

– de departementale boekhouding (f 6,8 miljoen). Het betreft het onderhoud en de exploitatie van de geautomatiseerde departementale systemen die in beheer zijn bij het RCC;

– de uitgaven voor voorlichtingsactiviteiten en voor documentatie en bibliotheek (f 2,7 miljoen);

– uitgaven ten behoeve van onderzoek op het terrein van de arbeidsmarkt (f 0,5 miljoen);

– voorlichting met betrekking tot de stelselwijziging en wel informatieverstrekking over de verdere introductie van eigen bijdragen en eigen risico (f 0,4 miljoen).

Daarnaast betreft het uitgaven voor de Raad voor het Jeugdbeleid (f 0,6 miljoen) en de Nederlandse Filmkeuring (f 0,2 miljoen).

De uitgaven op dit onderdeel hebben eveneens betrekking op de materiële uitgaven, waaronder de reis- en verblijfkosten, van het Directoraat-Generaal van de volksgezondheid (f 6,6 miljoen). De materiële uitgaven van de Gezondheidsraad (f 2,2 miljoen), het Rijksinstituut voor Geneesmiddelenonderzoek (RIGO) (f 0,9 miljoen) en de Veterinaire Hoofdinspectie (f 1,0 miljoen) zijn eveneens, ten laste van dit onderdeel gebracht.

Tot slot zijn uitgaven (f 2,5 miljoen) gedaan ten behoeve van de uitvoering van de wettelijke taak van het College ter beoordeling van geneesmiddelen (CBG). In 1995 heeft het CBG een aanvang gemaakt met de uitvoering van de geneesmiddelenbewaking (Europese richtlijnen). Hiertoe is een meerjarige subsidierelatie aangegaan met de stichting Lareb.

Artikel: U2202 VUT-uitkeringen en suppletie wachtgelden trendvolgers (bedragen x f 1000)

TOETSING REALISATIE AAN DE BEGROTINGSWET, STAND 2E SUPPLETORE WETSLOTWET
Ontwerp-BegrotingNota v. W. Amendement1e Suppletore wet2e Suppletore wetBinnen ArtikelTotaal van de begrotingRealisatieVerschil (+ = tekort)Perc.Loon/PrijsOverig
123456=1 t/m 578 = 7 – 6 8 =10 + 119=8 : 61011
ArtikelOmschrijving          
Artikelonderdeel          
           
U2202 VUT-uitkeringen en suppletie wachtgelden trendvolgers
           
V: 37 913– 18 121– 3 8903 949019 851460– 19 391– 98296– 19 687
K: 37 913– 18 121– 3 8903 949019 851460– 19 391– 98296– 19 687
           
U2202/00 VUT-uitkeringen en suppletie wachtgelden trendvolgers
           
V: 37 913– 18 121– 3 8903 949019 851460– 19 391– 982 96– 19 687
K: 37 913– 18 121– 3 8903 949019 851460– 19 391– 982 96– 19 687

Op dit artikel worden middelen beschikbaar gesteld voor VUT-uitkeringen en wachtgeldsuppletievergoedingen aan werknemers in de gesubsidieerde sector. Voor VUT-uitkeringen was f 1,6 miljoen beschikbaar. Hiervan is f 0,5 miljoen daadwerkelijk gerealiseerd.

De voor wachtgelden benodigde budgetten worden via de Suppletore wetten overgeheveld naar de desbetreffende uitgavenartikelen. Inclusief het in de Begrotingswet beschikbare bedrag was voor (de suppletie van) wachtgelduitkeringen een bedrag van f 47,7 miljoen beschikbaar. Daarvan is f 26,2 miljoen daadwerkelijk toegedeeld aan de uitgavenartikelen.

Artikel: U2203 Loonbijstelling (bedragen x f 1000)

TOETSING REALISATIE AAN DE BEGROTINGSWET, STAND 2E SUPPLETORE WETSLOTWET
Ontwerp-BegrotingNota v. W. Amendement1e Suppletore wet2e Suppletore wetBinnen ArtikelTotaal van de begrotingRealisatieVerschil (+ = tekort)Perc.Loon/PrijsOverig
123456=1 t/m 578 = 7 – 6 8 =10 + 119=8 : 61011
ArtikelOmschrijving          
Artikelonderdeel          
           
U2203 Loonbijstelling
           
V: 48 051– 30068 127– 7 8180108 0600– 108 060– 100– 102 090– 5 970
K: 48 051– 30068 127– 7 8180108 0600– 108 060– 100– 102 090– 5 970
           
U2203/00 Loonbijstelling
           
V: 48 051– 30068 127– 7 8180108 0600– 108 060– 100– 102 090– 5 970
K: 48 051– 30068 127– 7 8180108 0600– 108 060– 100– 102 090– 5 970

Ten laste van dit artikel worden geen uitgaven gedaan. Het is een «doorgeefluik» voor de jaarlijkse loonbijstelling voor loongevoelige uitgaven rijksambtenaren en de overheidsbijdrage in de arbeidskostenontwikkeling voor werknemers in de gepremieerde en gesubsidieerde sector (de OVA, voorheen de WAGGS).

Inclusief het in de Begrotingswet nog toe te delen bedrag, zijnde het restant van bijstellingen over voorgaande jaren, was voor loonbijstelling en de OVA f 161,2 miljoen beschikbaar. In de loop van het begrotingsjaar 1995 is aan de daarvoor in aanmerking komende uitgavenartikelen een bedrag van f 102,1 miljoen toegedeeld. Daarnaast is een bedrag van f 9,6 miljoen overgeboekt naar het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (OCenW), voornamelijk betrekking hebbend op nog toe te delen loonbijstelling voor de per 1 januari 1995 overgedragen cultuurbudgetten.

Bij de overboeking vanuit de Aanvullende Post Miljoenennota 1994 is ten aanzien van de WAGGS-bijstelling 1994 uitgegaan van een structureel te hoog bedrag. In overleg met het Ministerie van Financiën is besloten dat een deel hiervan (f 10,7 miljoen) kon worden ingezet ter compensatie van de hogere uitgaven ten behoeve van verzetsdeelnemers, vervolgden en burgeroorlogsgetroffenen (uitgavenartikel 24.05). Het restant (f 25 miljoen) is overgeboekt naar het Ministerie van Financiën.

Daarnaast is f 0,2 miljoen ingezet ten behoeve van de permanente vertegenwoordiger bij het Projectenbureau Europese Zaken in Brussel en de apparaatsuitgaven in het kader van het post-WAGGS-bestel (onder andere het secretariaat Adviescommissie VWS-overleg).

Tot slot is een bedrag van f 8,5 miljoen overgeboekt naar uitgavenartikel 25.02, onderdeel 08 ten behoeve van de tegemoetkoming aan de circa 170 HIV-geïnfecteerde hemofiliepatiënten.

Artikel: U2204 Prijsbijstelling (bedragen x f 1000

TOETSING REALISATIE AAN DE BEGROTINGSWET, STAND 2E SUPPLETORE WETSLOTWET
Ontwerp-BegrotingNota v. W. Amendement1e Suppletore wet2e Suppletore wetBinnen ArtikelTotaal van de begrotingRealisatieVerschil (+ = tekort)Perc.Loon/PrijsOverig
123456=1 t/m 578 = 7 – 6 8 =10 + 119=8 : 61011
ArtikelOmschrijving          
Artikelonderdeel          
           
U2204 Prijsbijstelling
           
V: 2 051– 2000001 8510– 1 851– 1000– 1 851
K: 2 051– 2000001 8510– 1 851– 1000– 1 851
           
U2204/00 Prijsbijstelling
           
V: 2 051– 2000001 8510– 1 851– 1000– 1 851
K: 2 051– 2000001 8510– 1 851– 1000– 1 851

Ten laste van dit artikel worden geen uitgaven gedaan. Het is een «doorgeefluik» voor de jaarlijkse prijsbijstelling. In 1995 is geen prijsbijstelling ontvangen. Het in de Begrotingswet beschikbare bedrag, zijnde het restant van de prijsbijstellingen over voorgaande jaren, is niet toegedeeld.

Artikel: U2205 Onvoorzien (bedragen x f 1000)

TOETSING REALISATIE AAN DE BEGROTINGSWET, STAND 2E SUPPLETORE WETSLOTWET
Ontwerp-BegrotingNota v. W. Amendement1e Suppletore wet2e Suppletore wetBinnen ArtikelTotaal van de begrotingRealisatieVerschil (+ = tekort)Perc.Loon/PrijsOverig
123456=1 t/m 578 = 7 – 6 8 =10 + 119=8 : 61011
ArtikelOmschrijving          
Artikelonderdeel         
           
U2205 Onvoorzien
           
V: 26100002610– 261– 1000– 261
K: 26100002610– 261– 1000– 261
           
U2205/00 Onvoorzien
           
V: 26100002610– 261– 1000– 261
K: 26100002610– 261– 1000– 261

Ten laste van dit artikel worden geen uitgaven gedaan.

Artikel: U2206 Sociaal en cultureel planbureau (bedragen x f 1000)

TOETSING REALISATIE AAN DE BEGROTINGSWET, STAND 2E SUPPLETORE WETSLOTWET
Ontwerp-BegrotingNota v. W. Amendement1e Suppletore wet2e Suppletore wetBinnen ArtikelTotaal van de begrotingRealisatieVerschil (+ = tekort)Perc.Loon/PrijsOverig
123456=1 t/m 578 = 7 – 6 8 =10 + 119=8 : 61011
ArtikelOmschrijving          
Artikelonderdeel          
           
U2206 Sociaal en cultureel planbureau
           
V: 3 7020– 65– 52603 1114 1551 0443401 044
K: 3 7270– 65003 6624 281619170619
           
U2206/00 Sociaal en cultureel planbureau
           
V: 3 7020– 65– 52603 1114 1551 0443401 044
K: 3 7270– 65003 6624 281619170619

Op dit artikel worden de materiële kosten geraamd voor het verrichten van beleidsrelevant wetenschappelijk onderzoek op het sociaal en cultureel terrein door het Sociaal en Cultureel Planbureau. De uitgaven op dit artikel zijn gedaan ten behoeve van:

– materiële uitgaven zoals: * personele kosten, niet zijnde salariskosten (f 0,2 miljoen); * huisvestingskosten (f 0,2 miljoen); * aanschaffingen (f 0,3 miljoen); * overige organisatiekosten (f 0,6 miljoen).

– uitgaven voor de uitvoering van het Werkprogramma 1994 – 1995 en ad hoc opdrachten van derden. De uitgaven betroffen aanschaffingen van data-bestanden (f 2,2 miljoen), uitbestedingen van deelonderzoeken (f 0,4 miljoen) en publikatiekosten (f 0,4 miljoen).

De hogere uitgaven van f 0,6 miljoen worden voornamelijk veroorzaakt door meer uitgevoerde ad hoc opdrachten dan gepland (onder andere onderzoek naar de voortgang van de sociale vernieuwing, de rapportage over bevolkingscategorieën, het ontwikkelen van een ramingsmodel voor de zorgsector, het milieu-onderzoek) en het Aanvullend Voorzieningengebruik Onderzoek (AVO).

De hogere verplichtingen van f 1,0 miljoen worden voornamelijk veroorzaakt door de hogere uitgaven van f 0,6 miljoen in 1995 met een meerjarig kaseffect van f 0,4 miljoen in de jaren 1996 en 1997.

Artikel: U2207 Inspectie jeugdhulpverlening en jeugdbescherming (bedragen x f 1000)

TOETSING REALISATIE AAN DE BEGROTINGSWET, STAND 2E SUPPLETORE WETSLOTWET
Ontwerp-BegrotingNota v. W. Amendement1e Suppletore wet2e Suppletore wetBinnen ArtikelTotaal van de begrotingRealisatieVerschil (+ = tekort)Perc.Loon/PrijsOverig
123456=1 t/m 578 = 7 – 6 8 =10 + 119 = 8 : 61011
ArtikelOmschrijving          
Artikelonderdeel          
           
U2207 Inspectie jeugdhulpverlening en jeugdbescherming
           
V: 2 961024417503 3803 237– 143– 443– 186
K: 2 961024417503 3803 215– 165– 443– 208
           
U2207/00 Inspectie jeugdhulpverlening en jeugdbescherming
           
V: 2 961024417503 3803 237– 143– 443– 186
K: 2 961024417503 3803 215– 165– 443– 208

De uitgaven betreffen voornamelijk personele uitgaven voor salarissen, toelagen, sociale lasten en vervangend personeel. Daarnaast zijn uitgaven verantwoord voor opleidingskosten en materiële uitgaven voor automatiseringskosten, reis- en verblijfkosten, kantoorkosten en dergelijke. Totale uitgaven: f 3,2 miljoen. Per 31 december 1995 betrof het een bezetting van 27,42 fte's op een formatie van 27 fte's.

«M en O»-beleid:

De op dit artikelonderdeel verantwoorde toelagen voor tegemoetkoming ziektekosten rijksambtenaren (circa f 0,1 miljoen) zijn gebaseerd op een «M en O»-gevoelige regeling. In 1994 bestond het controlebeleid uit een integrale controle van de aanvraag met bewijsstukken. In 1995 is de controle voortgezet voor wat betreft de doorgegeven wijzigingen.

Artikel: U2301 Personeel en materieel Inspectie gezondheidszorg (bedragen x f 1000)

TOETSING REALISATIE AAN DE BEGROTINGSWET, STAND 2E SUPPLETORE WETSLOTWET
Ontwerp-BegrotingNota v. W. Amendement1e Suppletore wet2e Suppletore wetBinnen ArtikelTotaal van de begrotingRealisatieVerschil (+ = tekort)Perc.Loon/PrijsOverig
123456=1 t/m 578 = 7 – 6 8 =10 + 119 = 8 : 61011
ArtikelOmschrijving          
Artikelonderdeel          
           
U2301 Personeel en materieel Inspectie gezondheidszorg
           
V: 26 701– 146 0246 651039 36239 6422801759– 479
K: 26 701– 146 1846 966039 83739 560– 277– 1759– 1 036
           
U2301/01 Actief regulier personeel
           
V: 22 587– 142 2491 093– 91125 00426 2631 2595715544
K: 22 587– 142 2491 093– 91125 00426 2631 2595715544
           
U2301/02 Overige personele uitgaven
           
V: 00615006151 0764617514447
K: 00615006151 0764617514447
           
U2301/03 Post-actieven
           
V: 0083101 2002 0312 04211129– 18
K: 0083101 2002 0312 04211129– 18
           
U2301/04 Personeel ten laste van derden
           
V: 00836091927953263026
K: 00836091927953263026
           
U2301/05 Materieel
           
V: 4 11401 4931 285– 3806 5126 5175014
K: 4 11401 6531 600– 3806 9876 435– 552– 81– 553
           
U2301/06 Registratie Wet BIG
           
V: 0004 27304 2732 794– 1 479– 350– 1 479
K: 0004 27304 2732 794– 1 479– 350– 1 479

Onderdeel 01:

Op dit artikelonderdeel zijn voornamelijk uitgaven verantwoord voor salarissen, toelagen en sociale lasten. Daarnaast zijn uitgaven verantwoord voor vervangend en extern personeel. Totale uitgaven: f 26,3 miljoen. Per 31 december 1995 betrof het een bezetting van 264,73 fte's op een formatie van 296,42 fte's.

«M en O»-beleid:

De op dit artikelonderdeel verantwoorde toelagen voor Tegemoetkoming Ziektekosten Rijksambtenaren (TZR) zijn gebaseerd op een «M en O»-gevoelige regeling. In 1994 bestond het controlebeleid uit een integrale controle van de aanvraag met bewijsstukken. In 1995 is de controle voortgezet voor wat betreft de door personeelsleden doorgegeven wijzigingen.

Onderdeel 02:

Op dit artikelonderdeel zijn de uitgaven (f 1,1 miljoen) verantwoord van vergoedingen aan personeel voor beloningsdifferentiatie, ouderschapsverlof, verplaatsingskosten, werving en selectie, opleidingen en uitgaven voor kinderopvang.

Onderdeel 03:

In verband met de reorganisatie van drie zorginspecties tot één Inspectie Gezondheidszorg, hebben meer personeelsleden gebruik gemaakt van wachtgeldregelingen dan oorspronkelijk is geraamd. Totale uitgaven: f 2,0 miljoen.

«M en O»-beleid:

Deze regelingen zijn «M en O»-gevoelig. Het onder het Ministerie van Binnenlandse Zaken ressorterende DUO (vanaf 1996 de USZO) is belast met de uitvoering van deze regelingen en heeft daarvoor een adequaat controlebeleid geformuleerd.

Onderdeel 04:

Op dit artikelonderdeel zijn de aan derden door te berekenen salariskosten van de Inspectie voor Geneesmiddelen verantwoord (f 1,0 miljoen).

Onderdeel 05:

De uitgaven op dit artikelonderdeel hebben betrekking op materiële kosten van het centrale apparaat en de regionale inspecties. Daarnaast zijn uitgaven gedaan voor onderzoeken, het ontwikkelen van informatiesystemen, het uitgeven van Bulletins, de registratie van Psychotherapeuten en juridische bijstand. Voorts werden uitgaven gedaan voor herhuisvesting en herinrichting. Totale uitgaven f 6,4 miljoen.

Onderdeel 06:

Per 1 november 1995 is de Wet op de Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg (Wet BIG) in werking getreden. Voor de financiering van het opzetten van een registratiesysteem is in 1995 een bedrag van f 4,3 miljoen geraamd. De uitvoering heeft plaatsgevonden op projectbasis.

De uitgaven in 1995 bestaan voor f 0,5 miljoen uit personele uitgaven en voor f 2,3 miljoen uit materiële uitgaven. De uitgaven zijn lager omdat de aanbesteding van het project voordeliger is uitgevallen.

Artikel: U2401 Welzijn algemeen (bedragen x f 1000)

TOETSING REALISATIE AAN DE BEGROTINGSWET, STAND 2E SUPPLETORE WETSLOTWET
Ontwerp-BegrotingNota v. W. Amendement1e Suppletore wet2e Suppletore wetBinnen ArtikelTotaal van de begrotingRealisatieVerschil (+ = tekort)Perc.Loon/PrijsOverig
123456=1 t/m 578 = 7 – 6 8 =10 + 119 = 8 : 61011
ArtikelOmschrijving          
Artikelonderdeel          
           
U2401 Welzijn algemeen
           
V: 84 356– 500– 9 24811 005085 61377 626– 7 987– 91 152– 9 139
K: 116 471– 500– 4 1986500112 423108 366– 4 057– 41 152– 5 209
           
U2401/01 Maatschappelijke ontwikkeling
           
V: 46 676– 500– 4 3995 353– 2 32044 81039 881– 4 929– 11742– 5 671
K: 75 653– 500– 4 3991 376– 2 32069 81067 970– 1 840– 3742– 2 582
           
U2401/02 Algemene welzijnsaangelegenheden
           
V: 37 6800– 4 8495 6522 32040 80337 745– 3 058– 7410– 3 468
K: 40 8180201– 7262 32042 61340 397– 2 216– 5410– 2 626

Onderdeel 01:

Amendement 34 is uitgevoerd. Een bedrag van f 0,5 miljoen is overgeboekt naar uitgavenartikel 25.03, onderdeel 01 «Rijksbijdragen ziektekosten».

Op dit artikelonderdeel zijn de volgende uitgaven gedaan:

a. Vormings- en ontwikkelingswerk f 31,2 miljoen

b. Maatschappelijke activering f  8,7 miljoen

c. Emancipatiewerk f  5,5 miljoen

d. Vrijwilligersbeleid f  5,0 miljoen

e. Maatschappelijke Opvang f 13,5 miljoen

f. Consumentenbeleid f  1,7 miljoen

* Wachtgelden f  2,4 miljoen+

Uitgaven f 68,0 miljoen

Toelichting op onderdelen:

Ad a. Uitgaven zijn gedaan ten behoeve van 13 instellingen voor Vorming, Training en Advies (VTA) en het overkoepelende VTA-Branchebureau. Met de betreffende middelen zijn 16 374 cursusdagdelen gesubsidieerd ten behoeve van specifieke (achterstands)groepen. Voorts betreft het uitgaven voor activiteiten van: * organisaties ter bevordering van het maatschappelijk debat (Rode Hoed, De Balie, Nederlands Gesprekscentrum), * Instituut voor Publiek en Politiek (IPP) en * het NIVON;

Ad b. Uitgaven zijn gedaan voor activiteiten uitgevoerd door diverse instellingen, waaronder: * het cluster maatschappelijke activering (SOM (Samenwerkende Organisaties voor Maatschappelijk activering)),* opbouwwerk (LCO (Landelijk Centrum Opbouwwerk)), * cluster van organisaties van uitkeringsgerechtigdenwerk en armoedebestrijding (met name Stichting Sjakuus) en * programma «maatschappelijk ondernemerschap»;

Ad c. Uitgaven zijn gedaan voor activiteiten in het kader van het emancipatie- en leefeenhedenbeleid, waaronder: * 20 projectsubsidies in het kader van het VWS-emancipatiebeleid (VES), * cluster homo-lesbisch emancipatiebeleid, * Arachne, * Nederlandse Gezinsraad en * Platform Overleg Alleenstaanden (PLOA);

Ad d. Uitgaven zijn gedaan ten behoeve van met name activiteiten van het cluster Vrijwilligerswerk (Stichting Fonds Vrijwilligers Nederland), en de daaronder ressorterende werkmaatschappijen NOV en SvM;

Ad e. Uitgaven zijn gedaan voor activiteiten in het kader van maatschappelijke opvang c.a., waaronder: * Federatie Opvang, * Ambulante FIOM,* VBOK en * Prostitutiebeleid (Rode Draad en Mr. De Graaf stichting);

Ad f. Uitgaven zijn gedaan voor activiteiten in het kader van het consumentenbeleid, waaronder: * Stichting de Ombudsman, * NIBUD en * Consumentenbeleid Welzijn.

Onderdeel 02:

Op dit onderdeel zijn de volgende uitgaven gedaan:

g. Internationale Welzijnsaangelegenheden f  3,9 miljoen

h. Onderzoek en Studie f  2,7 miljoen

i. Instituutsfinanciering f 25,2 miljoen

j. Lokaal beleid f  8,6 miljoen

Totaal f 40,4 miljoen

Toelichting op onderdelen:

Ad g. Uitgaven zijn gedaan voor activiteiten op het terrein internationale welzijnsaangelegenheden, waaronder: * uitvoering van de Accoorden van Wassenaar (Joint Committee Nederland-Indonesië, * uitvoering van bilateraal en multilateraal beleid (in het kader van Culturele Accoorden, Memoranda of Understanding, Midden- en Oost Europa en nationale follow up Social Summit e.d.);

Ad h. Uitgaven zijn gedaan voor activiteiten op het terrein van onderzoek en projecten, waaronder: * programma-bijdragen voor het AWSB te Utrecht, NIDI, European Centre Wenen en NWO, * projecten op het terrein van technologiebeleid, informatiebeleid, bedrijfsvoering, kwalificatiebeleid en werkontwikkeling;

Ad i. Uitgaven zijn gedaan voor activiteiten uitgevoerd door: * Nederlands Instituut voor Zorg en Welzijn (NIZW – werkontwikkeling),* Verweij-Jonker Instituut (onderzoek) en * diverse Gestructureerde Overleggen (opvang, gehandicapten, jeugd en ouderen);

Ad j. Uitgaven zijn gedaan voor activiteiten in het kader van het Grote-Stedenbeleid (VWS-convenanten), vernieuwing lokaal welzijnsbeleid en plattelandsbeleid.

Artikel: U2402 Ouderenbeleid (bedragen x f 1000)

TOETSING REALISATIE AAN DE BEGROTINGSWET, STAND 2E SUPPLETORE WETSLOTWET
Ontwerp-BegrotingNota v. W. Amendement1e Suppletore wet2e Suppletore wetBinnen ArtikelTotaal van de begrotingRealisatieVerschil (+ = tekort)Perc.Loon/PrijsOverig
123456=1 t/m 578 = 7 – 6 8 =10 + 119 = 8 : 61011
ArtikelOmschrijving          
Artikelonderdeel          
           
U2402 Ouderenbeleid
           
V: 3 219 291026 332– 7 10703 238 5163 310 57672 060227 07844 982
K: 3 250 42700– 7 21103 243 2163 265 47122 255127 078– 4 823
           
U2402/01 Doeluitkering Wet op de bejaardenoorden
           
V: 3 043 073027 507003 070 5803 130 04459 464225 47833 986
K: 3 071 07300003 071 0733 096 55125 478125 4780
           
U2402/02 Bejaardenoorden met een bijzondere functie
           
V: 140 224007630140 987154 22113 23491 16412 070
K: 140 2240000140 224140 67745301 164– 711
           
U2402/03 Overige uitgaven bejaardenoorden
           
V: 8 5490012908 6788 619– 59– 170– 129
K: 8 54900008 5498 619701700
           
U2402/04 Algemeen ouderenbeleid
           
V: 27 4450– 1 175– 7 999018 27117 693– 578– 3366– 944
K: 30 58100– 7 211023 37019 625– 3 745– 16366– 4 111

Onderdeel 01:

De totale uitgaven voor dit onderdeel zijn f 3 096,5 miljoen. Deze uitgaven betreffen de Doeluitkering Wet op de bejaardenoorden aan de provincies en vier grote steden. De uitkering is bedoeld om bij te dragen in de kosten van de circa 1 500 bejaardenoorden in Nederland waarin circa 125 000 bejaarden wonen. Circa 53% van de bewoners zijn 85 jaar of ouder. Het aantal arbeidsplaatsen bij de bejaardenoorden bedraagt ongeveer 55 000.

«M en O»-Beleid:

Eigen bijdragen Wet op de Bejaardenoorden (circa f 1,9 miljard).

In het geheel van de financiering van de bejaardenoorden spelen de eigen bijdragen een belangrijke rol. De bewoner van een bejaardenoord dient in principe de kosten van zijn verblijf in het oord volledig te betalen. Indien zijn vermogen en inkomsten hiertoe onvoldoende zijn, dan is hij een inkomensafhankelijke eigen bijdrage verschuldigd. De gemeente waarin het oord is gelegen, is op grond van de WBO belast met de vaststelling, inning en afdracht van de eigen bijdrage. De afdracht vindt plaats aan het bejaardenoord.

De aan de oorden afgedragen eigen bijdragen worden op de begroting van VWS niet als ontvangsten verantwoord. Wel zijn de aan de oorden afgedragen eigen bijdragen (in geringe mate) van invloed op de verdeling van het op uitgavenartikel 24.02, onderdeel 01 «Bejaardenoorden (specifieke uitkering)» uitgetrokken bedrag over provincies en gemeenten. De subsidie voor een landelijk bejaardenoord met een bijzondere functie (uitgavenartikel 24.02, onderdeel 02) is rechtstreeks afhankelijk van de omvang van de aan het oord afgedragen eigen bijdragen. De subsidie bestaat namelijk, kort gezegd, uit het vastgestelde budget minus de door het oord ontvangen eigen bijdragen.

De hoogte van de eigen bijdragen wordt door de gemeente vastgesteld aan de hand van door de bewoner te verstrekken vermogens- en inkomensgegevens. De mogelijkheid bestaat dat de verstrekte gegevens niet waarheidsgetrouw zijn. Met andere woorden er is gevaar van misbruik en oneigenlijk gebruik.

De provincies/grote steden zijn verplicht tot het aan het departement overleggen van een accountantsverklaring waaruit blijkt dat de vaststelling, inning en afdracht hebben plaatsgevonden overeenkomstig de gestelde regels (in het bijzonder het Bijdragenbesluit bewoners van bejaardenoorden).

In de regels is voorzien dat de gemeente, indien zij daartoe aanleiding ziet, informatie over vermogen en inkomen van de bewoner inwint bij de Belastingdienst. Door de Algemene Rekenkamer is de vraag opgeworpen of het niet de voorkeur verdient de gemeenten te verplichten tot het uitvoeren van een verificatie met behulp van gegevens van de Belastingdienst. In verband hiermee is in 1994 op basis van vrijwilligheid een onderzoek gestart onder een aantal gemeenten naar de administratieve complicaties en doelmatigheid in geval van verplichte verificatie. De uitkomsten van het onderzoek leiden niet tot de conclusie dat verplichte verificatie tot een inefficiënte bedrijfsvoering bij gemeenten leidt.

Echter de huidige regelgeving ex WBO wordt ingetrokken in verband met de voorgenomen overheveling van de bejaardenoorden naar het AWBZ-regime per 1 januari 1997.

De soms ingrijpende maatregelen die getroffen moeten worden om verplichtstelling van verificatie bij de Belastingdienst van inkomens- en vermogensgegevens mogelijk te maken, zouden dan slechts voor een korte periode van toepassing zijn. Om deze reden achten de bewindslieden van VWS het niet zinvol om nu over te gaan tot verplichte verificatie. Het is beter om, zodra meer inzicht bestaat in zowel de aard van de toekomstige bijdrageregeling voor bewoners van bejaardenoorden, als de wijze waarop en door wie deze regeling zal worden uitgevoerd, ten volle aandacht te besteden aan een verdere uitwerking van een goed «M en O»-beleid terzake.

Onderdeel 02:

De totale uitgaven aan de bejaardenoorden met een bijzondere functie (bbf's) zijn f 140,7 miljoen. Deze uitgaven betreffen voor f 136,8 miljoen subsidies die bedoeld zijn om bij te dragen in de exploitatiekosten van de circa 125 bejaardenoorden. Ongeveer tweederde van het aantal bejaardenoorden betreffen kloosterbejaardenoorden. In de oorden wonen circa 6 200 bejaarden. De overige uitgaven van f 3,8 miljoen betreffen subsidies voor het flankerend beleid en reikwijdteverbreding.

De hogere verplichtingen van f 13,2 miljoen zijn voornamelijk een gevolg van:

– incidentele verplichtingen van f 6 miljoen voor bouw, renovatie, inrichting en onderhoud van de oorden, die niet waren geraamd;

– verplichtingen van f 3,1 miljoen (inclusief de structurele doorwerking van f 1,1 miljoen naar 1996) in verband met de Overheidsbijdrage in de Arbeidskostenontwikkeling 1995;

– incidentele verplichtingen van f 3 miljoen inzake de sluiting van enige oorden, die niet waren geraamd;

– verplichtingen van totaal f 1 miljoen ten behoeve van vorming/opleiding en deskundigheidsbevordering van personeelsleden werkzaam in de oorden, die niet waren geraamd;

– f 0,2 miljoen hogere verplichtingen door stijging van de meerzorg in de oorden en het goed keuren van investeringen, huurverhogingen en extra onderhoudsdotaties die een verhogend effect op de exploitatiesubsidies 1995 hebben, die niet waren geraamd.

Onderdeel 03:

De totale uitgaven zijn f 8,6 miljoen. Dit betreffen de bijdragen aan de provincies Zeeland van f 1,1 miljoen (ten behoeve van het ADL-huis te Goes), Noord-Brabant van f 2,1 miljoen (ten behoeve van 1 oktober-bedden) en Limburg van f 5,4 miljoen (ten behoeve van de Perspectievennota Limburg).

Onderdeel 04:

De totale uitgaven zijn f 19,6 miljoen. Het betreft voor:

– f 0,6 miljoen uitvoerend werk zoals genoemd in de Welzijnswet, maar waar om redenen van doelmatigheid en doeltreffendheid de verantwoordelijkheid tot het Rijk behoort. Het zijn subsidies aan 12 bejaardenpensions;

– f 6,9 miljoen subsidies voor activiteiten van ongeveer 15 organisaties die duurzaam bijdragen aan de landelijke infrastructuur inzake het ouderenbeleid en betrekking hebben op de in de Welzijnsnota 1995–1998 «Naar eigen vermogen» genoemde onderdelen;

– f 11,8 miljoen subsidies voor projecten en onderzoek ten behoeve van de in de Welzijnsnota genoemde vijf thema's inzake ouderen;

– f 0,3 miljoen aan arbeidsmarktmiddelen voor een project in Groningen.

De per saldo lagere uitgaven van f 3,7 miljoen en de per saldo lagere verplichtingen van f 0,5 miljoen zijn hoofdzakelijk een gevolg van:

– het niet realiseren van uitgaven en verplichtingen van f 1,5 miljoen in het kader van Modernisering Ouderenzorg, als gevolg van het feit dat het regeringsstandpunt pas in september werd vastgesteld;

– lagere dan geraamde nabetalingen (uitgaven en verplichtingen) in het kader van de afrekening van in voorgaande jaren verstrekte subsidievoorschotten van f 1,3 miljoen;

– het niet realiseren van uitgaven van f 1,2 miljoen en het meer dan geraamd realiseren van verplichtingen met kaseffecten na 1995 van f 2,1 miljoen door gedurende het begin van 1995 zeer terughoudend toekennen van subsidies aan projecten, experimenten en onderzoek (PEO) met kaseffecten in 1995, hangende de besluitvorming in het kader van de bezuinigingen op de budgetten van de Welzijnsnota «Naar eigen vermogen»;

– de afbouw van het aantal verzorgingsplaatsen in de bejaardenpensions van f 0,1 miljoen (uitgaven en verplichtingen);

– lagere structurele verplichting van f 0,5 miljoen door het opheffen van de Voorlopige Raad voor het Ouderenbeleid per 1-1-1996;

– hogere uitgaven van f 0,4 miljoen en verplichtingen van f 0,8 miljoen in verband met de Overheidsbijdrage in de Arbeidskostenontwikkeling 1995.

Artikel: U2403 Gehandicaptenbeleid (bedragen x f 1000)

TOETSING REALISATIE AAN DE BEGROTINGSWET, STAND 2E SUPPLETORE WETSLOTWET
Ontwerp-BegrotingNota v. W. Amendement1e Suppletore wet2e Suppletore wetBinnen ArtikelTotaal van de begrotingRealisatieVerschil (+ = tekort)Perc.Loon/PrijsOverig
123456=1 t/m 578 = 7 – 6 8 =10 + 119 = 8 : 61011
ArtikelOmschrijving          
Artikelonderdeel          
           
U2403 Gehandicaptenbeleid
           
V: 32 8200– 9 8683 586026 53832 5375 999234185 581
K: 34 9010– 9 1833 700029 41829 121– 297– 1418– 715
           
U2403/00 Gehandicaptenbeleid
           
V: 32 8200– 9 8683 586026 53832 5375 999234185 581
K: 34 9010– 9 1833 700029 41829 121– 297– 1418– 715

De op dit artikel geraamde uitgaven zijn bestemd voor subsidies aan diverse instellingen op het terrein van verstandelijk, lichamelijk en/of zintuiglijk gehandicapten. Deze subsidies hebben tot doel te bevorderen dat gehandicapte personen zoveel mogelijk in alle levensverbanden en op alle levensterreinen overeenkomstig hun levensfase in relatie tot hun sociaal-culturele context kunnen functioneren en zich binnen hun mogelijkheden ten volle kunnen ontplooien.

In verband met de verdeling van de middelen uit hoofde van de werkgelegenheidsimpuls is de begroting 1995 structureel verhoogd met f 10 miljoen ten behoeve van kinderopvangprojecten in gezinsvervangende tehuizen. Om uitvoeringstechnische redenen is besloten deze projecten te financieren via het AFBZ (uitgavenartikel 25.03).

De uitgaven op dit artikel zijn gedaan ten behoeve van:

– subsidies aan verenigingen van ouders van gehandicapten dan wel van gehandicapte kinderen. Het betreft 13 instellingen in het kader van de belangenbehartiging (f 3,3 miljoen);

– subsidies aan overige organisaties voor gehandicaptenwerk. Het betreft 29 instellingen in het kader van de belangenbehartiging en de pleitbezorging (f 11,7 miljoen);

– subsidies ten behoeve van het Consulentschap Gespecialiseerd Jeugd- en Volwassenenwerk (f 2,5 miljoen);

– subsidies ten behoeve van de projecten arbeidsintegratie verstandelijk gehandicapten (f 3,7 miljoen);

– subsidies ten behoeve van het nieuwe zorgregistratiesysteem voor verstandelijk gehandicapten (f 2,5 miljoen);

– subsidies voor diverse projecten in het kader van onder andere de implementatie van vernieuwingen en verbeterde werkwijze bij de algemene voorzieningen van professionele en vrijwillige dienstverleners in de thuissituatie, de beeldvorming van gehandicapten, internationale activiteiten en de tijdelijke opvang lichamelijk gehandicapten (in totaal f 4,4 miljoen);

– subsidies van diverse kleinere projecten, wachtgeldverplichtingen (onder andere herstellingsoorden) en nabetalingen oude jaren (f 1,0 miljoen).

De hogere verplichtingen van f 6,0 miljoen worden veroorzaakt door het aangaan van structurele verplichtingen inzake arbeidsintegratie verstandelijk gehandicapten (f 3,6 miljoen) en voor het nieuwe zorgregistratiesysteem voor verstandelijk gehandicapten (f 2,4 miljoen).

Artikel: U2404 Jeugdbeleid (bedragen x f 1000)

TOETSING REALISATIE AAN DE BEGROTINGSWET, STAND 2E SUPPLETORE WETSLOTWET
Ontwerp-BegrotingNota v. W. Amendement1e Suppletore wet2e Suppletore wetBinnen ArtikelTotaal van de begrotingRealisatieVerschil (+ = tekort)Perc.Loon/PrijsOverig
123456=1 t/m 578 = 7 – 6 8 =10 + 119 = 8 : 61011
ArtikelOmschrijving          
Artikelonderdeel          
           
U2404 Jeugdbeleid
           
V: 1 017 190042 350– 30 40901 029 1311 021 905– 7 226– 112 219– 19 445
K: 1 267 893019 47111 13201 298 4961 296 978– 1 518012 219– 13 737
           
U2404/01 Doeluitkering Wet op de jeugdhulpverlening
           
V: 818 089017 54713 7919 278858 705863 2254 52019 281– 4 761
K: 827 06801 4104 5047 945840 927848 9368 00919 281– 1 272
           
U2404/02 Overige uitgaven jeugdhulpverlening
           
V: 91 901013 90476– 13 31492 56792 9623950794– 399
K: 93 53508 430– 2 675– 10 14589 14589 3371920794– 602
           
U2404/03 Overige uitgaven jeugdbeleid en kinderopvang
           
V: 107 200010 899– 44 2764 03677 85965 719– 12 140– 162 144– 14 284
K: 347 29009 6319 3032 200368 424358 705– 9 719– 32 144– 11 863

Onderdeel 01:

De uitgaven (f 848,9 miljoen) en verplichtingen (f 863,2 miljoen) op dit onderdeel betreffen de doeluitkeringen aan de provincies en grootstedelijke regio's ter bestrijding van de kosten van de regionale voorzieningen voor jeugdhulpverlening en de samenwerkingsverbanden. Zowel beleidsmatig als financieel is de begroting uitgevoerd zoals voorzien.

De uitbreiding van de capaciteit voor de Medische Kleuterdagverblijven betekende een verhoging van de uitgaven en verplichtingen met f 3,3 miljoen. Met ingang van 1 januari 1995 is de pleegzorgvergoeding verhoogd waardoor de uitgaven op dit onderdeel stijgen met f 4,5 miljoen en de verplichtingen met f 9,0 miljoen.

Onderdeel 02:

De verplichtingen en uitgaven op dit onderdeel betreffen voornamelijk subsidies en overige uitgaven inzake:

– de landelijke voorzieningen van jeugdhulpverlening van f 62,8 miljoen;

– de landelijke pleegzorgvoorzieningen van f 4,1 miljoen;

– de Stichting BJ-onroerend goed van f 6,4 miljoen;

– experimenten en steunfuncties van f 11,1 miljoen, in verband met de aansluiting tussen vraag en aanbod en de toegankelijkheid van de jeugdhulpverlening alsmede,

– het innovatiebeleid, onder andere op het terrein van de bestrijding van de kindermishandeling f 1,9 miljoen en de thuisloze jongeren f 2,2 miljoen.

De Wet op de jeugdhulpverlening is in principe de juridische basis voor de verplichtingen en uitgaven. In 1995 zijn ook projecten gefinancierd op basis van de Welzijnswet 1994.

De implementatie van de meldpunten kindermishandeling gaat langzamer dan verwacht. Dit betekent dat de extra middelen die hiervoor beschikbaar waren, niet volledig zijn besteed (f 1,5 miljoen). Daarnaast leidt de temporisering van de zorgprogrammering, het platform Onderwijs/Jeugdhulpverlening en diverse projecten tot lagere uitgaven en verplichtingen (f 2,2 miljoen).

Onderdeel 03:

Op dit onderdeel is f 237,7 miljoen verantwoord inzake de kinderopvang. Dit betreft de bijdragen aan gemeenten en provincies en de projecten en experimenten voor de kinderopvang.

Daarnaast heeft dit onderdeel betrekking op de subsidies en de overige uitgaven voor de specifieke en de gemengde internaten voor kinderen van binnenschippers en kermisexploitanten van f 61,3 miljoen en op de jeugdparticipatie van f 19,6 miljoen.

Ook zijn op dit onderdeel verantwoord de (project)subsidies en overige uitgaven voor onder andere:

– de opvoedingsondersteuning van f 2,2 miljoen;

– het lokaal preventief jeugdbeleid van f 3,1 miljoen;

– het internationaal jeugdbeleid van f 4,4 miljoen;

– jeugdonderzoek van f 2,2 miljoen en

– de innovatie van speelgelegenheden f 1,4 miljoen.

Ten slotte betreft dit onderdeel de vergoedingen van wachtgeldsuppletie voor werknemers in de gesubsidieerde sector van f 10,7 miljoen.

De startsubsidie van f 10 miljoen ten behoeve van het waarborgfonds kinderopvang is niet in 1995 betaald. De startsubsidie wordt ter beschikking gesteld op het moment dat alle formaliteiten geregeld zijn.

Artikel: U2405 Verzetsdeelnemers, vervolgden en burgeroorlogsgetroffen (bedragen x f 1000)

TOETSING REALISATIE AAN DE BEGROTINGSWET, STAND 2E SUPPLETORE WETSLOTWET
Ontwerp-BegrotingNota v. W. Amendement1e Suppletore wet2e Suppletore wetBinnen ArtikelTotaal van de begrotingRealisatieVerschil (+ = tekort)Perc.Loon/PrijsOverig
123456=1 t/m 578 = 7 – 6 8 =10 + 119 = 8 : 61011
ArtikelOmschrijving          
Artikelonderdeel          
           
U2405 Verzetsdeelnemers, vervolgden en burgeroorlogsgetroffen
           
V: 874 89609 85113 3030898 050885 741– 12 309– 12 166– 14 475
K: 876 82509 85110 7000897 376887 746– 9 630– 12 166– 11 796
           
U2405/01 Wetten en regelingen oorlogsgetroffenen
           
V: 771 1860010 7000781 886777 526– 4 360– 1503– 4 863
K: 771 2120010 7000781 912777 519– 4 393– 1503– 4 896
           
U2405/02 Vergoeding van apparaatskosten
           
V: 81 364002 907084 27178 358– 5 913– 71 192– 7 105
K: 83 267000083 26780 598– 2 669– 31 192– 3 861
           
U2405/03 Overige uitgaven
           
V: 22 34609 851– 304031 89329 858– 2 035– 6471– 2 506
K: 22 34609 8510032 19729 631– 2 566– 8471– 3 037

Onderdeel 01:

De op dit onderdeel verantwoorde verplichtingen en uitgaven betreffen de pensioenen en uitkeringen aan verzetsdeelnemers, vervolgden en burger-oorlogsgetroffenen. De wetten voor oorlogsgetroffenen worden toegepast en uitgevoerd door een zelfstandig bestuursorgaan, de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR).

Het gaat om de volgende wetten:

– Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945 (Wuv) (f 402,6 miljoen);

– Wet buitengewoon pensioen 1940–1945 (Wbp) (f 262,8 miljoen);

– Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers (Wbpzo) (f 31,3 miljoen);

– Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945 (Wubo) (f 64,8 miljoen);

– Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet (Wiv) (f 8,2 miljoen).

Met uitzondering van de Wuv en een gedeelte van de uitvoering van de Wubo worden de wetten in opdracht en onder verantwoordelijkheid van de PUR uitgevoerd door het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds.

Daarnaast zijn op dit onderdeel verantwoord de verplichtingen en uitgaven met betrekking tot de Algemene oorlogsongevallenregeling Indonesië (f 7,1 miljoen) en het Besluit vergoeding motorrijtuigenbelasting (f 0,8 miljoen).

Ten behoeve van de raming van de uitgaven maakt de DVVB jaarlijks een uitgebreide analyse van de ontwikkelingen bij de wetten voor oorlogsgetroffenen.

«M en O»-beleid:

Het «M en O»-aspect bij de wetten en regelingen voor oorlogsgetroffenen is een zaak van blijvende aandacht. De Minister van VWS beschikt daarbij over voldoende instrumenten om het door de PUR uitgevoerde «M en O»-beleid te toetsen en waar nodig bij te sturen.

De op basis van de wetten voor oorlogsgetroffenen betaalde pensioenen en uitkeringen gelden als aanvulling op de eigen inkomsten. Daaruit vloeit voort dat er controle plaatsvindt op de volledigheid van de opgegeven inkomsten alsmede op het in leven zijn. De uitvoering van de wetten voor niet-ingezetenen brengt wat deze controle-aspecten betreft extra risico's met zich mee.

In geval van uitkeringen op basis van de Wuv wordt voor ingezetenen op basis van afspraken met de Belastingdienst een inkomenstoets uitgevoerd bij alle nieuwe periodieke uitkeringen en bij alle uitkeringsgerechtigden die de leeftijd van 65 jaar bereikt hebben. Daarnaast vindt een steekproef van 100 gevallen per maand plaats van uitkeringsgerechtigden die jonger zijn dan 65 jaar.

Voor niet-ingezetenen wordt een inkomenstoets met behulp van belastingaangiften en -aanslagen uitgevoerd, indien de omstandigheden hiertoe aanleiding geven.

De Wuv regelt de informatieverstrekking door de gemeenten aan de PUR van bevolkingsgegevens. Voor elke uitkeringsgerechtigde wordt jaarlijks een attestatie de vita gevraagd.

Over de ontwikkelingen in 1995 kan het volgende worden opgemerkt. In 1994 is geconstateerd dat de uitvoering van de inkomenstoets bij de Wuv is verwaterd. De PUR heeft maatregelen genomen om ervoor te zorgen dat de inkomenstoets weer wordt uitgevoerd volgens de geldende richtlijnen.

Daarnaast heeft onderzoek van de PUR uitgewezen dat het niet mogelijk is bij buitenlandse belastingautoriteiten het inkomen en het vermogen van niet-ingezetenen te controleren.

Ten aanzien van de Wbp is de wijze waarop de controle op de inkomsten plaatsvindt wettelijk geregeld. Voor ingezetenen wordt het inkomen jaarlijks gecontroleerd met informatie van de Belastingdienst. Wat betreft de informatie uit de bevolkingsregisters en de controle op niet-ingezetenen geldt hetgeen bij de Wuv is opgemerkt. De informatieverstrekking door de gemeenten is niet wettelijk geregeld. In de praktijk worden de pensioengerechtigden aangemeld bij de gemeenten voor het Spontane Mutatie Meldingssysteem. Dit betekent dat de PUR bij het overlijden van de pensioengerechtigde automatisch bericht krijgt.

Voor de Wiv is de situatie in grote lijnen hetzelfde als bij de Wbp.

Ook voor de Wbpzo is de situatie hetzelfde als bij de Wbp, met dien verstande dat de controle op de inkomsten niet wettelijk is geregeld.

Onderdeel 02:

Dit artikelonderdeel betreft voornamelijk de verplichtingen en uitgaven voor, en vergoeding van door organisaties gemaakte kosten bij de uitvoering van de wetten en regelingen voor oorlogsgetroffenen. De uitvoeringskosten van de wetten die onder de verantwoording van de PUR worden uitgevoerd bedroegen f 80,0 miljoen. De uitvoeringskosten van de Algemene oorlogsongevallenregeling Indonesië bedroegen f 0,5 miljoen. De niet-personeelsgebonden materiële uitgaven waaronder automatiseringsuitgaven bedroegen f 0,1 miljoen.

Onderdeel 03:

Op dit artikelonderdeel zijn verantwoord de verplichtingen en uitgaven voor de subsidies aan instellingen die immateriële hulp verlenen aan oorlogsgetroffenen (f 15,8 miljoen). Tevens betreft dit onderdeel de bijdragen ten behoeve van de instandhouding van de educatieve functie van nationale verzetsmusea en herinneringscentra (f 2,3 miljoen) en de verplichtingen en uitgaven ten behoeve van het Nationaal Comité 4 en 5 mei en jeugdvoorlichting op het beleidsterrein van oorlogsgetroffenen (f 1,9 miljoen).

Tot slot zijn op dit artikelonderdeel de verplichtingen en uitgaven van f 10 miljoen, die bij de 1e Suppletore wet aan de begroting zijn toegevoegd, ter gelegenheid van de herdenking van 50 jaar bevrijding verantwoord.

De uitgaven en verplichtingen zijn f 2,0 miljoen lager omdat de geplande investeringsbijdragen aan verzetsmusea/herinnering centra nog niet zijn gerealiseerd. Dit komt door vertragingen bij de uitvoering van de (bouw)plannen van de instellingen.

Artikel: U2406 Vluchtelingen en minderheden (bedragen x f 1000)

TOETSING REALISATIE AAN DE BEGROTINGSWET, STAND 2E SUPPLETORE WETSLOTWET
Ontwerp-BegrotingNota v. W. Amendement1e Suppletore wet2e Suppletore wetBinnen ArtikelTotaal van de begrotingRealisatieVerschil (+ = tekort)Perc.Loon/PrijsOverig
123456=1 t/m 578 = 7 – 6 8 =10 + 119 = 8 : 61011
ArtikelOmschrijving          
Artikelonderdeel          
           
U2406 Vluchtelingen en minderheden
           
V: 237 28528 737– 41 648– 2 2710222 103295 33573 232331 24671 986
K: 276 24228 737– 44 792– 2 0500258 137249 353– 8 784– 31 246– 10 030
           
U2406/01 Opvang vluchtelingen
           
V: 186 7604 737– 46 515– 10 1010134 881174 75339 8723017239 700
K: 186 8774 737– 46 515– 10 1000134 999130 176– 4 823– 4172– 4 995
           
U2406/02 Minderheden en nieuw allochtonenbeleid
           
V: 50 52524 0004 8677 830087 222120 58333 361381 07432 287
K: 89 36524 0001 7238 0500123 138119 177– 3 961– 31 074– 5 035

Onderdeel 01:

De uitgaven van f 130,2 miljoen kunnen als volgt worden gespecificeerd:

– uitgaven voor de centrale opvang van vluchtelingen (f 8,5 miljoen). Hiervoor zijn in 1995 door de Stichting centrale opvang vluchtelingen (COV) 609 vluchtelingen opgevangen, bestaande uit 499 uitgenodigde vluchtelingen en 110 in het kader van gezinsherenigingen en overige groepen. Dit is in totaal 191 personen minder dan geraamd (geraamd was 800);

– subsidies voor de organisaties voor vluchtelingen en de eigen organisaties van vluchtelingen (f 8,2 miljoen);

– uitgaven in het kader van de Bijdrageregeling integratieprogramma's verblijfsgerechtigden (uitvoering door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers) (f 113,5 miljoen).

Per saldo is er f 4,8 miljoen minder uitgegeven. De lagere uitgaven zijn als volgt tot stand gekomen:

– lagere uitgaven in verband met de bevoorschotting van het Centraal orgaan opvang asielzoekers (COA) die heeft plaatsgevonden op basis van te verstrekken uitkeringen aan gemeenten voor 13 825 verblijfsgerechtigden in plaats van 16 600 volgens de raming (f 19,8 miljoen);

– hogere uitgaven doordat bij de bevoorschotting van het COA is uitgegaan van een hogere uitkering per verblijfsgerechtigde dan waarmee in de begroting rekening is gehouden (f 11,8 miljoen);

– hogere nabetalingen voor de afrekening van in voorgaande jaren verstrekte voorschotten (f 3 miljoen).

De hogere verplichtingen van f 39,9 miljoen zijn grotendeels het gevolg van het in 1995 in de administratie opnemen van verplichtingen van f 44,7 miljoen in verband met nieuw beleid voor de inburgering van nieuwkomers vanaf 1996. Bij de begroting is ervan uitgegaan, dat eerst in 1996 de hieruit voortvloeiende verplichtingen zouden worden verantwoord. Het betreft verplichtingen op grond van een in oktober 1995 aan de gemeenten toegezonden verdeelplan.

Voor de bekostiging geldt de per 1 januari 1996 van kracht geworden Welzijnsregeling inburgering nieuwkomers. Deze regeling is de resultante van de samenvoeging van de bijdrageregeling integratieprogramma's verblijfsgerechtigden (BIV) en de Regeling integratie nieuwkomers (RIN).

Het bedrag van de verplichtingen betreft het deel dat betrekking heeft op de categorie verblijfsgerechtigden in de zin van de BIV (zie ook de toelichting op het artikelonderdeel 02).

Onderdeel 02:

De uitgaven van f 119,2 miljoen kunnen als volgt worden gespecificeerd:

– subsidies voor landelijke steunfuncties voor buitenlandse migranten, Surinamers, Antillianen en Arubanen, Molukkers, woonwagenbewoners en zigeuners f 14,1 miljoen. De subsidie aan deze organisaties is per 1 juli 1995 beëindigd en per dezelfde datum is de nieuwe landelijke minderhedenorganisatie van start gegaan;

– subsidie voor 31 zelforganisaties voor minderheden f 1,3 miljoen;

– subsidie voor 6 tolkencentra f 30 miljoen. Deze centra hebben in 1995 totaal 374 000 uren tolkdienstverlening gerealiseerd ten behoeve van minderheden en asielzoekers;

– subsidies en uitkeringen voor het beleid inzake 0 tot 18 jarigen f 21,3 miljoen. Hiervan maakt de voor- en buitenschoolse opvang (Op-stap, Opstapje etc.) een belangrijk deel uit. Aan de «Opstap-projecten» (schooljaar 94/95) participeerden ruim 100 gemeenten en werden zo'n 16 000 kinderen bereikt;

– subsidies en uitkeringen inzake het beleid voor de inburgering van nieuwkomers f 37,7 miljoen. Van de in het verdeelplan 1995 opgenomen 294 gemeenten hebben 248 gemeenten voor 18 365 nieuwkomers een bijdrage voor een integratieprogramma aangevraagd;

– subsidies en uitkeringen voor het programma multiculturele samenleving f 4,2 miljoen;

– subsidie voor wachtgeldaanspraken die ontstaan door van rijkswege geïnitieerde reorganisaties en bezuinigingen f 1,8 miljoen;

– subsidie voor het Moluks Historisch Museum f 8,5 miljoen. In 1995 is aan het museum voor het laatst een exploitatiesubsidie van f 0,5 miljoen verleend. Voor de toekomstige financiering is éénmalig een bedrag van f 8 miljoen betaald.

De per saldo lagere uitgaven van f 4,0 miljoen kunnen grotendeels als volgt worden gespecificeerd:

– een verlaging van het subsidie aan de tolkencentra door een efficiëntere werkwijze bij deze instellingen (f 2,4 miljoen);

– lagere uitgaven doordat het in de nota «Investeren en integreren» aangekondigde beleid voor de zelforganisaties van minderheden eerst in 1996 tot uitvoering zal komen (f 0,7 miljoen);

– lagere uitkeringen aan gemeenten in het kader van de Regeling inburgering nieuwkomers (f 0,6 miljoen). Voor 335 nieuwkomers verspreid over 46 gemeenten is geen bijdrage aangevraagd;

– lagere uitgaven doordat het deelprogramma multiculturele samenleving en met name het onderdeel «Participatie in vrijwilligersorganisaties» nog niet geheel is uitgevoerd (f 0,6 miljoen);

– hogere uitgaven voor het deelprogramma intercultureel management door vooral de uitbreiding van het project «Industrieel vakmanschap» (f 0,2 miljoen).

De hogere verplichtingen van f 33,4 miljoen zijn grotendeels het gevolg van het in 1995 in de administratie opnemen van verplichtingen van f 36,0 miljoen in verband met nieuw beleid voor de inburgering van nieuwkomers vanaf 1996. Bij de begroting is ervan uitgegaan, dat eerst in 1996 de hieruit voortvloeiende verplichtingen zouden worden verantwoord. Het betreft verplichtingen op grond van een in oktober 1995 aan de gemeenten toegezonden verdeelplan.

Voor de bekostiging geldt de per 1 januari 1996 van kracht geworden Welzijnsregeling inburgering nieuwkomers. Deze regeling is de resultante van de samenvoeging van de bijdrageregeling integratieprogramma's verblijfsgerechtigden (BIV) en de Regeling integratie nieuwkomers (RIN).

Het bedrag van de verplichtingen betreft het deel dat betrekking heeft op gezinsherenigers, Arubanen en Antillianen (zie ook de toelichting op het artikelonderdeel 01).

Artikel: U2407 Sportbeleid (bedragen x f 1000)

TOETSING REALISATIE AAN DE BEGROTINGSWET, STAND 2E SUPPLETORE WETSLOTWET
Ontwerp-BegrotingNota v. W. Amendement1e Suppletore wet2e Suppletore wetBinnen ArtikelTotaal van de begrotingRealisatieVerschil (+ = tekort)Perc.Loon/PrijsOverig
123456=1 t/m 578 = 7 – 6 8 =10 + 119 = 8 : 61011
ArtikelOmschrijving          
Artikelonderdeel          
           
U2407 Sportbeleid
           
V: 46 8530– 2017 467054 11952 882– 1 237– 2493– 1 730
K: 48 1320– 2016 500054 43158 2963 86574933 372
           
U2407/01 Landelijke sportvoorzieningen
           
V: 25 831006 442– 3232 24131 198– 1 043– 3290– 1 333
K: 26 555006 500– 3233 02333 1831600290– 130
           
U2407/02 Overige uitgaven landelijke taken
           
V: 21 0220– 2011 0253221 87821 685– 193– 1203– 396
K: 21 5770– 20103221 40825 1133 705172033 502

Onderdeel 01:

Voor de sportbeoefening in ons land is een goede organisatie van groot belang. Het doel van de uitgaven is dan ook het tot stand brengen en in stand houden van een adequate en toegankelijke organisatorische infrastructuur. Voor de realisatie hiervan is aan 63 sportorganisaties een subsidie van in totaal f 22 miljoen verleend. Aan 16 organisaties is in totaal f 0,09 miljoen meer subsidie verstrekt dan waarop zij op basis van de Regeling subsidiëring landelijke sportorganisaties recht hebben. De reden is dat door een onjuiste berekeningswijze een te hoog bedrag werd toegezegd. Deze toezeggingen konden niet meer ongedaan gemaakt worden. Daarnaast is f 1 miljoen subsidie verleend aan sportorganisaties ten behoeve van projecten op het gebied van veiligheid en participatie allochtonen.

Het sterke internationale karakter van de sport vereist een internationale oriëntatie van de sportorganisaties. Ten behoeve van het participeren van Nederlanders in internationale sportorganisaties is f 0,5 miljoen subsidie verleend.

Tevens is op dit onderdeel f 3,2 miljoen subsidie verleend voor produktontwikkeling en produktvernieuwing van accommodaties en materialen. Als gevolg van het toewijzen van de organisatie van de Europese kampioenschappen voetbal 2000 aan Nederland en België is voor de bouw van de nieuwe stadions van Ajax en Vitesse in totaal f 6,5 miljoen subsidie verleend. Voor de renovatie van het PSV-stadion is f 1,5 miljoen betaald.

Onderdeel 02:

Aan opleidingen en bijscholingen is aan de landelijke tak van sportorganisaties f 4,9 miljoen subsidie verleend. In dit bedrag is opgenomen de uitgaven voor rijksgecommitteerden en internationale activiteiten.

De activiteiten in de werkplannen van de sportstimuleringsorganisaties hebben vooral betrekking op voorlichting, methodiek- en werkontwikkeling, deskundigheidsbevordering, innovatie, advisering en begeleiding van projecten. In het kader hiervan werd f 3,3 miljoen subsidie verleend. Daarnaast werd voor projecten in het kader van sociale vernieuwing, minderheden, gehandicapten, vrouwen en ouderen een subsidie van in totaal f 2,8 miljoen verleend.

Het budget voor sportmedische begeleiding wordt in de eerste plaats aangewend voor de subsidiëring van sportartsen ten behoeve van de landelijke sportorganisaties. In 1995 is hiervoor een subsidie van f 2,3 miljoen verleend.

De overige uitgaven voor topsport van f 7,8 miljoen zijn voornamelijk besteed aan sporttechnisch kader, trainers/coaches en individuele begeleiding van topsporters in Nederland.

De hogere uitgaven van f 3,7 miljoen wordt voornamelijk veroorzaakt door het feit dat ten behoeve van Jeugd in Beweging f 3,8 miljoen is uitgegeven. Deze incidentele subsidie maakt onderdeel uit van de f 5,0 miljoen (f 1,2 miljoen van dit bedrag is in 1996 betaald) die in dit kader welzijnsbreed is verstrekt aan het NOC/NSF.

Artikel: U2408 Garantie van rente en aflossing van leningen welzijn (bedragen x f 1000)

TOETSING REALISATIE AAN DE BEGROTINGSWET, STAND 2E SUPPLETORE WETSLOTWET
Ontwerp-BegrotingNota v. W. Amendement1e Suppletore wet2e Suppletore wetBinnen ArtikelTotaal van de begrotingRealisatieVerschil (+ = tekort)Perc.Loon/PrijsOverig
123456=1 t/m 578 = 7 – 6 8 =10 + 119 = 8 : 61011
ArtikelOmschrijving          
Artikelonderdeel          
           
U2408 Garantie van rente en aflossing van leningen welzijn
           
V: 00070 000070 00050 439– 19 561– 280– 19 561
K: 00000000000
           
U2408/00 Garantie van rente en aflossing van leningen welzijn
           
V: 00070 000070 00050 439– 19 561– 280– 19 561
K: 00000000000

De verleende garanties (f 50,4 miljoen) hebben betrekking op aangegane geldleningen ten behoeve van de renovatie of nieuwbouw van inrichtingen voor de semi-murale gehandicaptenzorg.

De afwijking ten opzichte van de begrotingswet wordt veroorzaakt, doordat op het tijdstip van de begrotingsvoorbereiding geen volledig beeld verkregen kan worden van de ontwikkeling van de garantieverlening in het betreffende jaar.

Artikel: U2501 Volksgezondheid algemeen (bedragen x f 1000)

TOETSING REALISATIE AAN DE BEGROTINGSWET, STAND 2E SUPPLETORE WETSLOTWET
Ontwerp-BegrotingNota v. W. Amendement1e Suppletore wet2e Suppletore wetBinnen ArtikelTotaal van de begrotingRealisatieVerschil (+ = tekort)Perc.Loon/PrijsOverig
123456=1 t/m 578 = 7 – 6 8 =10 + 119 = 8 : 61011
ArtikelOmschrijving          
Artikelonderdeel          
           
U2501 Volksgezondheid algemeen
           
V: 69 0310– 13 2717 021062 78159 739– 3 042– 51 379– 4 421
K: 70 6300– 13 2016 809064 23855 992– 8 246– 131 379– 9 625
           
U2501/01 Algemene uitgaven volksgezondheid
           
V: 16 91009827 820025 71221 458– 4 254– 17271– 4 525
K: 17 18501 0526 809025 04620 156– 4 890– 20271– 5 161
           
U2501/02 Beroepen en opleidingen volksgezondheid
           
V: 52 1210– 14 253– 799037 06938 2811 21231 108104
K: 53 4450– 14 2530039 19235 837– 3 355– 91 108– 4 463

Onderdeel 01:

De op dit onderdeel geraamde uitgaven (f 0,8 miljoen) voor de registraties van aangeboren afwijkingen zijn volledig aan dit doel besteed.

De verplichtingen en uitgaven hebben voor circa f 9,8 miljoen betrekking op de financiering van de Nationale Raad voor de Volksgezondheid. De invoering van de bezuinigingstaakstelling bij de Raad is vertraagd, waardoor de verplichtingen en uitgaven circa f 1,7 miljoen hoger zijn dan de raming (2e Suppletore wet).

Tevens zijn ten laste van dit artikelonderdeel de niet geraamde aanloopkosten verantwoord (circa f 0,5 miljoen), in verband met de oprichting van de Voorlopige raad voor de volksgezondheid en de zorggerelateerde dienstverlening (2e Suppletore wet).

Voorts zijn op dit onderdeel verplichtingen en uitgaven van circa f 1,0 miljoen voor de interne informatievoorziening van het Directoraat-Generaal van de Volksgezondheid verantwoord.

Ten laste van dit onderdeel zijn de verplichtingen en uitgaven verantwoord, die verband houden met het aanstellen van bouwgemachtigden ten behoeve van de begeleiding van grootschalige bouwprojecten in de sector ziekenhuizen. De verplichtingen en uitgaven bedroegen circa f 1,2 miljoen en zijn beschikbaar gekomen uit uitgavenartikel 25.03 Rijksbijdragen volksgezondheid (1e Suppletore wet). In verband met het structureel vastleggen van de verplichting aan de Stichting Facilitair Bureau Gemachtigden Bouw VWS was circa f 1 miljoen extra nodig (2e Suppletore wet).

De op dit onderdeel verantwoorde verplichtingen en uitgaven voor de uitvoering van de taken op het terrein van de crisisbeheersing, alsmede voor de vernietiging van met name geneesmiddelen uit de magazijnen voor de opslag van materiaal in buitengewone omstandigheden (MIBO), waren circa f 2 miljoen lager dan de in de oorspronkelijke begroting opgenomen ramingen. Dit wordt enerzijds veroorzaakt door de heroriëntatie van het departement op de taken op het terrein van de crisisbeheersing, waarmee in de raming nog geen rekening was gehouden. Anderzijds is er vertraging opgetreden in de vernietiging van de voorraden geneesmiddelen door de verplichting tot Europese aanbesteding. De aanvullende raming hiervoor van f 0,7 miljoen (1e Suppletore wet) is hierdoor dan ook in 1995 niet besteed.

Daarnaast zijn op dit artikelonderdeel voor f 1,9 miljoen aan uitgaven verantwoord in verband met de ontwikkeling van informatievoorziening van het Directoraat-Generaal van de volksgezondheid. Mede als gevolg van de reorganisatie zijn projecten op een later tijdstip gestart, waardoor de uitgaven na 1995 zullen plaatsvinden.

Tenslotte zijn ten laste van dit onderdeel de niet geraamde verplichtingen en uitgaven verantwoord in het kader van de «Bijdrageregeling wateroverlast zorgsector 1995» (2e Suppletore wet). De in 1995 uitkeringen waren circa f 1,6 miljoen lager dan aanvullend was geraamd. De kosten van het telefoonmeldpunt ten tijde van de wateroverlast waren circa f 0,15 miljoen lager dan aanvullend geraamd (2e Suppletore wet). Een bedrag van f 2,4 miljoen is daadwerkelijk uitgegeven.

Onderdeel 02:

De uitgaven respectievelijk de verplichtingen op dit onderdeel hebben voor f 34,3 miljoen respectievelijk f 36,8 miljoen betrekking op de subsidiëring van opleidingen voor verplegende en verzorgende beroepen, alsmede medische en paramedische beroepen. Daarnaast worden de kosten voor examens en insignes met betrekking tot de opleiding van verplegende en verzorgende beroepen hier verantwoord (f 0,3 miljoen). Voorts zijn hier verantwoord de implementatiekosten van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) en de kosten verbonden aan de financiering van de zes medische tuchtcolleges (f 1,2 miljoen).

Opleidingen

De regionale experimenten op het terrein van vernieuwing en verbetering van het onderwijs verplegende en verzorgende beroepen hebben geleid tot een geheel nieuwe opzet van de opleidingen voor deze beroepen. De voor implementatie en voorlichting geraamde uitgaven zijn f 0,3 miljoen lager uitgevallen omdat realisatie van die activiteiten afhankelijk was van politieke besluitvorming en de instemming van het Ministerie van OCenW voor co-financiering.

De uitbreiding van de opleidingen voor medische en paramedische beroepen zowel in leerlingencapaciteit als verlenging met 1 studiejaar verloopt volgens planning. De opleiding mondhygiëne in Groningen is gestart met ingang van het studiejaar 1995/1996. De uitgaven voor de nieuwe opleiding mondhygiëne te Groningen en de uitbreiding van de opleiding tot verloskundige zijn in 1995 f 1,6 miljoen achtergebleven bij de raming.

Voor de structurele verplichting van de opleiding mondhygiëne te Groningen (f 1,9 miljoen) en voor de uitbreiding van subsidie opleiding mondhygiëne met de kosten van de klinieken (f 1,2 miljoen) waren de verplichtingen niet geraamd.

De voorgenomen oprichting van een opleidingsfonds is als gevolg van vertraging in de besluitvorming door de KNMG, de Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen en de verzekeraars in 1995 niet gerealiseerd. Vooruitlopend op de inwerkingtreding van het fonds is het budget van f 14,2 miljoen voor de financiering van de medische en tandheelkundige vervolgopleidingen overgeboekt naar het begrotingsartikel waaruit de Rijksbijdrage AWBZ wordt gevoed.

De registratie van het beroep van verpleegkundige in het kader van de Wet BIG die met een jaar was uitgesteld, is op 1 december 1995 wel van start gegaan. De registratie is inmiddels op gang gekomen. De evaluatie van de wet, waaronder de registratie, zal om die reden op een later tijdstip worden gerealiseerd.

Examenkosten

De uitgaven en verplichtingen (f 0,3 miljoen) voor examens (insignes en declaraties gecommitteerden) is f 0,5 miljoen lager dan in de begroting is geraamd. Dit gegeven en de wetenschap dat de opleidingen, met uitzondering van de opleiding voor ziekenverzorgenden en enkele kleinere (deel-)opleidingen, met ingang van 1996 onder de werkingssfeer van de Wet BIG vallen, heeft al geleid tot een aanpassing in de meerjarencijfers 1996 en volgende jaren.

Medisch Tuchtwet

Het door de zes medische tuchtcolleges behandelde aantal zaken in het kader van de Medische Tuchtwet laat een lichte stijging zien ten opzichte van 1994. Verwacht wordt dat deze trend zich in 1996 en volgende jaren zal voortzetten. De te verstrekken vergoedingen, zoals vacatiegeld en reiskosten, zullen daardoor ook toenemen. De uitgaven en verplichtingen in het jaar 1995 (f 1,2 miljoen) komen nagenoeg overeen met de ramingen.

Volume- en prestatiegegevens

In de ontwerp-begroting van 1995 was een overzicht opgenomen van de raming van de aantallen examenkandidaten en cursisten van opleidingen voor beroepen in de gezondheidszorg. In het hier volgende overzicht is de realisatie 1995 weergegeven.

Aantallen examenkandidaten en cursisten

Examen-kandidatenRaming 1995Realisatie 1995**
A-verpleegkundige310021231
B-verpleegkundige800903
Z-verpleegkundige12001476
Ziekenverzorgende30002874
Keurmeester van slachtdieren en van vlees
Oefentherapeut Cesar6763
Oefentherapeut Mensendieck6761
Radiologisch laborant3502302
Podotherapeut3033
Mondhygiënist122833
Orthoptist1617
Verloskundige8383
Cursisten in opleidingenRaming 1995Realisatie 1995**
a. Mondhygiëniste380387
b. Verloskundige305306
c. Wijkziekenverzorgende2802204
d. Orthoptist7572
e. Oefentherapeut Cesar211208
f. Oefentherapeut Mensendieck205212
g. Podotherapeut10592
h. Praktijkleiding5204005

** Gebaseerd op voorlopige gegevens

Toelichting

Examenkandidaten

1. A-verpleegkundige

Mede gezien het dalend aantal leerlingen en het te hoog ingeschatte rendement/doorstroompercentage is het uiteindelijke aantal examenkandidaten achtergebleven bij de raming.

2. Radiologisch laborant

Mede gezien het dalend aantal leerlingen en het te hoog ingeschatte rendement/doorstroompercentage is het uiteindelijke aantal examenkandidaten achtergebleven bij de raming.

3. Mondhygiënist

In tegenstelling tot de verwachtingen bij de opstelling van de raming is slechts ± 67 % van de 2e-jaarsstudenten overgegaan naar het 3e-studiejaar. Dientengevolge is het aantal examenkandidaten ± 33 % lager dan geraamd.

Cursisten van opleidingen

4. Wijkziekenverzorgende

De terugloop in het aantal aanmeldingen voor deze opleiding is het gevolg van ingrijpende bezuinigingen en de daarmee gepaard gaande kortingen op de scholingsbudgetten binnen de instellingen voor thuis- en gezinszorg.

5. Praktijkleiding

De terugloop in het aantal aanmeldingen is het gevolg van bezuinigingen binnen de instellingen.

Artikel: U2502 Volksgezondheidsbeleid (bedragen x f 1000)

TOETSING REALISATIE AAN DE BEGROTINGSWET, STAND 2E SUPPLETORE WETSLOTWET
Ontwerp-BegrotingNota v. W. Amendement1e Suppletore wet2e Suppletore wetBinnen ArtikelTotaal van de begrotingRealisatieVerschil (+ = tekort)Perc.Loon/PrijsOverig
123456=1 t/m 578 = 7 – 6 8 =10 + 119 = 8 : 61011
ArtikelOmschrijving          
Artikelonderdeel          
           
U2502 Volksgezondheidsbeleid
           
V: 165 9695002 083118 9630287 515299 15411 63942 2839 356
K: 207 6185008 98941 6540258 761244 655– 14 106– 52 283– 16 389
           
U2502/01 Herstructurering en ontwikkeling voorzieningen gezondheidszorg
           
V: 7 146– 1 400– 10113205 7776 212435878357
K: 8 982– 1 400274007 8566 199– 1 657– 2178– 1 735
           
U2502/02 Onderzoeksinstituten, onderzoek en ontwikkelingswerk
           
V: 16 5012 400– 1 7603 255020 39623 1592 763141822 581
K: 17 9852 40000020 38520 289– 960182– 278
           
U2502/03 Ziektenbestrijding
           
V: 10 5510– 3 922– 2 227– 394 36330 59426 23160117326 058
K: 19 1430122– 2 500– 3916 72615 783– 943– 6173– 1 116
           
U2502/04 Eerstelijnszorg/thuiszorg
           
V: 32 477053320 55950454 07343 622– 10 451– 19398– 10 849
K: 42 660055147050444 18542 831– 1 354– 3398– 1 752
           
U2502/05 Basisgezondheidszorg en daarmee verband houdende uitgaven
           
V: 8 058– 1 00012 7275 357– 58324 55923 923– 636– 3140– 776
K: 8 172– 1 00012 750– 2 150– 58317 18914 877– 2 312– 13140– 2 452
           
U2502/06 Geestelijke volksgezondheid
           
V: 14 0240– 924 61821918 76917 023– 1 746– 9160– 1 906
K: 14 8630– 925021915 04015 118781160– 82
           
U2502/07 Alcohol-, drug- en tabaksbeleid
           
V: 33 631– 500– 6 45333 574060 25266 2045 952107525 200
K: 35 590– 500– 5 1474 371034 31433 207– 1 107– 3752– 1 859
           
U2502/08 Aids en overige sexueel overdraagbare aandoeningen
           
V: 10 879083145 088056 79850 388– 6 410– 11193– 6 603
K: 20 23803133 735054 00453 976– 280193– 221
           
U2502/09 Patiënten- en consumentenbeleid
           
V: 13 9421 00001 942– 10116 78314 298– 2 485– 1567– 2 552
K: 14 0061 000100– 775– 10114 23013 676– 554– 467– 621
           
U2502/10 Voeding, veterinair beleid en produktveiligheid
           
V: 9 24803203 490013 05815 3172 259171292 130
K: 12 40104003 900016 70116 311– 390– 2129– 519
           
U2502/11 Geneesmiddelen en medische hulpmiddelen
           
V: 9 512003 175012 6878 419– 4 268– 3411– 4 279
K: 13 578004 553018 13112 393– 5 738– 3211– 5 749

Onderdeel 01:

Op dit artikelonderdeel zijn onder andere projecten gerealiseerd die betrekking hebben op de volgende programma's:

– voor f 0,2 miljoen onderzoekprogramma Staat van de Volksgezondheid;

– voor f 0,5 miljoen programma sociaal-economische gezondheidsverschillen;

– voor f 1,3 miljoen programma Financiering en structuur van het zorgsysteem;

– voor f 0,7 miljoen programma Ethische en juridische zaken.

Voorts zijn er voor f 2,0 miljoen aan projecten gefinancierd ten behoeve van het aflopende programma Determinanten, arbeidsongeschiktheid en ziekteverzuim, voorbereiding van de nota gezondheidsbeleid, gezondheidseffectscreening (GES), het NIDI en volksgezondheidsprojecten ten behoeve van Midden- en Oost-Europa.

Verder is uit dit artikelonderdeel het uitwisselingsprogramma VS-Nederland gefinancierd. Voor 1995 zijn de hiermee samenhangende verplichtingen en uitgaven van f 0,1 miljoen overgeboekt naar uitgavenartikel 22.01, onderdeel 05 «Materieel».

De uitgaven en verplichtingen hebben verder voor f 1,0 miljoen betrekking op activiteiten gericht op de voorlichting, aan zowel het publiek als de beroepsbeoefenaren en andere betrokkenen, met betrekking tot orgaandonatie.

De uitgaven respectievelijk de verplichtingen op dit onderdeel hebben voor f 0,2 miljoen betrekking op het toekennen van een aantal waarderingssubsidies. Naast de reguliere, jaarlijks terugkerende waarderingssubsidies, zijn 2 incidentele waarderingssubsidies toegekend.

Daarnaast worden op dit onderdeel de uitgaven (wachtgelden) (f 0,2 miljoen) verantwoord die het gevolg zijn van het niet langer voortzetten van de financiering van de samenwerkingsverbanden op het terrein van de Vroegtijdige Onderkenning Ontwikkelingsstoornissen (VTO). De voor dit doel bestaande stimuleringsregeling is niet meer verlengd. De betrokken instellingen zijn in staat gesteld een vergoeding aan te vragen voor de door hen uit te keren wachtgelden. Van deze mogelijkheid is minder gebruik gemaakt dan oorspronkelijk was verwacht. De benodigde middelen worden jaarlijks overgeboekt vanuit het centraal wachtgeldartikel (uitgavenartikel 22.02).

De lagere uitgaven (f 1,7 miljoen) zijn hoofdzakelijk het gevolg van een terughoudend kasbeleid.

Onderdeel 02:

De op dit artikelonderdeel geraamde uitgaven voor kankerresearch zijn volledig aan dit doel besteed. Ten behoeve van het Nederlands Kanker Instituut zijn voor f 17,5 miljoen aan uitgaven gerealiseerd, dit wijkt, als gevolg van de uitvoering van Amendement 49 van de leden Van Otterloo en Lansink (Kamerstukken II, vergaderjaar 1993–1994, 23 400 XVI, nr. 49), voor f 2,5 miljoen naar boven af van de oorspronkelijke raming.

Verder zijn er voor het International Agency for Research on Cancer (IARC) voor f 1,4 miljoen aan uitgaven gerealiseerd. Door een gunstige dollarkoers is er voor f 0,2 miljoen niet besteed. Tevens is er als gevolg van het vaststellen van de tweejaarlijkse begroting (1996–1997), door de Gouverning Council, voor f 2,9 miljoen aan verplichtingen gerealiseerd.

De integratie van het Stimuleringsprogramma Gezondheidszorgonderzoek (SGO) met de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) is voltooid. In 1995 is hiervoor f 1,3 miljoen beschikbaar gesteld.

Onderdeel 03:

De uitgaven respectievelijk de verplichtingen binnen dit onderdeel hebben voornamelijk betrekking op de bestrijding van infectieziekten en chronische ziekten.

Infectieziektenbestrijding

De Stichting Werkgroep Infectie Preventie (WIP) (f 0,2 miljoen) heeft volgens plan richtlijnen ontwikkeld voor de infectiepreventie in ziekenhuizen en verpleeghuizen. Ook is begonnen met het opstellen van richtlijnen voor de preventie van infecties in instellingen voor zwakzinnigenzorg. Eind 1995 is de advies- en voorlichtingsfunctie betreffende de preventie van HIV-infecties van de Nationale Commissie Aids Bestrijding overgenomen door de WIP.

Eind 1995 is door dit ministerie ondersteuning verleend voor de start van een Landelijk Informatiecentrum Hepatitis (f 0,025 miljoen).

Realisatie van activiteiten op het gebied van de resistentie-ontwikkeling is voorzien voor 1996.

In 1995 zijn projecten (f 0,075 miljoen) gestart voor de surveillance van ziekenhuisinfecties, surveillance van antistoffen in de bevolking en een landelijk geautomatiseerd netwerk voor de surveillance van infectieziekten.

In samenwerking met de Inspectie, het RIVM en de Landelijke Vereniging van GGD'en is de landelijke coördinatiestructuur voor de infectieziektenbestrijding tot stand gebracht.

Ziektenbestrijding

Naast de financiering van de reguliere activiteiten (f 3,25 miljoen) op het terrein van de kankerbestrijding is een bijdrage verleend aan de «Europese week tegen kanker» (f 0,1 miljoen).

Ook ten behoeve van de voorlichtingscampagne «Kijk uit voor je huid» van de Nederlandse Kankerbestrijding is een financiële bijdrage beschikbaar gesteld (f 0,1 miljoen).

Voorts is verantwoord de financiële afwikkeling als gevolg van de beëindiging van de aanvullende subsidiëring van de integrale kankercentra (f 0,15 miljoen).

De financiering van het chronisch ziekenbeleid is in 1995 voortgezet.

Het personeel van het bureau van de Nationale Commissie Chronisch Zieken dat was aangesteld bij de Nationale Raad voor de Volksgezondheid is op 1 juni 1995 in dienst getreden bij de Stichting Fonds voor Chronisch Zieken. Deze stichting beheert ook het ontwikkelingsbudget en het budget voor de coördinatiecentra Chronisch Zieken (totaal f 8,4 miljoen). Aan overige activiteiten op het terrein van de ziektenbestrijding is f 1,7 miljoen besteed.

Voor de versterking van het chronische ziektenonderzoek is aan het NWO-Gebiedsbestuur Medische Wetenschappen met ingang van 1995 voor de duur van zes jaar in totaal f 36 miljoen gulden beschikbaar gesteld (tweederde deel ten laste van de Rijksbegroting en een derde deel via de Wet Financiering Volksverzekeringen). Gelet op de gefaseerde start van de verschillende programma's is in 1995 besloten het programma, voor wat betreft de financiering door dit ministerie, met een jaar op te schuiven tot en met 2001. De f 4 miljoen gulden die hierdoor is vrijgevallen is aangewend voor de oplossing van knelpunten.

De hogere verplichtingen worden voor f 22,1 miljoen veroorzaakt door de niet geraamde verplichtingen inzake het budget voor de Stichting Fonds voor Chronisch Zieken voor 1996 tot en met 1999. Daarnaast was de raming van de verplichtingen inzake meerjarige verplichtingen van het NWO f 4,0 miljoen te laag.

De uitgaven en verplichtingen op dit onderdeel hebben verder voor een bedrag van f 0,4 miljoen betrekking op ondersteuning van initiatieven vanuit het veld die gericht zijn op kwaliteitsverbetering van de alternatieve beroepsuitoefening.

Tevens is een bedrag van f 0,3 miljoen besteed aan de subsidiëring van de Stichting Registratie Nierfunctie Nederland (Stichting Renine).

Eveneens zijn op dit onderdeel uitgaven en verplichtingen aangegaan ten behoeve van een aantal projecten op het gebied van onderzoek naar de ontwikkeling van de kosten van het ambulancevervoer, de evaluatie inzake meldprocedures en een vooronderzoek naar de omvang van de topreferentiezorg (f 1,1 miljoen).

Onderdeel 04:

Een deel van de uitgaven (f 20,0 miljoen) en verplichtingen (f 17,8 miljoen) op dit onderdeel hebben betrekking op de eerstelijnszorg en de thuiszorg. Daarnaast is nog een beperkt budget beschikbaar voor activiteiten gericht op bescherming van patiënten bij stralingstoepassingen.

Kwaliteit en Doelmatigheid van Zorg

Naast de financiering van het Nederlands Instituut voor onderzoek van de Eerstelijnszorg (NIVEL) (f 6,2 miljoen, inclusief projecten) en de Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Revalidatievraagstukken (SWOR) (f 1,7 miljoen) is ook de Stichting Wetenschap en Scholing Fysiotherapie (SWSF) (f 0,4 miljoen) gefinancierd. In verband met de verbreding van het werkterrein van de SWSF naar alle paramedische beroepsgroepen is dit instituut met ingang van 1 juli 1995 omgevormd in het Nederlands Paramedisch Instituut. Voor de hieraan verbonden meerkosten is de subsidie structureel verhoogd met f 0,1 miljoen en is een eenmalige vergoeding verstrekt ten behoeve van de aanloopkosten verband houdende met de uitbreiding (f 0,25 miljoen).

Aan het SWOR is voor de kosten, verbonden aan de in 1995 in gang gezette strategische koersbepaling en herstructurering van het instituut eenmalig een bedrag van f 0,2 miljoen ter beschikking gesteld. Ten behoeve van personeel van de voormalige stichting Onderzoek en Ontwikkeling (O&O) zijn wachtgelden uitgekeerd tot een bedrag van f 0,5 miljoen.

Ook zijn hier verantwoord de kosten verbonden aan de eindmanifestatie van de Publiekscampagne Keuzen in de Zorg (f 0,25 miljoen). Dit was mogelijk doordat technische problemen verhinderden dat de uitbreiding van het Landelijk Informatie Netwerk Huisartsgeneeskunde al in 1995 werd gerealiseerd.

Naast een aantal incidentele subsidies (f 0,1 miljoen), verstrekt ten gevolge van voor actuele politieke besluitvorming benodigde ad-hoc informatieverzameling, werden middelen verstrekt aan initiatieven op het gebied van de kwaliteits- en doelmatigheidsbevordering die bij het opstellen van de begroting 1995 niet werden voorzien, maar voor de ontwikkeling van het kwaliteits- en doelmatigheidsbeleid van bijzondere betekenis zijn. Het betreft hier de oprichting van de Nederlandse Vereniging Kwaliteit en Zorg, de oprichting van de Nederlandse Vereniging voor Medical Technology Assessment (MTA) en het congres «Op weg naar kwaliteitszorg» (f 0,06 miljoen).

Het onderzoek «Evaluatie Integratie Kruiswerk/Gezinsverzorging», dat beoogt te onderzoeken of de integratie van kruiswerk en gezinsverzorging succesvol is verlopen en tot een vergroting van de beoogde doelmatigheid van de thuiszorg heeft geleid, is nog eind 1995 van start gegaan (f 0,11 miljoen). Aan overige, deels in vorige jaren opgestarte, projecten is f 2,2 miljoen besteed.

Verder is er, via de 2e Suppletore wet, een bedrag van f 14,3 miljoen geraamd voor aan te gane verplichtingen met kaseffecten in 1995 en volgende jaren die in 1995 voor een groot deel niet zijn gerealiseerd.

Thuisverpleging en verzorging

Aan het Landelijk Centrum Verpleging en Verzorging (LCV&V) is naast het jaarlijkse budget van f 5,0 miljoen voor activiteiten op het gebied van verpleging en verzorging een bedrag van f 0,6 miljoen extra beschikbaar gesteld. Deze extra middelen zijn ingezet ten behoeve van de werkzaamheden van de Commissie Verzorging (Cie Ermen) en voor dekking van de kosten van het interim-management van het LCV&V. Voor specifieke activiteiten op het terrein van de gezinsverzorging is f 0,4 miljoen uitgetrokken.

In 1995 is de vervolgsubsidie van f 5 miljoen voor het jaar 1998 vastgelegd. Via de 2e Suppletore wet is dit bedrag beschikbaar gekomen.

Omdat de voorgenomen overheveling van middelen naar de Ziekenfondsraad ten behoeve van het programma «Technologie in de Thuiszorg» later in het jaar plaatsvond dan was gepland, zijn binnen het programma nog enkele initiatieven gehonoreerd (f 0,75 miljoen). Aan activiteiten op het terrein van Terminale en Informele zorg is f 1,2 miljoen besteed. Hiervan is f 0,5 miljoen besteed voor het landelijk steunpunt Vrijwilligers Terminale thuiszorg.

Radioactiviteit en Straling

Met het oog op de bescherming van patiënten bij medische toepassing van straling zijn enkele projecten (f 0,4 miljoen) gesubsidieerd.

Een ander deel van de uitgaven en verplichtingen op dit onderdeel hebben betrekking op activiteiten op het gebied van vrouwenhulpverlening (f 4,8 miljoen), geboorteregelend gedrag (f 8,9 miljoen), seksualiteitshulpverlening (f 0,2 miljoen), gezondheidszorg multiculturele samenleving (f 1,4 miljoen), de hulpverlening aan slachtoffers van (seksueel) geweld en opvang kindermishandeling (f 1,5 miljoen) en maatschappelijke dienstverlening waaronder de SOS-telefonische hulpverlening (f 5,6 miljoen).

De voorgenomen bezuiniging van f 1,0 miljoen op landelijke instellingen op het gebied van de (categoriale) maatschappelijke dienstverlening is zoals in de begroting was aangekondigd, ongedaan gemaakt.

Door het terughoudend kasbeleid in 1995 in verband met knelpunten worden voor circa f 0,6 miljoen projectmatige activiteiten, met name op het gebied van de seksualiteitshulpverlening en geboorteregelend gedrag, op een later tijdstip uitgevoerd dan oorspronkelijk was geraamd.

In verband met het samengaan van een aantal Vrouwenhulporganisaties in de nieuwe Stichting Transact en de Federatie Vrouwenhulpverlening en in verband met het (gedeeltelijk) ongedaan maken van de voorgenomen bezuiniging ten aanzien van de Rutgers Stichting zijn de verplichtingen f 3,3 miljoen hoger.

Onderdeel 05:

De uitgaven en verplichtingen binnen dit onderdeel hebben hoofdzakelijk betrekking op de instandhouding en stimulering van een adequate infrastructuur voor de ontwikkeling van gezondheidsbevordering.

Nationaal Instituut voor Gezondheidsbevordering en Ziektepreventie

De voorgenomen herstructurering van landelijke gezondheidsvoorlichtingstaken is ultimo 1995 gerealiseerd. Het Landelijk Centrum GVO, het Buro Voorlichting Gezondheidszorg Buitenlanders aangevuld met voorlichtingstaken van Het Ivoren Kruis en enkele van de NCAB overgenomen taken in het kader van Aidsvoorlichting zijn samengegaan in het Nationaal Instituut voor Gezondheidsbevordering en Ziektepreventie (f 4,2 miljoen). Het nieuwe instituut is met ingang van december 1995 gehuisvest in Woerden. Voor een deel is in de aanloopkosten tegemoetgekomen (f 0,4 miljoen).

Netherlands School of Public Health

De Netherlands School of Public Health (NSPH) (f 0,5 miljoen) heeft in 1994 de taken van de Stichting voor Sociale Gezondheidszorg overgenomen. Hierdoor werd herhuisvesting van de NSPH noodzakelijk. Aanvankelijk is er van uitgegaan dat de NSPH de eenmalige investeringen volledig uit eigen middelen zou financieren. Dit leverde echter een te zware druk op de liquiditeitsprognose van de NSPH op, reden waarom is besloten een eenmalige bijdrage in de huisvestingskosten te verlenen (f 0,45 miljoen).

Koninklijke Nederlandse Centrale Vereniging ter bestrijding der tuberculose

In het jaar 1994 is besloten de subsidie aan de Koninklijke Nederlandse Centrale Vereniging ter bestrijding der tuberculose (KNCV) met ingang van het jaar 1995 te beëindigen. In februari 1995 is dit besluit in heroverweging genomen en vervolgens besloten een structurele bijdrage te verlenen in de centrale ondersteuningstaken (f 0,2 miljoen).

Voor verschillende projecten op het gebied van de gezondheidsbevordering is f 1,3 miljoen aangewend.

Met ingang van 1995 is een bedrag van f 12,6 miljoen (verplichtingen) extra uitgetrokken ten behoeve van de versterking van preventie. De gerealiseerde activiteiten binnen dit aandachtsgebied laten zich als volgt omschrijven:

Preventie in de extramurale zorg (f 4,2 miljoen)

Een belangrijke stap is het starten van het inbedden van programmatische preventie in de extramurale zorg. In mei 1995 is de minister akkoord gegaan met het projectvoorstel van de huisartsen hieromtrent. Het gaat om het dusdanig organiseren en equiperen van alle huisartsenpraktijken in Nederland, dat programmatische preventie op betrekkelijk eenvoudige wijze kan worden uitgevoerd. Hierbij gaat het in eerste instantie om de realisering van programmatische preventie van influenza (1995) en baarmoederhalskanker (1996).

Monitoring en Surveillance (f 1,2 miljoen)

Ten behoeve van de ontwikkeling van een kernsysteem voor de informatievoorziening over de gezondheidstoestand van de bevolking is in 1995 een groot aantal projecten voor monitoring en surveillance gestart of voortgezet. Dit betreft monitoring van de gezondheid van jeugdigen en van chronische ziekten en de continue morbiditeitsregistratie. Ook worden de surveillance van tuberculose, HIV en ziekenhuisinfecties, onderzoek naar de immuunstatus van de bevolking en de opzet van een geautomatiseerd systeem voor de surveillance van infectieziekten ondersteund.

Voor deze activiteiten is een bedrag van f 2,0 miljoen overgeboekt naar het RIVM.

Coördinatiefunctie (regiefunctie) preventiebeleid en ondersteuningsfunctie facetbeleid (f 0,3 miljoen)

De minister heeft voor de uitvoering van nieuwe programma's in de gezondheidszorg een algemene coördinatiefunctie doorgedelegeerd aan de NSPH. Dit houdt in dat de NSPH toetst of (en indien nodig stimuleert dat) de door de minister aan het veld opgedragen taken worden uitgevoerd zoals overeengekomen. In december 1995 heeft de minister ingestemd met de door de NSPH voorgestelde plannen van aanpak 1995–1996 en bijbehorende begrotingen ten aanzien van de coördinatiefunctie preventiebeleid en de ondersteuningsfunctie facetbeleid. De ondersteuningsfunctie facetbeleid is bedoeld om de minister ondersteuning te bieden bij de ontwikkeling van facetbeleid. Dit betekent onder andere het leveren van technische en wetenschappelijke ondersteuning bij het toetsen van (voorgenomen) beleidsmaatregelen op mogelijke effecten voor de gezondheid.

Geneeskundige hulpverlening bij rampen (f 0,2 miljoen)

Samen met het Ministerie van Binnenlandse Zaken is een project gefinancierd inzake de proefneming met de geneeskundige combinatie bij rampenbestrijding in een drietal regio's.

Voorts is een start gemaakt met de voorbereiding van de oprichting van een Landelijk Instituut voor Spoedeisende Medische Hulpverlening.

De specifieke uitkering collectieve preventie (f 1,8 miljoen) ten behoeve van de functie medische milieukunde heeft in 1995 voor het laatst, via de Rijksbegroting (op dit artikelonderdeel) plaatsgevonden. Met ingang van 1996 zijn de hiervoor benodigde middelen overgeheveld naar het Gemeentefonds. De verplichtingen zijn daardoor f 1,7 miljoen lager dan geraamd. Voor wachtgelden aan verschillende instellingen is f 0,2 miljoen besteed.

Binnen dit artikelonderdeel is verder sprake van onderbesteding doordat concrete afspraken met het veld over de aanvang/realisatie van het preventieprogramma eerst na goedkeuring van dit onderdeel van de Rijksbegroting gemaakt konden worden. Ook is de uitvoering van het programma vertraagd door een terughoudend kasbeleid in 1995.

Voor het aangaan van meerjarige verplichtingen inzake preventie zijn de verplichtingen van toekomstige jaren reeds in 1995 benut. Per saldo is hiervoor f 5,3 miljoen via de 2e Suppletore wet beschikbaar gekomen.

Onderdeel 06:

De uitgaven en verplichtingen op dit onderdeel hebben conform de begroting betrekking op de instandhouding van een landelijk onderzoeksinstituut (NcGv) (f 3,4 miljoen) en op de financiering van zorgvernieuwingsprojecten (f 2,1 miljoen) alsmede een aantal preventieprojecten op het terrein van de geestelijke gezondheidszorg (f 1,0 miljoen). De projecten met betrekking tot de zorgvernieuwing en preventie-ontwikkeling zijn meerjarig (deze lopen tot en met 1999). In de oorspronkelijke verplichtingenraming was hiermee geen rekening gehouden (2e Suppletore wet).

Daarnaast zijn voor een bedrag van f 2,1 miljoen verplichtingen en uitgaven gedaan voor de financiering van adviesorganen en een koepelorganisatie ten behoeve van de nascholing en opleiding binnen de geestelijke gezondheidszorg.

Tenslotte is conform het beleidsvoornemen een bedrag van f 6,5 miljoen besteed aan de Stichting Pharos. De aanvullend beschikbaar gekomen verplichtingen van circa f 1,9 miljoen (2e Suppletore wet) waren uiteindelijk niet nodig.

Onderdeel 07:

De uitgaven en verplichtingen op dit onderdeel hebben, overeenkomstig de begroting, betrekking op enkele landelijke instellingen te weten het Nederlands Instituut voor Alcohol en Drugs (NIAD) voor een bedrag van f 2,6 miljoen en de Stichting Jellinekkliniek voor een bedrag van f 1,4 miljoen. Aan de Stichting Tjandu is conform de begroting een subsidie verstrekt van f 0,8 miljoen. Verder hebben de uitgaven en verplichtingen betrekking op landelijke preventieprojecten gericht op het voorkomen van problematisch gebruik van drugs en alcohol en andere psychotrope stoffen (f 8,2 miljoen), de uitvoering van het ontmoedigingsbeleid roken (f 0,6 miljoen), alsmede projecten in het kader van het gokbeleid (f 0,1 miljoen).

Als gevolg van de uitvoering van de Nota inzake het beleid gericht op het verminderen van de door verslaafden veroorzaakte overlast, is aan het overlastbeleid een bedrag van f 14,3 miljoen uitgegeven. De projecten in het kader van het overlastbeleid strekken zich doorgaans uit tot en met 1997. Daarna vindt evaluatie plaats. Hierdoor zijn in 1995 voor circa f 30 miljoen meer verplichtingen aangegaan. In de aanvullende raming was rekening gehouden met circa f 23 miljoen (2e Suppletore wet).

Tevens hebben uitgaven en verplichtingen tot een bedrag van f 3,2 miljoen betrekking op wachtgeldverplichtingen, die waren geraamd op uitgavenartikel 22.02.

De intensiveringsruimte van f 2,0 miljoen is conform het beleidsvoornemen aangewend voor de voorlichtingscampagne ontmoedigingsbeleid rookgedrag onder jongeren.

Voorts zijn onvermijdbare kosten aan gemeenten uit hoofde van de ISP/PNL-bezuiniging verslavingszorg hieruit betaald. Daar de omvang van de ingediende declaraties aanmerkelijk achter is gebleven bij de raming is f 0,6 miljoen minder uitgegeven. Door het terughoudend kasbeleid en het later starten dan gepland van een aantal activiteiten is f 0,7 miljoen minder uitgegeven.

Onderdeel 08:

De uitgaven en verplichtingen op dit onderdeel hebben betrekking op de bestrijding van aids, de gevolgen daarvan en overige seksueel overdraagbare aandoeningen. Preventie, verbetering van behandeling en palliatieve zorg, de bevordering van de kwaliteit van leven van HIV-geïnfecteerden en de stimulering van wetenschappelijk onderzoek zijn de aandachtspunten van het beleid. Een deel van deze activiteiten wordt uitgevoerd door de SAD/Schorerstichting (f 2,7 miljoen), de HIV-vereniging (f 0,5 miljoen) en de Nederlandse Vereniging van Hemofiliepatiënten (f 0,15 miljoen).

Bij de opstelling van de begroting voor 1995 was voorzien dat het merendeel van de taken van het Bureau van de Nationale Commissie Aids Bestrijding (f 1,8 miljoen) en de taken van het secretariaat van de Programma coördinatie commissie Aids-onderzoek (f 0,8 miljoen) zouden worden overgedragen aan het Aidsfonds. Vooruitlopend op de feitelijke expiratiedatum van de NCAB is deze overdracht al per 1 januari 1995 gerealiseerd. Ook de uitvoering van de bureautaken voor de PccAo is op 1 januari 1995 door het Aidsfonds overgenomen. De taken van de NCAB met betrekking tot de coördinatie van de Aidsvoorlichting aan migranten, voorlichting aan jongeren alsmede de activiteiten in Europees verband op dit gebied worden thans uitgevoerd door het Nationaal Instituut voor Gezondheidsbevordering en Ziektepreventie (NIGZ) (f 0,2 miljoen). De officiële einddatum van de NCAB is 1 oktober 1995 terwijl voor de PccAo wordt uitgegaan van 1 januari 1997.

In het convenant tussen het voormalige Ministerie van WVC en de Stichting AIDS Fonds is afgesproken in het jaar 1995 een proces-evaluatie op hoofdlijnen uit te voeren naar het beheer (f 0,9 miljoen) en de besteding van het ontwikkelingsbudget (OWB) (f 5,1 miljoen) en het onderzoeksbudget (f 3,2 miljoen). Het rapport is inmiddels gereed, de resultaten zijn opgenomen in het standpunt van de minister op het werkplan van de Stichting AIDS Fonds 1996 ten behoeve van het OWB en het onderzoeksbudget. Van de in de ramingen opgenomen verplichtingen voor Aidsonderzoek voor komende jaren is in 1995 f 3,2 miljoen niet gerealiseerd.

Aan het Nederlandse Rode Kruis is naast het reeds eerder uitgekeerde bedrag van f 1,0 miljoen voor het garantiefonds, f 33,5 miljoen uitgekeerd, bestemd voor een éénmalige tegemoetkoming aan de circa 170 HIV-geïnfecteerde hemofiliepatiënten of hun nabestaanden. Het Rode Kruis draagt zorg voor de afwikkeling van de aanvragen.

Voor de Aids-trials die worden uitgevoerd door het Nationaal Aids Therapie Evaluatie Centrum (NATEC), de Virologische Evaluatie Eenheid (VEE) en het Centraal Laboratorium van de Bloedtransfusiedienst (CLB) is een vervolgsubsidie toegekend voor de periode 1995 tot en met 1998 (f 1,5 miljoen per jaar). Hiervoor is via de 2e Suppletore wet f 4,5 miljoen aan verplichtingen verkregen.

Voor de vervolgsubsidie aan de Stichting Aidsfonds voor het jaar 1998 is via de 2e Suppletore wet f 4,2 miljoen aan verplichtingen verkregen.

Verder is er, via de 2e Suppletore wet, een bedrag van f 2,6 miljoen geraamd voor aan te gane verplichtingen met kaseffecten in 1995 en volgende jaren die in 1995 niet zijn gerealiseerd.

Naast de structurele financiering ten behoeve van de stichting SOA-bestrijding (f 1,8 miljoen) worden ten laste van dit onderdeel gebracht de uitgaven voor de zo genoemde «Vomil-regeling curatieve SOA-bestrijding». Aan de hand van door vrijgevestigde dermatologen en apothekers in te dienen declaraties worden de behandelkosten en medicijnen vergoed (f 0,1 miljoen). Verder heeft nog nabetaling plaatsgevonden inzake de financiering Drempelvrije Poliklinieken (f 0,23 miljoen).

Onderdeel 09:

De uitgaven en verplichtingen op dit onderdeel hebben conform de begroting voor een bedrag van f 2,5 miljoen betrekking op de subsidiëring van patiëntenorganisaties GGZ zoals: Pandora, Landelijk Patiënten en Bewonersraden (LPR), Labyrint, Cliëntenbond en Ypsilon.

Verder is subsidie verstrekt aan de Nederlandse Patiënten en Consumenten Federatie (NPCF) en Bureau Voorlichting Gezondheidszorg Buitenlanders voor respectievelijk f 4,2 miljoen en f 1,2 miljoen.

Overeenkomstig de begroting is ten behoeve van de ontwikkeling en ondersteuning van respectievelijk de belangenbehartiging door patiën- ten-/consumentenorganisaties voor klachtopvang en patiëntenvoorlichting aan een groot aantal patiëntenverenigingen subsidie verstrekt (f 5,0 miljoen).

Door het terughoudend kasbeleid is in 1995 circa f 1,3 miljoen minder uitgegeven (onder andere 2e Suppletore wet). De aanvullend geraamde verplichtingen voor projecten met een meerjarige looptijd (circa f 2,5 miljoen/2e Suppletore wet) zijn in 1995 niet gerealiseerd.

Onderdeel 10:

De uitgaven op dit artikelonderdeel hebben hoofdzakelijk betrekking op het voedingsbeleid (f 3,0 miljoen) en de consumentenveiligheid (f 10,9 miljoen). Daarnaast heeft een deel van de uitgaven betrekking op het dierproevenbeleid (f 1,2 miljoen), destructie (f 0,1 miljoen) en aan onderzoek op het gebied van interne ketenbewaking en chemische stoffen en kortlopende activiteiten op het gebied van veiligheid in de privésfeer (f 1,0 miljoen).

Voedingsbeleid

Het voedingsbeleid is gericht op het doen van onderzoek naar- en het geven van voorlichting over voeding en voedingsgewoonten in Nederland. Er zijn speciale Databanken (Alba en Nevo) voor het ontwikkelen en sturen van het door VWS gevoerde beleid. Het beleid wordt uitgevoerd door een vijftal instellingen (LIVO, VOVO, VORA, SVN en SGV) die reeds jaren samenwerken in het Voedingscentrum.

De VORA is opgeheven en er zijn plannen om het VOVO te verzelfstandigen. De verplichtingen aan de overige instellingen zijn structureel gemaakt, hetgeen tot hogere verplichtingen heeft geleid. In de begroting was hiermee geen rekening gehouden.

Eind 1995 is besloten tot integratie van de instellingen in één organisatie, de Stichting Voedingscentrum Nederland. Om de nieuwe organisatie een stimulerende impuls te geven is een eenmalige subsidie van f 1 miljoen toegezegd. Met dat bedrag zou de nieuwe stichting de integratie soepeler kunnen doen verlopen en zich ook kunnen richten op een meer marktgerichte opstelling. In de begroting was hiermee geen rekening gehouden. Met de oprichting van deze organisatie wordt voldaan aan de behoefte van een nationaal Voedingscentrum dat op basis van wetenschappelijke inzichten en op onafhankelijke wijze voorlichting geeft over voeding en voedingsmiddelen en acties stimuleert gericht op gezonde voeding voor de Nederlandse bevolking.

De verbetering van de automatiseringsapparatuur en- programmatuur van het Nederlandse vergiftigingen en informatiecentrum (NVIC) loopt via het RIVM. Hiertoe is een bedrag van f 0,3 miljoen naar het RIVM overgeboekt.

Consumentenveiligheid

De Stichting Consument en Veiligheid (SCV) geeft al jaren voorlichting en verricht onderzoek op dit aandachtsgebied. De activiteiten worden door middel van een basissubsidie ondersteund.

In 1995 is een éénmalige bijdrage van f 3,9 miljoen aan de SCV betaald (2e Suppletore wet) zodat de SCV zich enerzijds kon aanpassen aan de bezuiniging van 25 % op de basissubsidie en anderzijds om een impuls te geven naar een meer marktgerichte organisatie.

Destructiemateriaal

De oorspronkelijke ramingen op dit onderdeel waren nihil omdat de rijksbijdrage als gevolg van een wijziging van de Destructiewet per 1 december 1994 was stopgezet. In de loop van het jaar 1995 moesten echter de reeds toegezegde bijdragen definitief worden vastgesteld. Dit leidde voor een bedrag van f 0,067 miljoen tot nabetalingen.

Dierproevenbeleid, ketenbewaking, chemische stoffen e.d.

De hogere verplichtingen zijn het gevolg van het aangaan van meer meerjarige verplichtingen dan was voorzien. Het betreft projecten waarvan het moment van aangaan van de verplichting moeilijk te voorspellen is. Men ging er oorspronkelijk vanuit dat de uitvoering van de projecten in toekomstige jaren zou aanvangen. Pas op het moment dat de concrete onderzoeksvoorstellen waren ingediend, bleek voor een aantal projecten dat de totale verplichting reeds in 1995 kon worden aangegaan.

Onderdeel 11:

De uitgaven op dit artikelonderdeel hebben hoofdzakelijk betrekking op kostenbeheersing in de geneesmiddelenvoorziening (f 11,8 miljoen). Daarnaast heeft een relatief klein deel van de uitgaven betrekking op het College van bloedtransfusie en op de uitvoering van EU-richtlijnen op het terrein van electromedische apparatuur en geneesmiddelen (f 0,6 miljoen).

Kostenbeheersing geneesmiddelenvoorziening

Er zijn ten aanzien van de FTO en de GVS minder activiteiten opgestart dan was gepland omdat men bij het doen van toezeggingen rekening heeft gehouden met de in 1996 door te voeren bezuinigingen op deze activiteiten. Te denken valt hierbij aan de geplande opzet van een regionaal klinisch-farmacologisch netwerk en een nadere analyse van het kostenbeleid. Daarentegen werd evenwel ook een overbruggingsfinanciering verstrekt aan de Stichting Lareb in Tilburg, waar dit oorspronkelijk niet was geraamd.

De activiteiten rond de Geneesmiddelenbrief zijn later opgestart dan gepland. Zo startte bijvoorbeeld het SEO-project van de Universiteit van Amsterdam veel later dan gepland en bleek ook de voortgang trager te verlopen, waardoor geen aanvang kon worden gemaakt met de fasen twee en drie van dit project. Een en ander heeft er toe geleid dat ook de geplande toets in de praktijkomgeving en een consultatieronde vooralsnog niet hebben plaatsgevonden.

Bij de Wet op de geneesmiddelenprijzen is gebleken dat het opstarten van de activiteiten eveneens trager tot stand kwam dan oorspronkelijk was bedacht. De werkzaamheden betroffen voor het overgrote deel de technische voorbereiding van de Wet (data verzamelen, dataverwerken, systeembouw). De voorgenomen voorlichtingsactiviteiten zijn nog niet uitgevoerd, omdat de Wet nog niet is ingevoerd. De uitgaven voor de technische voorbereiding (automatisering) en de inhuur van extern personeel (samen f 1,6 miljoen) zijn op de artikelen voor materieel en personeel verantwoord (uitgavenartikel 22.01).

Uitvoering EU-richtlijnen op het terrein van electromedische apparatuur en geneesmiddelen

De besluitvorming omtrent de daadwerkelijke opzet en invulling van een Vigilantie (PMS) systeem, toezichtfuncties op het terrein van de medische hulpmiddelen en daarmee samenhangend onderzoek zijn in verband met nieuwe regelgeving op het terrein van de medische hulpmiddelen trager verlopen dan was ingeschat. De raming van f 0,3 miljoen is derhalve niet uitgeput.

Een substantieel deel van de uitgaven had betrekking op reeds in voorgaande jaren aangegane verplichtingen.

Artikel: U2503 Rijksbijdragen volksgezondheid (bedragen x f 1000)

TOETSING REALISATIE AAN DE BEGROTINGSWET, STAND 2E SUPPLETORE WETSLOTWET
Ontwerp-BegrotingNota v. W. Amendement1e Suppletore wet2e Suppletore wetBinnen ArtikelTotaal van de begrotingRealisatieVerschil (+ = tekort)Perc.Loon/PrijsOverig
123456=1 t/m 578 = 7 – 6 8 =10 + 119 = 8 : 61011
ArtikelOmschrijving          
Artikelonderdeel          
           
U2503 Rijksbijdragen volksgezondheid
           
V: 5 250 145– 864156 572– 47 61205 358 2415 385 44127 200140 647– 13 447
K: 5 224 201– 864156 572– 43 41105 336 4985 376 07139 573140 647– 1 074
           
U2503/01 Rijksbijdragen ziektekosten
           
V: 5 168 216096 331– 43 411– 20 4005 200 7365 215 14214 406039 774– 25 368
K: 5 142 212096 331– 43 411– 20 4005 174 7325 215 14240 410139 774636
           
U2503/02 Bijdrage sectorfondsen
           
V: 81 929– 86460 241– 4 20120 400157 505170 29912 794887311 921
K: 81 989– 86460 241020 400161 766160 929– 837– 1873– 1 710

Onderdeel 01:

De uitgaven en de verplichtingen op dit onderdeel hebben betrekking op de bijdrage van het Rijk aan de ziekenfondsverzekering (f 4 672,6 miljoen), het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten (f 359,8 miljoen) en de publiekrechtelijke ziektekostenvoorzieningen voor ambtenaren (f 103,0 miljoen). Tevens is een bijdrage van het Rijk van f 9,8 miljoen aan de Ziekenfondsraad verstrekt ten behoeve van de abortushulpverlening.

De wijzigingen op de oorspronkelijke begroting zijn in de suppletore wetten toegelicht en verder het gevolg van de loon- en prijsbijstelling. Verder is op dit artikelonderdeel f 70,0 miljoen verantwoord inzake werkgelegenheidsgelden (Melkert-gelden) die via de Ziekenfondsraad en het Centraal Orgaan Tarieven Gezondheidszorg worden verstrekt.

Onderdeel 02:

De uitgaven en verplichtingen op dit onderdeel hebben betrekking op de bijdragen die de overheid beschikbaar stelt voor vermindering van knelpunten op de arbeidsmarkt aan door sociale partners opgerichte sectorfondsen, te weten: Stichting Arbeidsmarkt-, Werkgelegenheids-, en Opleidingsfonds voor de sector zorg en welzijn (f 59,4 miljoen), Stichting Arbeidsmarkt-, Werkgelegenheids-, en Opleidingsfonds Ziekenhuiswezen (f 32,0 miljoen), Stichting Arbeidsmarkt-, Werkgelegenheids-, en Opleidingsfonds Bejaardenoorden (f 36,1 miljoen), Stichting Bedrijfsfonds Apotheken (f 1,7 miljoen), Stichting Scholingsfonds voor de sector Zorgverzekeraars (f 0,8 miljoen) en Stichting Ontwikkeling Vakopleiding Ambulancehulpverlening (f 0,6 miljoen). Tevens zijn op dit artikelonderdeel werkgelegenheidsgelden verantwoord die via de sectorfondsen worden verstrekt (f 30,1 miljoen).

De wijzigingen op de oorspronkelijke begroting zijn in de suppletore wetten toegelicht en verder het gevolg van de loon- en prijsbijstelling. De hogere verplichtingen zijn daarnaast het gevolg van een wijziging in de financieringssystematiek van de sectorfondsen waardoor de verplichtingen incidenteel hoger zijn.

Artikel: U2504 Garantie van rente en aflossing van leningen volksgezondheid (bedragen x f 1000)

TOETSING REALISATIE AAN DE BEGROTINGSWET, STAND 2E SUPPLETORE WETSLOTWET
Ontwerp-BegrotingNota v. W. Amendement1e Suppletore wet2e Suppletore wetBinnen ArtikelTotaal van de begrotingRealisatieVerschil (+ = tekort)Perc.Loon/PrijsOverig
123456=1 t/m 578 = 7 – 6 8 =10 + 119 = 8 : 61011
ArtikelOmschrijving          
Artikelonderdeel          
           
U2504 Garantie van rente en aflossing van leningen volksgezondheid
           
V: 9250025 000025 9254 872– 21 053– 810– 21 053
K: 9250000925872– 53– 60– 53
           
U2504/00 Garantie van rente en aflossing van leningen volksgezondheid
           
V: 9250025 000025 9254 872– 21 053– 810– 21 053
K: 9250000925872– 53– 60– 53

De uitgaven van f 0,9 miljoen op dit onderdeel hebben betrekking op de door het ministerie betaalde rente en aflossing van een door het ministerie gegarandeerde lening voor de Vereniging Eudokia. Het Rijk is op grond van de door haar verstrekte garantie, in het kader van de Garantieregeling inrichtingen voor de gezondheidszorg 1958, aangesproken.

De verplichtingen hebben daarnaast betrekking op verleende garanties op aangegane geldleningen ten behoeve van renovatie of nieuwbouw van inrichtingen voor de gezondheidszorg. In het kader van Garantieregeling 1958 worden af en toe geldleningen aangegaan waarvoor in het verleden toestemming is gegeven.

Het verschil met de raming is het gevolg van het feit dat de instellingen in principe vrij zijn of en wanneer zij tot consolidatie willen overgaan. Dat maakt een goede raming voor een bepaald jaar erg moeilijk.

Artikel: U2505 Bijdrage aan begroting VIII inzake doelsubsidies TNO (bedragen x f 1000)

TOETSING REALISATIE AAN DE BEGROTINGSWET, STAND 2E SUPPLETORE WETSLOTWET
Ontwerp-BegrotingNota v. W. Amendement1e Suppletore wet2e Suppletore wetBinnen ArtikelTotaal van de begrotingRealisatieVerschil (+ = tekort)Perc.Loon/PrijsOverig
123456=1 t/m 578 = 7 – 6 8 =10 + 119 = 8 : 61011
ArtikelOmschrijving          
Artikelonderdeel          
           
U2505 Bijdrage aan begroting VIII inzake doelsubsidies TNO
           
V: 11 80900580012 3892 982– 9 407– 76133– 9 540
K: 13 821002 800016 62116 803182113349
           
U2505/00 Bijdrage aan begroting VIII inzake doelsubsidies TNO
           
V: 11 80900580012 3892 982– 9 407– 76133– 9 540
K: 13 821002 800016 62116 803182113349

Ten behoeve van de doelsubsidies TNO is f 16,8 miljoen uitgegeven.

De beleidsverantwoordelijkheid met betrekking tot de doelsubsidies TNO is per 1 januari 1996 overgeheveld naar het Ministerie van OCenW. Dit heeft tot gevolg gehad dat de structurele verplichting voor 1996 is komen te vervallen en heeft dus voor f 11,8 miljoen geen beslag gelegd op de verplichtingen 1995.

Artikel: U2601 Personeel en materieel Inspectie gezondheidsbescherming (bedragen x f 1000)

TOETSING REALISATIE AAN DE BEGROTINGSWET, STAND 2E SUPPLETORE WETSLOTWET
Ontwerp-BegrotingNota v. W. Amendement1e Suppletore wet2e Suppletore wetBinnen ArtikelTotaal van de begrotingRealisatieVerschil (+ = tekort)Perc.Loon/PrijsOverig
123456=1 t/m 578 = 7 – 6 8 =10 + 119 = 8 : 61011
ArtikelOmschrijving          
Artikelonderdeel          
           
U2601 Personeel en materieel Inspectie gezondheidsbescherming
           
V: 95 858– 1590– 126095 57395 284– 28902 086– 2 375
K: 95 988– 1590– 146095 68394 486– 1 197– 12 086– 3 283
           
U2601/01 Actief regulier personeel
           
V: 61 405– 1590– 1461 30062 40063 4181 01822 027– 1 009
K: 61 405– 1590– 1461 30062 40063 4181 01822 027– 1 009
           
U2601/02 Overige personele uitgaven
           
V: 2 080002002 1003 3071 20757201 187
K: 2 08000002 0803 3071 22759201 207
           
U2601/03 Post-actieven
           
V: 3 51200003 5123 183– 329– 939– 368
K: 3 51200003 5123 183– 329– 939– 368
           
U2601/04 Materieel
           
V: 28 861000– 1 30027 56125 377– 2 184– 80– 2 184
K: 28 991000– 1 30027 69124 580– 3 111– 110– 3 111

Algemeen

In 1995 is een ingrijpend fusie- en reorganisatieproces gestart, waarbij het voornemen is het aantal vestigingen van de Inspectie Gezondheidsbescherming (IGB) en de Veterinaire Inspectie (VI) aanzienlijk terug te brengen.

Doelstelling van deze reorganisatie is:

– optimale invulling geven aan de missie.

De nieuwe gezondheidsbeschermingsinspectie geeft onafhankelijk invulling aan de gezondheids- en consumentenbescherming in de gehele produktieketen van levensmiddelen en non-foods, door het uitvoeren, toetsen en initiëren van het beleid en het signaleren van bedreigingen (Verdrag van Maastricht):

– inspelen op de veranderende omgeving, de markt;

– de resultaten van de uitgevoerde taken beter uitdragen;

– beter antwoord geven op vragen over de staat van de volksgezondheid. De inspectie is een aanspreekpunt voor de volksgezondheidsbescherming, met name voor «Brussel»;

– een sterke en flexibele inspectie zijn, waarin alle taken zijn geïntegreerd.

De realisatie van de aantallen inspecties en monsteronderzoeken is lager dan de planning. De realisatie heeft sterk onder druk gestaan ten gevolge van een aanwezig vacaturestuwmeer en vacatures die moeilijk op tijdelijke basis zijn te vervullen, hetgeen met het oog op de lopende reorganisatie gewenst is. Naast werkzaamheden ter voorbereiding en uitvoering van de reorganisatie hebben de volgende oorzaken de produktie onder druk gezet:

– de ingrijpende introductie van het nieuwe informatiesysteem ISI (Informatie Systeem IGB);

– een cultuurinterventie door middel van een managementtraining waaraan het gehele kader van de IGB is onderworpen.

Introductie van het nieuwe informatiesysteem is gepaard gegaan met het uitrusten van keurmeesters met laptops, waardoor zij hun gegevens/informatie ter plekke kunnen invoeren. Dit zal op termijn een aanzienlijke efficiëntiewinst bewerkstelligen.

De cultuurinterventie vormt een belangrijk onderdeel van het reorganisatieproces. Bouwen aan een nieuwe organisatie lukt het best met goede, zo mogelijk integraal en pro-actief denkende medewerkers.

Er zijn verdere stappen gezet op de weg naar bedrijfsmatig werken. Per 1 januari 1995 is een bedrijfseconomische boekhouding geïntroduceerd en het voorraaden verbruiksregistratiesysteem is geoptimaliseerd.

Onderdeel 01:

Op dit artikelonderdeel zijn uitgaven verantwoord voor salarissen, toelagen en sociale lasten. Daarnaast zijn uitgaven verantwoord voor vervangend en extern personeel. Totale uitgaven f 63,4 miljoen. Per 31 december 1995 betrof het een bezetting van 818,71 fte's op een formatie van 846,07 fte's.

«M en O»-beleid

De op dit artikelonderdeel verantwoorde toelagen voor Tegemoetkoming Ziektekosten Rijksambtenaren (TZR) zijn gebaseerd op een «M en O»-gevoelige regeling. In 1994 bestond het controlebeleid uit een integrale controle van de aanvraag met bewijsstukken. In 1995 is de controle voortgezet voor wat betreft de door personeelsleden doorgegeven wijzigingen.

Onderdeel 02:

Op dit artikelonderdeel zijn de uitgaven verantwoord van vergoedingen aan personeel voor beloningsdifferentiatie, ouderschapsverlof, verplaatsingskosten, werving en selectie, uitgaven voor kinderopvang en opleidingen, seminars en dergelijke. Totale uitgaven f 3,3 miljoen.

De hogere uitgaven van f 1,2 miljoen zijn voornamelijk een gevolg van het ingezette beleid voor opleidingen. Gekoppeld aan de in gang gezette reorganisatie is voor vrijwel al het kaderpersoneel een managementtraining als cultuurinterventie ingezet.

Onderdeel 03:

De uitgaven op dit artikelonderdeel zijn lager, omdat een eerder geconstateerde trend is doorgezet en een dalend aantal personeelsleden gebruik heeft gemaakt van wachtgeldregelingen dan oorspronkelijk geraamd. Totale uitgaven f 3,2 miljoen.

«M en O»-beleid

Deze regelingen zijn «M en O»-gevoelig. Het onder het Ministerie van Binnenlandse Zaken ressorterende DUO (vanaf 1996 de USZO) is belast met de uitvoering van deze regelingen en heeft daarvoor een adequaat controlebeleid geformuleerd.

Onderdeel 04:

Op dit artikelonderdeel zijn de materiële uitgaven (in totaal f 24,6 miljoen) ter uitvoering van de Warenwet verantwoord. Het betreft enerzijds algemene en specifieke exploitatie-uitgaven (f 19,3 miljoen) en anderzijds investeringsuitgaven (f 5,3 miljoen).

De lagere uitgaven van f 3,1 miljoen zijn het gevolg van:

– een investeringsstop die de IGB heeft afgekondigd naar aanleiding van de opgelegde bezuinigingstaakstelling vanaf 1996 (Kamerstukken II, vergaderjaar 1995–1996, 24 400 XIV, nr. 2, blz 159);

– minder gerealiseerde inspecties en laboratoriumonderzoeken dan gepland. Dit is voornamelijk te wijten aan implementatieproblemen van een groot automatiseringsproject.

Verder zijn er onderzoeken uitbesteed en zijn er investeringen gedaan, waarvan de betaling in 1996 en volgende jaren zal plaatsvinden.

Artikel: U2701 Personeel en materieel RIVM (bedragen x f 1000)

TOETSING REALISATIE AAN DE BEGROTINGSWET, STAND 2E SUPPLETORE WETSLOTWET
Ontwerp-BegrotingNota v. W. Amendement1e Suppletore wet2e Suppletore wetBinnen ArtikelTotaal van de begrotingRealisatieVerschil (+ = tekort)Perc.Loon/PrijsOverig
123456=1 t/m 578 = 7 – 6 8 =10 + 119 = 8 : 61011
ArtikelOmschrijving          
Artikelonderdeel          
           
U2701 Personeel en materieel RIVM
           
V: 202 162– 3063 51625 1590230 531258 09627 565123 99323 572
K: 215 652– 3063 51635 1560254 018255 1431 12503 993– 2 868
           
U2701/01 Actief regulier personeel
           
V: 102 484– 3062414 455428107 302108 5921 29013 606– 2 316
K: 102 484– 3062414 455428107 302108 5921 29013 606– 2 316
           
U2701/02 Overige personele uitgaven
           
V: 2 68500002 6853 5869013462839
K: 2 68500002 6853 5869013462839
           
U2701/03 Post-actieven
           
V: 3 10501 8651 84406 8147 7038891377812
K: 3 10501 8651 84406 8147 7038891377812
           
U2701/04 Personeel ten laste van derden
           
V: 14 954000– 21814 7369 638– 5 098– 35248– 5 346
K: 14 954000– 21814 7369 638– 5 098– 35248– 5 346
           
U2701/05 Materieel
           
V: 78 93401 41018 860– 21098 994128 58029 58630029 586
K: 92 42401 41028 857– 210122 481125 6273 146303 146

Algemeen

Het najaar 1994 gesloten regeerakkoord bevatte voor het RIVM min- en pluspunten. Een minpunt betrof de aankondiging van omvangrijke bezuinigingen op het milieu-onderzoek; voor het RIVM oplopend tot f 17 miljoen in 1998. Pluspunt vormde zowel de toezegging dat geen verdere bezuinigingen in de lopende regeerperiode overwogen zullen worden, als de hervatting van de toekenning van jaarlijkse prijscompensatie. Dit laatste bleef de afgelopen jaren achterwege waardoor met name investeringen onvoldoende gerealiseerd konden worden. De invulling van bezuinigingen heeft het milieu-onderzoek sterk onder druk gezet. Het volledig afbouwen van het additionele milieu-onderzoek heeft tot gevolg dat met name contracten met tijdelijke medewerkers (projectmedewerkers) niet verlengd zijn. Op 31 december 1995 was het totaalbestand aan projectmedewerkers (milieu-onderzoek, volksgezondheidsonderzoek, internationaal onderzoek en onderzoek derden) ruim 25 % lager dan op 31 december 1994. Dit heeft gevolgen gehad op het aantal door het instituut uitgebrachte rapporten en publikaties.

De kenniscentrumfunctie van het RIVM is verbreed door de toezegging van de Minister van LNV dat het RIVM zal worden belast met de coördinatie en eindverantwoordelijkheid voor het periodiek uitbrengen van een Natuurverkenning. Dit in samenhang met de vierjaarlijkse Milieuverkenning in opdracht van de Minister van VROM. De Minister van LNV zal hierdoor in een vergelijkbare positie ten opzichte van het RIVM komen. Deze nieuwe taak zal in een wijziging van de Natuurbeschermingswet worden opgenomen. De wijziging van de Wet Milieubeheer waarin de Milieuplanbureaufunctie vastgelegd is, werd inmiddels door de Tweede Kamer goedgekeurd.

Een ontwerpwet op het RIVM is op 16 oktober 1995 bij de Tweede Kamer ingediend. Deze wet verankert de taken, onderzoeksprogrammering en de wetenschappelijke onafhankelijkheid van het instituut.

In 1995 werd voor het eerst de jaarlijkse Milieubalans gepubliceerd die tot taak heeft de kwaliteit van het milieu te beschrijven als resultante van de uitvoering van het gerealiseerde milieubeleid. Veel onderzoek werd verricht ter onderbouwing van de noodzaak tot beperking van de CO2-emissie. Uit veelal in internationaal verband uitgevoerd onderzoek blijken de nadelige effecten van milieuverontreiniging op de volksgezondheid en het leefmilieu. Bij het volksgezondheidsonderzoek vraagt het infectie-onderzoek versterkte aandacht.

De directie van het RIVM streeft ernaar de positie van het onderzoekinstituut als kenniscentrum van de rijksoverheid te verbreden. Naast volksgezondheid, milieu en natuur wordt hierbij gedacht aan omgevingskwaliteit en de ondersteuning bij calamiteiten.

Internationalisering van activiteiten blijft nagestreefd worden alhoewel de financiering hiervan problemen opwerpt daar internationale organisaties steeds minder geneigd zijn tot een substantiële subsidiëring van projecten.

Onderdeel 01:

Op dit artikelonderdeel zijn voornamelijk uitgaven verantwoord voor salarissen, toelagen en sociale lasten. Daarnaast zijn uitgaven verantwoord voor vervangend en extern personeel. Totale uitgaven f 108,6 miljoen. Per 31 december 1995 betrof het een bezetting van 1 265,31 fte's op een formatie van 1 312,63 fte's.

«M en O»-beleid

De op dit artikelonderdeel verantwoorde toelagen voor Tegemoetkoming Ziektekosten Rijksambtenaren (TZR) zijn gebaseerd op een «M en O»-gevoelige regeling. In 1994 bestond het controlebeleid uit een integrale controle van de aanvraag met bewijsstukken. In 1995 is de controle voortgezet voor wat betreft de door personeelsleden doorgegeven wijzigingen.

Onderdeel 02:

Op dit artikelonderdeel zijn de uitgaven verantwoord van vergoedingen aan personeel voor beloningsdifferentiatie, ouderschapsverlof, verplaatsingskosten, opleidingen en niet-regulier personeel. Met name op de post ouderschapsverlof is een groter beroep gedaan. Totale uitgaven f 3,6 miljoen.

Onderdeel 03:

De uitgaven op dit artikelonderdeel zijn hoger, omdat meer personeelsleden een beroep hebben gedaan op wachtgeldregelingen dan oorspronkelijk geraamd. Totale uitgaven f 7,7 miljoen.

«M en O»-beleid

Deze regelingen zijn «M en O»-gevoelig. Het onder het Ministerie van Binnenlandse Zaken ressorterende DUO (vanaf 1996 de USZO) is belast met de uitvoering van deze regelingen en heeft daarvoor een adequaat controlebeleid geformuleerd.

Onderdeel 04:

Op dit artikelonderdeel zijn de uitgaven (f 9,6 miljoen) van projectmedewerkers verantwoord die verband houden met additioneel gefinancierde opdrachten en projecten. De dekking is gerealiseerd op de ontvangstenartikelen 27.01, onderdeel 04 en 27.02.

De per saldo lagere uitgaven (f 5,1 miljoen) voor personeel ten laste van derden (projectmedewerkers) zijn een gevolg van het achterblijven van door derden gefinancierde opdrachten/projecten.

Onderdeel 05:

Algemeen

Bij het RIVM is sprake van een continue stroom van investerings- en exploitatie- uitgaven. Een zekere overloop van verplichtingen met betrekking tot deze uitgaven met kaseffecten in jaar t+1 aan het einde van een begrotingsjaar is niet ongebruikelijk. De investeringsuitgaven (aanschaffingen) hebben voornamelijk betrekking op vervanging en/of aanschaf van laboratorium- en produktie apparatuur, computer hard- en software, transportmiddelen, en renovatie en nieuwbouw van gebouwen en installaties enzovoort.

De hoogte van de uiteindelijk gerealiseerde investerings- en exploitatie-uitgaven is mede een afgeleide van de door derden verstrekte opdrachten en/of projecten en kennisexploitatie. De hiermee samenhangende ontvangsten worden verantwoord op de ontvangstenartikelen 27.01, onderdeel 01, 27.01, onderdeel 02 en 27.01, onderdeel 04. Daarnaast brengt de aard van de uitgaven met zich mee dat vooraf niet altijd goed te ramen is wanneer bepaalde verleende opdrachten daadwerkelijk tot betaling komen. Dit is een gevolg van het feit dat op het tijdstip van bestellen of het aanvragen van een offerte niet altijd duidelijk is wanneer levering, facturering en betaling zal geschieden (kasritmeverschillen).

De uitgaven van in totaal f 125,6 miljoen hebben betrekking op:

– materiële kosten in algemene zin, waaronder betaalde BTW (f 28,4 miljoen);

– investeringen in wetenschappelijke apparatuur en infrastructuur (f 18,5 miljoen);

– onderhoud, exploitatie en uitbestedingen (f 25,2 miljoen);

– aankoop hulpmiddelen voor produktie en onderzoek (f 8,0 miljoen):

– de aankoop van sera en vaccins en hulpmiddelen (f 11,9 miljoen);

– automatiseringskosten (f 16,3 miljoen);

– de bijdrage aan de WHO voor de instandhouding van het in Bilthoven gevestigde WHO European Centre for Environment and Health en voor Oost-Europa-projecten (f 3,7 miljoen);

– betalingen aan medecontractanten in EU-samenwerkingsprojecten (f 13,6 miljoen).

De per saldo hogere verplichtingen van f 29,6 miljoen zijn voornamelijk een gevolg van:

– verplichtingen uit hoofde van afgesloten onderhoudscontracten, te verrichten veldonderzoek en metingen en bestelde apparatuur (f 20,6 miljoen);

– het aangaan van verplichtingen voor het HIB-vaccin die in het kader van het Rijksvaccinatieprogramma wordt aangekocht ( f 9,0 miljoen).

Artikel: M2201 Algemeen (bedragen x f 1000)

TOETSING REALISATIE AAN DE BEGROTINGSWET, STAND 2E SUPPLETORE WETSLOTWET
Ontwerp-BegrotingNota v. W. Amendement1e Suppletore wet2e Suppletore wetBinnen ArtikelTotaal van de begrotingRealisatieVerschil (− = tekort)Perc.Loon/PrijsOverig
123456=1 t/m 578 = 7 – 6 8 =10 + 119 = 8 : 61011
ArtikelOmschrijving          
Artikelonderdeel          
           
M2201 Algemeen
           
O: 5 714– 1 237– 1 0005403 5316 2372 7067702 706
           
M2201/01 Ontvangsten als gevolg van in voorgaande jaren te hoog verstrekte subsidievoorschotten
           
O:  00000000000
           
M2201/02 Bijdragen van personeel
           
O:  00000000000
           
M2201/03 Ontvangsten personeel
           
O: 2 465– 482– 1 00000983723– 260– 260– 260
           
M2201/04 Algemene ontvangsten
           
O: 1 9590054– 6351 3783 4412 06315002 063
           
M2201/05 Diensten voor derden
           
O: 1 290– 755006351 1702 073903770903

Onderdelen 01 en 02:

Geen opmerkingen.

Onderdeel 03:

Het betreft hier AAW-ontvangsten (f 0,7 miljoen) voor langdurig zieken.

Onderdeel 04:

De ontvangsten op dit artikelonderdeel (f 3,4 miljoen) laten zich naar hun aard moeilijk ramen.

Deze ontvangsten hebben onder meer betrekking op:

– aan derden in rekening gebrachte kosten voor Interim Functievervulling;

– subsidies van het A&O-fonds;

– van personeelsleden ontvangen eigen bijdragen voor kinderopvang;

– verrekeningen van verleende voorschotten op wachtgelduitkeringen;

– aan het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij doorberekende kosten voor diergeneesmiddelenregistratie;

– verrekeningen van verleende voorschotten op salariskosten.

Onderdeel 05:

De ontvangsten op dit artikelonderdeel (f 2,1 miljoen) betreffen aan derden in rekening gebrachte personeelskosten.

De ontvangsten hebben voor f 1,8 miljoen betrekking op door het SCP voor derden uitgevoerde projecten (onder andere onderzoek naar de voortgang van de sociale vernieuwing, de rapportage over bevolkingscategorieën, het ontwikkelen van een ramingsmodel voor de zorgsector, het milieu-onderzoek).

Artikel: M2202 Overige ontvangsten andere begrotingen en organisaties (bedragen x f 1000)

TOETSING REALISATIE AAN DE BEGROTINGSWET, STAND 2E SUPPLETORE WETSLOTWET
Ontwerp-BegrotingNota v. W. Amendement1e Suppletore wet2e Suppletore wetBinnen ArtikelTotaal van de begrotingRealisatieVerschil (− = tekort)Perc.Loon/PrijsOverig
123456=1 t/m 578 = 7 – 6 8 =10 + 119 = 8 : 61011
ArtikelOmschrijving          
Artikelonderdeel          
           
M2202 Overige ontvangsten andere begrotingen en organisaties
           
O: 2 696001 70804 4046 1991 7954101 795
           
M2202/00 Overige ontvangsten andere begrotingen en organisaties
           
O: 2 696001 70804 4046 1991 7954101 795

Op dit artikel worden veelal incidentele ontvangsten van andere departementen verantwoord. Vanwege dit incidentele karakter zijn deze ontvangsten moeilijk te ramen.

De betreffende ontvangsten (in totaal f 6,2 miljoen) hebben onder meer betrekking op:

– een vergoeding van het Ministerie van OCenW voor de huisvesting van het Directoraat-Generaal voor Culturele Zaken (DGCZ) in Rijswijk (f 1,145 miljoen);

– een bijdrage van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM) voor onderhoudskosten van het BC-gebouw (f 0,265 miljoen);

– een vergoeding van diverse Ministeries voor huisvesting in het H-gebouw (f 0,64 miljoen);

– de doorberekende kosten aan het Ministerie van OCenW voor automatiserings-faciliteiten ten behoeve van het DGCZ (f 0,169 miljoen);

– bijdragen afkomstig van het Ministerie van OCenW betrekking hebbend op een vergoeding voor voorzieningen op het gebied van voorlichting en bibliotheek ten behoeve van het DGCZ (f 0,145 miljoen). De hiermee samenhangende uitgaven zijn op uitgavenartikel 22.01, onderdeel 05 (materieel) verantwoord;

– aan derden in rekening gebrachte kosten voor Interim Functievervulling, subsidies van het A&O-fonds en een bijdrage van IVOP in de kosten van een personeelsinformatiesysteem (f 0,294 miljoen);

– een bijdrage van het Ministerie van OCenW in de kosten van het secretariaat van NESTOR (f 0,05 miljoen);

– bijdragen ten behoeve van het Centraal Coördinatiepunt ter bevordering van Toegankelijkheid (CCPT) en het project BORG (f 0,29 miljoen);

– een gezamenlijk, met het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW), gefinancierd project emancipatiewerker K.N.M.G. 1994 (f 0,044 miljoen);

– een bijdrage van het Ministerie van Justitie van f 0,06 miljoen in de kosten van een zorgmanager bij de Koninklijke Nederlandse Centrale Vereniging tot bestrijding van de tuberculose (K.N.C.V.) en een bijdrage van het Ministerie van OCenW van f 0,15 miljoen in de verhuiskosten van de Stichting Korrelatie;

– een bijdrage van het Ministerie van Defensie inzake de subsidie aan de Stichting ICODO (f 0,418 miljoen), waarvan de verplichtingen en uitgaven zijn verantwoord op uitgavenartikel 24.05;

– een bijdrage van het Ministerie van VROM ten behoeve van de door de Gezondheidsraad verrichte werkzaamheden in het kader van het werkprogramma Milieu (f 1,163 miljoen);

– een bijdrage van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (LNV) in het kader van de registratie van diergeneesmiddelen (f 0,3 miljoen);

– bijdragen ten behoeve van Arachne (Ministerie van SZW), NIBUD (Ministeries van SZW en Economische Zaken) en International social service (Ministerie van Justitie) (f 0,9 miljoen).

Artikel: M2301 Inspectie gezondheidszorg (bedragen x f 1000)

TOETSING REALISATIE AAN DE BEGROTINGSWET, STAND 2E SUPPLETORE WETSLOTWET
Ontwerp-BegrotingNota v. W. Amendement1e Suppletore wet2e Suppletore wetBinnen ArtikelTotaal van de begrotingRealisatieVerschil (− = tekort)Perc.Loon/PrijsOverig
123456=1 t/m 578 = 7 – 6 8 =10 + 119 = 8 : 61011
ArtikelOmschrijving          
Artikelonderdeel          
           
M2301 Inspectie gezondheidszorg
           
O: 12300001239658426850842
           
M2301/01 Ontvangsten als gevolg van in voorgaande jaren te hoog verstrekte subsidievoorschotten
           
O: 00000022>100002
           
M2301/02 Algemene ontvangsten
           
O: 000000353353>10000353
           
M2301/03 Diensten voor derden Inspectie gezondheidszorg
           
O: 12000001203872672230267
           
M2301/04 Ontvangsten registraties volksgezondheid
           
O: 3000032222197 3000219

Onderdeel 01:

De ontvangst betreft een niet geraamde subsidie-afrekening.

Onderdeel 02:

Deze ontvangsten (f 0,35 miljoen) hebben voornamelijk betrekking op subsidies van het A&O-fonds, aan het RIVM doorberekende onderzoekskosten, aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken doorberekende personeelskosten en ontvangsten wegens de eigen bijdrage van personeelsleden in de kosten van kinderopvang. Deze incidentele ontvangsten laten zich naar hun aard moeilijk ramen.

Onderdeel 03:

De ontvangsten op dit artikelonderdeel zijn grotendeels gerealiseerd door het afgeven van import- en exportverklaringen (f 0,4 miljoen). Door een tariefsverhoging is meer ontvangen dan geraamd.

Onderdeel 04:

Deze ontvangsten (f 0,2 miljoen) bestaan uit vergoedingen betaald door psychotherapeuten die zich officieel hebben laten registreren. Als gevolg van een groter aantal registratie-aanvragen is er meer ontvangen dan geraamd.

Artikel: M2401 Welzijn algemeen (bedragen x f 1000)

TOETSING REALISATIE AAN DE BEGROTINGSWET, STAND 2E SUPPLETORE WETSLOTWET
Ontwerp-BegrotingNota v. W. Amendement1e Suppletore wet2e Suppletore wetBinnen ArtikelTotaal van de begrotingRealisatieVerschil (− = tekort)Perc.Loon/PrijsOverig
123456=1 t/m 578 = 7 – 6 8 =10 + 119 = 8 : 61011
ArtikelOmschrijving          
Artikelonderdeel          
           
M2401 Welzijn algemeen
           
O: 22 590– 1 300024 950046 24048 2051 965401 965
           
M2401/01 Ontvangsten als gevolg van in voorgaande jaren te hoog verstrekte subsidievoorschotten
           
O: 22 515– 1 300024 650045 86548 0772 212402 212
           
M2401/02 Algemene ontvangsten
           
O: 75003000375127– 248– 660– 248

Onderdeel 01:

Op dit onderdeel worden de ontvangsten (in totaal f 48,1 miljoen) verantwoord als gevolg van de afrekening van in voorgaande jaren te hoog verstrekte subsidievoorschotten. In verband met het wegwerken van de achterstand van nog af te rekenen voorschotten is er meer ontvangen dan geraamd. De ontvangsten laten zich moeilijk ramen.

Op dit onderdeel is f 33,6 miljoen aan ontvangsten verantwoord naar aanleiding van de definitieve vaststellingen van subsidies en bijdragen ten behoeve van voorzieningen die in het kader van het jeugdbeleid worden bekostigd op grond van de Wet op de jeugdhulpverlening en de Welzijnswet. De omvang van de ontvangsten is door de aard van de posten moeilijk te voorzien. De raming is dan ook gebaseerd op ervaringscijfers.

De ontvangsten zijn voor f 31,5 miljoen het gevolg van het innen van de vorderingen die zijn ontstaan door het afrekenen van de bijdragen aan de gemeenten voor de Stimuleringsmaatregel Kinderopvang 1991–1993.

De ontvangsten zijn daarnaast veroorzaakt door de definitieve vaststelling van de uitkering 1994 aan de gemeente Amsterdam in het kader van de Regeling inburgering nieuwkomers (f 4,4 miljoen).

De overige ontvangsten (f 7,1 miljoen) worden geraamd op basis van ervaringscijfers. Raming op het niveau van instellingen is niet mogelijk.

Onderdeel 02:

De verwachte ontvangsten zijn wisselend in aantal en omvang en door hun aard moeilijk exact te ramen. In totaal is f 0,1 miljoen ontvangen. De lagere ontvangsten worden hoofdzakelijk veroorzaakt door de hier geraamde ontvangsten in verband met de inningskosten die een deurwaarder op de ouderbijdrage-plichtige verhaalt (2e Suppletore wet), die echter verantwoord zijn op ontvangstenartikel 24.03, onderdeel 02 «Ontvangsten ouderbijdragen».

Artikel: M2402 Bijdrage van andere begrotingen (bedragen x f 1000)

TOETSING REALISATIE AAN DE BEGROTINGSWET, STAND 2E SUPPLETORE WETSLOTWET
Ontwerp-BegrotingNota v. W. Amendement1e Suppletore wet2e Suppletore wetBinnen ArtikelTotaal van de begrotingRealisatieVerschil (− = tekort)Perc.Loon/PrijsOverig
123456=1 t/m 578 = 7 – 6 8 =10 + 119 = 8 : 61011
ArtikelOmschrijving          
Artikelonderdeel          
           
M2402 Bijdrage van andere begrotingen
           
O: 27 63724 000215– 45051 80749 474– 2 333– 40– 2 333
           
M2402/01 Bijdrage van andere begrotingen inzake gehandicaptenbeleid
           
O: 201045– 450201163– 38– 190– 38
           
M2402/02 Bijdrage van andere begrotingen inzake jeugdhulpverlening en jeugdbeleid
           
O: 8960170001 0661 139737073
           
M2402/03 Bijdrage van begroting V inzake opvang vluchtelingen
           
O: 24 740000024 74024 7400000
           
M2402/04 Bijdrage van andere begrotingen inzake opvang vluchtelingen en minderheden
           
O: 1 80024 00000025 80023 433– 2 367– 90– 2 367

Onderdeel 01:

De ontvangsten op dit artikelonderdeel van f 0,2 miljoen betreffen bijdragen van andere departementen voor de stichting Informatievoorziening Gehandicapten (f 0,1 miljoen) en het Bisschop Bekkers Instituut (f 0,1 miljoen). De uitgaven zijn verantwoord op uitgavenartikel 24.03. De lagere ontvangsten op dit onderdeel zijn veroorzaakt door het gedeeltelijk wegvallen van de bijdrage van het Ministerie van SZW ten behoeve van de stichting Informatievoorziening Gehandicapten.

Onderdeel 02:

Het betreft hier voornamelijk bijdragen van het Ministerie van Justitie in het kader van de jeugdhulpverlening en het overig jeugdbeleid van f 1,1 miljoen. De uitgaven zijn verantwoord op uitgavenartikel 24.04.

Onderdeel 03:

Conform de ontvangstenraming is een bedrag van f 24,7 miljoen ontvangen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken/Ontwikkelingssamenwerking. De uitgaven hebben plaats gevonden op het uitgavenartikel 24.06, onderdeel 01 Opvang vluchtelingen (in totaal is een bedrag van f 130,2 miljoen uitgegeven).

Onderdeel 04:

In totaal is f 23,4 miljoen ontvangen van het Ministerie van Justitie in verband met haar bijdrage aan de kosten van de tolkdiensten voor minderheden en asielzoekers. Dit bedrag is f 2,4 miljoen lager dan geraamd en wordt veroorzaakt door de lagere subsidietoekenning aan de tolkencentra. De uitgaven hebben plaatsgevonden op het onderdeel 02 van uitgavenartikel 24.06.

Artikel: M2403 Jeugdbeleid (bedragen x f 1000)

TOETSING REALISATIE AAN DE BEGROTINGSWET, STAND 2E SUPPLETORE WETSLOTWET
Ontwerp-BegrotingNota v. W. Amendement1e Suppletore wet2e Suppletore wetBinnen ArtikelTotaal van de begrotingRealisatieVerschil (− = tekort)Perc.Loon/PrijsOverig
123456=1 t/m 578 = 7 – 6 8 =10 + 119 = 8 : 61011
ArtikelOmschrijving          
Artikelonderdeel          
           
M2403 Jeugdbeleid
           
O: 24 45001 370– 5 496020 32415 22 1– 5 103– 250– 5 103
           
M2403/01 Ontvangsten Nederlandse filmkeuring
           
O: 500000505661206
           
M2403/02 Ontvangsten ouderbijdragen
           
O: 24 40000– 10 000014 4009 952– 4 448– 310– 4 448
           
M2403/03 Ontvangsten desinvesteringen jeugdhulpverlening
           
O: 001 3704 50405 8745 214– 660– 110– 660

Onderdeel 01:

Het betreft hier f 0,06 miljoen aan ontvangsten in verband met filmkeuringen. In 1995 zijn 116 filmkeuringen verricht. De gemiddelde lengte van een speelfilm was circa 115 minuten. Hoewel er minder keuringen zijn verricht (116 ten opzichte van de geraamde 125) dan geraamd is de jaaropbrengst hoger door een langere gemiddelde speelduur per film.

Onderdeel 02:

Dit artikelonderdeel betreft de ouderbijdragen inzake jeugdigen, die zijn geplaatst in voorzieningen voor jeugdhulpverlening (f 6,7 miljoen) of in internaten voor kinderen van binnenschippers en kermisexploitanten (f 3,3 miljoen).

Per 1 mei 1995 is de Wet op de jeugdhulpverlening gewijzigd inzake de ouderbijdragen vrijwillige jeugdhulpverlening en justitiële kinderbescherming. Daarmee is onder andere een nieuw normenstelsel voor de hoogte van de ouderbijdragen en een uitbreiding van de mogelijkheden tot het innen van de vorderingen geregeld.

Door te optimistische schattingen en de vertraagde wijziging van de regelgeving zijn de ontvangsten voor de ouderbijdragen jeugdhulpverlening f 10,5 miljoen lager uitgevallen dan geraamd (2e Suppletore wet).

De ontvangsten ouderbijdragen voor kinderen in schippersinternaten zijn f 3,8 miljoen lager dan verwacht. Hiervoor zijn twee oorzaken aan te geven. Als gevolg van invorderingsproblemen bij ouders van kinderen die in schippersinternaten zijn geplaatst en een lagere dan geraamde bezetting van de schippersinternaten zijn de ontvangsten f 2 miljoen lager uitgevallen.

Daarnaast is een afdracht door de Stichting Centrale Administratie Internaten voor Schipperskinderen van f 1,8 miljoen later ontvangen dan voorzien.

«M en O»-beleid:

* Wet op de jeugdhulpverlening/Besluit bijdragen justitiële kinderbescherming en vrijwillige jeugdhulpverlening

Er zijn hier twee soorten bijdragen, te weten ouderbijdragen en eigen bijdragen.

De vaststelling en inning van de ouderbijdragen geschiedt door het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen, een onderdeel van het Ministerie van Justitie.

Tot 1 mei 1995 was de ouderbijdrage inkomensafhankelijk. Per 1 mei 1995 is de regelgeving voor de ouderbijdragen vrijwillige jeugdhulpverlening gewijzigd en zijn de ouderbijdragen niet meer afhankelijk van het netto (gezins)inkomen. De hoogte van de ouderbijdrage varieert naar de leeftijd van de jeugdige en de aard van de voorziening waar de jeugdige is geplaatst.

De vaststelling en inning van de eigen bijdragen geschiedt door de instelling zelf en loopt dus niet via de VWS begroting. De instellingen worden voor het grootste deel gefinancierd en gecontroleerd door de provincies, zodat vanuit VWS geen beïnvloeding of controlemaatregelen mogelijk zijn.

* Regeling subsidiëring welzijnsbeleid 1995/kinderen van binnenschippers en kermisexploitanten

De vaststelling en inning van de ouderbijdragen vindt plaats bij de Stichting Centrale Administratie van Internaten voor Schippersjeugd. De ouderbijdragen zijn afhankelijk van het belastbaar inkomen. Veelal gaat het om zelfstandigen en wordt de inkomensopgave gecontroleerd aan de hand van de belastingaanslag. De volledigheid van het belastbaar inkomen kan worden geacht te zijn vastgesteld door de fiscus. De mate van inkomensafhankelijkheid van de ontvangsten en daarmee van de inherente onzekerheid bij de inning van de ouderbijdragen is ingeperkt door het aantal inkomens categorieën te beperken tot twee.

Onderdeel 03:

Deze ontvangsten van f 5,2 miljoen betreffen enkele desinvesteringen in accommodaties van voorzieningen welke in het kader van de jeugdhulpverlening gesubsidieerd worden. De uitgaven voor her-investeringen zijn verantwoord op uitgavenartikel 24.04.

Artikel: M2501 Volksgezondheid algemeen (bedragen x f 1000)

TOETSING REALISATIE AAN DE BEGROTINGSWET, STAND 2E SUPPLETORE WETSLOTWET
Ontwerp-BegrotingNota v. W. Amendement1e Suppletore wet2e Suppletore wetBinnen ArtikelTotaal van de begrotingRealisatieVerschil (− = tekort)Perc.Loon/PrijsOverig
123456=1 t/m 578 = 7 – 6 8 =10 + 119 = 8 : 61011
ArtikelOmschrijving          
Artikelonderdeel          
           
M2501 Volksgezondheid algemeen
           
O: 10 037006 877016 91415 495– 1 419– 80– 1 419
           
M2501/01 Ontvangsten als gevolg van in voorgaande jaren te hoog versterkte subsidievoorschotten
           
O: 2 775006 8771 00010 65211 42877670776
           
M2501/02 Algemene ontvangsten
           
O: 1 30800001 308616– 692– 530– 692
           
M2501/03 Diensten voor derden en overige ontvangsten Rijksinstituut voor geneesmiddelenonderzoek
           
O: 1 40000001 400249– 1 151– 820– 1 151
           
M2501/04 Opleidingen en examens op het gebied van de volksgezondheid
           
O: 1 636000– 1 000636406– 230– 360– 230
           
M2501/05 Inverdieningstoelagen en studietoelagen
           
O: 1 10200001 102788– 314– 280– 314
           
M2501/06 Vergunningen geneesmiddelen
           
O: 1 81600001 8162 008192110192

Onderdeel 01:

Op dit onderdeel worden de ontvangsten (in totaal f 11,4 miljoen) verantwoord als gevolg van de afrekening van in voorgaande jaren te hoog verstrekte subsidievoorschotten. In verband met het wegwerken van de achterstand van nog af te rekenen voorschotten is er meer ontvangen dan geraamd.

Onderdeel 02:

De ontvangsten op dit artikelonderdeel betreffen onder andere ontvangsten in het kader van de civiele verdedingsvoorbereiding van circa f 0,25 miljoen en Algemene ontvangsten en verkocht drukwerk van circa f 0,35 miljoen. Als gevolg van de sluiting van de magazijnen in buitengewone omstandigheden (MIBO) worden er geen goederen meer verkocht. De realisatie is om die reden aanzienlijk lager dan de raming.

Onderdeel 03:

De ontvangsten van f 0,25 miljoen op dit artikelonderdeel betreffen vergoedingen voor door het RIGO verrichte diensten voor onderzoek naar diergeneesmiddelen ten behoeve van het Ministerie van LNV.

Onderdeel 04:

De op dit onderdeel ontvangen bedragen (f 0,4 miljoen) hebben in hoofdzaak betrekking op ontvangsten van examengelden. Deze zijn verschuldigd voor deelname aan het examen van diverse opleidingen. De oorspronkelijke raming was te hoog.

Onderdeel 05:

De op dit onderdeel ontvangen bedragen (f 0,8 miljoen) betreffen in hoofdzaak (gedeeltelijke) terugbetalingen van renteloze leningen, welke aan aspirant-huisartsen zijn verstrekt gedurende hun opleiding tot huisarts. De oorspronkelijke raming was te hoog.

Onderdeel 06:

De ontvangsten op dit onderdeel, groot f 2,0 miljoen hebben betrekking op ontvangsten inzake verstrekte opiumverloven (f 0,2 miljoen) en vergunningen geneesmiddelen (f 1,8 miljoen). De realisatie inzake de opiumverloven is f 0,1 miljoen hoger dan de begroting. Dit is het gevolg van een tariefsverhoging enerzijds en anderzijds het gevolg van het feit dat Nederland in 1995 is gaan participeren in het Verdrag inzake de psychotrope stoffen, hetgeen onder meer inhoudt dat, nu voor een aantal preparaten een opiumverlof nodig is. Op de vergunningen voor geneesmiddelen is f 0,1 miljoen meer ontvangen omdat er meer vergunningen zijn verstrekt dan voorzien.

Artikel: M2502 Medisch tuchtwet (bedragen x f 1000)

TOETSING REALISATIE AAN DE BEGROTINGSWET, STAND 2E SUPPLETORE WETSLOTWET
Ontwerp-BegrotingNota v. W. Amendement1e Suppletore wet2e Suppletore wetBinnen ArtikelTotaal van de begrotingRealisatieVerschil (− = tekort)Perc.Loon/PrijsOverig
123456=1 t/m 578 = 7 – 6 8 =10 + 119 = 8 : 61011
ArtikelOmschrijving          
Artikelonderdeel          
           
M2502 Medisch tuchtwet
           
O: 200000202663006
           
M2502/00 Medische tuchtwet
           
O: 200000202663006

De op dit artikel ontvangen bedragen (f 0,03 miljoen) hebben betrekking op door artsen, tandartsen, apothekers en verloskundigen betaalde geldboetes. De oplegging van de geldboetes zijn gebaseerd op de Medische tuchtwet. De hogere ontvangsten zijn het gevolg van een hogere boetesom dan was aangenomen.

Artikel: M2503 Registratie geneesmiddelen (bedragen x f 1000)

TOETSING REALISATIE AAN DE BEGROTINGSWET, STAND 2E SUPPLETORE WETSLOTWET
Ontwerp-BegrotingNota v. W. Amendement1e Suppletore wet2e Suppletore wetBinnen ArtikelTotaal van de begrotingRealisatieVerschil (− = tekort)Perc.Loon/PrijsOverig
123456=1 t/m 578 = 7 – 6 8 =10 + 119 = 8 : 61011
ArtikelOmschrijving          
Artikelonderdeel          
           
M2503 Registratie geneesmiddelen
           
O: 16 730003 802020 53220 90737520375
           
M2503/00 Registratie geneesmiddelen
           
O: 16 730003 802020 53220 90737520375

De ontvangsten zijn voornamelijk het gevolg van:

– de ontvangsten uit registratie-aanvragen (f 2,8 miljoen) en vergoedingen van parallel geïmporteerde produkten (f 3,4 miljoen). De directie CBG had deze raming bewust laag gehouden wegens de dreigende afname – in verband met Europese regelgeving – van deze categorie produkten;

– de ontvangsten uit jaarlijkse registratie-vergoedingen (f 13,6 miljoen). De raming is behoudend geweest, waardoor er meer is ontvangen dan geraamd;

– de ontvangsten uit aanvragen voor wijzigingen van geregistreerde produkten (f 0,6 miljoen). Deze ontvangsten zijn moeilijk voorspelbaar.

Artikel: M2504 Terugbetaling op effectief geworden garanties (bedragen x f 1000)

TOETSING REALISATIE AAN DE BEGROTINGSWET, STAND 2E SUPPLETORE WETSLOTWET
Ontwerp-BegrotingNota v. W. Amendement1e Suppletore wet2e Suppletore wetBinnen ArtikelTotaal van de begrotingRealisatieVerschil (− = tekort)Perc.Loon/PrijsOverig
123456=1 t/m 578 = 7 – 6 8 =10 + 119 = 8 : 61011
ArtikelOmschrijving          
Artikelonderdeel          
           
M2504 Terugbetaling op effectief geworden garanties
           
O: 00000000000
           
M2504/00 Terugbetaling op effectief geworden garanties
           
O: 00000000000

Geen opmerkingen.

Artikel: M2505 Bijdrage van begroting VI inzake de Vereniging tegen kindermishandeling (bedragen x f 1000)

TOETSING REALISATIE AAN DE BEGROTINGSWET, STAND 2E SUPPLETORE WETSLOTWET
Ontwerp-BegrotingNota v. W. Amendement1e Suppletore wet2e Suppletore wetBinnen ArtikelTotaal van de begrotingRealisatieVerschil (− = tekort)Perc.Loon/PrijsOverig
123456=1 t/m 578 = 7 – 6 8 =10 + 119 = 8 : 61011
ArtikelOmschrijving          
Artikelonderdeel          
           
M2505 Bijdrage van begroting VI inzake de Vereniging tegen kindermishandeling
           
O: 12500001251250000
           
M2505/00 Bijdrage van begroting VI inzake de Vereniging tegen kindermishandeling
           
O: 12500001251250000

De ontvangst betreft de bijdrage van f 0,1 miljoen van het Ministerie van Justitie in de kosten van de Vereniging tegen kindermishandeling.

Artikel: M2601 Inspectie gezondheidsbescherming (bedragen x f 1000)

TOETSING REALISATIE AAN DE BEGROTINGSWET, STAND 2E SUPPLETORE WETSLOTWET
Ontwerp-BegrotingNota v. W. Amendement1e Suppletore wet2e Suppletore wetBinnen ArtikelTotaal van de begrotingRealisatieVerschil (− = tekort)Perc.Loon/PrijsOverig
123456=1 t/m 578 = 7 – 6 8 =10 + 119 = 8 : 61011
ArtikelOmschrijving          
Artikelonderdeel          
           
M2601 Inspectie gezondheidsbescherming
           
O: 50000005001 3908901810890
           
M2601/00 Inspectie gezondheidsbescherming
           
O: 50000005001 3908901780890

De ontvangsten van f 1,4 miljoen op dit artikel hebben betrekking op verstrekte certificaten, onderzoek voor derden en incidentele baten.

De hogere ontvangsten van f 0,9 miljoen zijn het gevolg van:

– een toename van het aantal afgegeven certificaten. Deze categorie inkomsten is moeilijk voorspelbaar;

– incidentele baten wegens de verkoop van auto's;

– een incidentele bate in verband met de eindafrekening van de voormalige provinciale keuringsdienst Groningen.

Artikel: M2701 RIVM (bedragen x f 1000)

TOETSING REALISATIE AAN DE BEGROTINGSWET, STAND 2E SUPPLETORE WETSLOTWET
Ontwerp-BegrotingNota v. W. Amendement1e Suppletore wet2e Suppletore wetBinnen ArtikelTotaal van de begrotingRealisatieVerschil (− = tekort)Perc.Loon/PrijsOverig
123456=1 t/m 578 = 7 – 6 8 =10 + 119 = 8 : 61011
ArtikelOmschrijving          
Artikelonderdeel          
           
M2701 RIVM
           
O: 44 92402 20027 200074 32465 713– 8 611– 120– 8 611
           
M2701/01 Algemene ontvangsten
           
O: 7 9000014 400022 30025 2592 9591302 959
           
M2701/02 Verkoop en controle op sera en vaccins
           
O: 16 44002 20012 800031 44032 4531 013301 013
           
M2701/03 Onderzoekingen, biologische ijkingen en dergelijke
           
O: 5 60000005 6001 932– 3 668– 660– 3 668
           
M2701/04 Diensten voor derden RIVM
           
O: 14 984000014 9846 068– 8 916– 600– 8 916

Onderdeel 01:

De ontvangsten van f 25,3 miljoen hebben betrekking op:

– diverse ontvangsten (verkoop rapporten, A&O-fonds etcetera) (f 1,0 miljoen);

– facilitaire dienstverlening, met name aan de Stichting ter bevordering van de volksgezondheid en milieuhygiëne (f 3,4 miljoen);

– een éénmalige afrekening met de Belastingdienst inzake teveel betaalde BTW op geproduceerde en geleverde vaccins (f 7,4 miljoen);

– uitgevoerde werkzaamheden terzake van door derden gefinancierde opdrachten/projecten (f 13,5 miljoen).

Onderdeel 02:

De ontvangsten van f 32,5 miljoen hebben betrekking op:

– levering vaccins uit hoofde van het Rijksvaccinatieprogramma en van kennisexploitatie (f 30,4 miljoen);

– controles uit hoofde van de regeling Europese Vrijgifte (f 2,1 miljoen).

Onderdeel 03:

De ontvangsten van f 1,9 miljoen zijn verkregen uit aan inzenders in rekening gebrachte diagnostische onderzoekingen.

De lagere ontvangsten van f 3,7 miljoen worden veroorzaakt doordat:

– het RIVM de activiteiten voor de primaire routinediagnostiek virologie niet meer uitvoert (f 2,9 miljoen);

– in 1995 minder bepalingen gefactureerd zijn als gevolg van een pas laat in het jaar afgeronde discussie over prijsaanpassing (f 0,8 miljoen). De facturering heeft inmiddels in 1996 plaatsgevonden.

Onderdeel 04:

De ontvangsten van f 6,1 miljoen hebben betrekking op de door derden gefinancierde inzet van tijdelijke personele capaciteit voor uitgevoerde projecten/opdrachten.

De lagere ontvangsten van f 8,9 miljoen zijn een gevolg van:

– het achterblijven van door derden gefinancierde projecten/opdrachten (f 5,3 miljoen). Hierdoor waren minder projectmedewerkers benodigd dan begroot;

– een gewijzigde verantwoordingssystematiek, waarbij de ontvangsten projectmedewerkers (f 3,6 miljoen) van het Ministerie van VROM (inzake MAP-Milieu-onderzoek) vanaf 1994 zijn begrepen in ontvangstenartikel 27.02 bijdrage van begroting XI inzake het RIVM.

Artikel: M2702 Bijdrage van begroting XI inzake het RIVM (bedragen x f 1000)

TOETSING REALISATIE AAN DE BEGROTINGSWET, STAND 2E SUPPLETORE WETSLOTWET
Ontwerp-BegrotingNota v. W. Amendement1e Suppletore wet2e Suppletore wetBinnen ArtikelTotaal van de begrotingRealisatieVerschil (− = tekort)Perc.Loon/PrijsOverig
123456=1 t/m 578 = 7 – 6 8 =10 + 119 = 8 : 61011
ArtikelOmschrijving          
Artikelonderdeel          
           
M2702 Bijdrage van begroting XI inzake het RIVM
           
O: 57 92402413 162061 32764 1112 784402 784
           
M2702/00 Bijdrage van begroting XI inzake het RIVM
           
O: 57 92402413 162061 32764 1112 784402 784

De ontvangsten van f 64,1 miljoen hebben betrekking op:

– de structurele bijdrage van het Ministerie van VROM voor de door het Directoraat-Generaal Milieu aan het RIVM opgedragen reguliere taken (f 49,3 miljoen);

– de bijdrage van het Ministerie van VROM voor de instandhouding van het WHO European Centre for Environment and Health (f 1,0 miljoen);

– de additionele bijdrage van het Ministerie van VROM voor door het Directoraat-Generaal Milieu aan het RIVM opgedragen additionele projecten (f 13,8 miljoen).

Saldibalans per 31 december 1995 van het ministerie van V.W.S.

1)Uitgaven ten laste van begroting 199414 104 199 382,552)Ontvangsten ten gunste van de begroting 19942 162 277 835,46
 Uitgaven ten laste van begroting 199512 220 928 712,02 Ontvangsten ten gunste van de begroting 1995294 067 911,87
      
3)Liquide middelen6 442 978,09    
      
4)Rekening-courant RHBH 4a)Rekening courant RHBH23 857 219 936,97
      
5)Uitgaven buiten begrotingsverband2 797 486,216)Ontvangsten buiten begrotingsverband20 802 874,57
      
      
7)Openstaande rechten 7a)Tegenrekening extra comptabele rechten 
      
8)Extra comptabele vorderingen113 467 393,76 8a)Tegenrekening extra comptabele vorderingen113 467 393,76
      
9a)Tegenrekening extra comptabele schulden 9)Extra comptabele schulden 
      
10)Voorschotten15 579 286 975,7410a)Tegenrekening voorschotten15 579 286 975,74
      
11a)Tegenrekening openstaande verplichtingen5 266 395 683,1111)Openstaande verplichtingen5 266 395 683,11
      
12)Deelnemingen 12a)Tegenrekening deelnemingen  
      
 Totaal47 293 518 611,48 Totaal47 293 518 611,48

TOELICHTING OP DE SALDIBALANS ULTIMO DECEMBER 1995

I. Algemeen

De saldibalans bevat:

het totaalbedrag van de uitgaven ten laste van de begroting;

het totaalbedrag van de ontvangsten ten gunste van de begroting;

het totaalbedrag van de grootboekrekeningen.

De relevante regelgeving inzake de financiële verantwoording aan de Staten Generaal is opgenomen in de Comptabiliteitswet en is nader uitgewerkt in de Regelgeving Departementale Begrotingsadministratie (RDB).

II. Toelichting op afzonderlijke saldibalansposten:

1. Begrotingsuitgaven 1995

Dit betreft het totaal van de uitgaven tot en met december 1995 welke ten laste van de begroting van het Ministerie van VWS hebben plaatsgevonden. Bij de rekening wordt dit bedrag artikelsgewijs toegelicht.

2. Begrotingsontvangsten 1995

De ontvangsten met als valutadatum tot en met december 1995 zijn ten gunste van de diverse ontvangstenartikelen geboekt. Bij de rekening wordt dit bedrag artikelsgewijs toegelicht.

3. Liquide middelen

Het totaal bedrag van de liquide middelen bedraagt f 6 442 978,09.

Het betreft de eindstanden per ultimo december 1995 van de departementale post- en bankrekeningen, de rekeningen bij de rekenplichtige diensten en de aanwezige kasgelden bij die diensten.

4a. Rekening-courant RHBH

Per ultimo december 1995 bedraagt het eindsaldo f 23 857 219 936,97.

Dit saldo sluit per ultimo december 1995 aan met de rekening-courant van het Ministerie van Financiën en bevat de uitgaven en ontvangsten over de dienstjaren 1994 en 1995.

In het dienstjaar 1996 hebben er over 1995 op de rekening-courant mutaties plaatsgevonden op grond van de verrekenregeling. Deze zijn in het saldo verwerkt.

5. Uitgaven buiten begrotingsverband

Het betreft voorschotten die nog moeten worden verrekend met de ontvanger van het voorschot, dan wel moeten worden verhaald op derden en daarom niet ten laste van de begroting zijn gebracht.

Het totaalbedrag aan uitgaven buiten begrotingsverband bedraagt f 2,8 miljoen.

Hiervan heeft f 2,7 miljoen betrekking op de rekenplichtige diensten, waaronder f 2,5 miljoen R.I.V.M. en f 0,2 miljoen de Hoofdinspectie Gezondheidsbescherming.

Het resterende gedeelte van het totaal van deze saldibalanspost van f 2,8 ( f 0,1 miljoen) betreft de permanente reisvoorschotten, kleine kassen bij de diverse onderdelen van VWS en vorderingen buiten begrotingsverband van het departement.

6. Ontvangsten buiten begrotingsverband

Deze post is opgebouwd uit bedragen welke zijn ingehouden, teveel of ten onrechte zijn ontvangen of zijn ontvangen ten behoeve van projecten die nog in afwikkeling zijn.

Het totaalbedrag aan ontvangsten buiten begroting bedraagt f 20,8 miljoen. Van dit bedrag dient over de maand december een bedrag van f 12,8 miljoen aan ingehouden loonbelasting en een bedrag van f 3,4 miljoen aan ingehouden premies Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds te worden afgedragen.

Bij de rekenplichtige diensten is in totaal een bedrag van f 4,6 miljoen vooruit ontvangen op projecten die nog in afwikkeling zijn. Hiervan heeft f 4,4 miljoen betrekking op R.I.V.M.

7. Openstaande rechten

Geen.

8. Extra comptabele vorderingen

Deze vorderingen vloeien rechtstreeks voort uit uitgaven welke ten laste van de begroting zijn gebracht.

Het vorderingensaldo bedraagt f 113,5 miljoen.

Hiervan staat f 45,1 miljoen uit bij de rekenplichtige diensten waaronder op het terrein van de Jeugdhulpverlening (ouderbijdrage) een bedrag van f 23,3 miljoen en bij RIVM een bedrag van f 21,0 miljoen.

Het saldo vorderingenbedrag inzake door beleidsdirectie ingestelde vorderingen, groot f 68,4 miljoen, bestaat uit:

f 47,1 miljoen aan vorderingen ontstaan vanuit afrekeningen van subsidievoorschotten;

f 2,4 miljoen aan vorderingen op huisartsen;

f 18,9 miljoen aan overige vorderingen.

Onderstaand het schematische verloop van het saldo vorderingenbedrag, zoals deze in de departementale administratie is opgenomen, per ultimo december 1995 ten opzichte van 31 december 1994.

( bedrag x 1 miljoen)

Saldo 31 december 1994:  f 145,6  
Opgevoerde vorderingen:f 222,7   
Bijstellingen:-  19,4-/-  
Overdracht OCenW:-  73,5-/-  
Overdracht Justitie:-  0,2-/-  
   - 129,6+
   - 275,2  
Ontvangsten/verrekeningen:f 205,0-/- -/-
Definitief buiten invordering gesteld:-  1,6-/-   
Kwijtscheldingen:-  0,2-/-  
   - 206,8-/-
Saldo 31 december 1995:  f  68,4 

Van de departementale vorderingen zijn in 1995 in totaal 238 vorderingen definitief buiten invordering gesteld tot een bedrag van f 1,6 miljoen. Daarnaast staan per 31 december 1995 in de departementale administratie 108 vorderingen, totaal bedrag f 6,7 miljoen, die voorlopig buiten invordering zijn gesteld.

Onderstaand een overzicht van de vorderingen naar ouderdom. In overzicht A de ouderdom van de departementale vorderingen en in overzicht B de ouderdom van de vorderingen van de rekenplichtige diensten.

Naast de presentatie over de ouderdom van de vorderingen wordt een nadere toelichting verstrekt op de inbaarheid alsmede de opeisbaarheid van de vorderingen. Voor de rekenplichtige diensten wordt de inbaarheid van de vorderingen weergegeven.

A. Departementale vorderingen naar ouderdom (bedragen x 1000)

 aantalbedrag aantalbedrag
t/m 1982 101f 592198967f    560
198343 - 278199027-    89
198456- 346199119-   290
198567 - 360199239-  8 848
1986104 - 712199315-   576
1987106 - 554199433- 30 532
198890 - 3371995403- 24 349
Totaal   1 170f 68 423

Onder de opeisbaarheid van vorderingen wordt bij VWS verstaan de juridische hardheid om vorderingen te incasseren. Van bovengenoemde 1170 vorderingen tot een totaal bedrag van f 68,4 miljoen kan volgens bovengenoemde definitie worden gesteld dat hiervan 1159 vorderingen tot een bedrag van f 58,0 miljoen juridisch opeisbaar/incasseerbaar zijn.

Het verschil, zijnde 11 vorderingen tot een bedrag van f 10,4 miljoen, betreffen geconditioneerde vorderingen. Dit zijn vorderingen die in de administratie zijn opgenomen met als belangrijkste reden zicht te houden op de aanspraken die de Staat maakt.

Deze vorderingen zouden op termijn opeisbaar kunnen worden.

Onder de inbaarheid wordt verstaan de verwachte termijn waarbinnen de gelden moeten zijn ontvangen.

direct inbaar: – dit zijn 458 vorderingen die of direct met een betaling worden verrekend dan wel waarvoor acceptgiro's zijn verzonden. Het totaalbedrag bedraagt f 11,0 miljoen.

op termijn inbaar: – dit zijn 431 vorderingen waarvoor een betalingsregeling is getroffen of waarvoor beargumenteerd uitstel is verleend. Het totaal bedrag bedraagt f 39,1 miljoen.

dubieus: – dit zijn 270 vorderingen waarvan wordt verwacht dat zij niet worden geïnd. Dit voor een bedrag van f 7,9 miljoen.

B. Vorderingen van (rekenplichtige) diensten naar ouderdom (bedragen x duizend)

 aantalbedrag
1986 t/m 19939f   102,5
19948- 17 148,6
19955 550- 27 793,3
Totaal5 567f 45 044,4

In het bedrag ad f 27 793,3 is begrepen een bedrag van ad f 23 310,2 met betrekking tot de door het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO) ingestelde vorderingen.

– per 31 december 1995 is er sprake van 13 537 vorderingen voor een bedrag van f 23,3 miljoen;

– per 31 december 1994 stond er een saldo van f 20,6 miljoen dat betrekking heeft op vorderingen die zijn ingesteld in voorgaande jaren en waarvan de ouderbijdrage nog moet worden geïnd. Een analyse van dit saldo per 31 december 1994 heeft aangetoond dat 33% als niet inbaar moet worden beschouwd.

Van de overige vorderingen bij de rekenplichtige diensten kunnen de volgende gegevens worden verschaft:

direct inbaar: – 2 001 vorderingen tot een bedrag van f 21,6 miljoen.

op termijn inbaar: – 2 vorderingen tot een bedrag van f 0,035 miljoen.

dubieus:  – 27 vorderingen waarvan wordt verwacht dat zij niet worden geïnd. Dit tot een bedrag van f 0,046 miljoen.

9. Extra comptabele schulden

Geen.

10. Voorschotten

Het totaal bedrag aan openstaande voorschotten bedraagt per 31 december 1995 f 15 579,3 miljoen.

Onderstaand de voorschotten onderverdeeld naar jaar, waarbij ter vergelijking de stand per 31 december 1994 is opgenomen.

In voorgaande jaren werden de cijfers gepresenteerd naar voorschotten die betrekking hebben op het exploitatiejaar van de gesubsidieerde instellingen. Vanaf de begrotingscyclus 1995 worden de voorschotten gepresenteerd naar het jaar waarin de betaling van het voorschot daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.

Ten behoeve van de overgang naar een andere presentatie worden beide invalshoeken gepresenteerd.

(bedragen x 1 miljoen)

Expl jaar31-12-199431-12-1995Betaaljaar31-12-1995
t/m 1989f    59,4f     2,4t/m 1989f    -,-
1990f   108,6f    2,11990f    4,5
1991f   279,4f    11,81991f    8,7
1992f   449,4f    37,91992f    37,0
1993f  4 598,5f   201,31993f   188,6
1994f 12 796,5f 4 129,41994f  3 825,4
1995-,-f 11 194,41995f 11 515,1
Totaalf 18 291,8f 15 579,3Totaalf 15 579,3

Van het totaalbedrag heeft onder andere f 5,0 miljard betrekking op voorschotten inzake de Rijksbijdragen ZFW en AWBZ. Daarnaast heeft een bedrag van f 6,4 miljard betrekking op nog af te rekenen voorschotten inzake de Doeluitkering Wet op de Bejaardenoorden.

Van de overige openstaande voorschotten heeft f 0,1 miljard betrekking op subsidies in het kader van de opvang van vluchtelingen en minderheden, f 1,0 miljard op jeugdhulpverlening, f 0,5 miljard op kinderopvang en f 0,8 miljard op Wetten en Regelingen Oorlogsgetroffenen.

Vanwege een wijziging in de presentatie naar betaaljaar alsmede ten behoeve van de inzichtelijkheid met betrekking tot de achterstanddefinitie is onderstaand overzicht ten opzichte van voorgaande verantwoordingsjaren aangepast.

Bij deze presentatie is tevens betrokken de informatie over de meerjarige projecten (toekomstig afrekenjaar) tot en met 1993 die vanuit dossieronderzoek beschikbaar is gekomen.

(bedragen x 1 miljoen)

Voorschotten op niet afger. verpl. t/m 1995 f 15 579,3
Meerjarige projecten toekomstig afrekenjaar-    40,8 
Voorschotten 1994 (per 1-1-1996 achterstand)-  3 825,4  
Voorschotten 1995 (per 1-1-1997 achterstand)- 11 515,4 
  f 15 381,6
Openstaande voorschotten t/m 1993 f 197,7
Belemmeringen 1 (wetgeving) –,–
Belemmeringen 2 (juridische procedure) f 134,7
Achterstand t/m 1993 per 31-12-1995 f 63,0

Per ultimo februari 1996 is het saldo van de achterstand tot en met 1993 afgenomen met f 12,5 miljoen waardoor het totaal bedrag aan achterstand f 50,5 miljoen bedraagt.

Deze achterstand heeft voornamelijk betrekking op de Rijksbijdrage Ziektekosten tot een bedrag van f 17,1 miljoen, de Nationale Raad voor de Volksgezondheid voor een bedrag van f 5,7 miljoen en de Nationale Commissie Chronisch Zieken voor een bedrag van f 2,0 miljoen. De afrekeningen dienaangaande kunnen eerst worden opgesteld zodra hierover de accountantsverklaringen ontvangen zijn. Tevens heeft f 4,2 miljoen betrekking op ouderenbeleid waarover nog correspondentie gevoerd wordt.

11. Openstaande verplichtingen

Onder openstaande verplichtingen wordt verstaan de tot en met 1995 aangegane verplichtingen die nog niet tot betaling hebben geleid.

Het totaal van de in 1995 aangegane verplichtingen bedraagt f 12,1 miljard.

In dit bedrag is begrepen f 54,4 miljoen inzake aangegane garanties in dienstjaar 1995.

Van het openstaande verplichtingenbedrag ad f 5,3 miljard zal naar verwachting f 4,9 miljard in 1996 tot betaling komen.

Het restant aan openstaande verplichtingen ad f 354,0 miljoen betreffen incidentele en meerjarige toezeggingen die in 1997 en latere jaren tot betaling zullen komen.

Van het bedrag ad f 4,9 miljard heeft f 4,7 miljard betrekking op de zogenaamde doorlopende subsidieverplichtingen. Dit zijn subsidies die in principe van jaar op jaar worden gegeven.

Onderstaand de opbouw van de openstaande verplichtingen 1995 (in guldens):

Verplichtingen 1 januari 1995f  7 005 065 350
Aangegane verplichtingen in het verslagjaar- 12 056 170 090
Totaal- 19 061 235 440
Tot betaling gekomen in het verslagjaar- 12 220 928 712 -/-
Negatieve bijstellingen van verplichtingen uit eerdere begrotingsjaren-  1 573 911 045 -/-
Openstaande verplichtingenf  5 266 395 683

Van het totaal openstaande verplichtingenbedrag ad f 5,3 miljard heeft onder andere f 3,2 miljard betrekking op het ouderenbeleid, f 1,1 miljard op jeugdbeleid, f 307,0 miljoen op volksgezondheid, f 93,0 miljoen op verzetsdeelnemers, vervolgden en burgeroorlogsgetroffenen en f 34,6 miljoen op sportbeleid. In het bedrag negatieve bijstellingen ad f 1,5 miljard is begrepen de afwikkeling van de ontvlechting Cultuur en Asielzoekers.

Voor een specificatie van de verplichtingen uit verleende garanties in het lopende jaar en de voorgaande jaren, alsmede het uitstaande risico per 31 december 1995 wordt verwezen naar de bijgevoegde staat van garanties. De verplichtingen uit de garanties die opgenomen zijn in de rekening 1995 maken geen deel uit van de bovenstaande stand van de openstaande verplichtingen.

De stand van de garantieverplichtingen (nominaal) bedraagt (in guldens):

Garanties 1-1-1995f 7 270 797 568  
Aangegaan in dienstjaar 1995-    54 438 100+
Hersluitingen-    50 825 421+
Vervallen garantieverplichtingen in 1995-   132 381 100-/-
Uitstaande garantieverplichtingen per 31-12-1995f 7 243 679 989 

Het uitstaande garantieverplichtingen bedrag betreft de volgende beleidsterreinen:

– garanties Welzijn f 1 402 138 070,00

– garanties Volksgezondheid f 5 841 541 919,00

Het feitelijke risico op basis van contract datum bedraagt per 31-12-1995 totaal van f 5 630 774 307,00

12. Deelnemingen

Geen.

Naar boven