Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal1995-199624837 nr. 1;2

24 837
Wijziging van de Wet op het specifiek cultuurbeleid

nr. 1
KONINKLIJKE BOODSCHAP

Aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Wij bieden U hiernevens ter overweging aan een voorstel van wet tot wijziging van de Wet op het specifiek cultuurbeleid.

De memorie van toelichting (en bijlagen), die het Wetsvoorstel vergezelt, bevat de gronden waarop het rust.

En hiermede bevelen Wij U in Godes heilige bescherming.

's-Gravenhage

30 augustus 1996

Beatrix

nr. 2
VOORSTEL VAN WET

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het met het oog op de herziening van het adviesstelsel wenselijk is dat de Raad voor cultuur zijn beleidsadviestaak behoudt waartoe in verband met artikel 79 van de Grondwet de Wet op het specifiek cultuurbeleid moet worden aangepast, dat die wet wordt aangepast aan de Kaderwet adviescolleges, dat in verband met de Kaderwet adviescolleges een voorziening wordt getroffen voor de Tijdelijke commissie informatiebeleid en dat het voorts wenselijk is enige redactionele verbeteringen aan te brengen in de Wet tot behoud van cultuurbezit;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

De Wet op het specifiek cultuurbeleid wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 2a komt te luiden:

Artikel 2a

1. Er is een Raad voor cultuur.

2. De Raad voor cultuur heeft tot taak de regering en de beide kamers der Staten-Generaal te adviseren over algemeen verbindende voorschriften of te voeren beleid van het Rijk op het terrein van de cultuur.

B

Artikel 2b wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt na de woorden «De Raad heeft een voorzitter en» een zinsnede ingevoegd, luidende: in afwijking van artikel 10, eerste volzin, van de Kaderwet adviescolleges

2. Het tweede lid vervalt.

3. In het derde lid dat wordt vernummerd tot het tweede lid, wordt «2k» gewijzigd in: 2d

4. Het vierde, vijfde en zesde lid vervallen.

C

Artikel 2c wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid komt te luiden:

2. Ter voorbereiding van andere adviezen kan de Raad overeenkomstig artikel 16 van de Kaderwet adviescolleges tijdelijke commissies instellen.

2. Het derde lid vervalt.

3. Het vierde lid wordt vernummerd tot het derde lid en komt te luiden:

3. Indien voor de voorbereiding van een advies een specifieke deskundigheid is vereist die niet reeds in voldoende mate in de Raad aanwezig is, kunnen in afwijking van artikel 16 van de Kaderwet adviescolleges in de commissies, bedoeld in het eerste en het tweede lid, ten hoogste vijf andere personen dan leden van de Raad worden benoemd.

4. Het vijfde en het zesde lid komen te vervallen.

5. Een nieuw vierde lid wordt toegevoegd, luidende:

4. Op de in het derde lid bedoelde commissieleden zijn de artikelen 11 tot en met 14 van de Kaderwet adviescolleges van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat deze leden door Onze Minister worden benoemd, geschorst en ontslagen.

D

De artikelen 2d tot en met 2j vervallen.

E

Onder verlettering van artikel 2k tot artikel 2d wordt dat artikel als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid worden de woorden «huishoudelijk reglement» vervangen door: reglement van orde.

2. Het derde en het vierde lid vervallen.

F

Artikel 2l vervalt.

ARTIKEL II

De Wet tot behoud van cultuurbezit wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel a worden de woorden «beschermd cultureel voorwerp» vervangen door: beschermd cultureel erfgoed

2. Onderdeel e wordt vervangen door een nieuw onderdeel e, luidende:

e. Onze Minister: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen;

B

In artikel 10, eerste lid, onder b, wordt «door» vervangen door: aan

ARTIKEL III

De Tijdelijke commissie informatiebeleid, bedoeld in artikel 2 van het Besluit Tijdelijke commissie informatiebeleid, wordt in afwijking van artikel 34, tweede lid, van de Kaderwet adviescolleges met ingang van 1 januari 1997 aangemerkt als een college als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van die wet.

ARTIKEL IV

Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 1997. Indien het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 31 december 1996, treedt zij in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst, en werkt zij terug tot en met 1 januari 1997.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,