B
ADVIES RAAD VAN STATE EN NADER RAPPORT
Hieronder zijn opgenomen het advies van de Raad van State d.d. 5 augustus
1996 en het nader rapport d.d. 21 augustus 1996, aangeboden aan de Koningin
door de minister van Justitie. Het advies van de Raad van State is cursief
afgedrukt.
Bij Kabinetsmissive van 23 april 1996, no. 96.002277, heeft Uwe Majesteit,
op voordracht van de Minister van Justitie, bij de Raad van State ter overweging
aanhangig gemaakt het voorstel van wet met memorie van toelichting tot wijziging
van het Wetboek van Strafvordering betreffende het rechtsgeding voor de politierechter
en de mededeling van vonnissen en arresten met het oog op het instellen van
een rechtsmiddel en de bepalingen in het Wetboek van Strafrecht betreffende
het kennisgeven en het ingaan van de proeftijd bij een voorwaardelijke veroordeling
(oproepingsprocedure in misdrijfzaken).
Blijkens mededeling van de Directeur van uw Kabinet van 23 april 1996,
no. 96.002277, machtigde Uwe Majesteit de Raad van State zijn advies betreffende
het bovenvermelde wetsvoorstel met toelichting, rechtstreeks aan mij te doen
toekomen. Het advies van de Raad van State, gedateerd 5 augustus 1996, no.
W03.96.0190, doe ik U hierbij toekomen.
1. In de toelichting (paragraaf 4, onderdelen A, B, D, E en F, laatste
alinea) wordt gesteld dat het niet noodzakelijk lijkt te verlangen dat aan
de verdachte die ter terechtzitting aanwezig is geweest de mededeling eveneens
in persoon betekend dient te worden; «Het vierde lid van artikel 366
is in deze zin aangepast.». De Raad van State merkt op dat noch het
huidige artikel 366 van het Wetboek van Strafvordering (WvSv) noch het voorgestelde
artikel 366 WvSv een vierde lid kent.
De toelichting dient te worden aangepast.
1. De Raad wijst erop dat de verwijzing in de toelichting (paragraaf 4,
onderdelen A, B, D, E en F) naar een aanpassing van artikel 366, vierde lid,
onjuist is. In de tekst een verwijzing naar de juiste artikelen opgenomen.
2. Het College van Procureurs-Generaal (hierna: het College) geeft de
minister in zijn advies van 16 januari 1996 in overweging het voorgestelde
artikel 366a WvSv betreffende de kennisgeving van een voorwaardelijke veroordeling
ook te laten gelden voor kennisgeving van onbetaalde arbeid ten algemene nutte
als bedoeld in de artikelen 22b en volgende WvS (dienstverlening) (paragraaf
4 van het advies, drienalaatste alinea). Voorgesteld wordt deze regeling op
te nemen in het wetsvoorstel of in ieder geval in de memorie van toelichting
aan te geven dat de regeling ook voor onbetaalde arbeid ten algemenen nutte
kan worden aangewend. Hieraan is geen gevolg gegeven. Gelet op het feit dat
bij een veroordeling tot dienstverlening eveneens voorwaarden worden gesteld
acht de Raad het advies van het College zinvol. De Raad beveelt aan het advies
van het College op dit punt op te volgen door het wetsvoorstel aan te vullen
en in ieder geval in de toelichting aan deze kwestie aandacht te besteden.
2. De Raad vraagt aandacht voor het namens het openbaar ministerie geuite
verlangen de gewijzigde bepalingen voor de kennisgeving van veroordelingen
ook te laten gelden voor de kennisgeving van onbetaalde arbeid ten algemene
nutte, bedoeld in artikel 22e e.v. van het Wetboek van Strafrecht. Met de
Raad ben ik van oordeel dat het hier in beginsel een redelijk verlangen betreft
dat zou kunnen worden gehonoreerd. lk ben evenwel voornemens op korte termijn
een herziening van de wettelijke regeling van de onbetaalde arbeid ten algemene
nutte te bevorderen. Ik meen dat het beter is dat een dergelijke wijziging
wordt betrokken bij de herziening van de regeling in haar geheel. Op deze
wijze kan beter worden beoordeeld welke specifieke belangen een rol spelen
bij het doen van de mededeling dat een taakstraf is opgelegd, mede gelet op
het grote belang dat ik hecht aan de uitbreiding van mogelijke taakstraffen
in het kader van mijn justitieel en penitentiair beleid.
3. Voor een aantal redactionele kanttekeningen verwijst het college naar
de bij het advies behorende bijlage.
3. De redactionele opmerkingen van de Raad zijn verwerkt.
De Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet te zenden
aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, nadat aan het vorenstaande aandacht
zal zijn geschonken.
De Vice-President van de Raad van State,
W. Scholten
Ik moge U verzoeken het hierbij gevoegde gewijzigde voorstel van wet en
de gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal
te zenden.
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
Bijlage bij het advies van de Raad van State van 5 augustus 1996,
no. W03.96.0190, met redactionele kanttekeningen die de Raad in overweging
geeft
– Het wetsvoorstel voorzien van een opschrift (aanwijzing 105 van
de Aanwijzingen voor de regelgeving (Ar)).
– De aan het slot van de considerans tussen haakjes opgenomen aanduiding
van het onderwerp van het wetsvoorstel laten vervallen aangezien deze niet
de inhoud van het wetsvoorstel dekt. Bovendien zou een dergelijke aanduiding
aan het slot van het opschrift dienen te worden opgenomen (aanwijzing 108
Ar met toelichting).
– In artikel 366a, tweede lid, «gedaan, doch indien»
wijzigen in: gedaan en indien.
– In artikel 367, tweede lid, (artikel I, onderdeel C) «Titels
IIIb, V en VI van Boek II» vervangen door: titels V en VI van Boek II
en titel IIIb van boek IV.
– In artikel 368 (artikel I, onderdeel C) «het bewijs, de
toepassing van de wet» vervangen door: het bewijs en de toepassing van
de wet.
– In artikel 371, onder a, (artikel I, onderdeel C) overeenkomstig
aanwijzing 82 Ar een komma plaatsen achter «de terechtzitting»
en het woord «als» vervangen door: in.
– In artikel 375, derde lid, (artikel I, onderdeel C) «het
in artikel 261, eerste lid, bepaalde» vervangen door: artikel 261, eerste
lid (aanwijzing 52 Ar).
– In artikel 375, derde lid, (artikel I, onderdeel C) «een
korte aanduiding van het feit» vervangen door: een korte aanduiding
van het telastegelegde feit.
– Het wetsvoorstel uitbreiden met een aanpassing van artikel 378a,
derde lid, van het huidige Wetboek van Strafvordering (WvSv) aan het gewijzigde
artikel 374 WvSv.
– In de toelichting in de opschriften de aanduiding van artikelonderdelen
vooraf laten gaan door de vermelding van artikel I.
– In de toelichting op artikel I, onderdelen A, B, D, E en F, begin
van de tweede alinea, «Hoofdregel is nu» vervangen door: Hoofdregel
wordt nu.
– In de toelichting op artikel I, onderdeel B, en artikel II, halverwege
de eerste alinea, «artikel 14b, derde lid onder b, Sr» vervangen
door: artikel 14b, derde lid, onder a, Sr; aan het einde van de eerste alinea
«artikel 14b, derde lid onder a, Sr» vervangen door: artikel 14b,
derde lid, onder b, Sr.