nr. 7
NOTA VAN WIJZIGING
Ontvangen 29 januari 1997
Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:
A
In het opschrift wordt «inzake» vervangen door: onder andere
inzake.
B
In de considerans wordt na «rechtsmiddel» ingevoegd: , enige
andere bepalingen van dit wetboek.
C
Artikel I, onderdeel A, wordt als volgt gewijzigd:
Artikel 366, eerste lid, komt te luiden:
1. De officier van justitie doet de mededeling van het vonnis dat de beslissing
van de rechtbank op grond van artikel 349, 351 of 352, tweede lid, bevat en
dat buiten de aanwezigheid van de verdachte is uitgesproken, zo spoedig mogelijk
aan hem betekenen.
D
Artikel I, onderdeel C, wordt als volgt gewijzigd:
1. Artikel 370a, derde lid, komt te luiden:
3. De verkorte dagvaarding wordt voor de terechtzitting aangevuld met
een telastlegging die voldoet aan de eisen van 261, eerste lid; deze aanvulling
wordt ten minste drie dagen voor de terechtzitting aan de verdachte betekend.
2. Artikel 374, tweede lid, komt te luiden:
2. De politierechter die tegen de niet verschenen verdachte verstek heeft
verleend, kan afzien van het afzonderlijk melding maken van de in het eerste
lid bedoelde stukken, dan wel afzien van het geven van de in het eerste lid
bedoelde last.
3. In artikel 375, eerste lid, wordt na «aangehouden» ingevoegd:
en aan de officier van justitie is voorgeleid.
E
Artikel I, onderdeel E, wordt als volgt gewijzigd:
Artikel 399, eerste lid, aanhef, komt te luiden:
Tegen een in eerste aanleg als einduitspraak bij verstek gewezen vonnis
kan degene die daarbij niet van de gehele telastelegging is vrijgesproken,
noch daaraan geheel of gedeeltelijk heeft voldaan, binnen veertien dagen na
de uitspraak verzet doen:.
F
Artikel I, onderdeel G, wordt als volgt gewijzigd:
In artikel 432, eerste lid, onder a, wordt «terechtzittmg»
vervangen door: terechtzitting.
G
Aan artikel I worden na onderdeel G twee nieuwe onderdelen toegevoegd,
die luiden:
H
In artikel 572, eerste lid, wordt «door het openbaar ministerie»
vervangen door: door of vanwege het openbaar ministerie.
I
Ingevoegd wordt een nieuw artikel 590, dat luidt:
Artikel 590
1. De rechter kan, indien de uitreiking niet heeft plaats gehad overeenkomstig
het bepaalde in artikel 588, eerste en derde lid, en 589, de betekening nietig
verklaren.
2. Indien de geadresseerde als ingezetene is ingeschreven in de basisadministratie
persoonsgegevens, doch ter terechtzitting blijkt dat hij feitelijk op een
ander adres verblijft, kan de rechter de oproeping van de niet verschenen
verdachte bevelen.
H
Onder vernummering van artikel III tot artikel VI wordt een nieuw artikel
III ingevoegd, luidende:
ARTIKEL III
Indien het bij koninklijke boodschap van 18 april 1996 ingediende voorstel
van wet tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering betreffende het aanhangig
maken van de zaak en de regeling van het onderzoek ter terechtzitting (herziening
regeling onderzoek ter terechtzitting) (kamerstukken II 1995/96, 24 692)
tot wet wordt verheven en in werking treedt, worden in deze wet de volgende
wijzigingen aangebracht:
Artikel I, onderdeel C, wordt als volgt gewijzigd:
a. In artikel 374, eerste lid, wordt «artikel 297» vervangen
door: artikel 301.
b. In artikel 375, eerste lid, wordt «Artikel 270» vervangen
door: Artikel 279.
Toelichting:
Onderdelen A en B
Ten gevolge van de wijzigingen in onderdeel G van deze nota dienen het
opschrift en de considerans te worden aangepast.
Onderdelen C t/m F
De wijzigingen vervat in de onderdelen C tot en met F vloeien voort uit
de vragen en opmerkingen gemaakt in het Verslag en zijn in de Nota naar aanleiding
van het verslag toegelicht.
Onderdeel G (nieuw onderdeel H)
In 1994 is het Centraal Justitieel Incassobureau opgericht dat tot taak
heeft de Minister van Justitie en het openbaar ministerie te ondersteunen,
in het bijzonder ook bij de tenuitvoerlegging van vonnissen of arresten met
een veroordeling tot geldboete. Ik verwijs naar het Besluit van 7 juni 1994,
houdende regels in verband met de instelling van het Centraal Justitieel Incassobureau,
Stb. 408 en het Besluit tenuitvoerlegging geldboetevonnissen (Stb. 1994, 412).
De oprichting van het CJIB en de inwerkingstelling van het geautomatiseerde
strafrechtelijke transactie en boete incasso systeem hadden tot doel te komen
tot een centralisering van de inning van geldboeten onder verantwoordelijkheid
van het openbaar ministerie. Zoals in de Nota naar aanleiding van het verslag
reeds is opgemerkt naar aanleiding van vragen van de leden van de VVD-fractie
zijn de werkzaamheden van het CJIB van groot belang bij de uitvoering van
een verhoogde inspanning van het openbaar ministerie bij deze incasso. Het
spreekt vanzelf dat deze activiteiten bijdragen aan de gewenste algemene bekorting
van de doorlooptijden: de belangrijkste doelstelling van het onderhavige wetsvoorstel.
Mede tegen deze achtergrond stel ik voor een mogelijke oneffenheid met behulp
van een technische wijziging weg te nemen.
In zijn beschikking van 16 september 1996 op het cassatieberoep tegen
een beschikking van het kantongerecht te Haarlem op een bezwaarschrift als
bedoeld in artikel 575, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering heeft
de Hoge Raad de aandacht gevestigd op het volgende. De Raad acht niet zonder
meer aannemelijk dat de opdracht tot tenuitvoerlegging aan het openbaar ministerie
dat de zaak aanhangig heeft gemaakt insluit dat het CJIB uitvoering kan geven
aan een bevel dat is ondertekend door de officier van justitie Leeuwarden
die is aangewezen als Landelijk executie-officier van justitie. Het is volgens
de opvatting van de Hoge Raad onzeker of vaststaat dat de tenuitvoerlegging
geschiedt door het openbaar ministerie dat de zaak aanhangig heeft gemaakt.
Teneinde een einde te maken aan deze mogelijke onduidelijkheid stel ik onderhavige
wijziging voor. Deze redactie laat zowel het streven naar centralisering van
de incasso als de tenuitvoerlegging op lokaal niveau onverlet.
Onderdeel G (nieuw onderdeel I)
Het betreft hier een reparatie van de wet van 14 september 1995, Stb.
441 (in werking getreden op 2 november 1996, Stb. 522). Ingevolge die wet
is het gehele artikel 590 Sv. vervallen. Twee leden van dat artikel dienen
echter te worden gehandhaafd en worden hierbij opnieuw ingevoegd.
Onderdeel H
De wijzigingen in dit onderdeel zijn nodig om een aantal verwijzingen
naar artikelen in het wetsvoorstel in overeenstemming te brengen met de nieuwe
nummering van die artikelen ingevolge het wetsvoorstel tot herziening van
de regeling van het onderzoek ter terechtzitting (kamerstukken II 1995/96,
24 692).
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager