nr. 325a
A
ADVIES RAAD VAN STATE EN NADER RAPPORT
Hieronder zijn opgenomen het advies van de Raad van State d.d. 27 juni
1996 en het nader rapport d.d. 10 juli 1996, aangeboden aan de Koningin door
de minister van Buitenlandse Zaken, mede namens de ministers van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
en van Economische Zaken.
Het advies van de Raad van State is cursief afgedrukt.
Bij Kabinetsmissive van 21 februari 1995, no. 95.001308, heeft Uwe Majesteit,
op voordracht van de Minister van Buitenlandse Zaken, mede namens de Minister
van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, de Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Minister van Economische Zaken, bij
de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het Verdrag inzake nucleaire
veiligheid; Wenen, 20 september 1994 (Trb. 1994, 284), met toelichtende nota.
Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw kabinet van 21 februari
1995, nr. 95.001308, machtigde Uwe Majesteit de Raad van State zijn advies
inzake het bovenvermelde verdrag rechtstreeks aan mij te doen toekomen. Dit
advies, gedateerd 27 juni 1995, nr. W08.95.0072, bied ik U hierbij aan.
1. Ingevolge artikel 5 van het verdrag zijn de partijen bij het verdrag
ter voorbereiding van de in dat artikel bedoelde bijeenkomsten verplicht over
de maatregelen ter uitvoering van iedere verplichting van het verdrag te rapporteren.
In paragraaf 1.2 van de toelichtende nota wordt op het belang van deze op
initiatief van Nederland opgenomen verplichting gewezen in verband met het
«incentive»-karakter van het verdrag. Het effect van de rapportageverplichting
zal in belangrijke mate afhankelijk zijn van de wijze waarop de «Contracting
Parties» uitvoering zullen geven aan de in artikel 22 gegeven opdracht
richtlijnen vast te stellen met betrekking tot de vorm en de structuur van
de rapportages. Met het oog daarop verdient het naar het oordeel van de Raad
van State aanbeveling dat in de toelichtende nota het verband tussen de artikelen
5 en 22 van het verdrag wordt aangegeven.
1. Naar aanleiding van 's Raads suggestie is een opmerking over artikel
22 toegevoegd aan de toelichting.
2. Ingevolge artikel 8, tweede lid, van het verdrag dient elke verdragsluitende
partij passende stappen te ondernemen om te verzekeren dat er een effectieve
scheiding is van de functies van de «regulatory body» enerzijds
en van de «body concerned with the promotion or utilization of nuclear
energy» anderzijds. In de toelichting op dit artikel wordt erop gewezen
dat de vergunningverlening op grond van de Kernenergiewet een gezamenlijke
verantwoordelijkheid is van de Ministers van Economische Zaken, van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Voorts wordt opgemerkt dat de in artikel 8, tweede lid, verlangde scheiding
van functies nog op haar consequenties moet worden beoordeeld. Gelet op de
duidelijke verplichting in voornoemd verdragsartikel en de betrokkenheid van
de Minister van Economische Zaken bij de gezamenlijke vergunningverlening
op grond van diens verantwoordelijkheid voor de energievoorziening, kan naar
het oordeel van de Raad niet met deze toezegging worden volstaan. In de toelichtende
nota zal in ieder geval in hoofdlijnen moeten worden aangegeven op welke wijze
en wanneer de voorgeschreven scheiding van belangen in de wetgeving zal worden
aangebracht.
2. De Raad is van oordeel dat nader ingegaan dient te worden op de consequenties
van de vereiste scheiding van functies van het regulerend lichaam en van de
lichamen die zich bezig houden met de bevordering of het gebruik van kernenergie.
In de eerste plaats zij hierbij opgemerkt dat bij de totstandkoming van de
Kernenergiewet in de zestiger jaren een tweeledig doel werd onderkend. Enerzijds
was dat het gecoördineerd stimuleren van kernenergie door de overheid
en anderzijds het stellen van de beperkende regels die daarbij noodzakelijk
waren. Sedertdien is er een ontwikkeling geweest die er toe heeft geleid dat
aan de eerste doelstelling geen invulling meer wordt gegeven.
Onderdelen van de Kernenergiewet die daaruit voort waren gekomen, zoals
die met betrekking tot de Industriële Raad voor de Kernenergie en de
Wetenschappelijke Raad voor de Kernenergie, zijn dan ook in de loop der tijd
uit de wet verdwenen. Ook van de mogelijkheid om voorschriften aan een vergunning
te verbinden ter bescherming van het belang van de energievoorziening is nooit
gebruik gemaakt. In het kader van de voorziene evaluatie en herziening van
de Kernenergiewet zal het milieu- en veiligheidsbelang leidend zijn. De verlangde
scheiding zal dan ook nadrukkelijker dan nu het geval is worden doorgevoerd.
Conform artikel 5 van het verdrag zal aan de toetsingsvergaderingen van Partijen
over de voortgang gerapporteerd worden. De eerste toetsingsvergadering is
thans eind 1998 voorzien. De toelichting bij artikel 8, tweede lid, is in
deze zin aangepast.
3. Voor enkele redactionele kanttekeningen verwijst het college naar de
bij het advies behorende bijlage.
3. Aan de eerste redactionele kanttekening is gevolg gegeven.
Aan de tweede redactionele kanttekening kan geen gevolg worden gegeven,
aangezien er geen vindplaats is van bedoelde afspraken.
De Raad van State geeft U in overweging goed te vinden dat bedoeld Verdrag
wordt overgelegd aan de beide Kamers der Staten-Generaal, nadat aan het vorenstaande
aandacht zal zijn geschonken.
De Vice-President van de Raad van State,
W. Scholten
Ik moge U mede namens mijn ambtgenoten van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer, Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Economische
Zaken verzoeken mij te machtigen gevolg te geven aan mijn voornemen het verdrag
vergezeld van de gewijzigde toelichtende nota ter stilzwijgende goedkeuring
over te leggen aan de Eerste en aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal.
De Minister van Buitenlandse Zaken,
H. A. F. M. O. van Mierlo
Bijlage bij het advies van de Raad van State van 27 juni 1995, no.
W08.95.0072, met redactionele kanttekeningen die de Raad in overweging geeft.
– In de nota van toelichting bij artikel 15 «stralingsbescherming»
vervangen door: bescherming tegen straling. In aansluiting daarop in hetzelfde
deel van de toelichtende nota «stralingsbeschermingsmaatregelen»
vervangen door: maatregelen ter bescherming tegen straling.
– Ten aanzien van de aan het slot van de toelichtende nota bij artikel
16 vermelde internationale afspraken aanwijzing 219 van de Aanwijzingen voor
de regelgeving in acht nemen.