Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 25 februari 2013
Tijdens een Algemeen Overleg met de Vaste Commissie van Binnenlandse Zaken van de
Kamer op 8 februari 2012 werd onder meer gesproken over een brief van 9 maart 2011
van minister Donner van BZK over de teruggave van Koninklijke Onderscheidingen na
overlijden van de gedecoreerde (Kamerstuk 24 827, nr. 14). Deze brief was een vervolg op een brief van Staatssecretaris mevrouw Bijleveld
van 11 oktober 2010 over hetzelfde onderwerp (Kamerstuk 24 827, nr. 13). De brieven schetsten de handelwijze in geval van overlijden van een gedecoreerde
en de overwegingen die daaraan ten grondslag liggen.
De Kamer uitte waardering en steun voor de conclusie dat het teruggeven van de in
bruikleen gegeven officiële versierselen uitgangspunt blijft en dat velen in de samenleving
zich daar in woord en daad ook goed in kunnen vinden.
Minister Donner voegde daar als sluitstuk echter aan toe dat er geen actieve terugvordering
van versierselen of invordering van borgsommen plaatsvindt indien nabestaanden zelf
te kennen geven om enige reden niet in staat te zijn om het onderscheidingsteken te
retourneren. De Kanselier der Nederlandse Orden handelt volgens deze lijn, waarin
ik mij goed kan vinden.
Het genoemde uitgangspunt ontlokte de Vaste Commissie zorgen over de mogelijkheid
dat in bruikleen gegeven onderscheidingen op Marktplaats te koop konden worden aangeboden.
Eén van de leden kende daarvan zelfs enkele voorbeelden. Minister Spies zegde toe
zich in overleg met de Kanselier een beeld te vormen van dit vraagstuk en daarover
de Kamer te informeren.
De Kanselier heeft in afgelopen periode gemonitord in welke mate onderscheidingstekens
op Marktplaats worden aangeboden. Daar blijkt met enige regelmaat sprake van te zijn.
Nadere beschouwing relativeert echter dit beeld.
De zorg van de Vaste Commissie betrof immers met name de versierselen die nooit in
eigendom zijn overgegaan naar de gedecoreerden (en dus diens erfgenamen) maar alleen
in bruikleen zijn verschaft. Van de uitgereikte onderscheidingen geldt alleen voor
de Orde van de Nederlandse Leeuw en de Orde van Oranje-Nassau dat de daarbij behorende
versierselen niet in eigendom worden gegeven. Hiertoe behoren overigens niet de kleinmodel
versierselen en het strikje van deze Orden die wel in eigendom worden gegeven.
De onderscheidingen van voornoemde Orden die worden uitgereikt aan buitenlanders,
behoeven nooit te worden ingeleverd.
Deze beleidslijn geldt sinds januari 1955. Eerder uitgereikte onderscheidingen in
deze Orden zijn dus in eigendom overgegaan. Alle overige onderscheidingen, zoals bijvoorbeeld
de diverse dapperheidsonderscheidingen en herinneringsmedailles, komen in eigendom
van de gedecoreerde en diens nabestaanden.
De Kanselier heeft vastgesteld dat in de laatste zes maanden van 2012 ongeveer 22
keer bij een totaal aanbod van 225, een versiersel van de Orde van de Nederlandse
Leeuw en van de Orde van Oranje Nassau te koop is aangeboden waarvan de mogelijkheid
bestaat dat dat in bruikleen was verschaft. Daar passen de volgende kanttekeningen
bij:
-
– Niet is vast te stellen of het gaat om versierselen van vóór januari 1955
-
– Niet uit te sluiten is dat er sprake is van onderscheidingen die aan buitenlanders
zijn uitgereikt. Dat maakt een toets of men gerechtigd was tot verkoop lastig.
-
– De bereidheid tot teruggave van versierselen na het overlijden van de gedecoreerde
is in Nederland hoog. Nabestaanden die het graag willen behouden, doen dat veelal
in volle overtuiging. Dat maakt de kans op grootschalige handel klein.
In het algemeen betreur ik het als er handel ontstaat in versierselen van een onderscheiding,
welke dan ook, die als blijk van bijzondere waardering aan een bepaalde persoon is
toegekend, vanwege haar of zijn persoonlijke verdiensten.
Het verdraagt zich niet goed met het decoratiestelsel. Daarom steun ik ook het uitgangspunt
dat het officiële onderscheidingsteken van de Orde van de Nederlandse Leeuw en de
Orde van Oranje Nassau na overlijden wordt teruggestuurd. De informatie van de Kanselier
en de relativerende kanttekeningen die daarbij passen, geven echter geen aanleiding
tot grote zorg. Optreden met juridische middelen zou bovendien zeer complex, intensief
en dus kostbaar zijn omdat zeker niet op voorhand vaststaat dat een aanbieder niet
gerechtigd is tot het verhandelen.
De Kanselier heb ik gevraagd om de ontwikkeling te blijven monitoren en mij zo nodig
nader te informeren.
De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
R.H.A. Plasterk