24 802
Rechtshandhaving en veiligheid

24 807
Taakstraffen

nr. 11
BRIEF VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 25 februari 1997

Op 27 november 1996 was er een nota-overleg (24 802/24 807, nr. 8) naar aanleiding van de nota's «In juiste verhouding» (reactie op het rapport van de commissie-Korthals Altes) en «Voor straf werken en leren» (beleidsnota taakstraffen).

Tijdens het overleg zijn door de aanwezige leden van de commissie diverse vragen gesteld. Ik heb de meeste van de gestelde vragen tijdens het overleg mondeling afgedaan. Een aantal vragen is door mij niet beantwoord. Er is afgesproken dat dit schriftelijk zou gebeuren.

Bijgaand ontvangt u de antwoorden op de overgebleven vragen.

De Minister van Justitie,

W. Sorgdrager

1

Hoe denkt de minister de nazorg te financieren? (Van der Burg, PvdA)

Tijdens de behandeling van de Justitiebegroting voor het jaar 1997 is in antwoord op vragen van de PvdA-fractie reeds gemeld dat nazorg voor ex-gedetineerden wordt uitgevoerd aansluitend op de reclasseringsbegeleiding tijdens detentie en is gericht op het scheppen van voorwaarden voor reïntegratie. Nazorg vindt plaats op verzoek van de betrokken persoon en heeft, doordat de executie van het vonnis is voltooid, geen verplichtend karakter. Zowel tijdens als na detentie levert de reclassering met diverse programma's een bijdrage aan het verwerven van arbeid, scholing en huisvesting. De toegang tot voorzieningen op deze terreinen is geregeld op grond van afspraken met netwerkinstellingen.

In toenemende mate wordt ook het belang van nazorg voor ex-taakgestraften onderkend. Niet alleen de begeleiding tijdens de uitvoering van de taakstraf, maar ook de nazorg na afloop van de taakstraf maakt deel uit van de werkzaamheden in het kader van de reclasseringskerntaak «begeleiding en toezicht». De nazorg vormt dus een integraal onderdeel van het reclasseringswerk, gefinancierd uit de reguliere reclasseringsmiddelen.

2

Kan de minister nog eens uitleggen waarom zij vasthoudt aan een taakstraf van 6 maanden in een combinatievonnis? Op grond van welke overweging komt de minister hiertoe? Wat verandert er ten opzichte van de bestaande situatie? (Bremmer, CDA)

Het is nu niet mogelijk een combinatie van een gevangenisstraf en taakstraf op te leggen. Er is gekozen voor een combinatie van maximaal 6 maanden gevangenisstraf met een taakstraf, omdat een veroordeelde die één jaar of meer gevangenisstraf heeft gekregen in de komende regelgeving (voorstel van wet voor een penitentiaire beginselenwet) in aanmerking komt voor een penitentiair programma. Hiermee wordt voorkomen dat twee modaliteiten, taakstraf en penitentiair programma, door elkaar heen gaan lopen.

3

Elektronisch toezicht. De minister zegt al dat zij dit na evaluatie zal invoeren. Is de minister er nu reeds van overtuigd dat die evaluatie volledig zal slagen? (Bremmer, CDA)

De ervaringen die zijn opgedaan gedurende het eerste jaar experimenteren met elektronisch toezicht zijn van dien aard dat zij voldoende basis vormen om in elk geval de voorbereiding op landelijke invoering ter hand te nemen. Aan het wegnemen van bestaande knelpunten, zoals beschreven in het interimverslag, getiteld «Aan banden gelegd» van het Wetenschappelijk Onderzoeks- en Documentatiecentrum (WODC) van het Ministerie van Justitie, wordt met voortvarendheid gewerkt. Een definitief besluit tot landelijke invoering van elektronisch toezicht heb ik echter nog niet genomen. Dit komt pas aan de orde als de uitkomsten van de eindevaluatie van het experiment beschikbaar zijn.

4

Heenzenden verloopt inderdaad wat gunstiger, maar dat komt omdat men heenzendingen via de achterkant mogelijk maakt: makkelijker gratie en kwijtschelding van het strafrestant. Ik vraag mij af of dit een wettelijke basis heeft? Misschien wil de minister daarop kort ingaan. (Korthals, VVD)

Het heenzenden van gedetineerden aan het eind van hun detentie moet gezien worden als het handelen in een noodsituatie. Het is in feite het kiezen tussen twee kwaden. Of er worden preventief gehechten uit de A en A+ categorie heengezonden, óf er wordt een reeds veroordeelde gedetineerde die dicht bij zijn datum van invrijheidstelling zit, voortijdig vrijgelaten. Totdat er een evenwicht is in vraag en aanbod van capaciteit vind ik het heenzenden van gedetineerden aan het eind van de detentie een minder slecht alternatief dan het heenzenden van preventief gedetineerden uit genoemde categorieën.

5

De minister heeft gezegd dat in de heenzending ook de cijfers aan de achterkant zitten. Is ook de gratie daarin opgenomen? (Korthals, VVD)

Nee, wanneer het OM veroordeelden met een nog kort strafrestant heenzendt om aldus plaats te maken voor onderbrenging van zwaardere verdachten gebeurt dit niet op basis van gratie.

6

Verhouding taakstraf/misdrijf. Iemand die tasjes rooft van bejaarde dames; van zo iemand mag, als hij een taakstraf krijgt, verlangd worden dat hij iets meer doet dan hekken schilderen op een sportcomplex. Aan welke normen toetst het Openbaar Ministerie vooraf? (Dittrich, D66)

De reclassering en de Raad voor de Kinderbescherming toetsen potentiële projecten onder meer aan de volgende criteria: de bereidheid bij de instellingen voldoende begeleiding te geven, de beschikbaarheid van voldoende zinvolle (additionele) werkzaamheden en de bereidheid onregelmatigheden te melden. Het Openbaar Ministerie toetst nieuwe projecten vervolgens marginaal aan dezelfde criteria.

Formeel is de fysieke zwaarte geen criterium bij de plaatsing van de veroordeelde. Uitgangspunt bij een taakstraf is namelijk de verplichting voor de veroordeelde werkzaamheden te verrichten gedurende een door de rechter bepaalde tijd. Bij plaatsing van de veroordeelde in een project wordt uitgegaan van de mogelijkheden van de veroordeelde en het aanbod van projecten. Er wordt voorts gestreefd naar een relatie tussen de uit te voeren werkzaamheden en het gepleegde delict. Een voorbeeld van een koppeling van een delict aan een projectplaats is de plaatsing van iemand die onder invloed van alcohol een verkeersongeluk heeft veroorzaakt, te werk te stellen in een revalidatiecentrum. Bij de grote aantallen werkstraffen die worden opgelegd, blijken de mogelijkheden voor dergelijke koppelingen beperkt.

7

In juridisch Nederland is de vraag aan de orde of de taakstraf corresponderend met één maand gevangenisstraf van 60 uur naar 80 uur zou moeten gaan. De minister kiest hier niet voor. Zij voert hiertegen in de nota alleen praktische argumenten aan. De principiële argumenten tenderen daarentegen toch naar 80 uur. Graag nadere toelichting van de minister. (Dittrich, D66)

Praktische argumenten kunnen zwaarwegend genoeg zijn om af te zien van een verhoging van het aantal uren. Bovendien wordt, mede op grond van principiële argumenten, het in de beoogde nieuwe wetgeving mogelijk de werkstraf te combineren met een leerstraf tot een totaal van 480 uren. Ik wil eerst afwachten of deze verruiming tegemoet komt aan de nu levende bezwaren tegen het maximum aantal uren voor de werkstraf.

8

Er moet een deugdelijke controle komen op de tenuitvoerlegging van de taakstraf. Er moeten voldoende cellen in reserve worden gehouden voor het geval dat de gestrafte zijn taak niet volbrengt. Welke norm hanteert de minister daarbij? (Dittrich, D66)

Indien de taakstraf mislukt, wordt deze doorgaans door de rechter alsnog omgezet in een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf. De executie daarvan vindt op dezelfde wijze plaats als van andere vrijheidsstraffen die niet in aansluiting op voorlopige hechtenis worden opgelegd.

9

Een zwak punt is de nazorg en arbeidstoeleiding na het volbrengen van een taakstraf. Wat kan de reclassering op dit punt gaan bieden? Ik kan me voorstellen dat er bijvoorbeeld convenanten met werkgevers worden gesloten om deze groep arbeidsplaatsen aan te bieden. Dit geldt natuurlijk ook voor de overheid. Ik zou met name op dit laatste punt aan de minister willen vragen of er cijfers bekend zijn van mensen die «afgestraft» zijn en bij overheidsorganisaties in dienst zijn gekomen. (Dittrich, D66)

De laatste jaren is de reclassering zich weer meer actief gaan toeleggen op de arbeidstoeleiding van reclassenten. De reclassering streeft er naar meer trajectmatig te werken. Het bieden van perspectief op een baan is daarvan een belangrijk onderdeel. De werkstraf is bijvoorbeeld een uitstekend uitgangspunt om de opgedane werkervaring te benutten voor arbeidstraining en bemiddeling. Inmiddels heeft de reclassering in diverse plaatsen arbeidstoeleiders in dienst die in samenspraak met lokale organisaties arbeidstoeleidingstrajecten opzetten. Ook in het leerstrafprogramma «Dagtrainingscentrum» van het Leger des Heils wordt veel aandacht besteed aan arbeidstoeleiding.

In het kader van het Grotestedenbeleid worden knelpunten voor de arbeidsvoorziening van ex-gestraften in samenwerking met Sociale Zaken en Werkgelegenheid onderzocht. Een resultaat is het feit dat de detentietijd van ex-gestraften meetelt voor de bepaling van de werkloosheidsduur. Daardoor komen de meeste gedetineerden aan het einde van de detentie direct in aanmerking voor diverse arbeidsstimulerende maatregelen.

Tevens vond 29 januari 1997 een gezamenlijk congres van Justitie en Sociale Zaken en Werkgelegenheid over werk na detentie plaats. Dit congres had een verkennend karakter en zal een vervolg krijgen.

Het Nationaal Platform Criminaliteitsbeheersing heeft onlangs een handleiding doen uitgaan. Er worden voorbeelden van arbeidstoeleidingsprojecten voor ex-gestraften beschreven, waarin het bedrijfsleven een rol vervult of kan vervullen. Er zijn geen cijfers bekend van het aantal ex-delinquenten dat in dienst van overheidsinstellingen is gekomen.

10

Het is opvallend dat weinig allochtonen een taakstraf krijgen. Wat wordt hieraan gedaan? (Dittrich, D66)

De reclassering zal in de voorlichtingsrapportage aan de rechterlijke macht extra benadrukken dat de verdachte in aanmerking kan komen voor een taakstraf. Overigens blijkt uit onderzoek naar de toepassing van taakstraffen bij jeugdigen dat jeugdige allochtonen relatief vaak een taakstraf opgelegd krijgen.

11

Waarom kan een werkstraf wel bij verstek worden opgelegd en een leerstraf niet? Voor beide straffen geldt dat de verdachte gemotiveerd moet zijn en dat een inschatting over zijn persoon gemaakt moet worden. Vreest de minister niet dat werkstraffen bij verstek opgelegd eerder afgebroken zullen worden? Is de minister bereid tot monitoring op dit punt over te gaan? Wij kunnen dat dan ook in de Kamer bespreken. (Dittrich, D66)

Voor het bepalen of een verdachte geschikt is voor een leerstrafprogramma ligt het, vanwege de specifiek op het gepleegde delict aan de orde komende leermomenten, niet voor de hand dat dit bij verstek wordt opgelegd.

Voor een werkstraf ligt dit anders. In de praktijk gebeurt het al dat een werkstraf wordt opgelegd aan verdachten die niet vooraf door de reclassering of door de rechter zijn gezien. Wel moet op de zitting duidelijk zijn dat de verdachte met de veroordeling tot een werkstraf instemt. Sinds de invoering van projecten in eigen beheer bij de reclassering is het geen probleem deze veroordeelden ook daadwerkelijk te plaatsen. Er worden nog veel korte vrijheidsstraffen bij verstek opgelegd; de bedoeling is bij een deel daarvan een vervangende werkstraf bij verstek op te leggen. De wijzigingen die zullen voortvloeien uit het wetsvoorstel taakstraffen zullen, zoals bij alle nieuwe wetgeving gebruikelijk is, nauwlettend worden gevolgd.

12

Er wordt in de rekwireerrichtlijnen geen rekening gehouden met de EMA-maatregel, omdat dit een administratieve maatregel betreft. In wezen is de EMA een verbetering van de AVC. Is het niet redelijk dat OvJ's daar bij het rekwireren rekening mee houden? Het lijkt mij dat een zekere aftrek redelijk is. (Dittrich, D66)

Nee, in nauw overleg tussen Openbaar Ministerie, Justitie en Verkeer en Waterstaat is besloten de scheiding tussen de administratiefrechtelijke maatregel EMA en het strafrecht direct in te voeren. De EMA heeft een eigen traject en een ander karakter dan het strafrecht, namelijk het bevorderen van de rijvaardigheid van de automobilist en daarmee van de verkeersveiligheid. Rekening houden met de EMA in het strafproces is niet nodig omdat de rechterlijke macht ervanuit kan gaan dat alle verdachten in aanmerking zijn gekomen voor de EMA en bij niet volgens van de EMA een administratiefrechtelijke sanctie krijgen opgelegd. Het wel laten meewegen van de EMA zou rechtsongelijkheid tot gevolg kunnen hebben omdat er verschillen kunnen zijn in hoogte van de aftrek en op de zitting nog geen rekening kan worden gehouden met een eventuele aftrek omdat de verdachte de EMA nog niet heeft gevolgd.

13

Contigentering van sobere cellen. D66 wil graag monitoring van hoe het er in deze sobere cellen aan toe gaat. De vraag is natuurlijk hoe degenen die deze twee maanden op cel hebben gezeten, op een gegeven moment weer op straat komen? Vormt een dergelijke in- of opsluiting juist niet een reden om extra agressief te worden en extra overlast te bezorgen als men weer buiten komt? Gaarne een evaluatie van al deze facetten rond de sobere cellen en de contigentering. (Dittrich, D66)

Door de Dienst Justitiële Inrichtingen is een begeleidingscommissie Invoering sober regime ingesteld om de ervaringen opgedaan met het sober regime in een aantal pilot-inrichtingen te monitoren. Deze commissie heeft als opdracht meegekregen het volgen van de sobere regimevoering in de pilot-inrichtingen en de daaruit voortvloeiende problematiek onder gedetineerden en onder personeel in de betrokken inrichtingen. Deze commissie komt binnenkort met een verslag van haar werkzaamheden. Wanneer op basis van de rapportage blijkt dat de invoering verantwoord is, is het de bedoeling dat het sober regime vervolgens wordt ingevoerd in de overige inrichtingen waar het voorzieningenniveau toereikend is. Naast deze monitoring wordt inmiddels ook voorzien in een evaluatie van het sober regime door de CDWO.

14

Wil de minister voor taakstraffen wel de nodige infrastructuur totstandbrengen, zodat de uniformiteit van de richtlijnen en de verschillende taakstraffen in het gehele land gewaarborgd zijn? Daarbij denk ik ook aan de betrokkenheid van de reclassering en andere organisaties, zodat er een goede structuur voor deze taakstraffen is. (Rabbae, GroenLinks)

In overleg met de uitvoeringsorganisaties zijn richtlijnen tot stand gekomen die respectievelijk in de Uitvoeringsregeling Reclassering en een beleidsaanwijzing aan de Raad voor de Kinderbescherming zullen worden opgenomen. De reclassering en raad hebben deze richtlijnen al binnen hun organisaties ingevoerd. Bovendien wordt een kwaliteitskader voor leerstrafprogramma's voorbereid, die ik zo mogelijk bij het wetsvoorstel taakstraffen zal aanbieden.

15

Een straf moet geloofwaardig blijven. Waar liggen de grenzen voor de omzetting van een vrijheidsstraf in een taakstraf en zijn er alternatieven als wij de grenzen bereiken? Ziet de minister in de verruiming van de mogelijkheid om een taakstraf op te leggen ook niet het risico van een eisopdrijvend effect bij het Openbaar Ministerie? Als het Openbaar Ministerie wil voorkomen dat iemand een taakstraf krijgt zal men hoger gaan rekwireren. Die vraag wil ik de minister graag voorleggen. (Rouvoet, RPF)

In het wetsvoorstel taakstraffen, dat momenteel wordt voorbereid, wordt losgelaten dat de rechter vooraf een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van maximaal 6 maanden moet overwegen, alvorens een taakstraf op te leggen. Dat neemt niet weg dat taakstraffen een toepassingsgebied hebben ter vervanging van korte vrijheidsstraffen. Het is aan de rechter welke straf hij het meest passend acht en welke grenzen worden gehanteerd. Naast taakstraffen worden ook andere alternatieven ontwikkeld, ik wijs bijvoorbeeld op het experiment met elektronisch toezicht en de voorgenomen invoering van het penitentiair programma. In het wetsvoorstel taakstraffen wordt voorzien in ruimere toepassingsmogelijkheden voor de taakstraf. Dat op zich zal er juist toe kunnen leiden dat de Officier van Justitie ook voor zwaardere feiten een taakstraf in plaats van een vrijheidsstraf kan vorderen. Van een eisopdrijvend effect zal geen sprake zijn omdat het Openbaar Ministerie de bevoegdheid houdt een korte vrijheidsstraf te eisen.

16

Hoe worden de succespercentages nu precies gemeten? Wat zeggen die cijfers wel en wat zeggen ze vooral niet? Kan de minister daar wat meer over opmerken? (Rouvoet, RPF)

Allereerst zijn er slagingspercentages voor taakstraffen. Daarmee wordt aangegeven dat de veroordeelde zijn taakstraf naar behoren heeft vervuld. Deze liggen al enige jaren stabiel tussen de 85 en 90%. Daarnaast is onderzoek verricht naar de effecten van taakstraffen op de langere termijn, met name recidive. Uit dit onderzoek blijkt onder meer dat tot taakstraf veroordeelden in vergelijking met tot vrijheidsstaf veroordeelden minder vaak, minder snel en minder ernstig recidiveren. Voor een compleet overzicht van het onderzoek naar taakstraffen en de resultaten wordt verwezen naar bijlage B van de beleidsnota taakstraffen.

17

Het Openbaar Ministerie staat op grote afstand bij de uitvoering taakstraffen. Lopen wij niet het risico dat de taakstraffen makkelijker een lachertje zouden kunnen worden? Moeten wij met elkaar niet kijken naar de rol van het Openbaar Ministerie? (Rouvoet, RPF)

Het Openbaar Ministerie is verantwoordelijk voor de executie van taakstraffen. In het verleden zijn lokaal afspraken gemaakt over de uitvoering van taakstraffen tussen het Openbaar Ministerie, reclassering en Raad. In 1996 is tussen Openbaar Ministerie, reclassering en Raad voor de Kinderbescherming over dit onderwerp een convenant gesloten. Dit heeft geleid tot een uniforme regeling van de verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de verschillende partners. Het Openbaar Ministerie staat daarbij niet op afstand, maar vervult lokaal een belangrijke rol in het toezicht op de werkwijze van de reclassering en raad en toetst projecten vooraf.

Vragen over de wijkbureaus

18, 19 en 20

Kan de minister concreet aangeven wat de Officier in de wijk exact gaat doen? De ingang van het publiek naar het Openbaar Ministerie loopt toch vooral via de politie? De taak van bemiddeling, zie pag. 21, is toch vooral een taak van de politie? Voorkomen moet worden dat de Officier van Justitie een duurbetaalde wijkagent of dorpsoudste wordt. (Bremmer, CDA)

Wijkbureaus. Ik heb in de krant gelezen dat De Pijp in Amsterdam met een experiment van start gaat. Kan daar nadere informatie over worden verstrekt? (Dittricht, D66)

Wat voegt een wijk-OM nu precies toe aan het instituut van wijkagent en wat moet een Officier van Justitie gaan doen in een probleemwijk? Hoe dan ook voorlopig moeten wij nog maar eens kijken wat wij met dit instrument zouden kunnen doen voordat wij het daadwerkelijk landelijk zouden gaan invoeren. Is het overigens juist dat er in Groningen al wijkbureaus functioneren? Zo ja, wat zijn de ervaringen aldaar en waarom zitten die niet in het experiment? (Rouvoet, RPF)

Justitie zal met ingang van 1997 gaan experimenteren met vier wijkbureaus in De Pijp in Amsterdam, Malburgen in Arnhem, Wittevrouwenveld in Maastricht en Delfshaven in Rotterdam; wellicht zal de gemeente Velsen (parket Haarlem) later nog volgen.

Uitgangspunt van de projecten is dat Justitie een directe bijdrage wil leveren aan de veiligheid in probleembuurten. Door aanwezigheid van Justitie zal met meer gezag door de politie en andere instanties kunnen worden opgetreden; tevens kan een directe relatie met burgers, i.c. slachtoffers, worden onderhouden. Gedacht wordt aan bemiddeling, vormen van snelrecht (transacties, bemiddeling, voorwaardelijke sepots, uitreiken van dagvaarding) en informatievoorziening.

De experimenten passen binnen de tendens om de parketten gebiedsgericht te doen werken. In Groningen zijn, evenals in een aantal andere steden, op de wijkbureaus van politie hulpofficieren van Justitie aanwezig die een eerste en snelle selectie van zaken verrichten. De experimenten met Justitie in de buurt beogen een verdergaande probleemgerichte benadering vanuit het Openbaar Ministerie.

Er wordt overigens van uitgegaan dat de parketten het project afstemmen op de lokale situatie; op deze wijze kunnen er verschillende varianten worden beproefd. Zo zijn in Amsterdam ook reclassering, slachtofferzorg, kinderbescherming en het bureau voor Rechtshulp in het project betrokken. In alle gevallen wordt een nauwe samenwerking met de politie voorzien.

Vragen omtrent de bestuursrechtelijke handhaving

21, 22, 23 en 24

De verstrekkende voorstellen van de commissie-Korthals Altes worden zo lijkt het doorgeschoven naar een stuurgroep. Of kunnen wij nog deze kabinetsperiode publikatie van haar bevindingen en een definitieve standpuntbepaling van het kabinet op deze voorstellen verwachten? (Bremmer, CDA)

Bestuursorganen maken onvoldoende gebruik van de mogelijkheden die zij al hebben, bijvoorbeeld het opleggen van een dwangsom of bestuursdwang. Er is ook onvoldoende toezicht op de naleving van de normen. Ik vind dat wij hier niet op de resultaten van het onderzoek van de stuurgroep hoeven te wachten. Hier zou meteen iets aan gedaan moeten worden. Wat gaat de regering ondernemen op dit punt, om vooruitlopende op het onderzoek van de stuurgroep, tot actie over te gaan? (Dittrich, D66)

Coornhertliga is tegen civielrechtelijke handhaving. Het Openbaar Ministerie kan niet optreden tegenover een burger in een civielrechtelijke procedure. Wat is de reactie op het commentaar van de Coornhertliga? (Rabbae, GroenLinks)

Het bestuursrecht kan verder ingeschakeld worden overeenkomstig de wet-Mulder. Bij nogal wat ordeningsrecht heeft de overtreding niet echt direct een strafwaardig karakter. Ziet de minister iets in die route? (Rouvoet, RPF)

De voorstellen van de commissie-Korthals Altes op het terrein van handhaving via het bestuursrecht en het privaatrecht zullen nader worden bestudeerd door de eind vorig jaar door mij ingestelde commissie Bestuursrechtelijke en Privaatrechtelijke handhaving. Deze commissie, onder voorzitterschap van prof. mr. drs. F. C. M. A. Michiels, zal mede op basis van onderzoek op verschillende terreinen de voorstellen van de commissie-Korthals Altes bezien. Bij de installatie van deze commissie is de verwachting uitgesproken dat de commissie haar rapport binnen één jaar klaar zal hebben. Zo spoedig mogelijk daarna zal de regering een standpunt innemen.

Met de heer Dittrich ben ik van mening dat niet op de resultaten van de commissie gewacht hoeft te worden om activiteiten te ontwikkelen gericht op verbetering van de rechtshandhaving. De bestuursorganen kunnen met gebruikmaking van de bestaande instrumenten trachten de handhaving te verbeteren.

De heer Rabbae vroeg mijn commentaar op het standpunt van de Coornhert Liga dat zij tegen toepassing van het privaatrecht door het Openbaar Ministerie is. Onder bepaalde voorwaarden kan het Openbaar Ministerie van het privaatrechtelijk instrumentarium gebruik maken. In het Windmill-arrest (HR 26/1/90, NJ 91, 393) is de Hoge Raad hierop ingegaan. Voor verdere toepassing van het privaatrecht door het Openbaar Ministerie wacht ik de voorstellen van de commissie af.

Voor de suggestie van de heer Rouvoet om in de ordeningswetgeving in het bestuursrecht een systeem als in de wet-Mulder in te voeren, wacht ik eveneens de bevindingen van de commissie af.

Naar boven