Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal1996-199724800 nr. 6

24 800
Wijziging van enkele wetten in verband met de herziening van het stelsel van bestuurlijke boeten en van het fiscaal strafrecht (Invoeringswet bestuurlijke boeten)

nr. 6
VERSLAG

Vastgesteld 30 juni 1997

De vaste commissie voor Financiën1, belast met het voorbereidend onderzoek inzake bovenstaand wetsvoorstel, brengt als volgt verslag uit van haar bevindingen. Met een tijdige beantwoording van de onderstaande vragen en opmerkingen acht de commissie de openbare beraadslaging over dit wetsvoorstel voldoende voorbereid.

De vragen en opmerkingen hebben met name betrekking op de nota van wijziging (24 800, nr. 5) die over dit wetsvoorstel is ontvangen.

Inleiding

De leden van de fractie van de Partij van de Arbeid hebben met instemming kennis genomen van bovengenoemd wetsvoorstel. Zij stellen hierover nog enkele vragen.

Deze leden zouden tevens een reactie willen ontvangen op de vragen die de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs heeft gesteld in haar brief van 23 juni 1997 en op de vragen van het VNO/NCW in de brief van juni 1997.

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel en van de nota van wijziging die is ingediend naar aanleiding van de behandeling van de wet tot wijziging van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en van de invorderingswet 1990 in verband met de herziening van het stelsel van bestuurlijke boeten en van het fiscale strafrecht (23 470) in de Eerste Kamer. Zij zijn tevreden dat de staatssecretaris tegemoet is gekomen aan de wensen van de Eerste Kamer.

Het aanvankelijke wetsvoorstel geeft naar hun mening duidelijk verbeteringen ten opzichte van de vigerende wetten. Toch hebben de leden van de CDA-fractie nog enkele vragen naar aanleiding van de nota van wijziging.

Welke inhoudelijke argumenten hebben ertoe geleid dat de staatssecretaris in zijn nota van wijziging afwijkt van zijn eerste voorstel, om tegemoet te komen aan de wensen van de Eerste Kamer? Wat is het verschil tussen een boete-inspecteur en een gespecialiseerde medewerker boetes, die de staatssecretaris in plaats van boete-inspecteurs wil invoeren, zo vragen de voornoemde leden.

Ook deze leden vragen om een reactie op de brief van 23 juni 1997 van de Nederlandse orde van belastingadviseurs en op de brief van VNO-NCW van 26 juni 1997.

De VVD-fractie heeft kennisgenomen van het onderhavige wetsvoorstel en heeft behoefte om hierover een aantal vragen en opmerkingen naar voren te brengen.

De leden van de fractie van D66 hebben met belangstelling kennisgenomen van de nota van wijziging voor de invoeringswet bestuurlijke boeten. Deze leden merken op dat door af te zien van de introductie van een nieuw bestuursorgaan (de fiscale boeteinspecteur) de eerder gesignaleerde knelpunten zijn weggevallen. De leden van de D66-fractie zien het aanstellen van in het boete en strafrecht gespecialiseerde medewerkers binnen de Belastingdienst als een ontwikkeling die ten goede komt aan de eenduidigheid terzake. De stroomlijning die hiervan het gevolg is creëert voor betrokkenen meer duidelijkheid. Deze leden stellen het op prijs om te zijner tijd de ontwikkeling terzake te evalueren. Is het kabinet bereid de ontwikkeling in een jaarlijks verslag neer te leggen?

Opzet en grove schuld

De leden van de fractie van de VVD kunnen zich vinden in een boete bij de primitieve aanslag in gevallen van «fraude en zwendel», termen die zijn gebruikt bij de mondelinge behandeling van het wetsvoorstel 23 470 in de Eerste Kamer. De regering stelt nu voor om dit in de wet aldus uit te werken dat opzet vereist is. De VVD-fractie vraagt zich af hoe de toepassing van dit criterium in de praktijk uit zal werken. Wordt de boete alleen opgelegd in gevallen van zogenaamd boze opzet (willens en wetens een onjuiste aangifte doen), dan sluit dat aan bij de beoogde aanpak van fraude en zwendel. De VVD-fractie heeft er echter moeite mee wanneer de boete ook wordt toegepast bij voorwaardelijke opzet, dat wil zeggen wanneer de belastingplichtige wel bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zijn aangifte onjuist was. Zo valt te denken aan het geval van een belastingplichtige voor wie het niet geheel duidelijk is of hij een bate moet aangeven c.q. een uitgave mag aftrekken, en die in de aangifte het voor hem gunstigste standpunt inneemt, hoewel er ook goede misschien wel veel sterkere argumenten door de inspecteur zijn aan te voeren voor het tegenovergestelde standpunt (belastbaarheid c.q. niet-aftrekbaarheid). De VVD-fractie acht het niet juist dat aan zo'n belastingplichtige een boete bij de primitieve aanslag wordt opgelegd. De nieuwe regeling mag niet tot gevolg hebben dat de belastingplichtige in geval van twijfel of onzekerheid steeds op straffe van een boete het voor hem ongunstigste standpunt moet innemen in zijn aangifte.

De leden van de fractie van D66 merken op dat de boete bij de primitieve aanslag afhankelijk is van de vraag of er opzet in het spel is. Dit criterium van boeteoplegging lijkt een beperking in te voeren tot die gevallen waar duidelijk iets mee mis is. De grens tussen grove schuld en opzet blijft volgens sommigen evenwel vaag. Wil het kabinet ingaan op de suggestie van de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs om het criterium opzet te vervangen door «grove of boze opzet». De leden van de fractie van D66 merken voorts op dat het verschil dat is aangebracht bij navorderingen, waar sprake kan zijn van opzet of grove schuld, vanuit het verschil in karakter van deze aanslagen terecht is. Belangrijke toetssteen voor de leden van de D66-fractie bij fiscale boetewetgeving is de rechtsbescherming van de belastingplichtige. Zij constateren verheugd dat er van wordt uitgegaan dat een belastingplichtige geacht wordt te goeder trouw te handelen en niet bij voorbaat wordt beschouwd als potentiële verdachte. Graag zouden zij van het kabinet vernemen wanneer de inspecteur een belastingplichtige of inhoudingsplichtige, van wie een redelijke verwachting bestaat dat hem een bestuurlijke boete wordt opgelegd, oproept tot verhoor. Indien hiervoor criteria worden aangelegd wat is dan de rol van de boetecoördinator daarin? Dient bij een oproep tot verhoor de belastingplichtige zelf te verschijnen of kan hij/zij worden vervangen door de adviseur?

De reformatio in peius

Het wetsvoorstel 25 175 houdt in dat het uniforme procesrecht van Hoofdstuk 8 AWB zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing wordt verklaard in belastingzaken. Het uitgangspunt van de regering is daarbij geweest dat het fiscale procesrecht slechts dan van het algemene bestuursprocesrecht uit de AWB behoort af te wijken wanneer daarvoor overtuigende argumenten zijn aan te voeren.

In dit licht vraagt de VVD-fractie zich af of er wel overtuigende argumenten zijn om in fiscale boetezaken de zogenaamde reformatio in peius door de rechter mogelijk te maken, terwijl die mogelijkheid in Hoofdstuk 8 AWB welbewust is uitgesloten (22 495, nr 3, blz. 142). Zo kunnen de vergelijkbare bestuurlijke boetes op grond van artikel 12 van de Coördinatiewet sociale verzekeringen niet door de rechter verhoogd worden. Hetzelfde geldt voor boetes op grond van de Wet Mulder en de bestuurlijke boetes op grond van de voorgestelde mededingingswet (24 707).

De VVD-fractie is nog niet overtuigd van de noodzaak om in fiscale boetezaken een afwijkende lijn te volgen, die trouwens niet geldt voor de belastingaanslag zelf. Zij is bevreesd dat ook belastingplichtigen die goede argumenten tegen een opgelegde boete hebben, hierdoor weerhouden worden om een beroep op de rechter te doen, omdat van tevoren nooit met zekerheid valt te voorspellen of de rechter de boete zal verhogen. De parallel met het hoger beroep in strafzaken gaat in zoverre mank, dat zich daar al een rechter over de zaak heeft uitgelaten. Hier gaat het echter om de vraag of de zaak wel aan enige rechter zal worden voorgelegd.

Het argument van de regering dat de reformatio in peius nodig is om niet bedoeld gebruik van het beroep op de rechter tegen te gaan, wordt in de memorie van antwoord bij wetsvoorstel 23 470 al grotendeels ontkracht. De regering geeft daar immers aan dat onder het huidige recht, dat geen reformatio in peius kent, niet is gebleken van oneigenlijk gebruik van het beroep op de rechter in betekenende mate. De VVD-fractie vraagt zich dan ook af of naar het oordeel van de regering in fiscale boetezaken desondanks in meer gevallen oneigenlijk gebruik van het beroep op de rechter moet worden gevreesd dan in andere bestuursrechtelijke zaken. Zo ja, waarop is deze vrees dan gebaseerd? Zo nee, wat rechtvaardigt dan de afwijking van het overige bestuursrecht? Of vindt de staatssecretaris dat inspecteurs te lage boetes opleggen? Kan hij dat dan niet beter aanpakken door interne maatregelen binnen de belastingdienst? De VVD-fractie heeft eerder de indruk dat de belastingrechter het boetebeleid van de belastingdienst aan de strenge kant vindt. Zij zou graag van de staatssecretaris vernemen in hoeveel procent van de gevallen beroep tegen een fiscale boete ertoe leidt dat de rechter of de inspecteur de boete verlaagt (met inbegrip van de vermindering van de enkelvoudige belasting die automatisch doorwerken in de hoogte van de boete).

Eventueel onnodig gebruik van de rechtsgang in boetezaken kan naar het oordeel van de VVD-fractie beter worden tegengegaan door het uitstel van betaling tijdens de procedure over een boete niet renteloos te maken. Anders dan voorheen in lagere rechtspraak is aangenomen, blijkt uit het arrest HR 9 oktober 1996, BNB 1997/6 dat het EVRM niet tot een renteloos uitstel van betaling dwingt. Ook het wetsvoorstel voor een mededingingswet (24 707) gaat er in artikel 67, lid 2 van uit dat uitstel van belasting voor een bestuurlijke boete niet renteloos behoort te zijn.

Verder vraagt de VVD-fractie zich af of de rechter een boete, die door de inspecteur is opgelegd in overeenstemming met het voor de belastingdienst geldende boetebeleid, wel kan verhogen. Wanneer de inspecteur aanstonds een hogere boete oplegt dan dit beleid toestaat, zal de rechter die boete immers op grond van het vertrouwens- en het gelijkheidsbeginsel moeten matigen tot ten hoogste het bedrag dat het beleid toestaat. Dat zou tot een merkwaardige, onevenwichtige situatie leiden: de belastingplichtige zou er dan belang bij krijgen dat de inspecteur hem een boete oplegt die, gezien het beleid, te hoog is. Ook vraagt de VVD-fractie zich af hoe de reformatio in peius zich verhoudt tot het arrest HR 28 maart 1990, BNB 1990/194. In rechtsoverweging 4.10 van dit arrest overwoog de Hoge Raad dat de belastingrechter bij het bepalen van de strafmaat in een boetezaak ten minste de kwijtschelding behoort te verlenen, die voortvloeit uit het boetebeleid van de fiscus.

Tot slot vraagt de VVD-fractie zich in dit verband af hoe effectief de mogelijkheden van beroep in cassatie zijn als de belastingplichtige het niet eens is met de motivering van het Gerechtshof voor de verhoging van een boete. Uit het arrest HR 5 december 1990, BNB 1991/48 volgt toch dat de mogelijkheden om de motivering van de strafmaat in cassatie ter discussie te stellen uiterst beperkt zijn. In dit arrest hield immers zelfs een uitspraak stand waarin het Hof de vaststelling van de strafmaat in het geheel niet had gemotiveerd.

Zwijgrecht

Het is de leden van de CDA-fractie onduidelijk wat het zwijgrecht nu precies inhoudt. Wanneer heeft een belastingplichtige zwijgrecht en ten opzichte van wie wel en wie niet?

Waarom ziet de staatssecretaris af van de mogelijkheid tot een adviesfunctie bij boete-oplegging? Welke gevolgen heeft dat voor het zwijgrecht?

De leden van de fractie van D66 merken op dat de belastingplichtige/ inhoudingsplichtige niet gehouden is tot het mondeling of schriftelijk verstrekken van informatie indien de inspecteur een handeling verricht waaraan de belastingplichtige in redelijkheid de gevolgtrekking kan verbinden dat aan hem een boete zal worden opgelegd. De leden van de fractie van D66 kunnen hiermee instemmen, maar tekenen aan dat niet altijd duidelijk is wanneer de belastingplichtige in staat is betreffende gevolgtrekking te maken. Welke garanties zijn er dat de inspecteur niet geruime tijd, voorafgaande aan het kenbaar maken van mogelijke boete-oplegging, overgaat tot het verzamelen van boete-relevante informatie?

Omkering van de bewijslast

De VVD-fractie vraagt zich in het licht van het arrest HR 15 juli 1988, BNB 1988/270 af of de omkering van de bewijslast in boetezaken alleen wordt uitgeschakeld voor zover het gaat om de aanwezigheid van opzet of grove schuld. Of is de omkering van de bewijslast ook uitgesloten ten aanzien van de omvang van de enkelvoudige belastingschuld, voor zover deze de omvang van de boete bepaalt? De Commissie Van Slooten heeft in punt 8 van haar rapport aangegeven dat de inspecteur in deze gevallen geen boetes mag baseren op de gepresumeerde doch niet bewezen grondslag van de aanslag. Kan de regering dit standpunt van de Commissie onderschrijven?

Twee feitelijke instanties

Artikel 14, lid 5 IVBPR moet vermoedelijk aldus worden uitgelegd dat de beoordeling van fiscale boetes in slechts één feitelijke instantie niet voldoende is. De VVD-fractie ontleent dit onder meer aan de heer E. Korthals Altes, raadsheer in de Hoge Raad, Geschrift nr. 194 van de Vereniging voor belastingwetenschap, blz. 30. Graag verneemt deze fractie op welke termijn de regering stappen wil ondernemen om deze (vermoedelijke) strijd tussen het fiscale procesrecht en het IVBPR weg te nemen.

Afzonderlijk bezwaar tegen aanslag en boetebeschikking

In het huidige systeem kan de belastingplichtige bij één bezwaarschrift opkomen tegen een aanslag en de daarbij behorende boete. Hij hoeft daarbij nog niet meteen, binnen de bezwaartermijn, aan te geven of zijn grieven zich richten tegen de aanslag, boete, of beide.

In voorgestelde regeling zal daarentegen sprake zijn van twee afzonderlijke beslissingen. Daarentegen kan weliswaar bezwaar worden gemaakt in hetzelfde geschrift, maar uit dat gecombineerde geschrift zal dan wel binnen de bezwaartermijn moeten blijken dat het zich zowel tegen de aanslag als de boete richt. De VVD-fractie is bevreesd dat de rechter hierin streng zal zijn, gelet op het arrest HR 16 oktober 1996, BNB 1996/398 over een vergelijkbare kwestie bij de heffingsrente. Zo'n formalistische aanpak zou de toegang tot de rechter kunnen belemmeren. Daardoor dreigt een niet-ontvankelijkverklaring voor belastingplichtigen die de (nieuwe) formele regels niet beheersen, en denken dat de bedragen die in de verschillende hokjes van een aanslagbiljet staan te zamen één beslissing vormen.

De VVD-fractie acht het daarom van groot belang dat in de toelichting op de aanslagbiljetten uitdrukkelijk vermeld zal worden dat de belastingplichtige, die bezwaren heeft tegen de aanslag en een op hetzelfde biljet vermelde boetebeschikking, in zijn bezwaarschrift tot uitdrukking zal moeten brengen dat hij zich tegen beide beslissingen verzet.

Liever nog zou deze fractie zien dat in het wetsvoorstel wordt vastgelegd dat een bezwaarschrift tegen een belastingaanslag geacht wordt mede gericht te zijn tegen een boetebeschikking die op hetzelfde aanslagbiljet is opgenomen, tenzij de betrokkene in dat bezwaarschrift uitdrukkelijk aangeeft geen bezwaren te hebben tegen de boete. Een soort gelijke formule werd reeds door de Hoge Raad gehanteerd om de toegang tot de rechter in fiscale boetezaken te vergemakkelijken (zie HR 29 november 1989, BNB 1990/118).

Hoogte griffierecht

De VVD-fractie vraagt zich af hoe de heffing van griffierecht na inwerkingtreding van wetsvoorstel 25 175 zal verlopen wanneer in een gecombineerd beroepsschrift beroep wordt ingesteld tegen een belastingaanslag en een daarmee samenhangende boetebeschikking, die op hetzelfde aanslagbiljet zijn vermeld. Aangenomen mag worden dat de rechter deze samenhangende zaken niet zal splitsen zodat slechts eenmaal griffierecht wordt geheven. Het is de vraag welk tarief voor het griffierecht dan van toepassing is, als de belastingaanslag is opgelegd aan een natuurlijk persoon, en het om een heffing gaat als bedoeld in het voorgestelde artikel 27b, lid 1, letter b AWR (volgens wetsvoorstel 25 175). Te denken valt aan een naheffingsaanslag omzetbelasting met boete. Geldt dan het lage tarief van f55,- omdat de boetebeschikking op de AWR berust, en geen besluit is met betrekking tot de toepassing van de Wet op de omzetbelasting 1968?

Vervallen van de boete na overlijden

Het nieuwe boetestelsel gaat ervan uit dat het vervallen van de boete na overlijden van de belastingplichtige aan voorwaarden kan worden verbonden, zoals een tijdig ingediend verzoek. De VVD-fractie zou gaarne vernemen op welke gronden hier wordt afgeweken van de wettelijke regeling over bestuurlijke boetes in de sociale zekerheid. In de memorie van toelichting van wetsvoorstel 23 909 (blz 58) zegt de regering dat het strafkarakter van de boete meebrengt dat alleen de dader zelf daardoor mag worden getroffen. Het vervallen van de boete geschiedt volgens deze memorie van toelichting van rechtswege, zonder dat daarvoor herziening of intrekking van de boetebeschikking nodig is.

Uitstel van betaling alleen op verzoek

Bij de behandeling van het wetsvoorstel 21 058 (nr 15, blz 3) heeft de regering aangekondigd om in het kader van de behandeling van een nieuw wetsvoorstel tot herziening van het fiscale boetestelsel terug te komen op de eerder aangekondigde aanpassing van de programmatuur, waardoor automatisch uitstel van betaling wordt verleend voor administratieve boetes die nog niet onherroepelijk vaststaan. De VVD-fractie zou de staatssecretaris aan deze toezegging willen herinneren. Of is hij teruggekomen op de opvatting in de Resolutie van 22 september 1989, Vakstudie Nieuws 1989, blz 2778 e.v. dat het de voorkeur geniet (dwang)invordering van nog niet onherroepelijk vaststaande fiscale administratieve boetes achterwege te laten zonder dat daar door de belastingschuldige om wordt gevraagd? Zo ja, wat is dan de aanleiding voor deze beleidswijziging ten nadele van de belastingschuldige? In dit verband vraagt de VVD-fractie nog de aandacht voor het wetsvoorstel voor een mededingingswet (24 707) dat in artikel 63 ervan uit gaat dat een bestuurlijke boete niet wordt ingevorderd zolang deze nog niet onherroepelijk vaststaat, ook indien geen verzoek om uitstel van betaling wordt gedaan.

Aansprakelijkheid en redelijke termijn

Bij de behandeling van wetsvoorstel 23 470 heeft de regering erkend dat aansprakelijkstelling van een derde voor een fiscale boete moet worden aangemerkt als het instellen van een «criminele charge» in de zin van artikel 6 EVRM. Dit betekent dat ook recht bestaat op behandeling van de zaak door de rechter binnen een redelijke termijn. Valt dit te rijmen met de opeenvolging van verschillende rechtsgangen op grond van de artikelen 49 en 50 Invorderingswet? Wat is de stand van zaken rond de evaluatie van deze gesplitste procesgang, die door de regering op een termijn van vijf tot zes jaar werd toegezegd bij de parlementaire behandeling van de Invorderingswet 1990?

Boete en bodemrecht

Naar het oordeel van de VVD-fractie moet een derde alleen aangesproken kunnen worden voor een boete, wanneer die derde ter zake een verwijt treft. Deze fractie vraagt zich af of dit te verenigen valt met de uitoefening van het bodemrecht voor de invordering van bestuurlijke boetes, wanneer de eigenaar van de bodemzaken geen verwijt kan worden gemaakt. Dit staat toch ook op gespannen voet met de memorie van toelichting bij wetsvoorstel 23 909 (blz. 58) waarin de regering zegt dat het strafkarakter van de bestuurlijke boete meebrengt dat alleen de dader zelf daardoor mag worden getroffen.

Tevens vraagt deze fractie zich af welke rechtsbescherming de eigenaar van bodemgoederen geniet als hij zich niet kan verenigen met de oplegging c.q. de hoogte van de boete waarvoor bodembeslag is gelegd. Voldoet deze rechtsbescherming aan de eisen van artikel 6 EVRM?

Premieheffing werknemersverzekeringen

In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel 24 800 (blz 1) werd in juli 1996 op korte termijn een afzonderlijk wetsvoorstel in het vooruitzicht gesteld met betrekking tot het boetesysteem bij de heffing van premies werknemersverzekeringen. De leden van de VVD-fractie vragen wanneer dit wetsvoorstel tegemoet kan worden gezien.

Artikelnummering strafbepalingen

De misdrijven staan thans in de AWR in artikel 68, terwijl artikel 69 een aantal overtredingen bevat. In de literatuur en jurisprudentie zal men informatie over deze strafbepalingen terugvinden onder deze artikelnummers. De VVD-fractie vraagt zich daarom af of het wel praktisch is dat alle overtredingen nu in artikel 68 worden ondergebracht en alle misdrijven in artikel 69.

Inwerkingtreding en overgangsrecht

In het overgangsrecht wordt gesproken van «aangiften en betalingen die voor de inwerkingtreding van deze wet hadden moeten zijn gedaan». Heeft «aangiften» betrekking op aanslagbelastingen en «betalingen» op aangiftebelastingen, zo vragen de leden van de fractie van de Partij van de Arbeid. Zo ja: zou dit niet duidelijker in de wettekst tot uitdrukking moeten worden gebracht? Zo nee: hoe is dan de verhouding tussen deze twee begrippen?

Zowel bij wetsvoorstel 23 470 als bij de invoeringswet is voor het overgangsrecht van belang de datum waarop de wet in werking treedt. Voor beide wetten geldt echter dat voorverschillende artikelen een verschillende invoeringsdatum kan gelden. Welke datum is dan van belang voor het overgangsrecht, zo vragen deze leden.

De VVD-factie verneemt gaarne of het nog steeds de bedoeling is dat dit wetsvoorstel gelijktijdig in werking treedt met de herziening van het fiscale procesrecht. Zij acht gelijktijdige inwerkingtreding gewenst, omdat anders binnen een korte tijd drie verschillende regimes in het fiscale procesrecht van kracht zouden zij (nog afgezien van uitbreiding van de mogelijkheden tot bezwaar en beroep die op 1 juli a.s. in werking treden).

Ondertekening

De VVD-fractie vraagt zich af waarom het wetsvoorstel mede is ondertekend door de Minister van Justitie, en de onderhavige ingrijpende wijziging van dat voorstel niet.

De voorzitter van de commissie,

Ybema

De griffier van de commissie,

Van Overbeeke


XNoot
1

Samenstelling: Leden: Schutte (GPV), Van Rey (VVD), Terpstra (CDA), Smits (CDA), Reitsma (CDA), Vliegenthart (PvdA), Ybema (D66), voorzitter, Schimmel (D66), Van Gijzel (PvdA), Witteveen-Hevinga (PvdA), Hillen (CDA), Hoogervorst (VVD), ondervoorzitter, Van Wingerden (AOV), Rabbae (GroenLinks), Voûte-Droste (VVD), Adelmund (PvdA), Giskes (D66), H. G. J. Kamp (VVD), Zonneveld (CD), Van Dijke (RPF), Van der Ploeg (PvdA), B. M. de Vries (VVD), Van Zuijlen (PvdA), Van Walsem (D66) en Ten Hoopen (CDA).

Plv. leden: Van der Vlies (SGP), Van Hoof (VVD), Visser-van Doorn (CDA), Van der Linden (CDA), Wolters (CDA), Noorman-den Uyl (PvdA), Bakker (D66), Jeekel (D66), Van Zijl (PvdA), Liemburg (PvdA), De Jong (CDA), Rijpstra (VVD), Verkerk (AOV), Rosenmöller (GroenLinks), Hofstra (VVD), Crone (PvdA), Assen (CDA), M. M. H. Kamp (VVD), Marijnissen (SP), Leerkes (U55+), Verspaget (PvdA), Hessing (VVD), Van Nieuwenhoven (PvdA), Van Boxtel (D66) en De Haan (CDA).