A
ADVIES RAAD VAN STATE VAN HET KONINKRIJK EN NADER RAPPORT1
Hieronder zijn opgenomen het advies van de Raad van State van het Koninkrijk
d.d. 5 maart 1996 en het nader rapport d.d. 20 juni 1996, aangeboden aan de
Koningin door de minister van Justitie, mede namens de minister van Buitenlandse
Zaken en de minister van Verkeer en Waterstaat. Het advies van de Raad van
State van het Koninkrijk is cursief afgedrukt.
Bij Kabinetsmissive van 5 december 1995, no. 95.008441, heeft Uwe Majesteit,
op voordracht van de Minister van Justitie, mede namens de Minister van Buitenlandse
Zaken en de Minister van Verkeer en Waterstaat, bij de Raad van State van
het Koninkrijk ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van rijkswet
met memorie van toelichting tot goedkeuring van het op 28 april 1989 te Londen
tot stand gekomen Internationaal Verdrag inzake hulpverlening, 1989 (Trb.
1990, 109).
Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw kabinet van 5 december
1995, nr. 95.008441, machtigde Uwe Majesteit de Raad van State van het Koninkrijk
zijn advies inzake het bovenvermelde voorstel van rijkswet rechtstreeks aan
mij en in afschrift aan de Minister van Buitenlandse Zaken en de Minister
van Verkeer en Waterstaat te doen toekomen. Dit advies, gedateerd 5 maart
1996, nr. WO3.95.0656/K, bied ik U hierbij mede namens mijn ambtgenoten van
Buitenlandse Zaken en van Verkeer en Waterstaat aan.
1. In de toelichting op artikel 5 van het verdrag wordt met betrekking
tot de hulpverlening onder toezicht van de overheid gewezen op de Wet op de
Strandvonderij en de Wrakkenwet. De Raad van State van het Koninkrijk is van
oordeel dat in dit verband ook aandacht dient te worden besteed aan de bevoegdheden
van de Minister van Verkeer en Waterstaat op grond van de artikelen 5 en 6
van de Wet bestrijding ongevallen Noordzee. Tevens verdient het aanbeveling
in de toelichting op het derde lid van artikel 5 enige aandacht te besteden
aan het arrest van de Hoge Raad van 11 december 1992, A.B. 1993, 301 (blussing
van brand aan boord van de «Rize K»), dat een geval betreft van
toepassing van het met artikel 5 overeenkomende artikel 13 van het Brussels
verdrag van 1910 inzake hulp en berging.
1. De Raad van State merkt terecht op dat in het kader van hulpverlening
door of onder toezicht van de overheid als bedoeld in artikel 5, eerste lid,
van het verdrag ook kan worden gedacht aan de Wet bestrijding ongevallen Noordzee.
In de memorie van toelichting is thans onder 1.c, Het toepassingsgebied van
het verdrag, hulpverlening door de overheid, ook aandacht besteed aan de Wet
bestrijding ongevallen Noordzee en aan de bevoegdheden van de Minister van
Verkeer en Waterstaat op grond van de artikelen 5 en 6 van deze wet. In dit
onderdeel van de memorie van toelichting is thans tevens bij de bespreking
van artikel 5, derde lid, van het verdrag aandacht geschonken aan het arrest
van de Hoge Raad van 11 december 1992, A.B. 1993, 301 m.nt. G. A. van der
Veen, NJ 1994, 639 m.nt. MS., inzake blussing van brand aan boord van de «Rize
K».
2. Ingevolge artikel 10, eerste lid, van het verdrag is de kapitein van
een schip verplicht, voor zover hij dit kan doen zonder zijn schip en de opvarenden
in ernstig gevaar te brengen, hulp te bieden aan mensen die op zee in levensgevaar
verkeren. Het tweede lid bepaalt dat de verdragsstaten de maatregelen nemen
die nodig zijn voor de naleving van deze verplichting. De Raad adviseert in
de memorie van toelichting aan te geven op welke wijze uitvoering is gegeven
aan deze verdragsverplichting.
2. De memorie van toelichting is conform het advies van de Raad aangevuld
met een passage over de nationale maatregelen ter uitvoering van artikel 10,
tweede lid, van het verdrag, onder 3.c, Uitvoering van de hulpverlening, verplichting
tot hulpverlening.
3. In de toelichting wordt verwezen naar de adviezen van belanghebbende
organisaties. Vermeld wordt dat deze adviezen bij de memorie van toelichting
zijn gevoegd in de vorm van bijlagen (bijlagen I tot en met VI). Indien deze
bijlagen niet worden gepubliceerd, verdient het aanbeveling, voor zover van
belang, in de toelichting inhoudelijk in te gaan op de adviezen. In ieder
geval ware verwijzing naar niet bij te voegen bijlagen te vermijden.
3. De adviezen van belanghebbende organisaties waarnaar in het algemeen
gedeelte van de toelichting wordt verwezen zullen bij de indiening van het
wetsvoorstel aan de Staten-Generaal, de Staten van de Nederlandse Antillen
en die van Aruba worden overgelegd.
4. Voor enkele redactionele kanttekeningen verwijst het college naar de
bij het advies behorende bijlage.
4. De redactionele kanttekeningen zijn verwerkt.
5. Van deze gelegenheid is gebruik gemaakt om in het algemeen gedeelte
van de memorie van toelichting de opsomming van staten die partij zijn geworden
bij het hulpverleningsverdrag 1989 te actualiseren.
De Raad van State van het Koninkrijk geeft U in overweging het voorstel
van rijkswet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, aan de Staten
van de Nederlandse Antillen en aan die van Aruba, nadat aan het vorenstaande
aandacht zal zijn geschonken.
De Vice-President van de Raad van State van het Koninkrijk,
W. Scholten
Ik moge U, mede namens mijn ambtgenoten van Buitenlandse Zaken en van
Verkeer en Waterstaat, verzoeken het hierbij gevoegde voorstel van rijkswet
en de gewijzigde memorie van toelichting met zes bijlagen aan de Tweede Kamer
der Staten-Generaal, aan de Staten van de Nederlandse Antillen en aan die
van Aruba te zenden.
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
Bijlage bij het advies van de Raad van State van het Koninkrijk van
5 maart 1996, no. W03.95.0656/K, met redactionele kanttekeningen die
de Raad in overweging geeft.
– Ten aanzien van de verwijzing naar artikelleden aanwijzing 80
van de Aanwijzingen voor de regelgeving in acht nemen.
– In de toelichting, onder 5, Vorderingen die op grond van het verdrag
kunnen worden ingesteld, derde alinea, «Het tweede lid van artikel 20
verplicht» wijzigen in: Het tweede lid van artikel 21 verplicht.
– In de toelichting, onder Voorbehouden, «het in artikel 30,
onder d, van het verdrag genoemde voorbehoud» wijzigen in: het in artikel
30, eerste lid, onder d, van het verdrag genoemde voorbehoud.