Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum indiening
Tweede Kamer der Staten-Generaal2001-200224797 nr. 13

24 797
Wijziging van de regels betreffende de verwerking van justitiële gegevens en het stellen van regels met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens in persoonsdossiers (Wet justitiële gegevens)

nr. 13
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET NADER VERSLAG

Ontvangen 18 september 2001

I ALGEMEEN

Het verheugt mij dat de voorgestelde wijzigingen van het wetsvoorstel justitiële gegevens door de in het verslag aan het woord zijnde fracties worden onderschreven. De vragen en opmerkingen hebben met name betrekking op een nadere uiteenzetting van de achtergronden van de gemaakte keuzes. Hieronder zal ik ingaan op de vragen van de verschillende fracties.

1. Inleiding

De leden van de PvdA-fractie refereren aan de mededeling in de nota naar aanleiding van het verslag waarin wordt vermeld dat in het BIBOB-advies zowel degenen die direct als indirect zeggenschap in de rechtspersoon hebben worden gescreend. De leden vragen of dit betekent dat ook een ondernemingsraad of een cliëntenraad wordt gescreend.

Primair wijs ik erop dat de hier bedoelde screening niet plaatsvindt in het kader van het in het onderhavige wetsvoorstel aan de orde zijnde onderwerp, te weten de verklaring omtrent het gedrag. Hoe ver de screening reikt in het kader van BIBOB is uitgebreid aan de orde gesteld in de schriftelijke stukken bij het wetsvoorstel BIBOB.Ik voeg daar het volgende aan toe. Op grond van artikel 3, vierde lid, van het wetsvoorstel BIBOB wordt diegene gescreend die direct of indirect leiding geeft dan wel heeft gegeven aan, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over of vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan een rechtspersoon in de zin van artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht die deze strafbare feiten heeft begaan. Tevens wordt gescreend degene die – kort gesteld – invloed uitoefent op de direct of indirect leidinggevende. Als voorbeelden van degenen die worden gescreend kunnen worden genoemd de aandeelhouders of financiers van de rechtspersoon.

De leden van de VVD-fractie vragen hoe wordt bevorderd dat in voorkomende gevallen vaker gebruik wordt gemaakt van screeningsinstrumenten zoals het vragen van een verklaring omtrent het gedrag.

Het ligt in de bedoeling een voorlichtingstraject uit te zetten. Er komt voorlichtingsmateriaal waarin de werking en reikwijdte van de verklaring omtrent het gedrag van natuurlijke personen wordt uitgelegd. Daarnaast wordt een brochure gemaakt waarin aandacht wordt besteed aan de verklaring omtrent het gedrag van rechtspersonen. Vervolgens zal informatiemateriaal beschikbaar worden gesteld over de verhouding tussen de verschillende screeningsinstrumenten. Op mijn departement zal een helpdesk worden ingericht voor het beantwoorden van vragen. Tevens zullen voorlichtingsbijeenkomsten door het gehele land aan relevante personen en organisaties plaatsvinden.

2. De justitiële documentatie

De leden van de PvdA-fractie constateren dat het mogelijk is om justitiële gegevens te laten verwijderen op grond van bijzondere omstandigheden. Zij vragen of ook de mogelijkheid bestaat om gegevens toe te voegen. In het Besluit justitiële gegevens wordt geregeld welke gegevens in de justitiële documentatie worden opgenomen. Meer dan de daar genoemde gegevens worden niet geregistreerd. Indien wordt verzocht om toevoeging van gegevens die overeenkomstig het genoemde Besluit kunnen worden geregistreerd, kan dit worden gehonoreerd. De registratie bevat echter geen uitgebreide gegevens.

Verder opent artikel 24a van het wetsvoorstel de mogelijkheid wegens bijzondere persoonlijke omstandigheden een gegeven te schrappen. Aanleiding voor het opnemen van dit artikel was het volgende geval. Iemand was in het politieregister geregistreerd wegens diefstal van een boek uit de bibliotheek. Betrokkene vond deze registratie niet terecht. Het boek was niet uitleenbaar, maar betrokkene had het dringend nodig. Hij wilde het boek slechts voor één nacht lenen. Bij het passeren van het controlehekje was het alarm afgegaan en werd de politie gewaarschuwd. Vervolgens heeft de officier van justitie de zaak geseponeerd. De betrokkene maakte bezwaar tegen de vermelding van diefstal in de justitiële documentatie. Een dergelijk bezwaar kan onder de bestaande wet niet worden gehonoreerd maar onder het nieuwe artikel 24a wel. Daarbij moet het natuurlijk gaan om zeer bijzondere gevallen, waarbij de aard van de zaak zwaarder weegt dan het beginsel dat de justitiële documentatie een volledige registratie bevat ten behoeve van een goede strafrechtspleging.

Wanneer het gaat om een sepot omdat is komen vast te staan dat de betrokkene ten onrechte als verdachte is aangemerkt, dient op grond van het bestaande artikel 7, eerste lid, van het Besluit registratie justitiële gegevens het gegeven te worden gewist.

De leden van de GroenLinks-fractie willen weten wat precies het verschil is tussen de justitiële documentatie zoals die voorheen decentraal werd verwerkt en de wijze waarop dat nu al centraal gebeurt.

In de registratie is geen enkel verschil. Door de fysieke centralisering zijn de gegevens sneller toegankelijk. Bovendien zijn alle gegevens van een bepaalde persoon niet meer over meerdere arrondissementen verspreid. Daardoor is ook de expertise met betrekking tot de verwerking geconcentreerd.

Het is niet zo, zoals de leden van de GroenLinks-fractie veronderstellen, dat er met de automatisering van de justitiële gegevens een beperktere mogelijkheid is om eenmaal verwerkte omissies te wijzigen. Destijds zijn met het overhevelen van de justitiële gegevens van de griffies van de rechtbanken naar de Centrale Justitiële Documentatie de gegevens grondig gecontroleerd op hun juistheid. Thans worden de gegevens geautomatiseerd verstrekt door de parketten.

Dezelfde leden verifiëren of het juist is dat bij een vastgestelde persoonsverwisseling het uitermate moeilijk is eenmaal verwerkte gegevens uit de justitiële documentatie van de ten onrechte als verdachte of veroordeelde aangemerkte persoon te schrappen. Indien er sprake is van een persoonsverwisseling, is er een fout gegeven in de justitiële documentatie geregistreerd. Dit gegeven dient dan te worden verwijderd of verbeterd. Indien er een daartoe strekkend verzoek ligt zal de Centrale Justitiële Documentatie bij de officier van justitie informeren naar de juistheid van het verzoek. Op de parketten kan in de strafdossiers worden nagegaan om wie het in de desbetreffende zaak gaat. In de praktijk komt nogal eens voor dat iemand verzoekt om verwijdering van zijn gegevens, omdat hij van mening is dat hij ten onrechte als verdachte is aangemerkt. In een dergelijk geval gaat het niet om een foutieve registratie. Bedacht moet worden dat ook sepots worden geregistreerd. Uit het voorgaande blijkt dat ik de vraag van de leden van de GroenLinks-fractie of de wellicht moeilijke weg om een gegeven geschrapt te krijgen uit de justitiële documentatie een negatieve invloed heeft gehad op de afgifte van de verklaring omtrent het gedrag, negatief moet beantwoorden.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen op welke wijze instanties en werkgevers achter strafrechtelijke gegevens kunnen komen. Uit het onderzoeksrapport «Waar een wil is, is een weg? Een onderzoek naar de behoefte aan en de verstrekking van politiële en justitiële informatie voor buiten de strafrechtspleging gelegen doelen» (blz. 116), komt naar voren dat geprobeerd wordt de desbetreffende informatie te verkrijgen via buurtonderzoeken, het raadplegen van openbaar toegankelijke registers en via het grijze circuit.

Ook de vraag van deze leden of er aanwijzingen zijn dat er op andere wijze strafrechtelijke gegevens over bijvoorbeeld sollicitanten worden verzameld en verkregen, kan bevestigend worden geantwoord. Uit ambtelijke contacten met het bedrijfsleven wordt telkens duidelijk dat het niet moeilijk blijkt te zijn om concrete strafrechtelijke informatie te verkrijgen. Daarbij wordt niet aangegeven op welke wijze de informatie wordt verkregen. Wel wordt de indruk verkregen dat het grijze circuit een belangrijke informatiebron is.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen of anderen dan de medewerkers van de Centrale Justitiële Documentatie toegang tot de justitiële gegevens hebben.

Niemand heeft rechtstreeks toegang tot de justitiële documentatie. Al degenen die op grond van de wet, het Besluit inlichtingen justitiële documentatie of het Besluit inlichtingen strafregisters gerechtigd zijn om justitiële gegevens te mogen ontvangen, moeten een verzoek daartoe doen.

Aansluitend vragen deze leden of er gevallen bekend zijn waarin medewerkers van de Centrale Justitiële Documentatie hun boekje te buiten zijn gegaan.

Dergelijke gevallen zijn niet bekend. Dit heeft mede te maken met de beveiligingen die de Centrale Justitiële Documentatie heeft getroffen met betrekking tot de toegang tot de gegevens. Bovendien heeft nimmer het vermoeden bestaan dat een medewerker heeft gelekt. De justitiële documentatie is natuurlijk niet de enige bron van strafrechtelijke gegevens. Ook bij de verschillende politiekorpsen liggen vele gegevens. Opdat de politie doeltreffend kan optreden zijn deze voor een bredere kring van personen bevraagbaar dan de gegevens uit de justitiële documentatie.

3. De verklaring omtrent het gedrag

De leden van de PvdA-fractie vragen naar de visie van de regering met betrekking tot het opstellen van een richtlijn inhoudende dat bij moeilijk te maken afwegingen in het kader van de afgifte van een verklaring omtrent het gedrag een reclasseringsrapport wordt gebruikt.

De afwegingen in het kader van de vraag of tot afgifte van een verklaring omtrent het gedrag moet worden overgegaan zijn altijd op het concrete geval toegespitst. Het is de bedoeling om ingeval van een moeilijke afweging een reclasseringsrapport te vragen alvorens te beslissen. Juist bij een moeilijke afweging zal het van belang kunnen zijn te weten in welke context het delict is gepleegd. Mede met het oog op die context zal het overigens ook van belang kunnen zijn om inlichtingen aan het openbaar ministerie te vragen.

De leden van de PvdA-fractie constateren terecht dat de aanvraag om afgifte van de verklaring omtrent het gedrag in behandeling wordt genomen, indien er kennelijk een noodzaak is om de betrouwbaarheidstoets uit te voeren. Ook zien deze leden het juist dat er zodoende voor verenigingen een opening wordt geboden voor het vragen van een verklaring omtrent het gedrag betreffende een toekomstig lid dat volgens de richtlijnen van een vereniging altijd indirect zeggenschap heeft. Daarbij moet bedacht worden dat in een dergelijk geval de vereniging die om een verklaring vraagt moet aangeven wat het risico voor de samenleving is dat in het geding is bij de uitoefening van de desbetreffende functie binnen de vereniging. Het enkel hebben van indirecte zeggenschap geeft als zodanig geen inzicht in het risico voor de samenleving.

De leden van de PvdA-fractie vragen, aldus begrijp ik de vraag, of er bewust is gekozen voor een verschil in behandeling tussen de toetsing van een bestuurslid van een BV of NV en een bestuurslid van een vereniging.

Er zijn twee typen verklaringen omtrent het gedrag: de verklaring omtrent het gedrag van een natuurlijke persoon en een verklaring omtrent het gedrag van een rechtspersoon. In het eerste geval gaat het om een toetsing van de betrouwbaarheid van de natuurlijke persoon met het oog op de functie of activiteiten die betrokkene gaat uitoefenen. In het tweede geval gaat het om de toetsing van de betrouwbaarheid van een rechtspersoon met het oog op de activiteit die de rechtspersoon gaat ondernemen. De rechtspersoon is een rechtspersoon als bedoeld in het Burgerlijk Wetboek. Daaronder valt dus ook een vereniging. De betrouwbaarheid van een rechtspersoon wordt getoetst door haar bestuurders te toetsen.

Aan iemand die een bestuursfunctie bij een NV, BV of vereniging wil vervullen kan worden gevraagd een verklaring omtrent het gedrag te overleggen. Het betreft dan een verklaring omtrent het gedrag van een natuurlijk persoon. Het bedrijf of de vereniging moet dan aangeven wat het risico voor de samenleving is dat met de eventuele uitoefening van de functie door betrokkene in het geding is. Afhankelijk van de aard van het risico in relatie tot de strafbare feiten die zijn geregistreerd wordt beoordeeld of een verklaring omtrent het gedrag wordt afgegeven. Niet het enkele feit dat iemand de functie als bestuurslid wil vervullen is doorslaggevend voor het al dan niet afgeven van de verklaring, maar het risico dat aan die functie voor natuurlijke personen, rechtspersonen, vennootschappen of goederen is verbonden, is bepalend voor de beoordeling van de afgifte.

Het is niet zo, zoals de leden van de PvdA-fractie constateren, dat van jeugdigen ouder dan acht jaar ook het feit dat de raad voor de kinderbescherming advies heeft uitgebracht in, of een verzoekschrift heeft ingediend met betrekking tot een zaak betreffende ondertoezichtstelling, ontzetting uit of ontheffing van het ouderlijk gezag wordt geregistreerd in het politieregister. Deze gegevens worden geregistreerd in het Cliënt-Volgsysteem Jeugdcriminaliteit. Dit is geen politieregister. Deze gegevens worden dus niet gebruikt bij de beoordeling van de vraag of een verklaring omtrent het gedrag wordt afgegeven.

De leden van de PvdA-fractie gaan er terecht van uit dat het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur inzake het verstrekkingenregime op een zodanig tijdstip naar de Voorzitter van de Tweede Kamer zal worden gezonden dat de leden van die Kamer voldoende gelegenheid hebben om daar kennis van te nemen.

De leden van de PvdA-fractie vragen om voorbeelden van een mogelijke incidentele gegevensverstrekking.

De mogelijkheid om incidenteel gegevens te verstrekken is voor wat betreft politiegegevens reeds mogelijk op grond van artikel 18, vijfde lid, van de Wet Politieregisters. In het onderhavige wetsvoorstel is een vergelijkbare bepaling opgenomen in artikel 14. In de memorie van toelichting is als voorbeeld genoemd het verstrekken van justitiële gegevens over bepaalde supporters aan een voetbalbond ter bestrijding van voetbalvandalisme op de dag waarop een belangrijke wedstrijd plaatsvindt. Te denken valt verder aan het verstrekken van bepaalde gegevens ten behoeve van het uitoefenen van een pilot. Gedacht kan hierbij worden aan het verstrekken van gegevens in het kader van het proefdraaien van het Bureau BIBOB i.o.

Bij een incidentele gegevensverstrekking gaat het om gevallen waarvan niet gezegd kan worden dat in alle soortgelijke gevallen justitiële gegevens verstrekt mogen worden. Maar gelet op de omstandigheden van het geval is het noodzakelijk dat wel justitiële gegevens worden verstrekt. De ervaringen van incidentele verstrekking van politiële gegevens heeft het gemis aan een mogelijkheid om justitiële gegevens incidenteel te verstrekken blootgelegd. Daarom is in het onderhavige wetsvoorstel een dergelijke mogelijkheid opgenomen.

De leden van de PvdA-fractie signaleren dat bij de oprichting van een NV of BV de antecedenten van de beleidsbepalers worden gecontroleerd in het kader van de afgifte van een verklaring van geen bezwaar terwijl dit bij een eenmanszaak niet gebeurt.

Alvorens een NV of BV op te kunnen richten moet een verklaring van geen bezwaar worden overgelegd. Dit hoeft niet bij de oprichting van een eenmanszaak, aangezien deze geen rechtspersoon is. Een antecedentenonderzoek is ook niet nodig, omdat bij een eenmanszaak sprake is van persoonlijke aansprakelijkheid van de eigenaar van de zaak. Bij een NV of BV is dit niet het geval. Een antecedententoets biedt een zekere waarborg dat de onderneming op een betrouwbare wijze start.

De leden van de PvdA-fractie vragen of de mogelijkheid kan ontstaan dat een bedrijf, nadat het allerlei schulden heeft gemaakt, uit een bepaalde regio vertrekt en zich in een andere regio vestigt om daar weer van voor af aan te beginnen.

Indien het bedrijf naderhand verhuist, behoeft niet weer een verklaring van geen bezwaar te worden overgelegd. Dat houdt dus in dat op een dergelijk moment niet weer de antecedenten worden getoetst. Overigens betekent een verhuizing van het bedrijf niet dat het bedrijf voor crediteuren niet meer vindbaar zou zijn. Een hernieuwde screening is om die reden dus niet nodig. Daar komt bij dat de vraag van de leden van de PvdA-fractie voor wat betreft de financiële schulden, betrekking heeft op de financiële integriteit en niet op de strafrechtelijke integriteit. De financiële integriteit wordt als zodanig niet door het onderhavige wetsvoorstel bestreken. In dit wetsvoorstel wordt in het kader van de verklaring omtrent het gedrag beoordeeld of uit een onderzoek naar het gedrag van de betrokken rechtspersoon, gelet op het risico voor de samenleving in verband met het doel waarvoor de verklaring is gevraagd en na afweging van het belang van betrokkene, blijkt van bezwaren tegen die rechtspersoon. Dit houdt in dat de strafrechtelijke integriteit van de rechtspersoon wordt beoordeeld. Ter beoordeling van die integriteit zijn de vermeldingen in de documentatie vennootschappen die voor een deel bestaan uit financiële gegevens, van belang. Financiële gegevens kunnen immers in combinatie met justitiële gegevens inzicht geven in die integriteit.

In vervolg op hun eerdere vraag, stellen de leden van de PvdA-fractie voor om voor de inschrijving bij de Kamer van Koophandel ook de afgifte van de verklaring omtrent het gedrag verplicht te stellen.

Het strookt niet met de doelstellingen van de Handelsregisterwet om voor de inschrijving in het handelsregister een verklaring omtrent het gedrag verplicht te stellen. Het Handelsregister heeft primair tot doel externe informatie te genereren met betrekking tot de namen van de bestuurders en hun vertegenwoordigingsbevoegdheid. Ook met betrekking tot een eenmansbedrijf is van belang te weten dat het om een eenmansbedrijf gaat en wie voor eventuele schulden kan worden aangesproken. Door de verklaring omtrent het gedrag als vereiste voor inschrijving voor te schrijven zou aan het doel van inschrijving, te weten de bescherming van crediteuren, voorbij worden geschoten. De bestuurder die geen verklaring kan overleggen zou dan immers niet worden opgenomen in het Handelsregister en dus niet makkelijk te achterhalen zijn. Bovendien dient een verklaring omtrent het gedrag een geheel ander doel. Indien een contractspartner inzicht in de strafrechtelijke integriteit van het eenmansbedrijfje wenst te hebben, kan in een concreet geval om een verklaring worden gevraagd.

Dezelfde leden vragen in welke categorie de Stichting Vakantiekinderen valt als deze Stichting justitiële gegevens zou willen hebben.

Deze stichting zal aan potentiële gastouders een verklaring omtrent het gedrag kunnen vragen. Een dergelijke verklaring biedt immers voldoende zekerheid dat met betrouwbare ouders in zee wordt gegaan. De Stichting zal op grond van artikel 30, derde lid, inzicht moeten geven van het risico voor de samenleving dat in het geding is bij de uit oefening van het gastouderschap. Daarbij zal de Stichting aangeven dat er een risico is dat de gastvader of gastmoeder onzedelijke handelingen pleegt met het betreffende kind en dat daarmee ernstige schade aan het kind kan worden toegebracht. Mede door dit gegeven zal bij de beoordeling van de vraag of tot afgifte van de verklaring wordt overgegaan met name aandacht besteed worden aan zedendelicten en geweldsdelicten. Ten gevolge van deze aanpak biedt de verklaring in de nieuwe opzet een betrouwbaar integriteitbeeld van de gescreende persoon. Daar komt bij dat in het kader van de beoordeling relevante informatie kan worden verkregen van het openbaar ministerie en de reclassering. Het gehele beoordelingssysteem in relatie tot de expertise die aan die beoordeling ten grondslag ligt zal leiden tot een meer onderbouwd oordeel over de strafrechtelijke integriteit van de betrokkene dan in het geval de Stichting Vakantiekinderen zelf een integriteitafweging zou hebben moeten maken op basis van ontvangen concrete justitiële gegevens. Door geen concrete justitiële gegevens te verstrekken wordt bovendien de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de gastouders gewaarborgd.

De leden van de VVD-fractie willen weten wat wel en wat niet de toegevoegde waarde van de adviserende rol van de burgemeester is bij de afgifte van de verklaring omtrent het gedrag.

De burgemeester adviseert over het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval in relatie tot de uit te oefenen taak of bezigheden in het licht van de plaatselijke omstandigheden. De toegevoegde waarde ligt in de bekendheid bij de burgemeester van de specifieke bijzondere omstandigheden in de gemeente. In een dergelijk geval kan het advies aangeven welk risico betrokkene oplevert voor de gemeentelijke samenleving. Een voorbeeld. Het kan uitmaken waar iemand taxichauffeur wil worden. Wil betrokkene taxichauffeur worden in een grote, hectische plaats, waar relatief veel criminaliteit heerst, of in een klein dorp, waar praktisch geen criminaliteit heerst.

Indien de burgemeester van mening is dat, gelet op bij voorbeeld de hectische samenleving in een grote stad, een zware toets zou moeten worden aangelegd, dan is het van belang dat van dit gegeven kennis wordt genomen. De Minister van Justitie houdt met dit gegeven rekening bij de beoordeling van de bijzondere omstandigheden.

Dergelijke informatie kan ook aanleiding vormen tot het inwinnen van nadere informatie bij de reclassering of de officier van justitie over enerzijds de achtergrond van betrokkene en anderzijds de omstandigheden waarin betrokkene bepaalde delicten heeft gepleegd.

De leden van de VVD-fractie vragen hoe wordt voorkomen dat de adviserende rol van de burgemeester leidt tot enerzijds verlenging van de afgifteduur en anderzijds tot doublures in de afweging.

Het is niet mogelijk om te voorkomen dat de afgifteduur wordt verlengd door de adviserende rol van de burgemeester. Wel is geprobeerd de procedure zodanig in te richten dat de afdoeningstermijn zo kort mogelijk is. Daartoe zendt de burgemeester de aanvraag om afgifte van de verklaring terstond door aan de Minister van Justitie. Gedurende de tijd dat de burgemeester zijn advies opstelt, kan het beoordelingsproces op het Ministerie van justitie ook reeds in gang worden gezet. De justitiële en politiële gegevens kunnen worden opgevraagd. Indien dit reeds aanleiding geeft tot het vragen van nadere informatie aan de reclassering of aan de officier van justitie, kan hiermee ook een aanvang worden gemaakt. Dit alles levert tijdwinst op.

De voorgestelde regeling kan tot doublures in de afweging leiden. Immers, artikel 29a biedt de mogelijkheid dat de burgemeester precies dezelfde afweging verricht als de Minister van Justitie. Uit een oogpunt van efficiëntie lijkt mij dat bij nader inzien niet nodig. De bedoeling is immers dat de burgemeester adviseert over een bij de Minister van Justitie minder bekend terrein. De Minister behoeft als zodanig geen advies met betrekking tot de interpretatie van strafrechtelijke gegevens. Om hieraan tegemoet te komen wordt in de nota van wijziging voorgesteld om de adviesbevoegdheid van de burgemeester beter af te stemmen op de bedoeling van het advies. Daartoe wordt voorgesteld artikel 29a in die zin te wijzigen dat in het eerste lid wordt bepaald dat de burgemeester adviseert over de bijzondere omstandigheden in zijn gemeente. Aangezien daarvoor justitiële en politiële gegevens niet nodig zijn, kan het tweede lid vervallen.

Met de leden van de VVD-fractie ben ik van mening dat de ontvankelijkheidstoets een belangrijke bijdrage kan leveren aan het tegengaan van misbruik van de regeling van de verklaring omtrent het gedrag.

In het vorige voorstel was voor schrapping van deze toets gekozen om te voorkomen dat iemand geen baan zou krijgen vanwege het enkele feit dat de aanvraag om afgifte van een verklaring ten onrechte niet in behandeling werd genomen. In het verleden is dit voorgekomen bij aanvragen om afgifte van een verklaring omtrent het gedrag met het oog op het uitoefenen van de functie van taxichauffeur of glazenwasser. Bij de keuze om de ontvankelijkheidstoets te laten vallen is destijds geoordeeld dat de kans dat iemand misbruik maakt van de regeling van de verklaring zo klein is dat dat niet opwoog tegen de kans dat iemand door het ten onrechte niet in behandeling nemen van de aanvraag niet langer in aanmerking komt voor de functie waarvoor de verklaring werd gevraagd. Maar zoals ik in de nota naar aanleiding van het verslag heb duidelijk gemaakt, meen ik dat ten gevolge van de centralisering van de afgifte van de verklaring omtrent het gedrag de ontvankelijkheidstoets weer kan worden geïntroduceerd. Op die manier wordt niet alleen misbruik voorkomen maar wordt ook de zuiverheid in de besluitvorming gehandhaafd. Met de leden van de VVD-fractie ben ik van mening dat de ontvankelijkheidstoets geen toets is waarbij gedragsaspecten worden betrokken. Het is uitsluitend een toets die betrekking heeft op oneigenlijk gebruik van de verklaring omtrent het gedrag.

De leden van de CDA-fractie vragen zich af of het toekennen van een adviesbevoegdheid niet in strijd is met het feit dat het lokale belang niet mag worden meegewogen.

Hierboven bij de beantwoording van een vraag op dit punt van de leden van de VVD-fractie ben ik al hierop ingegaan. De adviesbevoegdheid van de burgemeester heeft betrekking op de bijzondere omstandigheden van zijn gemeente die inzicht kunnen verschaffen in het risico voor de samenleving dat in het geding is. Het lokale belang in de zin dat de betreffende gemeente bijvoorbeeld in een bepaalde wijk geen «criminele» taxichauffeur wil hebben, speelt geen rol. Het kan niet zo zijn dat van twee personen met eenzelfde justitiële achtergrond de ene wel een verklaring krijgt en de ander niet, omdat dat niet overeenkomt met de belangen van de gemeente. Wel kan het uitoefenen van een bepaalde taak in een bepaalde omgeving een rol spelen bij de afweging voorzover er duidelijke aanwijzingen zijn dat deze omstandigheden een negatieve invloed zullen hebben op de handelwijze van betrokkene. In een dergelijk geval gaat het niet om het lokale belang, maar om het gedrag van betrokkene. Zo kan het aantal en type gewelddelicten alsmede de omstandigheden waaronder de delicten zijn gepleegd anders worden gewogen al naar gelang iemand in een drukke, hectische, stad taxichauffeur wil worden of in een rustig dorp.

Met het bovenstaande ben ik ook ingegaan op de vraag van de leden van de CDA-fractie met betrekking tot de lokale aspecten.

Vervolgens vragen dezelfde leden wat de juridische status van het advies is.

De burgemeester is een adviseur in de zin van artikel 3:5 Algemene wet bestuursrecht (Awb). Een gegeven advies is niet bindend. Als adviseur geeft de burgemeester advies over de plaatselijke omstandigheden voorzover dat van belang is voor de afgifte van de verklaring omtrent het gedrag. Gelet op de strekking van het advies is de burgemeester bevoegd te adviseren over het subjectieve criterium. Het subjectieve criterium betreft de beoordeling van de omstandigheden van het concrete geval.

De Minister van Justitie beoordeelt het objectieve criterium. Dit laatste criterium houdt in dat de Minister de vraag beantwoordt of, los van het concrete geval, een herhaling van het strafbare feit, zoals is vermeld in de justitiële documentatie, in zijn algemeenheid aan een behoorlijke taakuitoefening in de weg staat, omdat daarbij een risico voor de samenleving ontstaat. Over het objectieve criterium behoeft de burgemeester niet te adviseren, omdat de Minister voor de beoordeling daarvan voldoende kennis in huis heeft.

De leden van de CDA-fractie willen weten hoe moet worden omgegaan met gevallen waarin een lokale afweging heeft plaatsgevonden.

Door het hierboven gedane voorstel om de adviesbevoegdheid van de burgemeester explicieter te omschrijven in artikel 29a ontstaat er geen probleem met het onterecht meewegen van lokale belangen. De lokale belangen worden in het advies opgenomen. De Minister beoordeelt of, en op welke wijze, deze belangen kunnen worden meegewogen. Dit is ook mogelijk, omdat het advies niet bindend is.

Hierboven is ingegaan op de criteria die de burgemeester bij zijn advies moet hanteren. De leden van de CDA-fractie zijn vervolgens geïnteresseerd in de wijze waarop getoetst wordt of het advies op de juiste gronden is gegeven.

De Minister van Justitie is verantwoordelijk voor het nemen van een beslissing op de aanvraag. Zijn beslissing moet dan ook worden onderbouwd. Daartoe worden de justitiële en politiële gegevens opgevraagd. Voorts worden, indien het nemen van een beslissing niet aanstonds duidelijk is, inlichtingen ingewonnen bij de reclassering of het openbaar ministerie. Tegen de achtergrond van al deze informatie wordt ook het advies van de burgemeester betrokken. In zoverre kan gesteld worden dat het advies van de burgemeester wordt getoetst.

De leden van de CDA-fractie stellen nog een aantal vragen met betrekking tot de advisering door de burgemeester.

De Awb stelt geen vorm- of motiveringsvereisten aan de advisering. Ook is de burgemeester niet gehouden bij de burgemeester van de gemeente waarin de betrokkene kort tevoren heeft gewoond, navraag te doen. Wel kan de adviserende burgemeester melding maken van het feit dat betrokkene pas sinds kort in «zijn» gemeente woonachtig is. Of de burgemeester van de vorige gemeente bevoegd is informatie te verstrekken aan de adviserende burgemeester hangt af van de bron waaruit eerstgenoemde burgemeester de gegevens heeft verkregen. Het verder verstrekken van gegevens zal ervan afhangen of er een geheimhoudingsplicht geldt en of de verstrekking van het gegeven verenigbaar is met het primaire doel waarvoor het gegeven in eerste instantie is verstrekt. Daar kan op deze plaats geen afdoende antwoord worden gegeven.

De leden van de CDA-fractie vragen of de toegezegde nota over opsporing van strafbare feiten in relatie tot de bescherming van de persoonlijke levenssfeer gevolgen heeft voor deze wet. Deze toegezegde notitie is op 12 februari 2001 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal gezonden (Kamerstukken II 2000/01, 27 613, nr. 1).

Zoals deze leden waarschijnlijk zelf hebben geconstateerd, heeft deze notitie geen invloed op de onderhavige regeling. In de notitie is aangegeven dat er voortdurend gezocht wordt naar het vinden van een balans tussen het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en het belang van effectieve bevoegdheden op het gebied van de opsporing en het toezicht in het publieke domein. Voorts is erop gewezen dat daarbij vanzelfsprekend niet de gerechtvaardigde behoefte van de samenleving aan een veilige maatschappij uit het oog wordt verloren. De onderhavige regeling staat aan deze zienswijze niet in de weg.

Dezelfde leden willen in voornoemd kader weten of de preventieve jeugdzorg kan beschikken over justitiële gegevens.

De raad voor de kinderbescherming heeft toegang tot het Cliënt-Volgsysteem Jeugdcriminaliteit. Dit systeem heeft op grond van artikel 2 van het privacyreglement (Stcrt. nr. 84 van 1 mei 2000) tot doel de ondersteuning van de uitvoering van de taken van de politie, het openbaar ministerie en de raad voor de kinderbescherming ter voorkoming en bestrijding van jeugdcriminaliteit, alsmede in het kader van hulpverlening ter voorkoming en bestrijding van jeugdcriminaliteit door middel van het geven van een objectief, feitelijk historisch overzicht van de contracten van de betrokkene met voornoemde partijen. Voorts heeft dit systeem tot doel het verwijzen van de met bovenstaande taken belaste functionarissen van de politie, het openbaar ministerie en de raad voor de kinderbescherming naar de relevante persoonsregistratie of het relevante persoonsregister van een leverancier en de genoemde functionarissen aldus in staat te stellen op effectieve en efficiënte wijze noodzakelijke actie te ondernemen.

Door middel van het Cliënt-Volgsysteem Jeugdcriminaliteit kan de raad voor de kinderbescherming justitiële gegevens ontvangen. Daarnaast kunnen de raad voor de kinderbescherming, de advies- en meldpunten kinderbescherming en de Halt-bureaus beschikken over politiële gegeven ten behoeve van de uitvoering van bepaalde taken die jeugdigen aangaan.

De leden van de fractie van D66 wijzen op het voorstel van destijds om een centraal meldpunt in te stellen waar bijvoorbeeld scholen en kindertehuizen kunnen informeren of een sollicitant in het verleden is veroordeeld voor een zedenmisdrijf.

Als ik het goed begrijp refereren deze leden aan de verplichting van personeelsleden van onderwijsinstellingen om melding te maken van mogelijk gepleegde zedendelicten door andere personen die taken verrichten ten behoeve van de school. Deze mogelijkheid is geregeld in de Wet van 1 juli 1999, houdende wijziging van enkele onderwijswetten in verband met onder meer de bestrijding van seksueel misbruik en seksuele intimidatie in het onderwijs (Stb. 313). Op deze plaats kan ook worden gewezen op het op 3 juli 2001 bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal ingediende wetsvoorstel tot wijziging van de Wet op de jeugdhulpverlening in verband met de advies- en meldpunten kindermishandeling (Kamerstukken II 2000/01, 27 842, nrs. 1–2). Bij een dergelijk meldpunt kunnen vertrouwelijk meldingen worden gedaan van kindermishandeling.

Een centraal meldpunt waarbij kan worden geïnformeerd of een sollicitant in het verleden is veroordeeld voor een zedenmisdrijf heeft de regering niet voor ogen gestaan. Wel heb ik aangegeven dat aan degenen die solliciteren bij een instelling waar wordt gewerkt met jeugdigen een verklaring omtrent het gedrag kan worden gevraagd. Bij de beoordeling van de vraag of de verklaring zal worden afgegeven worden de justitiële en politiële gegevens die op naam van betrokkene zijn geregistreerd beoordeeld in het licht van de werkzaamheden die hij of zij gaat verrichten. Een centraal meldpunt is niet nodig en zou om die reden een onnodige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de geregistreerden zijn. Daar komt bij dat nu al alle strafvorderlijke afdoeningen worden geregistreerd in de justitiële documentatie. In zoverre is al van een centraal register sprake.

Met het bovenstaande heb ik ook antwoord gegeven op de vraag van de leden van de fractie van D66 met betrekking tot het oprichten van een centrale databank waarin mensen worden geregistreerd die ooit zijn veroordeeld wegens kindermisbruik. Ik ben geen voorstander van een dergelijke databank naast de justitiële documentatie. Daarbij teken ik aan dat artikel 8, tweede lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) bepaalt dat een ieder recht heeft op eerbiediging van onder andere zijn privéleven, tenzij een inbreuk daarop noodzakelijk is onder meer ter beveiliging van de samenleving. Volgens de jurisprudentie van het Europese Hof ligt in deze regel besloten dat geen inbreuk op de persoonlijke levenssfeer mag worden gemaakt wanneer het doel van beveiliging van de samenleving ook met andere minder ingrijpende middelen kan worden bereikt. De procedure voor de afgifte van een verklaring omtrent het gedrag is naar mijn oordeel een dergelijk minder ingrijpend middel waarmee het beoogde doel goed kan worden bereikt.

Uit het bovenstaande kan niet de conclusie worden getrokken dat een schoolleiding niet op de hoogte kan geraken van de zedendelicten van leraren die reeds zijn aangesteld. Indien bij de politie of justitie bekend is dat een leraar zich vergrijpt aan jeugdigen en daarmee een onmiddellijk dreigend gevaar bestaat voor de kinderen op de school waar de betrokkene les geeft, kan het tot de taak van de politie of de officier van justitie behoren om de schoolleiding daarvan op de hoogte te stellen. De daadwerkelijke voorkoming van strafbare feiten is een strafvorderlijk belang dat de informatieverstrekking rechtvaardigt.

Ik meen met het bovenstaande ook te zijn ingegaan op hetgeen is gesteld in de schriftelijke stukken bij het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra, de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet educatie en beroepsonderwijs onder meer in verband met de onderwijsbevoegdheid voor het geven van onderwijs in zintuiglijke en lichamelijke oefening en de verklaring omtrent het gedrag alsmede op de discussie tijdens de mondelinge behandeling van dit wetsvoorstel (Kamerstukken II 2000/01, 27 616, nrs. 6, blz. 14 en Handelingen II 2000/01, blz. 76–4951).

Op de vraag van de leden van de fractie van D66 of door de invoering van de voorgestelde wetgeving adequater kan worden voorkomen dat mensen die zijn veroordeeld voor kindermisbruik in banen terechtkomen waar veel met kinderen wordt gewerkt, kan bevestigend worden geantwoord. Bij de weging van strafbare feiten zal gebruik gemaakt worden van zogenaamde screeningsprofielen, hetgeen betekent dat per type functie in kaart gebracht wordt aan welke delicten in het bijzonder aandacht moet worden besteed. Daarbij is evident dat bij functies waarbij wordt omgegaan met kinderen met name van belang zijn de zeden- en geweldsdelicten. Deze profielen zijn openbaar en staan daarmee bloot aan kritiek indien zij niet adequaat zouden zijn. Overigens benadruk ik dat, ondanks het hulpmiddel van de sceeningsprofielen, het telkens gaat om een oordeel in het concrete geval.

De leden van de fractie van D66 willen weten of in een door hen geschetste casus een verklaring omtrent het gedrag zal worden afgegeven. Daarbij gaat het om het volgende geval. Overleg tussen de officier van justitie, de schoolleiding en een leraar die wordt verdacht van onzedelijk gedrag jegens leerlingen leidt tot seponering van de zaak onder de voorwaarde dat de docent ontslag neemt. Enige tijd later solliciteert hij bij een andere school en wordt hem gevraagd om een verklaring te overleggen.

Uit de justitiële documentatie zal van het sepot blijken. In dergelijke zaken zal het vaak voor de hand liggen dat nadere informatie wordt ingewonnen bij de officier van justitie. Het zal immers opvallen dat het enerzijds een sepot betreft inzake een zedendelict en anderzijds gaat om een sepot van recente datum. Uit de informatie van de officier van justitie zal in voorkomend geval de ernst van de zaak blijken.

Met de procedureschets van de leden van de fractie van D66 kan ik instemmen. Wel is het met het oog op de vraag of deze complexe procedure de oorzaak is van de lange afdoeningstermijn wenselijk enig nader inzicht in de procedure te schetsen. De aanvraag om afgifte van een verklaring wordt ingediend bij de burgemeester. De burgemeester checkt de persoonsgegevens bij de GBA. Tot zover wijzigt er niets. De burgemeester zendt de aanvraag terstond door aan de Minister van Justitie. Dit houdt in dat met het doorsturen niet kan worden gewacht totdat bijvoorbeeld een advies kan worden uitgebracht. Nadat de aanvraag op het ministerie is binnengekomen, worden de justitiële en politiële gegevens opgevraagd en wordt begonnen met het beoordelingsproces. Ondertussen heeft de burgemeester maximaal tien dagen nadat bij hem de aanvraag is binnengekomen de tijd om een advies op te stellen en aan de Minister van Justitie te doen toekomen. De Minister van Justitie betrekt in zijn oordeel het advies van de burgemeester. Alvorens op de aanvraag te beslissen stelt de Minister van Justitie de burgemeester in kennis van zijn beslissing. De burgemeester wordt vervolgens in de gelegenheid gesteld om zijn mening kenbaar te maken. Deze laatste stap vergt natuurlijk ook enige tijd.

De leden van fractie van D66 concluderen terecht dat de hierboven geschetste procedure de reden is dat de beslistermijn is uitgebreid van vier naar acht weken. Met de leden van de fractie van D66 ben ik bij nader inzien van mening dat een beslistermijn van acht weken eigenlijk te lang is. Zoals dezelfde leden aangeven willen zowel werkgevers als sollicitanten op korte termijn beschikken over een verklaring omtrent het gedrag. Om tegemoet te komen aan de wens om sneller te beslissen over de afgifte van de verklaring omtrent het gedrag stel ik voor bij nota van wijziging artikel 35 in die zin aan te passen dat de tweede consultatie van de burgemeester komt te vervallen.

De leden van de fractie van D66 willen weten of een afdoeningstermijn van twee weken haalbaar is. In veel gevallen is dit haalbaar. Bedacht moet echter worden dat er gevallen zijn waarbij de weging niet eenvoudig is. In dergelijke gevallen zal niet alleen een reclasseringsrapport worden gevraagd, maar ook informatie bij de officier van justitie en wellicht bij de betrokkene zelf. Het is dan praktisch onmogelijk om binnen twee weken een beslissing op de aanvraag te nemen. Daarom is het van belang dat de beslistermijn op vier weken wordt gesteld. Dit laat overigens onverlet dat gestreefd wordt naar een zo snel mogelijke afdoening van een aanvraag.

De leden van de fractie van D66 vrezen dat het feit dat het advies van de burgemeester niet bindend is, de motivatie van de burgemeester om mee te werken aan het uitbrengen van het advies vermindert.

Het advies van de burgemeester heeft betrekking op de toetsingsgronden waarop de beslissing tot afgifte is gebaseerd. Dit houdt in dat de burgemeester adviseert over de plaatselijke belangen in verband met het risico voor de samenleving dat in het geding is. Dit kan afhangen van lokale omstandigheden. Voor een juiste beslissing kan dit van belang zijn.

De leden van de GroenLinks-fractie onderschrijven dat bij de afwegingen in het kader van de afgifte van de verklaring omtrent het gedrag geen lokale belangen mogen worden meegewogen. Zij vragen zich echter af hoe wordt uitgesloten dat de burgemeester hier in zijn adviestaak rekening mee blijft houden. Ik heb erop gewezen dat lokale belangen een rol kunnen spelen bij de beoordeling van de mate waarin de veiligheid van de samenleving wordt bedreigd. De rechtsgelijkheid vergt uiteraard dat betrokkenen gelijkelijk worden beoordeeld. Dan mogen lokale belangen als zodanig geen rol spelen. Naar mijn mening wordt met het voorstel tot herformulering van de adviesbevoegdheid van de burgemeester voorkomen dat lokale belangen opgaan in een brede advisering, zodat wellicht niet meer duidelijk is om welke lokale belangen het gaat.

In zoverre wordt in ieder geval uitgesloten dat dergelijke belangen een onjuiste rol spelen bij de beoordeling van de strafrechtelijke integriteit van de betrokkene.

Dat ik geen voorstander ben van het laten schrappen van de adviestaak van de burgemeester heb ik hierboven reeds beargumenteerd. Ik verwijs daarnaar.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen zich af hoe het advies van de burgemeester er uit zal moeten zien.

De burgemeester adviseert over de lokale belangen met het oog op de afgifte van de verklaring omtrent het gedrag. Vanwege deze adviesbevoegdheid is de burgemeester bevoegd om te adviseren over de rol die de plaatselijke belangen in het kader van de beoordeling van de strafrechtelijke integriteit zouden moeten spelen. Opdat de Minister van Justitie inzicht krijgt in de reden van een dergelijk oordeel, is het van belang dat de burgemeester zijn advies onderbouwt. Een niet onderbouwd advies zal minder gewicht in de schaal leggen. De leden van de GroenLinks-fractie wijzen er terecht op dat in dat geval altijd uit het advies kan worden afgeleid of op onwenselijke wijze lokale belangen bij de advisering zijn betrokken.

De leden van de GroenLinks-fractie refereren aan het advies van de Raad van State met betrekking tot de controle van de volledigheid van de aanvraag. Evenals de Raad van State zetten ook deze leden vraagtekens bij de dubbele controle. Deze leden vinden een dubbele controle in het licht van artikels 29, vierde lid, waarin is bepaald dat de burgemeester de aanvraag terstond zendt aan de Minister van Justitie onbegrijpelijk. Zij stellen om die reden daarover enige vragen.

Bij de indiening van de aanvraag kan de burgemeester de identiteit van de aanvrager controleren. Feitelijk zal de identiteit van de aanvrager aan de balie op het stadhuis worden gecontroleerd door in eerste instantie te bekijken of de foto uit het identiteitsbewijs overeenstemt met de persoon van de aanvrager. Vervolgens wordt aan de balie gecontroleerd of het aanvraagformulier compleet is ingevuld. Bij een incompleet ingevuld formulier kan de gemeenteambtenaar aangeven wat er ontbreekt. De aanvrager krijgt dan de gelegenheid om de ontbrekende gegevens ter plaatse aan te vullen. Deze wijze van in behandeling nemen is klantvriendelijker en gaat waarschijnlijk sneller dan wanneer de aanvraag naar het Ministerie moet worden gezonden. Immers, in dat geval is een persoonlijke uitleg bij de gegevens die ontbreken niet mogelijk.

Nadat de gemeenteambtenaar de aanvraag in behandeling heeft genomen, worden op het gemeentehuis de GBA-gegevens gecontroleerd. Daarna wordt de aanvraag doorgestuurd naar het Ministerie van Justitie. Refererend aan de hierboven aangehaalde verhouding met artikel 29, vierde lid, betekent het terstond zenden van de aanvraag dat de burgemeester de aanvraag verzendt nadat de bovenvermelde controles zijn uitgevoerd. Deze controles zullen redelijkerwijs in enige uren zijn afgerond, zodat de aanvraag dezelfde of de volgende dag naar het Ministerie kan worden verzonden.

De leden van de GroenLinks-fractie willen weten wat er gebeurt als deze controle op zich laat wachten.

Indien de aanvraag incompleet is, wordt deze niet in behandeling genomen. In dat geval neemt de termijn waarbinnen beslist moet worden nog geen aanvang. In andere gevallen waarin de controle op zich laat wachten, neemt de termijn waarbinnen beslist moet worden toch een aanvang na ontvangst van de aanvraag. De Minister van Justitie heeft in dat geval minder tijd voor het beoordelen van de afgifte van de verklaring. Maar het lijkt niet reëel om aan te nemen dat de controle lang op zich laat wachten. Bij de intake is de gemeenteambtenaar immers genoodzaakt om de gegevens te controleren met het oog op het beoordelen van de vraag of de aanvraag in behandeling moet worden genomen.

De leden van de GroenLinks-fractie betwijfelen of de controle van de burgemeester enige tijdwinst oplevert.

Zoals hierboven is aangegeven zit de tijdwinst in het direct controleren op compleetheid, zo nodig corrigeren of aanvullen van de gegevens op de aanvraag en het controleren van de identiteitsgegevens van de persoon in kwestie. Dit kan het beste decentraal en waar mogelijk in aanwezigheid van de aanvrager geschieden.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen of uit de justitiële documentatie altijd kan worden afgeleid om wat voor sepot het gaat.

De sepotgronden hebben allemaal een code die in de justitiële documentatie wordt opgenomen. Zo betekent sepot 02 dat er geen wettig bewijs is. Sepot 03 houdt in dat de zaak niet ontvankelijk is. Uit deze summiere weergave is dus altijd de aard van het sepot af te leiden.

Voornoemde leden signaleren dat bepaalde sepotgronden op het snijvlak van een technisch en een beleidsmatig sepot liggen. Om die reden willen zij weten hoe kan worden gegarandeerd dat een sepotaantekening niet ten onrechte leidt tot weigering van een verklaring omtrent het gedrag.

Indien op grond van andere justitiële gegevens dan het sepotgegeven in de justitiële documentatie een oordeel kan worden gegeven over de afgifte van de verklaring, zal nader onderzoek naar de feiten achter het sepot niet nodig zijn. Een oordeel over de afgifte zal niet kunnen worden gebaseerd op een sepot. De vermelding zal behoudens uitzonderlijke omstandigheden (bijvoorbeeld de situatie van een voorwaardelijk sepot bij een licht zedendelict met als bijzondere voorwaarde het niet meer werkzaam mogen zijn in de jeugdzorg) slechts een rol spelen in het totaalpakket van gegevens. Rijst er twijfel, dan is nader onderzoek geboden. Immers, gelet op het feit dat een sepot niet zonder meer met een veroordeling kan worden gelijkgesteld moet hiermee met grote zorgvuldigheid worden omgegaan.

In hetzelfde kader vragen deze leden hoe kan worden gegarandeerd dat één sepotaantekening bij iemand die bijvoorbeeld solliciteert naar de functie van leraar niet betreft een zedendelict dat is geseponeerd wegens het verstrijken van de redelijke termijn, terwijl door een bekentenis van betrokkene vaststaat dat het delict is gepleegd.

Uit de registratie van het sepot kan worden opgemaakt zowel de aard van het sepot als het type delict. Indien blijkt dat iemand die een verklaring moet overleggen in het kader van een sollicitatie als leraar een geseponeerd zedendelict op zijn naam heeft staan, zal nader onderzoek naar de aard van de zaak worden gedaan. Immers, de objectieve toetsing zal in het nadeel van betrokkene uitpakken. Bij deze beantwoording gaat het erom dat in het algemeen de volgende vraag moet worden beantwoord: Zou een herhaling van het plegen van een zedendelict in het algemeen, dus los van het concrete geval, in zijn algemeenheid aan een behoorlijke uitoefening van de functie van leraar in de weg staan, omdat daarbij een risico voor de samenleving ontstaat. Deze vraag zal positief moeten worden beantwoord. Het risico voor de samenleving is dat betrokkene zich op school aan een kind vergrijpt. Dit staat aan een behoorlijke taakuitoefening van het leraarschap in de weg.

Nadat de objectieve vraag positief is beantwoord, komt de subjectieve vraag aan de orde. Ofwel, leiden de omstandigheden van het geval ertoe dat de verklaring toch moet worden afgegeven. Om deze vraag te kunnen beantwoorden zal in gevallen van twijfel nadere informatie moeten worden ingewonnen bij het openbaar ministerie en in sommige gevallen bij de reclassering. Het totaal van de informatie zal leiden tot een goed onderbouwd oordeel.

Met het bovenstaande is ook al een begin van een antwoord gegeven op de vraag waarom onderscheid wordt gemaakt tussen één of meer sepots.

Gesteld dat in bovenstaande casus op naam van de betrokkene ook een sepotbeslissing inzake dronken rijden staat geregistreerd. De objectieve vraag zal dan ontkennend worden beantwoord. Maar de objectieve vraag met betrekking tot het zedendelict was al positief beantwoord. Het andere sepot zal nu alleen nog maar een rol spelen in het kader van de omstandigheden van een geval. Te denken valt aan het feit dat betrokkene heel veel sepotvermeldingen op zijn naam heeft staan. Betrokkene komt dan blijkbaar vaak in aanraking met de politie. Dit gegeven kan in negatieve zin meewegen bij de beoordeling van de vraag of tot afgifte moet worden overgegaan. Daarbij zal dan rekening moeten worden gehouden met het type delict.

De vraag van de leden van de GroenLinks-fractie of bij de beoordeling van het sepot altijd gekeken wordt naar het soort feit kan, gelet op hetgeen hierboven is aangegeven, positief worden beantwoord.

Op de vraag of altijd bij het openbaar ministerie wordt gevraagd naar de achtergronden van het sepot, is ook reeds ingegaan. De regel is dat dat zal gebeuren, indien niet duidelijk is op welke wijze en in welke mate dit gegeven kan worden meegewogen.

Het is niet zo, zoals de leden van de GroenLinks-fractie veronderstellen, dat het eenvoudiger wordt voor ex-gedetineerden die solliciteren naar de functie van PIW-er om een verklaring omtrent het gedrag te verkrijgen. Het gaat er om dat iemand, ondanks een eventueel justitieel gegeven, stabiel genoeg is om de specifieke mentale druk die voortvloeit uit de omgeving van een penitentiaire inrichting te kunnen doorstaan. Voor iemand uit een crimineel milieu zal dit niet eenvoudig zijn. Het risico is dan te groot dat de aanstaande PIW'er zal zwichten voor druk van gedetineerden. Dit kan tot onwenselijke situaties leiden. Wel is het denkbaar dat een verklaring wordt afgegeven aan iemand die in het verleden wel eens met justitie in aanraking is geweest en op wiens naam een sepotbeslissing staat vermeld. Het zal echter van met name de omstandigheden van het geval afhangen of een verklaring zal worden afgegeven. Daarbij zal ook een rol spelen in welk type inrichting betrokkene zal komen te werken. Werken in een extra beveiligde inrichting stelt andere eisen aan betrokkene dan werken in een open inrichting. Geconcludeerd kan worden dat geen eenduidig antwoord is te geven. De betrokkene zal gelet op de functie die hij gaat uitoefenen geen risico voor de samenleving mogen zijn.

In antwoord op een vraag van de leden van de GroenLinks-fractie daaromtrent, kan uit hetgeen hierboven is opgemerkt geconcludeerd worden dat van een veranderde houding geen sprake is.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen hoe gegarandeerd kan worden dat potentiële werkgevers niet wederom op andere manieren aan hun informatie gaan komen als de verklaring omtrent het gedrag gemakkelijker zal worden verstrekt. Garanties tegen het illegaal weglekken van strafrechtelijke gegevens kunnen nooit absoluut zijn. Wat betreft de legale verstrekkingen strookt het evenwel niet met de opzet van de verklaring omtrent het gedrag om dat gemakkelijker te maken. Telkens zal bij een aanvraag een zorgvuldige afweging moeten worden gemaakt over het al dan niet afgeven van de verklaring. De ene keer is de afweging eenvoudig, de andere keer is de afweging meer complex. Van belang is dat er enerzijds een uniform beleid ontstaat met betrekking tot de toetsing, en anderzijds niet uit het oog wordt verloren dat het om een beslissing in een concreet geval gaat. De voorgenomen centralisering van de beoordeling zal een meer uniform beleid in de hand werken. Het is de bedoeling dat daardoor het vertrouwen in de verklaring toeneemt en de behoefte aan strafrechtelijke informatie zal afnemen. Het bestaande verstrekkingenregime zal daarom moeten worden herzien.

De leden van de fracties van RPF/GPV zijn van mening dat de burgemeester zich in zijn advisering zou moeten beperken tot de lokale omstandigheden en dat om die reden het eerste lid van artikel 29a moet worden aangepast.

Een aantal leden van andere fracties hebben ook vragen gesteld over de betekenis van de lokale omstandigheden. Dit heeft geleid tot het voorstel tot aanpassing van voornoemd artikel. Daarmee kom ik tegemoet aan het voorstel van deze leden tot aanpassing van dat artikel. Ik heb ook uiteengezet wat wordt bedoeld met lokale belangen waarmee in het kader van de beoordeling van de afgifte van de verklaring rekening mag worden gehouden. Daarbij heb ik benadrukt dat het gaat om omgevingsfactoren die van belang kunnen zijn voor het beoordelen van het risico voor de samenleving. Op deze plaats verwijs ik daarnaar.

De leden van de fracties van RPF/GPV stellen voor om artikel 35 zodanig te veranderen dat het kenbaar maken van de voorgenomen beslissing aan de burgemeester ook uitsluitend betrekking mag hebben op de lokale omstandigheden.

Aangezien ik heb voorgesteld om artikel 35 te laten vervallen, behoeft deze vraag geen beantwoording meer.

Op de vraag van dezelfde leden naar het geven van voorbeelden van lokale risico's die een rol kunnen spelen bij de afweging om al dan niet tot afgifte over te gaan, verwijs ik naar de uiteenzetting die ik op eenzelfde vraag van de leden van de VVD-fractie heb gegeven.

Voorts vragen deze leden of de door de burgemeester te verstrekken informatie over lokale risico's niet op een andere manier door de Minister van Justitie kan worden verkregen.

Aangezien het advies van de burgemeester betrekking heeft op de gevolgen die bepaalde lokale omstandigheden kunnen hebben gelet op de taak waarvoor de verklaring is gevraagd, zou deze informatie wellicht ook door de officier van justitie of de reclassering verstrekt kunnen worden. De meerwaarde van de advisering door de burgemeester is gelegen in de snelheid waarmee hij zijn kennis over de omgeving waarin betrokkene zijn functie zal gaan uitoefenen kan doorgeven aan de Minister van Justitie. De burgemeester staat dichter bij de lokale situatie dan de reclassering of het OM. In de gevallen waarin de burgemeester niet over die kennis beschikt behoeft geen advies te worden gegeven.

II ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Artikel 4 en 5

De leden van de CDA-fractie stellen voor om de mogelijkheid te creëren om de maximale bewaartermijn te overschrijden ten behoeve van de veiligheid van de samenleving.

De bewaartermijnen zijn overgenomen uit de huidige regelgeving. Het Besluit inlichtingen justitiële documentatie is op 26 februari 1993, Stb. 137 zodanig gewijzigd dat de bewaartermijnen in overeenstemming zijn gebracht met het Verdrag tot bescherming van personen met betrekking tot de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens (Trb. 1988, 7). In artikel 5, onder c, van dit Verdrag wordt bepaald dat persoonsgegevens die langs geautomatiseerde weg worden verwerkt, toereikend, ter zake dienend en niet overmatig dienen te zijn, uitgaande van de doeleinden waarvoor zij worden opgeslagen.

Uitgangspunt is toen geweest dat de justitiële gegevens niet langer dan twintig jaar geregistreerd mogen blijven. Destijds is dit uitgangspunt onderschreven door de vergadering (thans College) van procureurs-generaal en de reclassering. Een uitzondering was echter wenselijk voor ernstige misdrijven. Dit heeft ertoe geleid dat in artikel 5 verlengingsmogelijkheden voor de bewaartermijn zijn geregeld.

Een nog langere bewaartermijn dan thans wordt voorgesteld blijkt in de praktijk niet nodig te zijn voor het doel van de justitiële documentatie, te weten een goede strafrechtspleging.

Artikel 9

De leden van de PvdA-fractie vragen om voorbeelden die aangeven wat onder een «zwaarwegend algemeen belang» en een «goede taakuitoefening» wordt verstaan. Bovendien vragen deze leden in dat kader ook enige instanties te noemen.

In artikel 9 wordt de mogelijkheid van verstrekking van justitiële gegevens geregeld, indien een zwaarwegend algemeen belang dit vordert en voorzover dit voor een goede taakuitoefening van degene aan wie justitiële gegevens worden verstrekt noodzakelijk is. De ontvangende organisaties worden in een besluit opgenomen.

In veel gevallen worden de taken in welk kader justitiële gegevens mogen worden verstrekt neergelegd in een wet. Het resultaat van de beoordeling van het zwaarwegend algemeen belang dat noodzaakt tot verstrekking is dan wettelijk verankerd. Gedacht kan worden aan de wettelijke regelingen die de verstrekking van justitiële gegevens aan de Minister van Justitie of de voorzitters van de kamers van toezicht ten behoeve van de screening van aanstaande rechters respectievelijk notarissen regelt. Voorts kan worden gedacht aan het verstrekken van justitiële gegevens aan de minister van justitie ten behoeve van de beoordeling van een verzoek tot naturalisatie. In dergelijke gevallen wordt in de wet het mogen ontvangen van justitiële gegevens geregeld.

Daarnaast zijn er zwaarwegende algemene belangen die niet wettelijk zijn verankerd, maar die wel een verstrekking van justitiële gegevens rechtvaardigen. Deze verstrekkingen zijn op grond van artikel 13 van de huidige Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag neergelegd in het Besluit inlichtingen justitiële documentatie. Als voorbeeld kan worden genoemd het verstrekken van justitiële gegevens aan de politie ten behoeve van de controle op de juistheid van politiegegevens die aan het buitenland worden verstrekt.

Zoals al in de nota naar aanleiding van het verslag is aangegeven (blz. 8) zal, gelet op de voorgestelde aanscherping van de regeling inzake de verklaring omtrent het gedrag, van alle in het huidige Besluit inlichtingen justitiële documentatie opgenomen ontvangstgerechtigden worden bezien of er nog steeds sprake is van een zwaarwegend algemeen belang die een verstrekking van concrete justitiële gegevens rechtvaardigt. Met name in de gevallen waar het om screening van personen gaat moet worden beoordeeld of niet kan worden volstaan met een verklaring omtrent het gedrag.

Artikel 15

De leden van de PvdA-fractie achten het wenselijk dat de justitiële gegevens die ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek worden verstrekt helemaal niet tot individuele personen te herleiden zijn. Zij vragen waarom in artikel 15 is gekozen voor de formulering dat de verstrekte gegevens redelijkerwijs niet te herleiden zijn tot individuele personen.

Met deze terminologie wordt aangesloten bij wat algemeen gangbaar en wenselijk is. Uitgangspunt is dat het resultaat van de verwerking van de verstrekte justitiële gegevens niet meer te herleiden is tot individuele personen. Wetenschappelijk onderzoek en statistisch onderzoek voor bijvoorbeeld beleidsvorming aan de hand van strafrechtelijke persoonsgegevens is van groot belang. Ik wijs als voorbeeld op mijn brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer van 21 augustus 2001, kenmerk 5114894/01/PJS, over het bijhouden en onderzoeken van recidive in verband met het beoordelen van de effectiviteit van verschillende penitentiaire programma's. Hiertoe zullen onder meer gegevens aan de justitiële documentatie worden ontleend. Een dergelijk onderzoek vereist dat de wetenschappelijk onderzoeker of de statisticus kan werken met persoonsgegevens. Kernpunt is evenwel dat deze gegevens niet worden gebruikt voor beslissingen inzake personen en de resultaten geen op personen herleidbare gegevens bevatten.

Artikel 16

De leden van de PvdA-fractie zijn geïnteresseerd in de sancties op schending van de in artikel 16 genoemde bepalingen.

Degene die door middel van telecommunicatie justitiële gegevens verschaft mag deze in beginsel niet opslaan en vermenigvuldigen. Daarvoor worden de gegevens immers niet verstrekt. Het College bescherming persoonsgegevens is op grond van artikel 25 juncto artikel 60 van de Wet bescherming persoonsgegevens, bevoegd de naleving van de regels te controleren. Indien de ontvanger zich niet houdt aan deze bepaling en de bij algemene maatregel van bestuur nader bepaalde regels, zal de verstrekking van justitiële gegevens niet langer meer langs geautomatiseerde weg plaatsvinden.

Voorts heeft de ontvanger onrechtmatig gehandeld, hetgeen een grond voor schadevergoeding is.

Artikel 23

De leden van de PvdA-fractie vragen naar de betekenis van de term «onevenredige inspanning» in artikel 23. In dat artikel wordt bepaald dat een verbetering, aanvulling, verwijdering of afscherming van een justitieel gegeven moet worden medegedeeld aan degenen aan wie dit gegeven het jaar voor die handeling is verstrekt, tenzij dit onmogelijk blijkt te zijn of een onevenredige inspanning kost.

Deze terminologie is ontleend aan artikel 38, eerste lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens (WBP). In de memorie van toelichting bij de WBP is als voorbeeld van een «onevenredige inspanning» genoemd de situatie waarin van de verantwoordelijke van een groot, landelijk verspreid adressenbestand, zoals een telefoonboek, waarin een typefout in de naam van iemand is ontdekt moeilijk kan worden gevergd dat hij iedereen die dit bestand heeft ontvangen op de hoogte stelt.

De registratie is primair bedoeld voor een goede rechtspleging. De rechterlijke macht kan daarom worden aangemerkt als grootverbruiker. De verstrekking van justitiële gegevens is voor het overige overzichtelijk en tamelijk beperkt van omvang. Het gevolg is dat dergelijke verstrekkingen in de regel kunnen worden geprotocolleerd. Dan kost het geen onevenredige inspanning om een verbetering, aanvulling, verwijdering of afscherming van een justitieel gegeven mee te delen aan degene die het betreffende gegeven het afgelopen jaar heeft ontvangen.

Met het bovenstaande is ook ingegaan op de constatering van dezelfde leden dat moet kunnen worden nagegaan waar de verstrekte gegevens blijven.

De verstrekkingsmogelijkheden zijn limitatief geregeld bij algemene maatregel van bestuur. Er is dus sprake van een gesloten verstrekkingenregiem. Zoals hierboven is aangegeven kan worden geprotocolleerd aan wie de gegevens worden verstrekt met als gevolg dat deze personen of instanties later kunnen worden geïnformeerd over eventuele veranderingen van de gegevens. De vraag van de leden van de PvdA-fractie of er wordt verstrekt aan onbekenden kan dus ontkennend worden beantwoord.

Artikel 27 en artikel 32

De leden van de PvdA-fractie concluderen terecht dat alleen in de artikelen 27 en 32 passages zijn opgenomen die verwijzen naar de belangenafweging die plaats behoort te vinden bij het afgeven van een verklaring omtrent het gedrag.

Aangezien in deze beide bepalingen de toetsingscriteria voor de afgifte van de verklaring omtrent het gedrag zijn opgenomen, is een vermelding op een andere plaats niet zinvol. Een eenmalige vermelding is voldoende om te worden toegepast bij de afwegingen. Alhoewel al uit de tekst van artikel 27, zoals die luidde bij de indiening van het wetsvoorstel, kon worden opgemaakt dat met de belangen van betrokkene rekening moest worden gehouden bij de afweging, is dit belang in de nota van wijziging expliciet toegevoegd.

Artikel 29

De leden van de fractie van de VVD informeren naar de gevolgen die verbonden zijn aan een eventueel afwijkend oordeel inzake het onderzoek overeenkomstig artikel 29, tweede lid.

Hierboven ben ik in het kader van de vraag van de leden van de GroenLinks-fractie over de dubbele controle van de volledigheid van de gegevens van de aanvraag, op dit punt al ingegaan. Indien de verstrekte gegevens onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag neemt de burgemeester de aanvraag niet in behandeling en geeft de aanvrager de gelegenheid om de ontbrekende gegevens aan te vullen (artikel 4:5 Awb). De beslistermijn wordt in dat geval opgeschort (artikel 4:15 Awb). De aanvraag wordt dan niet doorgezonden.

Met het bovenstaande is ook ingegaan op de overige vragen van de leden van de fractie van de VVD.

Artikel 29a

De leden van de PvdA-fractie vragen of is overwogen om de adviserende rol van de burgemeester zoals die nu in het voorstel is opgenomen achterwege te laten.

Alhoewel deze optie is overwogen, is daarvoor niet gekozen. Door de gemeente te betrekken bij de procedure is er voor de burger een makkelijk toegankelijk loket om de verklaring omtrent het gedrag aan te vragen. Voor de burger blijft de procedure dezelfde als onder de bestaande wet. Bovendien kan de burgemeester door middel van zijn adviesbevoegdheid attenderen op omstandigheden waarmee rekening kan worden gehouden bij het nemen van de beslissing omtrent afgifte van de verklaring.

Artikel 30

De leden van de PvdA-fractie merken terecht op dat een potentiële toekomstige werkgever op grond van artikel 30, derde lid, een verklaring overlegt waarin staat om welke functie het met het oog op het beoordelen van de afgifte van de verklaring omtrent het gedrag gaat en welke risico's daarbij voor de samenleving in het geding kunnen zijn. Deze leden vragen zich af of er ruimte is om de redactie en de inhoud van een dergelijke verklaring te toetsen.

De beschrijving van de werkgever kan zowel door de burgemeester als de Minister van Justitie inhoudelijk worden getoetst. Het mag immers niet zo zijn dat een toekomstige werkgever op grond van onjuiste gegevens de beoordeling van de strafrechtelijke integriteit kan beïnvloeden. Op het ministerie zullen voor uiteenlopende functies screeningsprofielen worden opgesteld. Daartoe zal overleg worden gevoerd met organisaties en instanties die inzicht kunnen verschaffen in de risico's die de uitoefening van een bepaald beroep met zich kunnen brengen. De profielen zijn openbaar en zullen periodiek worden bijgesteld.

In die gevallen waarin voor een bepaald beroep een screeningsprofiel is opgesteld kan de beschrijving van de werkgever worden gebruikt als een check op het algemeen opgestelde profiel. Het is echter niet uitgesloten dat in het concrete geval een groter risico kan worden aangetoond. Dit zal dan ook uit de beschrijving blijken. Of er daadwerkelijk sprake is van een groter risico, wordt in die gevallen waarin er gerede twijfel is om daaraan te twijfelen, nagegaan bij de desbetreffende werkgever. Dit kan zowel door de burgemeester als door de Minister gebeuren, bijvoorbeeld naar aanleiding van mededelingen van de aanvrager van de verklaring omtrent het gedrag. Voor een standaardcontrole op elke aanvraag geeft de praktijk evenwel geen aanleiding.

Voorts zal de verklaring van de toekomstige werkgever van belang zijn voor die functies waarin geen algemeen screeningsprofiel is opgesteld. Het zal dan om de minder bekende functies gaan. In dergelijke gevallen is het van belang dat de werkgever een zo volledig mogelijke verklaring opstelt, opdat de strafrechtelijke integriteit op de juiste wijze kan worden beoordeeld. Maar de volledigheid van de verklaring is ook noodzakelijk om de juistheid van de in de verklaring opgenomen risico's te kunnen beoordelen. Roept de inhoud van de verklaring vragen op, dan zal de werkgever om uitleg worden gevraagd. Ook kan ervoor worden gekozen om bij een relevante belangenvereniging of -organisatie informatie in te winnen.

Artikel 33

De leden van de PvdA-fractie constateren terecht dat de termen «aanvrager» en «verzoeker» in artikel 33 betrekking hebben op dezelfde persoon.

De leden van de GPV/RPF-fractie veronderstellen dat in artikel 33 ook moet worden opgenomen dat de Minister van Justitie geen kennis kan nemen van gegevens uit politieregisters waarop artikel 21 van de Wet politieregisters van toepassing is.

De verstrekking van politiegegevens is geregeld in de Wet en het Besluit politieregisters. In deze wettelijke regelingen wordt afgebakend in welke gevallen politiële gegevens worden verstrekt. Het enkele feit dat geen mededeling aan de geregistreerde wordt gedaan met betrekking tot over hem opgenomen gegevens in het politieregister met het oog op de goede uitvoering van de politietaak is als zodanig geen reden om deze gegevens niet te verstrekken. Wel is meer in het algemeen de goede uitvoering van de politietaak reden om geen gegevens uit het register zware criminaliteit te verstrekken (artikel 13a, derde lid, van de Wet politieregisters). De verstrekking van politiële gegevens aan de Minister van Justitie in het kader van de verklaring omtrent het gedrag is geregeld in een nieuw onderdeel d van het eerste lid van artikel 15 van de Wet politieregisters. Gelet op de systematiek van artikel 13a van laatstgenoemde wet, moet voornoemd nieuw onderdeel in artikel 13a worden opgenomen. In de nota van wijziging wordt dit verwerkt.

Het gevolg van het voorstel is dat bepaalde politiële gegevens niet voor dit doel worden verstrekt aan de Minister van Justitie en dus niet worden betrokken in de beoordeling van de strafrechtelijke integriteit van betrokkene. Het resultaat strookt met het voorstel van de leden van de GPV/RPF-fractie. In zoverre kan aan hun voorstel tegemoet worden gekomen.

Ten gevolge van de aanpassing van artikel 13a van de Wet politieregisters is een aanpassing van artikel 29a van het onderhavige wetsvoorstel, zoals geopperd door dezelfde leden, niet meer aan de orde.

Gelet op hun hierboven genoemde voorstel gaan de leden van de GPV/RPF-fractie er terecht van uit dat ook geen justitiële gegevens waarover op grond van artikel 20 van het wetsvoorstel geen mededeling jegens de geregistreerde kan worden gedaan, worden betrokken bij de beoordeling van de vraag of de verklaring omtrent het gedrag van rechtspersonen wordt afgegeven. Deze leden stellen voor om deze uitzondering in het tweede lid van artikel 33 op te nemen. Alhoewel uit de samenhang van het eerste en het tweede lid kan worden opgemaakt dat de bedoelde uitzondering ook geldt in het kader van de verklaring omtrent het gedrag van rechtspersonen, is het wellicht inzichtelijker als in het tweede lid hierop expliciet wordt ingegaan. In de nota van wijziging wordt dit verwerkt.

Artikel 35

Op de vraag van de leden van de PvdA-fractie of de beslistermijn op de aanvraag om afgifte van de verklaring omtrent het gedrag kan worden verkort kan ik bevestigend antwoorden.

Hierboven heb ik op eenzelfde soort vraag van de leden van de fractie van D66 aangegeven de beslistermijn te verkorten tot vier weken. Ik verwijs daarnaar.

Met de leden van de VVD- en de CDA-fractie vind ik de beslistermijn op de aanvraag om afgifte van de verklaring omtrent het gedrag erg lang. Om die reden heb ik de termijn verkort tot vier weken. Ik meen met dit voorstel ook te zijn ingegaan op de vraag van de leden van de VVD-fractie inzake de verhouding tussen de lange beslistermijn van acht weken en de behoefte van de gebruikers van een verklaring omtrent het gedrag.

De leden van de VVD-fractie vragen wat de termijn van de beslissing op de aanvraag met betrekking tot een verklaring van geen bezwaar tot oprichting van een rechtspersoon is.

Op deze aanvraag wordt op grond van artikel 4:13 van de Awb binnen acht weken beslist. Daarbij moet bedacht worden dat de toetsing in het kader van de verklaring van geen bezwaar niet alleen een justitiële toetsing is, maar ook een financiële.

In het kader van de oprichting van een NV of BV moet een verklaring van geen bezwaar worden overgelegd (zie de artikelen 2:4, 2:64, 2:68, 2:175 en 2:179 van het Burgerlijk Wetboek). Ter verkrijging van een verklaring moet een ontwerp van de akte van oprichting aan de Minister van Justitie worden gezonden. Voorzover hier van belang mag deze verklaring alleen worden geweigerd op grond dat er, gelet op de voornemens of de antecedenten van de personen die het beleid van de vennootschap zullen bepalen of mede bepalen, gevaar bestaat dat de vennootschap zal worden gebruikt voor ongeoorloofde doeleinden of dat haar werkzaamheid zal leiden tot benadeling van haar schuldeisers of dat de akte in strijd is met de openbare orde.

De aanvraag van de verklaring van geen bezwaar gaat gepaard met het invullen van vragenlijsten door degene die als oprichter, aandeelhouder of eerste bestuurder van de NV of BV optreedt. In deze vragenlijsten wordt gevraagd naar enerzijds de betrokkenheid bij vennootschappelijke activiteiten en faillissementen, anderzijds de omvang van het kapitaal. Ook wordt gevraagd naar betalingsachterstanden bij de belastingdienst. Is de oprichter een vennootschap, dan dienen tevens financiële gegevens inzake liquiditeit, eigen vermogen en winst te worden verschaft over de oprichtende rechtspersoon. Voorts worden justitiële gegevens opgevraagd.

Met het schetsen van bovenstaande procedure wordt duidelijk dat de toetsing in het kader van de verklaring van geen bezwaar meer omvattend is dan die in het kader van de verklaring omtrent het gedrag van een natuurlijke persoon. Dit rechtvaardigt een verschil in beslistermijnen.

De leden van de CDA-fractie vragen in hoeverre de lengte van de beslistermijn een gevolg is van de adviesbevoegdheid van de burgemeester.

Op eenzelfde vraag van de leden van de fractie van D66 heb ik aangegeven dat zowel de adviesbevoegdheid als het in kennis stellen van de burgemeester van een beslissing van de Minister van Justitie invloed hebben op de lengte van de beslistermijn. Om die reden is in de nota van wijziging voorgesteld het in kennis stellen van de burgemeester achterwege te laten. De adviestermijn kan dan worden teruggebracht naar vier weken.

De leden van de CDA-fractie vragen wat de status van de «mening» van de burgemeester is in het derde lid van artikel 35. Zij stellen verschillende vragen op dit punt.

Alhoewel ik heb voorgesteld deze inkennisstelling te laten vervallen, zal ik toch op de vragen van deze leden ingaan.

De mening van de burgemeester is eigenlijk gelijk aan die van het advies. Verwacht wordt dat alleen in het geval de beslissing van de Minister van Justitie niet strookt met het advies van de burgemeester, de burgemeester zijn mening wil geven. Het ligt in de rede om aan te nemen dat de mening van de burgemeester een nadere onderbouwing biedt van het eerder gegeven advies. Overigens heeft de burgemeester geen motiveringsplicht. Hiermee is antwoord gegevens op een vraag op dit punt van de leden van de CDA-fractie.

Alhoewel de mening van de burgemeester niet bindend is, kan de Minister van Justitie wellicht nog op andere gedachten worden gebracht. Indien de Minister van Justitie geen gevolg geeft aan de mening van de burgemeester, behoeft dit – evenals het niet opvolgen van het advies – niet te worden gemotiveerd. De mening van de burgemeester heeft niet meer waarde dan het advies. Het ligt echter voor de hand dat aan de burgemeester van een afwijken van zijn mening mededeling wordt gedaan met vermelding van de reden.

Mede met het oog op het vragen naar de mening van de burgemeester, was de beslistermijn op acht weken gesteld. Daarbij was ervan uitgegaan dat de burgemeester ongeveer een week nodig zou hebben om zijn mening kenbaar te maken. Vervolgens was ingecalculeerd dat er een gesprek zou plaatsvinden tussen ambtenaren van het Ministerie van Justitie en van de gemeente over het verschil van mening. Voor het plannen, voeren en uitwerken van het gesprek is ongeveer 10 dagen gerekend.

De leden van de CDA-fractie willen weten wat de burgemeester kan doen, als naar zijn oordeel zijn «mening» onterecht opzij wordt gezet. In het individuele geval zijn de mogelijkheden uitgeput. Wel kan informeel overleg plaatsvinden over de structurele gang van zaken, indien daartoe aanleiding bestaat.

Op de vraag van dezelfde leden of er andere wetten zijn waarin het begrip «mening» een rol speelt kan bevestigend worden geantwoord. Verwezen kan worden naar het eerste lid van artikel 809 van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering. Daarin is bepaald dat in een verzoekschriftprocedure minderjarigen jonger dan twaalf jaar hun mening kenbaar kunnen maken.

Artikel 58a

De leden van de fractie van de VVD willen weten hoe laag het vertrouwen in de verklaring omtrent het gedrag is.

Het is niet mogelijk om met cijfermateriaal aan te geven hoe laag dit vertrouwen is. In het eerder aangehaalde rapport «Waar een wil is, is een weg» is aangegeven dat er weinig vertrouwen in de verklaring is. Zoals ik in de nota naar aanleiding van het verslag heb aangegeven worden op het Ministerie van Justitie met een zekere regelmaat klachten over de afgifte van de verklaring ontvangen.

Dezelfde leden willen ook graag weten tot welke verbetering in het vertrouwen het voorliggende wetsvoorstel zal leiden.

Indien in de praktijk de betrouwbaarheid van de beoordeling van de strafrechtelijke integriteit in het kader van de afgifte van de verklaring blijkt, wordt de druk om concrete strafrechtelijke gegevens te willen ontvangen geringer. Het is dan immers niet langer noodzakelijk om zelf een screening te verrichten. Daar komt bij dat het voor bijvoorbeeld een aanstaande werkgever ook een voordeel is als hij de screening kan overlaten aan terzake kundigen. Tevens biedt de verklaring voor degenen die worden gescreend bescherming van de persoonlijke levenssfeer, aangezien bij de afgifte van de verklaring geen concrete strafrechtelijke gegevens worden vermeld.

De vraag van dezelfde leden of in de evaluatie zal worden aangegeven of de beoogde verbetering is gerealiseerd kan bevestigend worden beantwoord.

De Minister van Justitie,

A. H. Korthals