24 771
Aanpassing van de belastingbepalingen in de Provinciewet aan bepalingen in de Gemeentewet en de Waterschapswet, alsmede wijziging van de formele belastingbepalingen in de Gemeentewet en de Waterschapswet

nr. 1
KONINKLIJKE BOODSCHAP

Aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Wij bieden U hiernevens ter overweging aan een voorstel van wet houdende aanpassing van de belastingbepalingen in de Provinciewet aan bepalingen in de Gemeentewet en de Waterschapswet, alsmede wijziging van de formele belastingbepalingen in de Gemeentewet en de Waterschapswet.

De memorie van toelichting (en bijlagen), die het wetsvoorstel vergezelt, bevat de gronden waarop het rust.

En hiermede bevelen Wij U in Godes heilige bescherming.

's-Gravenhage

11 juni 1996

Beatrix

nr. 2
VOORSTEL VAN WET

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de belastingbepalingen in de Provinciewet, in het bijzonder de bepalingen over de heffing en de invordering van provinciale belastingen, in overeenstemming te brengen met de overeenkomstige bepalingen in de Gemeentewet en de Waterschapswet en in dat kader enige bepalingen in de Gemeentewet en de Waterschapswet te herzien;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

Hoofdstuk XV van de Provinciewet wordt vervangen door:

HOOFDSTUK XV. DE PROVINCIALE BELASTINGEN

§ 1. Algemene bepalingen

Artikel 220

Provinciale staten besluiten tot het invoeren, wijzigen of afschaffen van een provinciale belasting door het vaststellen van een belastingverordening.

Artikel 220a

Een belastingverordening vermeldt, in de daartoe leidende gevallen, de belastingplichtige, het voorwerp van de belasting, het belastbare feit, de heffingsmaatstaf, het tarief, het tijdstip van ingang van de heffing, het tijdstip van beëindiging van de heffing en hetgeen overigens voor de heffing en de invordering van belang is.

Artikel 221

1. Behalve de provinciale belastingen waarvan de heffing krachtens andere wetten dan deze geschiedt, worden geen andere belastingen geheven dan die bedoeld in de tweede paragraaf van dit hoofdstuk.

2. Behoudens het bepaalde in andere wetten dan deze en in de tweede paragraaf van dit hoofdstuk kunnen de provinciale belastingen worden geheven naar in de belastingverordening te bepalen heffingsmaatstaven, met dien verstande dat het bedrag van een provinciale belasting niet afhankelijk mag worden gesteld van het inkomen, de winst of het vermogen.

§ 2. Bijzondere bepalingen omtrent enkele belastingen

Artikel 222

1. Er kunnen provinciale opcenten op de hoofdsom van de motorrijtuigenbelasting worden geheven van de in de provincie wonende of gevestigde houders van personenauto's en motorrijwielen, bedoeld in artikel 2, onderdelen b en d, en artikel 3 van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 en van degenen op wier naam een kenteken als bedoeld in artikel 62 van die wet is gesteld.

2. Het aantal opcenten bedraagt voor de belastingtijdvakken die na 31 maart 1996 aanvangen, ten hoogste 105,3.

3. Voor de berekening van het aan opcenten verschuldigde bedrag wordt uitgegaan van het tarief van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 zoals dat geldt op 1 april 1995 met dien verstande dat de verhoging van de belasting, bedoeld in artikel 23, tweede lid, van die wet en de vermindering van de belasting, bedoeld in de artikelen 28 en 68 van die wet buiten beschouwing blijven.

4. Het in het tweede lid genoemde aantal opcenten wordt jaarlijks aangepast aan de hand van het vierjaarlijks voortschrijdend gemiddelde van de gerealiseerde nominale ontwikkeling van het nationaal inkomen. Onze Minister van Financiën bepaalt jaarlijks vóór 1 juli van enig jaar, in overeenstemming met Onze Minister, het aantal opcenten dat de provincies ten hoogste kunnen heffen in de periode die aanvangt op 1 april nadien. Dit aantal wordt naar boven afgerond op één decimaal.

5. Het aantal opcenten is voor alle motorrijtuigen, bedoeld in het eerste lid, gelijk.

6. Onze Minister van Financiën verstrekt de provinciale besturen jaarlijks vóór 1 september een naar soort, gewichtsklasse en aantal gespecificeerd overzicht van de motorrijtuigen, bedoeld in het eerste lid. Het overzicht wordt opgesteld naar de toestand per 1 juli van het lopende jaar.

Artikel 222a

1. Besluiten tot het invoeren, wijzigen of afschaffen van provinciale opcenten op de hoofdsom van de motorrijtuigenbelasting treden in werking met ingang van 1 april van enig jaar. Een desbetreffend besluit wordt vóór 31 december van het voorafgaande jaar in afschrift ter kennis gebracht van Onze Minister van Financiën.

2. Een in het eerste lid bedoeld besluit heeft geen gevolgen voor de opcenten die zijn betaald over een tijdvak dat vóór de datum van inwerkingtreding van dat besluit is aangevangen.

3. Bij naheffing van belasting worden opcenten berekend volgens het hoogste aantal dat in enige provincie van toepassing was op de dag waarop de in de artikelen 33, 34, 35, 36, 52, 53, 69 en 76 van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 bedoelde feiten zijn geconstateerd.

4. De houders van motorrijtuigen die niet hier te lande wonen of gevestigd zijn, maar die wel aan de heffing van motorrijtuigenbelasting zijn onderworpen, worden voor de heffing van opcenten geacht te wonen of te zijn gevestigd in een provincie die het hoogste aantal opcenten heft. In bijzondere gevallen kan Onze Minister van Financiën in overeenstemming met Onze Minister ook voor andere houders van motorrijtuigen een provincie aanwijzen waar deze houders worden geacht te wonen of te zijn gevestigd.

5. De opbrengsten van de opcenten die worden geheven volgens het derde en vierde lid, worden naar evenredigheid van het aandeel van een provincie in de totale opbrengst van de ten behoeve van de provincies geheven opcenten over alle provincies verdeeld.

6. Verandering van woonplaats of van plaats van vestiging van de houder van een motorrijtuig in de loop van het tijdvak waarover de motorrijtuigenbelasting is betaald, vormt geen aanleiding tot het heffen van opcenten over het nog niet verstreken gedeelte van het tijdvak door een andere provincie of tot het verlenen van teruggaaf van geheven opcenten.

Artikel 222b

1. Er kan een provinciale opslag op de hoofdsom van de omroepbijdrage A, onderscheidenlijk omroepbijdrage B worden geheven van degenen die omroepbijdrage verschuldigd zijn ingevolge de Mediawet en die in de provincie wonen of zijn gevestigd.

2. Besluiten tot het invoeren, wijzigen of afschaffen van de opslag treden in werking met ingang van 1 januari van een jaar. Zulk een besluit wordt vóór 1 juli van het voorafgaande jaar in afschrift ter kennis gebracht van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen.

Artikel 222c

Ter zake van het hebben van voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde grond van de provincie, kan een precariobelasting worden geheven.

Artikel 223

1. Rechten kunnen worden geheven ter zake van:

a. het gebruik overeenkomstig de bestemming van voor de openbare dienst bestemde provinciale bezittingen of van de voor de openbare dienst bestemde werken of inrichtingen die bij de provincie in beheer of in onderhoud zijn;

b. het genot van door of vanwege het provinciaal bestuur verstrekte diensten.

2. Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden de in het eerste lid bedoelde rechten aangemerkt als provinciale belastingen.

Artikel 224

De rechten, bedoeld in artikel 223, eerste lid, kunnen worden geheven door de provincie die het gebruik van de bezittingen, werken of inrichtingen toestaat of de diensten verleent, ongeacht of het belastbare feit zich binnen of buiten het grondgebied van de provincie voordoet.

Artikel 225

1. In verordeningen op grond waarvan rechten als bedoeld in artikel 223, eerste lid, worden geheven, worden de tarieven zodanig vastgesteld dat de geraamde baten van de rechten niet uitgaan boven de geraamde lasten ter zake.

2. Onder de in het eerste lid bedoelde lasten worden mede verstaan bijdragen aan bestemmingsreserves en voorzieningen voor noodzakelijke vervanging van de betrokken activa.

Artikel 226

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen inzake de belastingen, bedoeld in deze paragraaf, nadere regels worden gegeven.

§ 3. Heffing en invordering

Artikel 227

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

a. Algemene wet: Algemene wet inzake rijksbelastingen;

b. heffing op andere wijze: heffing op andere wijze dan bij wege van aanslag of bij wege van voldoening op aangifte.

Artikel 227a

1. Onverminderd het overigens in deze paragraaf bepaalde geschieden de heffing en de invordering van provinciale belastingen, andere dan die bedoeld in de artikelen 222 en 222b, met toepassing van de Algemene wet, de Invorderingswet 1990 en de Kostenwet invordering rijksbelastingen als waren die belastingen rijksbelastingen.

2. Onverminderd het overigens in deze paragraaf bepaalde gelden de bevoegdheden en de verplichtingen van de hierna vermelde, in de Algemene wet, de Invorderingswet 1990 en de Kostenwet invordering rijksbelastingen genoemde functionarissen, met betrekking tot de provinciale belastingen voor de daarachter genoemde colleges of functionarissen:

a. Onze Minister van Financiën: provinciale staten;

b. het bestuur van 's Rijks belastingen en de directeur of de inspecteur: gedeputeerde staten;

c. de ontvanger: de provincieambtenaar belast met de invordering van provinciale belastingen;

d. de ambtenaren van de rijksbelastingdienst: de provincieambtenaren belast met de heffing of de invordering van provinciale belastingen;

e. de belastingdeurwaarder: de daartoe aangewezen provincieambtenaar.

3. Onverminderd het overigens in deze paragraaf bepaalde wordt met betrekking tot provinciale belastingen in de Algemene wet en in de Invorderingswet 1990 voor «algemene maatregel van bestuur» en voor «ministeriële regeling» gelezen: belastingverordening.

Artikel 227b

Voor zover de belastingverordening dit met betrekking tot de uitvoering van enige wettelijke bepaling betreffende de heffing of de invordering van provinciale belastingen toestaat, kunnen gedeputeerde staten één of meer provincieambtenaren aanwijzen die in hun plaats treden en kunnen zij bepalen dat voor de toezending of de uitreiking van aanslagbiljetten ingevolge artikel 8, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 voor de met de invordering van provinciale belastingen belaste provincieambtenaar een andere provincieambtenaar in de plaats treedt.

Artikel 227c

Provinciale belastingen kunnen worden geheven bij wege van aanslag, bij wege van voldoening op aangifte of op andere wijze, doch niet bij wege van afdracht op aangifte.

Artikel 227d

1. Indien de provinciale belastingen op andere wijze worden geheven, bepaalt de belastingverordening op welke wijze deze worden geheven en de wijze waarop de belastingschuld aan de belastingplichtige wordt bekendgemaakt. De belastingverordening kan daarnaast bepalen dat gedeputeerde staten omtrent de uitvoering van een en ander nadere regels geven.

2. De op andere wijze geheven belastingen worden voor de toepassing van de Algemene wet en de Invorderingswet 1990 aangemerkt als bij wege van aanslag geheven belastingen, met dien verstande dat wordt verstaan onder:

a. de aanslag, de voorlopige aanslag, de navorderingsaanslag: het gevorderde, onderscheidenlijk het voorlopig gevorderde, het nagevorderde bedrag;

b. het aanslagbiljet: de kennisgeving van het in onderdeel a bedoelde bedrag;

c. de dagtekening van het aanslagbiljet: de dagtekening van de schriftelijke kennisgeving van het in onderdeel a bedoelde bedrag, of bij gebreke van een schriftelijke kennisgeving, de datum waarop het bedrag op andere wijze ter kennis van de belastingplichtige is gebracht.

Artikel 228

Bij de heffing van provinciale belastingen blijven de artikelen 2, vierde lid, 3, 26, derde lid, 37 tot en met 40, 47a, 48, 52, 53, 54, 55, 62, 71, 76, 80, tweede, derde en vierde lid, 82, 84, 86, 87 en 90 tot en met 95 van de Algemene wet buiten toepassing. Bij de heffing van provinciale belastingen die op andere wijze worden geheven, blijven bovendien de artikelen 5 tot en met 9, 11, tweede lid, en 12 van die wet buiten toepassing.

Artikel 228a

1. Het uitnodigen tot het doen van aangifte, bedoeld in artikel 6 van de Algemene wet, geschiedt door het uitreiken van een aangiftebiljet.

2. Het doen van aangifte, bedoeld in artikel 8 van de Algemene wet, geschiedt door het inleveren of toezenden van het uitgereikte aangiftebiljet met de daarbij gevraagde bescheiden.

3. In afwijking in zoverre van de vorige leden kan het college van gedeputeerde staten vorderen dat een verplichting tot het doen van aangifte of tot het indienen van een verzoek om uitreiking van een aangiftebiljet wordt nagekomen door het mondeling doen van aangifte. Daarbij:

a. worden door het college van gedeputeerde staten gevraagde bescheiden overgelegd;

b. kan het college van gedeputeerde staten vorderen dat een van de mondelinge aangifte opgemaakt relaas door de aangever wordt ondertekend, bij gebreke waarvan de aangifte geacht wordt niet te zijn gedaan.

4. Indien het derde lid toepassing vindt, kunnen gedeputeerde staten voor de termijnen, genoemd in artikel 9, eerste en derde lid, eerste volzin, artikel 10, tweede lid, en artikel 19, eerste, derde en vierde lid, van de Algemene wet, of voor de kortere termijn, bedoeld in artikel 228b, eerste of tweede lid, kortere termijnen in de plaats stellen en is artikel 12 van de Algemene wet niet van toepassing.

5. Bij de belastingverordening kan van het eerste en tweede lid worden afgeweken.

6. De vaststelling van de modellen voor de uitnodigingen tot het doen van aangifte, alsmede het stellen van regels ingevolge artikel 9, tweede lid, van de Algemene wet, geschiedt bij afzonderlijk besluit van gedeputeerde staten.

Artikel 228b

1. Met betrekking tot de bij wege van aanslag geheven provinciale belastingen kan in de belastingverordening voor de in artikel 9, eerste lid en derde lid, eerste volzin, van de Algemene wet genoemde termijn van een maand een kortere termijn in de plaats worden gesteld.

2. Met betrekking tot de bij wege van voldoening op aangifte geheven provinciale belastingen kan in de belastingverordening voor de termijn van een maand, genoemd in artikel 10, tweede lid, en artikel 19, eerste, derde en vierde lid, van de Algemene wet, een kortere termijn in de plaats worden gesteld.

Artikel 228c

1. Gedeputeerde staten zijn bevoegd om voor een zelfde belastingplichtige bestemde belastingaanslagen van dezelfde soort die betrekking kunnen hebben op verschillende belastingen, op één aanslagbiljet te verenigen.

2. Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ingeval de belasting op andere wijze wordt geheven.

Artikel 228d

Voor de toepassing van de artikelen 9, vierde lid, 18, derde lid, en 21, tweede lid, van de Algemene wet wordt met een onherroepelijke veroordeling gelijkgesteld het vervallen van het recht tot strafvordering op de voet van artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 229

1. Degene die ingevolge de belastingverordening aanspraak kan maken op een gehele of gedeeltelijke vrijstelling, vermindering, ontheffing of teruggaaf kan binnen zes weken nadat de omstandigheid welke die aanspraak deed ontstaan, zich heeft voorgedaan, of, voor zover het een belasting betreft die bij wege van aanslag wordt geheven en op dat tijdstip nog geen aanslagbiljet is uitgereikt of is toegezonden, binnen zes weken na de dagtekening van het aanslagbiljet, een aanvraag tot het verkrijgen van vrijstelling, vermindering, ontheffing of teruggaaf indienen bij gedeputeerde staten.

2. Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ingeval de belasting op andere wijze wordt geheven.

3. Gedeputeerde staten beslissen op de aanvraag bij voor bezwaar vatbare beschikking.

Artikel 229a

In de gevallen waarin het volkenrecht dan wel, naar het oordeel van Onze Minister en Onze Minister van Financiën, het internationale gebruik daartoe noodzaakt, wordt vrijstelling van provinciale belastingen verleend. Onze genoemde Ministers kunnen gezamenlijk ter zake nadere regels stellen.

Artikel 229b

Naast een in de belastingverordening voorziene vermindering, ontheffing of teruggaaf, kunnen gedeputeerde staten ook een in de belastingverordening voorziene vrijstelling ambtshalve verlenen.

Artikel 229c

De bevoegdheden van artikel 63 van de Algemene wet worden met betrekking tot provinciale belastingen uitgeoefend door gedeputeerde staten.

Artikel 229d

De in artikel 66 van de Algemene wet bedoelde kwijtschelding wordt met betrekking tot provinciale belastingen verleend door gedeputeerde staten.

Artikel 230

1. Met betrekking tot de provinciale belastingen kunnen bij algemene maatregel van bestuur:

a. regels worden gesteld waarbij de artikelen 48, 52, 53, 54 of 55 van de Algemene wet, alsmede de artikelen 59 of 62 van de Invorderingswet 1990 geheel of gedeeltelijk van toepassing worden verklaard, dan wel

b. regels worden gesteld die overeenkomen met die in de in onderdeel a genoemde artikelen.

2. De in het eerste lid bedoelde regels bevatten in elk geval een omschrijving van degene op wie de verplichting rust, alsmede van de belasting ten behoeve waarvan de verplichting geldt. Voorts vermelden deze regels naar gelang de aard van de verplichting een omschrijving van de aard van de te verstrekken gegevens en inlichtingen, van de aard van de gegevens welke uit de administratie dienen te blijken of van het doel waarvoor het voor raadpleging beschikbaar stellen van gegevensdragers kan geschieden.

Artikel 231

1. Voor de toepassing van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken treden gedeputeerde staten in de plaats van de ambtenaar, bedoeld in hoofdstuk II van die wet.

2. Als partij die het beroep in cassatie, bedoeld in hoofdstuk III van die wet, kan instellen, worden aangewezen gedeputeerde staten.

Artikel 232

Bij de invordering van provinciale belastingen blijven de artikelen 5, 20, 21, 59, 62 en 69 van de Invorderingswet 1990 buiten toepassing. Bij de invordering van provinciale belastingen die op andere wijze worden geheven, blijven bovendien de artikelen 7, derde lid, en 8, eerste lid, van die wet buiten toepassing.

Artikel 232a

1. De belastingverordening kan van artikel 9 van de Invorderingswet 1990 afwijkende voorschriften inhouden.

2. De belastingverordening kan bepalen dat het verschuldigde bedrag moet worden betaald gelijktijdig met en op dezelfde wijze als de voldoening van een andere vordering aan de schuldeiser van die andere vordering.

Artikel 232b

De verrekening van aan de belastingschuldige uit te betalen en van hem te innen bedragen ter zake van provinciale belastingen op de voet van artikel 24 van de Invorderingswet 1990 is ook mogelijk ingeval de krachtens artikel 232a, eerste lid, gestelde termijn nog niet is verstreken.

Artikel 232c

1. Indien ter zake van hetzelfde voorwerp van de belasting of hetzelfde belastbare feit twee of meer personen belastingplichtig zijn, kan de belastingaanslag ten name van een van hen worden gesteld.

2. Indien de belastingplicht, bedoeld in het eerste lid, voortvloeit uit het genot van een onroerende zaak krachtens eigendom, bezit of beperkt recht en de aanslag ten name van één van de belastingplichtigen is gesteld, kan de met de invordering van provinciale belastingen belaste provincieambtenaar de belastingaanslag op de gehele onroerende zaak verhalen ten name van degene te wiens name de aanslag is gesteld, zonder rekening te houden met de rechten van de overige belastingplichtigen.

3. De belastingschuldige die de belastingaanslag heeft voldaan kan hetgeen hij meer heeft voldaan dan overeenkomt met zijn belastingplicht verhalen op de overige belastingplichtigen naar evenredigheid van ieders belastingplicht.

4. Een bezwaarschrift als bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de Algemene wet kan mede worden ingediend door een belastingplichtige als bedoeld in het eerste lid wiens naam niet op het aanslagbiljet staat vermeld. Artikel 23, tweede lid, van de Algemene wet is van overeenkomstige toepassing.

5. Van het bepaalde in het derde lid kan bij overeenkomst worden afgeweken.

Artikel 232d

Voor de toepassing van artikel 66 van de Invorderingswet 1990 met betrekking tot provinciale belastingen blijven de artikelen 76, 80, tweede, derde en vierde lid, 82, 84, 86 en 87 van de Algemene wet buiten toepassing.

Artikel 232e

1. De in artikel 26 van de Invorderingswet 1990 bedoelde kwijtschelding wordt met betrekking tot provinciale belastingen verleend door gedeputeerde staten.

2. Met betrekking tot het verlenen van gehele of gedeeltelijke kwijtschelding zijn de krachtens artikel 26 van de Invorderingswet 1990 door Onze Minister van Financiën gestelde regels van toepassing.

3. Provinciale staten kunnen bepalen dat, in afwijking van de in het tweede lid bedoelde regels, in het geheel geen kwijtschelding wordt verleend, dan wel dat afwijkende regels gelden die ertoe leiden dat in beperktere mate kwijtschelding wordt verleend. Het stellen van afwijkende regels geschiedt bij afzonderlijk besluit.

4. Met inachtneming van door Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën, te stellen regels kunnen provinciale staten bij afzonderlijk besluit afwijkende regels stellen met betrekking tot de wijze waarop de kosten van bestaan in aanmerking worden genomen.

5. Gedeputeerde staten kunnen de belasting geheel of gedeeltelijk oninbaar verklaren. Het daartoe strekkende besluit ontheft de provincieambtenaar belast met de invordering van provinciale belastingen van de verplichting verdere pogingen tot invordering te doen.

Artikel 232f

Indien ter zake van een provinciale belasting exploot moet worden gedaan, een akte van vervolging betekend of een dwangbevel ten uitvoer gelegd in een andere provincie dan die waaraan belasting verschuldigd is, is daartoe naast de belastingdeurwaarder van laatstbedoelde provincie mede de belastingdeurwaarder van eerstbedoelde provincie bevoegd en desgevraagd verplicht.

Artikel 232g

1. Met betrekking tot de in artikel 222 bedoelde opcenten is de rijksbelastingdienst belast met de heffing en de invordering.

2. De opcenten worden als motorrijtuigenbelasting geheven en ingevorderd.

3. De opbrengst wordt aan de provincies uitgekeerd volgens door Onze Minister van Financiën te stellen regels.

4. De aan de heffing en de invordering verbonden kosten komen ten laste van de provincies. Deze kosten worden berekend volgens door Onze Minister van Financiën te stellen regels.

Artikel 232h

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen inzake provinciale belastingen in het kader van deze paragraaf passende nadere regels worden gegeven ter aanvulling van de in deze paragraaf geregelde onderwerpen.

ARTIKEL II

De Gemeentewet wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 220b, tweede lid, wordt «bij het kadaster bekend staat» vervangen door: in de kadastrale registratie is vermeld.

B

In artikel 224, eerste lid, wordt «in het persoonsregister van de gemeente zijn opgenomen» vervangen door: als ingezetene in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens zijn ingeschreven.

C

In artikel 225, eerste lid, onderdeel a, wordt «door burgemeester en wethouders te bepalen» vervangen door: door het college van burgemeester en wethouders te bepalen.

D

De artikelen 230 tot en met 233 worden vervangen door:

Artikel 230

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

a. Algemene wet: Algemene wet inzake rijksbelastingen;

b. heffing op andere wijze: heffing op andere wijze dan bij wege van aanslag of bij wege van voldoening op aangifte.

Artikel 231

1. Onverminderd het overigens in deze paragraaf bepaalde geschieden de heffing en de invordering van gemeentelijke belastingen met toepassing van de Algemene wet, de Invorderingswet 1990 en de Kostenwet invordering rijksbelastingen als waren die belastingen rijksbelastingen.

2. Onverminderd het overigens in deze paragraaf bepaalde gelden de bevoegdheden en de verplichtingen van de hierna vermelde, in de Algemene wet, de Invorderingswet 1990 en de Kostenwet invordering rijksbelastingen genoemde functionarissen, met betrekking tot de gemeentelijke belastingen voor de daarachter genoemde colleges of functionarissen:

a. Onze Minister van Financiën: de raad;

b. het bestuur van 's Rijks belastingen en de directeur of de inspecteur: het college van burgemeester en wethouders;

c. de ontvanger: de gemeenteambtenaar belast met de invordering van gemeentelijke belastingen;

d. de ambtenaren van de rijksbelastingdienst: de gemeenteambtenaren belast met de heffing of de invordering van gemeentelijke belastingen;

e. de belastingdeurwaarder: de daartoe aangewezen gemeenteambtenaar.

3. Onverminderd het overigens in deze paragraaf bepaalde wordt met betrekking tot gemeentelijke belastingen in de Algemene wet en in de Invorderingswet 1990 voor «algemene maatregel van bestuur» en voor «ministeriële regeling» gelezen: belastingverordening.

Artikel 232

Voor zover de belastingverordening dit met betrekking tot de uitvoering van enige wettelijke bepaling betreffende de heffing of de invordering van gemeentelijke belastingen toestaat, kan het college van burgemeester en wethouders één of meer gemeenteambtenaren aanwijzen die in zijn plaats treden en kan het bepalen dat voor de toezending of uitreiking van aanslagbiljetten ingevolge artikel 8, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 voor de met de invordering van gemeentelijke belastingen belaste gemeenteambtenaar een andere gemeenteambtenaar in de plaats treedt.

Artikel 233

Gemeentelijke belastingen kunnen worden geheven bij wege van aanslag, bij wege van voldoening op aangifte of op andere wijze, doch niet bij wege van afdracht op aangifte.

E

Na artikel 233 wordt een nieuw artikel 233a ingevoegd, luidende:

Artikel 233a

1. Indien de gemeentelijke belastingen op andere wijze worden geheven, bepaalt de belastingverordening op welke wijze deze worden geheven en de wijze waarop de belastingschuld aan de belastingplichtige wordt bekendgemaakt. De belastingverordening kan daarnaast bepalen dat het college van burgemeester en wethouders omtrent de uitvoering van een en ander nadere regels geeft.

2. De op andere wijze geheven belastingen worden voor de toepassing van de Algemene wet en de Invorderingswet 1990 aangemerkt als bij wege van aanslag geheven belastingen, met dien verstande dat wordt verstaan onder:

a. de aanslag, de voorlopige aanslag, de navorderingsaanslag: het gevorderde, onderscheidenlijk het voorlopig gevorderde, het nagevorderde bedrag;

b. het aanslagbiljet: de kennisgeving van het in onderdeel a bedoelde bedrag;

c. de dagtekening van het aanslagbiljet: de dagtekening van de schriftelijke kennisgeving van het in onderdeel a bedoelde bedrag, of bij gebreke van een schriftelijke kennisgeving, de datum waarop het bedrag op andere wijze ter kennis van de belastingplichtige is gebracht.

F

Artikel 236 komt te luiden:

Artikel 236

Bij de heffing van gemeentelijke belastingen blijven de artikelen 2, vierde lid, 3, 26, derde lid, 37 tot en met 40, 47a, 48, 52, 53, 54, 55, 62, 71, 76, 80, tweede, derde en vierde lid, 82, 84, 86, 87 en 90 tot en met 95 van de Algemene wet buiten toepassing. Bij de heffing van gemeentelijke belastingen die op andere wijze worden geheven, blijven bovendien de artikelen 5 tot en met 9, 11, tweede lid, en 12 van die wet buiten toepassing.

G

Artikel 237 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het vierde lid komt te luiden:

4. Indien het derde lid toepassing vindt, kan het college van burgemeester en wethouders voor de termijnen, genoemd in artikel 9, eerste lid en derde lid, eerste volzin, artikel 10, tweede lid, en artikel 19, eerste, derde en vierde lid, van de Algemene wet of voor de kortere termijn, bedoeld in artikel 228b, eerste of tweede lid, kortere termijnen in de plaats stellen en is artikel 12 van de Algemene wet niet van toepassing.

2. Het zesde lid komt te luiden:

6. De vaststelling van de modellen voor de uitnodigingen tot het doen van aangifte, alsmede het stellen van regels ingevolge artikel 9, tweede lid, van de Algemene wet, geschiedt bij afzonderlijk besluit van het college van burgemeester en wethouders.

H

Artikel 238 wordt vervangen door:

Artikel 238

1. Met betrekking tot de bij wege van aanslag geheven gemeentelijke belastingen kan in de belastingverordening voor de in artikel 9, eerste lid en derde lid, eerste volzin, van de Algemene wet genoemde termijn van ten minste een maand een kortere termijn in de plaats worden gesteld.

2. Met betrekking tot de bij wege van voldoening op aangifte geheven gemeentelijke belastingen kan in de belastingverordening voor de termijn van een maand, genoemd in artikel 10, tweede lid, en artikel 19, eerste, derde en vierde lid, van de Algemene wet, een kortere termijn in de plaats worden gesteld.

I

In artikel 242 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. In het eerste lid wordt «Hij die» vervangen door: Degene die; tevens worden de woorden «indien op dat tijdstip nog geen aanslagbiljet is uitgereikt» vervangen door «voor zover het een belasting betreft die bij wege van aanslag wordt geheven en op dat tijdstip nog geen aanslagbiljet is uitgereikt of is toegezonden» en wordt «verzoek» vervangen door: aanvraag.

2. Onder vernummering van het tweede lid in derde lid, wordt na het eerste lid een nieuw tweede lid ingevoegd, luidende:

2. Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ingeval de belasting op andere wijze wordt geheven.

3. In het tot derde lid vernummerde tweede lid wordt «verzoek» vervangen door: aanvraag.

J

Artikel 243 wordt vervangen door:

Artikel 243

In de gevallen waarin het volkenrecht dan wel, naar het oordeel van Onze Minister en Onze Minister van Financiën, het internationale gebruik daartoe noodzaakt, wordt vrijstelling van gemeentelijke belastingen verleend. Onze genoemde Ministers kunnen gezamenlijk ter zake nadere regels stellen.

K

In artikel 246a wordt «informatiedragers» vervangen door: gegevensdragers.

L

Artikel 247 vervalt.

M

In artikel 248, eerste lid, vervalt (Stb. 1956, 323).

N

In artikel 249 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. In de eerste volzin vervalt na «5»: 9, eerste tot en met vierde lid.

2. De tweede volzin wordt vervangen door: Bij de invordering van gemeentelijke belastingen die op andere wijze worden geheven, blijven bovendien de artikelen 7, derde lid, en 8, eerste lid, van die wet buiten toepassing.

O

Artikel 250 wordt vervangen door:

Artikel 250

1. De belastingverordening kan van artikel 9 van de Invorderingswet 1990 afwijkende voorschriften inhouden.

2. De belastingverordening kan bepalen dat het verschuldigde bedrag moet worden betaald gelijktijdig met en op dezelfde wijze als de voldoening van een andere vordering aan de schuldeiser van die andere vordering.

P

Artikel 251 vervalt.

Q

Artikel 252 wordt vervangen door:

Artikel 252

De verrekening van aan de belastingschuldige uit te betalen en van hem te innen bedragen ter zake van gemeentelijke belastingen op de voet van artikel 24 van de Invorderingswet 1990 is ook mogelijk ingeval de krachtens artikel 250, eerste lid, gestelde termijn nog niet is verstreken.

R

Artikel 253 wordt vervangen door:

Artikel 253

1. Indien ter zake van hetzelfde voorwerp van de belasting of hetzelfde belastbare feit twee of meer personen belastingplichtig zijn, kan de belastingaanslag ten name van een van hen worden gesteld.

2. Indien de belastingplicht, bedoeld in het eerste lid, voortvloeit uit het genot van een onroerende zaak krachtens eigendom, bezit of beperkt recht en de aanslag ten name van één van de belastingplichtigen is gesteld, kan de met de invordering van gemeentelijke belastingen belaste gemeenteambtenaar de belastingaanslag op de gehele onroerende zaak verhalen ten name van degene te wiens name de aanslag is gesteld, zonder rekening te houden met de rechten van de overige belastingplichtigen.

3. De belastingplichtige die de belastingaanslag heeft voldaan kan hetgeen hij meer heeft voldaan dan overeenkomt met zijn belastingplicht verhalen op de overige belastingplichtigen naar evenredigheid van ieders belastingplicht.

4. Een bezwaarschrift als bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de Algemene wet kan mede worden ingediend door een belastingplichtige als bedoeld in het eerste lid wiens naam niet op het aanslagbiljet staat vermeld. Artikel 23, tweede lid, van de Algemene wet is van overeenkomstige toepassing.

5. Van het derde lid kan bij overeenkomst worden afgeweken.

S

Artikel 254 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid vervalt «1».

2. Het tweede lid vervalt.

T

Artikel 255 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid vervalt, onder vervanging van de komma door een punt, de zinsnede: echter niet dan nadat de in artikel 212, tweede lid, bedoelde ambtenaar daartoe een voorstel heeft gedaan.

2. Het vijfde lid vervalt.

3. Het zesde lid wordt vernummerd tot vijfde lid en komt te luiden:

5. Het college van burgemeester en wethouders kan de belasting geheel of gedeeltelijk oninbaar verklaren. Het daartoe strekkende besluit ontheft de gemeenteambtenaar belast met de invordering van gemeentelijke belastingen van de verplichting verdere pogingen tot invordering te doen.

U

Artikel 258 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid vervallen «(Stb. 1991, 444)» en de komma na «onroerende-zaakbelastingen».

2. In het derde lid wordt «onroerende-zaakbelasting,» vervangen door: onroerende-zaakbelastingen.

ARTIKEL III

De Waterschapswet wordt als volgt gewijzigd:

A

Het zevende lid van artikel 118 vervalt.

B

In artikel 123 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. In het eerste lid, onderdeel b, vervallen «de» en «(Stb. 1959, 301)»; voorts wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel b door een puntkomma, toegevoegd een onderdeel c, dat luidt:

c. heffing op andere wijze: heffing op andere wijze dan bij wege van aanslag of bij wege van voldoening op aangifte.

2. In het tweede lid wordt «de Algemene wet en de Invorderingswet 1990 (Stb. 221)» vervangen door: de Algemene wet, de Invorderingswet 1990 en de Kostenwet invordering rijksbelastingen.

3. In het derde lid wordt in de aanhef «de Algemene wet en de Invorderingswet 1990» vervangen door: de Algemene wet, de Invorderingswet 1990 en de Kostenwet invordering rijksbelastingen; tevens wordt in onderdeel c na «de ontvanger» ingevoegd: of een inzake rijksbelastingen bevoegde ontvanger.

4. In het vierde lid, wordt na «Invorderingswet 1990» ingevoegd: voor algemene maatregel van bestuur en.

C

Artikel 125 wordt vervangen door de volgende twee artikelen:

Artikel 125

Waterschapsbelastingen kunnen worden geheven bij wege van aanslag, bij wege van voldoening op aangifte of op andere wijze, doch niet bij wege van afdracht op aangifte.

Artikel 125a

1. Indien de waterschapsbelastingen op andere wijze worden geheven, bepaalt de belastingverordening op welke wijze deze worden geheven en de wijze waarop de belastingschuld aan de belastingplichtige wordt bekendgemaakt. De belastingverordening kan daarnaast bepalen dat het dagelijks bestuur omtrent de uitvoering van een en ander nadere regels geeft.

2. De op andere wijze geheven belastingen worden voor de toepassing van de Algemene wet en de Invorderingswet 1990 aangemerkt als bij wege van aanslag geheven belastingen, met dien verstande dat wordt verstaan onder:

a. de aanslag, de voorlopige aanslag, de navorderingsaanslag: het gevorderde, onderscheidenlijk het voorlopig gevorderde, het nagevorderde bedrag;

b. het aanslagbiljet: de kennisgeving van het in onderdeel a bedoelde bedrag;

c. de dagtekening van het aanslagbiljet: de dagtekening van de schriftelijke kennisgeving van het in onderdeel a bedoelde bedrag, of bij gebreke van een schriftelijke kennisgeving, de datum waarop het bedrag op andere wijze ter kennis van de belastingplichtige is gebracht.

D

Artikel 126 wordt als volgt gewijzigd:

Aan de enige volzin wordt een tweede volzin toegevoegd, luidende: Bij de heffing van waterschapsbelastingen die op andere wijze dan bij wege van aanslag of bij wege van voldoening op aangifte worden geheven, blijven bovendien de artikelen 5 tot en met 9, 11, tweede lid, en 12 van die wet buiten toepassing.

E

In artikel 127 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. Het vierde lid komt te luiden:

4. Indien het derde lid toepassing vindt, kan het dagelijks bestuur voor de termijnen, genoemd in artikel 9, eerste lid en derde lid, eerste volzin, artikel 10, tweede lid, en artikel 19, eerste, derde en vierde lid, van de Algemene wet of voor de kortere termijn, bedoeld in artikel 228b, eerste of tweede lid, kortere termijnen in de plaats stellen en is artikel 12 van de Algemene wet niet van toepassing.

2. Het zesde lid komt te luiden:

6. De vaststelling van de modellen voor de uitnodigingen tot het doen van aangifte, alsmede het stellen van regels ingevolge artikel 9, tweede lid, van de Algemene wet, geschiedt bij afzonderlijk besluit van het dagelijks bestuur.

F

Artikel 128 wordt vervangen door:

Artikel 128

1. Met betrekking tot de bij wege van aanslag geheven waterschapsbelastingen kan in de belastingverordening voor de in artikel 9, eerste lid en derde lid, eerste volzin, van de Algemene wet genoemde termijn van ten minste een maand een kortere termijn in de plaats worden gesteld.

2. Met betrekking tot de bij wege van voldoening op aangifte geheven waterschapsbelastingen kan in de belastingverordening voor de termijn van een maand, genoemd in artikel 10, tweede lid, en artikel 19, eerste, derde en vierde lid, van de Algemene wet, een kortere termijn in de plaats worden gesteld.

G

In artikel 132 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. In het eerste lid wordt «indien op dat tijdstip nog geen aanslagbiljet is uitgereikt» vervangen door «voor zover het een belasting betreft die bij wege van aanslag wordt geheven en op dat tijdstip nog geen aanslagbiljet is uitgereikt of ter post is bezorgd» en wordt «verzoek» vervangen door: aanvraag.

2. Onder vernummering van het tweede lid tot derde lid, wordt na het eerste lid een nieuw tweede lid ingevoegd, luidende:

2. Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ingeval de belasting op andere wijze wordt geheven.

H

Artikel 133 wordt vervangen door:

Artikel 133

In de gevallen waarin het volkenrecht dan wel, naar het oordeel van Onze Ministers van Verkeer en Waterstaat en van Financiën, het internationale gebruik daartoe noodzaakt, wordt vrijstelling van waterschapsbelastingen verleend. Onze genoemde Ministers kunnen gezamenlijk ter zake nadere regels stellen.

I

Artikel 136 wordt vervangen door:

Artikel 136

Op overtreding van een in de belastingverordening voorkomende bepaling betreffende heffing en invordering kan, voor zover die overtreding is aangemerkt als strafbaar feit, uitsluitend een geldboete worden gesteld en wel een geldboete van de tweede categorie.

J

In artikel 137 wordt «(Stb. 1956, 323)» geschrapt.

K

In artikel 138, eerste lid, vervalt in de eerste volzin «9, eerste tot en met vierde lid,» en wordt in de tweede volzin na «7» ingevoegd: , derde lid,.

L

Artikel 139 wordt vervangen door:

Artikel 139

1. De belastingverordening kan van het bepaalde in artikel 9 van de Invorderingswet 1990 afwijkende voorschriften inhouden.

2. De belastingverordening kan bepalen dat het verschuldigde bedrag moet worden betaald gelijktijdig met en op dezelfde wijze als de voldoening van een andere vordering aan de schuldeiser van die andere vordering.

M

Artikel 140 vervalt.

N

In artikel 141 wordt de zinsnede «de termijn, bedoeld in artikel 139 of in artikel 140, dan wel de krachtens artikel 139, tweede lid, gestelde termijn» vervangen door: de krachtens artikel 139, eerste lid, gestelde termijn.

O

Artikel 142 wordt vervangen door:

Artikel 142

1. Indien ter zake van hetzelfde voorwerp van de belasting of hetzelfde belastbare feit twee of meer personen belastingplichtig zijn, kan de belastingaanslag ten name van een van hen worden gesteld.

2. Indien de belastingplicht, bedoeld in het eerste lid, voortvloeit uit het genot van een onroerende zaak krachtens eigendom, bezit of beperkt recht en de aanslag ten name van één van de belastingplichtigen is gesteld, kan de met de invordering van waterschapsbelastingen belaste ambtenaar van het waterschap de belastingaanslag op de gehele onroerende zaak verhalen ten name van degene te wiens name de aanslag is gesteld, zonder rekening te houden met de rechten van de overige belastingplichtigen.

3. De belastingschuldige die de belastingaanslag heeft voldaan kan hetgeen hij meer heeft voldaan dan overeenkomt met zijn belastingplicht verhalen op de overige belastingplichtigen naar evenredigheid van ieders belastingplicht.

4. Een bezwaarschrift als bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de Algemene wet kan mede worden ingediend door een belastingplichtige als bedoeld in het eerste lid wiens naam niet op het aanslagbiljet staat vermeld. Artikel 23, tweede lid, van de Algemene wet is van overeenkomstige toepassing.

5. Van het derde lid kan bij overeenkomst worden afgeweken.

P

In artikel 143 vervallen het tweede lid en de aanduiding «1» voor het eerste lid.

Q

In artikel 144 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. In het eerste lid vervalt «, nadat de ambtenaar van het waterschap, belast met de invordering van waterschapsbelastingen, daartoe een voorstel heeft gedaan».

2. Het vijfde lid vervalt.

3. Het zesde lid wordt vernummerd tot vijfde lid en wordt als volgt gewijzigd: In de eerste volzin, vervalt «op voorstel van de in het eerste lid bedoelde ambtenaar»; voorts wordt in de tweede volzin «deze ambtenaar» vervangen door: de ambtenaar van het waterschap, belast met de invordering van waterschapsbelastingen.

ARTIKEL IV

De Wet milieubeheer wordt als volgt gewijzigd: Artikel 15.34, zevende lid, komt te luiden:

7. Hoofdstuk XV van de Provinciewet is van overeenkomstige toepassing.

ARTIKEL V

De besluiten inzake provinciale belastingverordeningen als bedoeld in artikel 220 Provinciewet, die algemeen verbindende voorschriften bevatten waarvan de inhoud in strijd is met deze wet, moeten uiterlijk twee jaren na de datum van inwerkingtreding van deze wet daarmee in overeenstemming zijn gebracht of ingetrokken. De besluiten, of onderdelen daarvan, die op het in de eerste volzin genoemde tijdstip niet met deze wet in overeenstemming zijn gebracht of zijn ingetrokken, zijn van rechtswege vervallen.

ARTIKEL VI

Ten aanzien van provinciale belastingen die betrekking hebben op belastingtijdvakken die zijn aangevangen voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, en op belastbare feiten die zich voor dat tijdstip hebben voorgedaan, blijft hoofdstuk XV van de Provinciewet van toepassing zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van deze wet.

ARTIKEL VII

Op de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst, wordt tevens de tekst van de Provinciewet in het Staatsblad geplaatst.

ARTIKEL VIII

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven

De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken,

De Staatssecretaris van Financiën,

De Minister van Verkeer en Waterstaat,

Naar boven