Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal1996-199724760 nr. 7

24 760
Voorziening tegen geldelijke gevolgen van langdurige arbeidsongeschiktheid voor jonggehandicapten (Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten)

nr. 7
NADER VERSLAG

Vastgesteld 18 oktober 1996

De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid1, belast met het voorbereidend onderzoek van het onderhavige wetsvoorstel, heeft kennisgenomen van de nota naar aanleiding van het verslag en de nota van wijziging. Vanwege de aard van de nota van wijziging, alsmede de samenhang met het wetsvoorstel 24 698 (Wet premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen) en wetsvoorstel 24 758 (Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen), heeft de commissie besloten nader verslag uit te brengen.

Onder het voorbehoud dat de hierin gestelde vragen en gemaakte opmerkingen genoegzaam zullen zijn beantwoord, acht de commissie de openbare behandeling van het wetsvoorstel voldoende voorbereid.

I ALGEMEEN

1. Inleiding

De leden van CDA-fractie blijven met de regering van mening verschillen over de afschaffing van de AAW en de basistaak die de overheid (en niet de markt) heeft ten aanzien van de arbeidsongeschiktheidsregelingen. Zij betreurt de vervanging van de volksverzekering AAW door de voorziening Wajong en de beperking van de kring van rechthebbenden.

De leden van de D66-fractie willen hun waardering uitspreken over de uitgebreide beantwoording van de regering. Deze leden zijn tevreden over het feit dat de regering voorstelt in een nota van wijziging de termijn van drie maanden waarbinnen de Wajong uitkering wordt ingetrokken of herzien, niet te handhaven. Ook zijn deze leden tevreden dat de regering in een nota van wijziging de mogelijkheid opent dat in bepaalde situaties ook zonder aanvraag de uitkering kan worden heropend. Zij hebben tenslotte met instemming kennis genomen dat de regering onderkent dat er geen goede reden is om in de Wajong en de WAZ enerzijds wel een voorschotregeling op te nemen, en dat niet te doen in de WAO.

De leden van de GroenLinks-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de nota naar aanleiding van het verslag betreffende dit wetsvoorstel. Het verheugt de leden dat de regering tegemoet komt aan de wens van verschillende fracties om schoolverlaters nog enige tijd gedurende de sollicitatiefase onder de bescherming van deze voorziening te brengen. Deze leden achten dit een terechte verbetering. Tevens hebben deze leden met instemming kennisgenomen van het feit dat de beoogde invoeringsdatum met een jaar is opgeschoven. Dit geeft de uitvoering de gelegenheid tot een zorgvuldiger voorbereiding van de invoering dan op basis van de eerdere planning van de regering mogelijk was. Voor het overige zijn de leden van deze fractie toch enigszins teleurgesteld over de inhoud van de nota naar aanleiding van het verslag.

De leden van de RPF-fractie hebben kennisgenomen van de beantwoording van de regering en van de nota van wijziging. Zij hebben nog enkele vragen over de regeling samenloop, welke vragen hieronder aan de orde komen.

2. Wenselijkheid van een afzonderlijke voorziening voor jonggehandicapten en studerenden

Het afschaffen van de sociale bescherming van verzorgers van verwanten blijft de leden van de GroenLinks-fractie bevreemden. Juist waar de regering beoogt mensen de mogelijkheid te bieden om betaalde arbeid tijdelijk te onderbreken in verband met zorg voor verwanten, is het eigenlijk onbegrijpelijk dat de vormgeving van de sociale bescherming van loopbaanonderbrekers helemaal aan de sociale partners wordt overgelaten. Juist omdat er op dit terrein reeds de nodige knelpunten liggen – de regering stelt dat terecht – zou het toch in de rede liggen om daar niet nog een extra knelpunt aan toe te voegen door de nu voorgestelde intrekking van de AAW. Zal een adequaat beleid, gericht op de bevordering van de combineerbaarheid van arbeid en zorg niet juist gebaat zijn met een mix van collectieve wettelijke maatregelen en bovenwettelijke aanvullingen?

Hoe zit het trouwens in dit verband met (ex-)zelfstandigen of schoolverlaters? Verdienen zij (redenerend vanuit het grote maatschappelijke belang van mantelzorg), zodra zij zich enige tijd volledig richten op de verzorging van verwanten, niet aanspraak op een AAW-achtige bescherming?

De uitsluiting van verzorgers van naaste verwanten, zou volgens de regering in overeenstemming zijn met het non-discriminatiebeginsel. De regering baseert die stelling op jurisprudentie van het Europese Hof. Wat er zij van de toepasselijkheid van die jurisprudentie, daarmee heeft de regering nog niet een eigen mening gegeven. Mantelzorg als hier aan de orde is in Nederland vooral een vrouwenzaak. Vindt de regering het gezien dit feit verdedigbaar, en zelfs nastrevenswaardig en in overeenstemming met haar overige beleid, dat mantelzorgsters op deze manier zelfs van de minimale sociale bescherming worden verstoken?

De leden van de GroenLinks-fractie missen in de nota naar aanleiding van het verslag een exact antwoord op de vraag of de reïntegratie van jonggehandicapten niet bemoeilijkt wordt door het gegeven dat werkgevers eigen risicodrager in de WAO kunnen worden. Deze werkgevers hebben er een groot financieel belang bij om hun eigen arbeidsongeschikt geworden werknemers zo mogelijk te laten reïntegreren, terwijl zij geen enkel financieel belang hebben bij reïntegratie van jonggehandicapten. De regering maakt zich van dit probleem af door te stellen dat jonggehandicapten in het algemeen maar weinig mogelijkheden hebben en verwijst verder naar de WSW. Maar erkent de regering niet dat door meer marktwerking in de WAO, jonggehandicapten nog verder van de arbeidsmarkt zullen worden geïsoleerd?

Studenten aan niet-erkende opleidingen blijken, als zij arbeidsongeschikt worden, niet onder de werking van de hier voorgestelde regeling te vallen. De regering motiveert dit door te stellen dat studenten voldoende keuzemogelijkheden hebben waar het gaat om wel erkende opleidingen. Dat moge juist zijn, maar vormt anderzijds onvoldoende argument om deze groep maar uit te sluiten. Wat doorslaggevend zou moeten zijn is dat studenten aan niet-erkende opleidingen feitelijk in dezelfde omstandigheden verkeren als andere studenten en dat het wel of niet verzekerd zijn voor de Wajong bij de aanvang van een opleiding in de praktijk geen punt van afweging zal vormen. Waar de regering onlangs reeds het recht op kinderbijslag voor deze studenten heeft afgeschaft, holt zij de bescherming van deze groep nu nog verder uit. Is dit eigenlijk nog wel als redelijk aan te merken?

3. Handhaving van recht op, en hoogte en duur van de arbeidsongeschiktheidsuitkering

In de wachttijdperiode van 52 weken kan aanspraak gemaakt worden op kinderbijslag of bijstand op het niveau van kinderbijslag. Dit is echter een bedrag van slechts ruim f 300,– per maand, aldus de leden van de CDA-fractie. Is dit met het recht op AAW net zo geregeld? Is de regering werkelijk van mening dat zij hiermee het recht op hoogte en duur van de uitkering handhaaft, ook voor de groep 18–21 jarigen?

Deze leden constateren met tevredenheid dat de regering op haar aanraden de meldingstermijn voor arbeidsongeschiktheid op 13 weken zal stellen en daarmee aan te sluiten bij de termijnen in WULBZ.

De leden van de D66-fractie constateren dat bij de beantwoording van de vragen die zij gesteld hebben over artikel 49, Wajong, wordt aangegeven dat dit artikel, artikel 33, AAW, zal vervangen. Bij de beantwoording van de vragen wordt echter alleen ingegaan op het verschil van inkomen, de vraag had echter ook betrekking op de herbeoordeling. Het recht op de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt thans niet aangetast als een jong gehandicapte arbeid gaat verrichten wanneer hij een beroep doet op artikel 11 van de regeling samenloop. In artikel 12 van de regeling samenloop arbeidsongeschiktheidsuitkering en inkomsten uit arbeid wordt geregeld dat de duur van de toepassing van artikel 11 in combinatie met artikel 33, Aaw, niet wordt beperkt tot drie jaar. Deze leden vragen de regering of deze regeling onverkort gehandhaafd blijft. Wanneer een werknemer in deeltijd werkt, is in de meeste gevallen geen beroep op de regeling samenloop noodzakelijk omdat de som van uitkering en loon hoger is dan het wettelijk minimumloon naar rato. In dit geval wordt de arbeidsongeschiktheid van de werknemer na maximaal drie jaar dus wel herbeoordeeld en herzien. Gezien de vergelijkbaarheid van de mensen met een verstandelijke handicap die met de ondersteuning van een jobcoach kunnen werken en de mensen met een verstandelijke handicap die in het kader van de WSW werken, zijn de leden van de D66-fractie van mening dat voor beide groepen dezelfde rechten voor het behoud van Wajong rechten zou moeten gelden. Met andere woorden voor beiden dient artikel 49, derde lid, van toepassing te zijn.

De leden van de D66-, en RPF-fractie stellen vast dat artikelen 11 en 12 van de regeling samenloop gehandhaafd worden onder aanpassing aan genoemde vervanging van de Aaw. Zij vragen de regering of de regeling samenloop een structureel karakter kan krijgen. De leden van deze fracties vragen de regering verder wat wordt verstaan onder «de huidige AAW-benadering» ingeval er zowel recht bestaat op Wajong- als op WAO- of WAZ-uitkering voor de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid.

4. Mogelijkheden tot arbeidsdeelname voor jonggehandicapten

De leden van de CDA-fractie constateren dat de regering geen sluitende aanpak heeft voor de bemiddeling van jongge handicapten.

Jonggehandicapten en studerenden zonder arbeidsongeschiktheidsuitkering behoren wel tot de bemiddelingspoulatie van de bedrijfsvereniging, maar bij de bedrijfsvereniging is niet bekend om welke jongeren het gaat, tenzij deze zich zelf melden. De conclusie moet dan ook zijn dat de aanpak alleen sluitend is voor arbeidsgehandicapten die zich als zodanig melden. Is de regering niet van mening dat de arbeidsbemiddeling voor jongeren sluitend moet zijn?

De problematiek van de chronisch arbeidsongeschikte leerlingen op een VSO-school die stage lopen, is naar de mening van de CDA-fractie nog niet naar tevredenheid opgelost. Slechts indien de leerlingen voldoen aan de gehanteerde definitie van jonggehandicapte vallen zij onder de Wajong en zijn zij verzekerd. Deze leerlingen zijn echter wel in staat tot werken, en zullen veelal niet aan deze definitie voldoen. Betekent dit dat zij dan niet verzekerd zijn, of dat zij verplicht als werknemer verzekerd zijn?

5. Uitvoering door een bedrijfsvereniging

De leden van de D66-fractie merken op dat inmiddels duidelijk is geworden dat de overdracht van de bemiddelingstaak van de NAB naar arbeidsvoorziening vooralsnog niet plaats vindt. Het is de bedoeling dat het Lisv deze taak tijdelijk overneemt van de NAB. In dit kader vragen deze leden of het inkoop beleid (de lopende contacten) van de NAB ten behoeve van de arbeidsbemiddeling van vroeggehandicapten en mensen met een arbeidshandicap zonder arbeidsongeschiktheidsuitkering integraal zal worden overgenomen door het Lisv.

6. Overgangsrecht

Bij de vormgeving van het overgangsrecht kiest de regering, anders dan bijvoorbeeld bij de Algemene Nabestaandenwet, voor het rechtszekerheidsbeginsel in plaats van het gelijkheidsbeginsel. De leden van de GroenLinks-fractie zijn het daarmee eens. Betekent dit dat de regering afgestapt is van haar eerdere uitgangspunt dat het onwenselijk zou zijn dat tot in lengte van jaren twee verschillende regimes gelden?

II ARTIKELEN

Artikelen 5 en 6

De leden van de CDA-fractie constateren naar aanleiding van de artikelsgewijze behandeling van de artikelen 5 en 6 dat een groot deel van de studenten wordt uitgesloten van de Wajong. Kan de regering motiveren waarom hiertoe besloten is? Hadden deze groepen studenten wel recht op een AAW-uitkering?

Artikel 9

Het voorstel van de leden van de D66-fractie om bij algemene maatregel van bestuur regels te stellen inzake de ophoging van de arbeidsongeschiktheidsuitkering als bedoeld in artikel 9, Wajong, ingeval van hulpbehoevendheid, is naar de mening van de regering niet opportuun. Deze leden willen opmerken dat na de inwerkingtreding van de OSV '97 het Lisv de taken van de bedrijfsverenigingen en het Tica gaan uitvoeren. Deze leden vragen de regering of er dan nog sprake kan zijn van verschillende beleidsregels door verschillende uvi's, zodat er nog steeds een niet te rechtvaardigen verschil in behandeling op dit punt zou kunnen ontstaan tussen bij die bedrijfsverenigingen in uitkering zijnde jonggehandicapten en overige gehandicapten (WAO/WAZ).

De leden van de GroenLinks-fractie wensen nog een opmerking te maken over de samenloop van huursubsidie en de toeslag die sommige gehandicapten krijgen vanwege noodzakelijke oppassing en verzorging. De regering vindt het kennelijk – conform het draagkrachtbeginsel – redelijk dat de toeslag het recht op huursubsidie beïnvloedt, aldus deze leden. Dat getuigt van een miskenning van het doel van die toeslag. Het doel is immers niet de draagkracht van gehandicapten te vergroten, maar een compensatie te bieden voor het onevenredige ongemak dat hun zeer zware handicap doorgaans oplevert. Het is te simpel om die toeslag maar gewoon bij de draagkracht op te tellen, alsof het ging om een normaal inkomensbestanddeel. Het stelt deze leden teleur dat de regering op dit punt aan haar eerder ingenomen standpunt vasthoudt.

De voorzitter van de commissie,

De Jong

De griffier voor dit verslag,

Van Luyk


XNoot
1

Samenstelling: Leden: Doelman-Pel (CDA), Biesheuvel (CDA), Vliegenthart (PvdA), ondervoorzitter, De Jong (CDA), voorzitter, Scheltema-de Nie (D66), Van Middelkoop (GPV), Schimmel (D66), Rosenmöller (GroenLinks), Van Zijl (PvdA), Bijleveld-Schouten (CDA), Middel (PvdA), Van Hoof (VVD), Noorman-den Uyl (PvdA), Nijpels-Hezemans (Groep Nijpels), Vreeman (PvdA), Adelmund (PvdA), Dankers (CDA), Giskes (D66), Marijnissen (SP), Essers (VVD), Van der Stoel (VVD), Van Dijke (RPF), Bakker (D66), Klein Molekamp (VVD), Van Blerck-Woerdman (VVD).

Plv. leden: Soutendijk-van Appeldoorn (CDA), Th. A. M. Meijer (CDA), Sterk (PvdA), Terpstra (CDA), Van Rooy (CDA), Van der Vlies (SGP), Fermina (D66), Rabbae (GroenLinks), Van der Ploeg (PvdA), Wolters (CDA), Dijksma (PvdA), M. M. H. Kamp (VVD), Kalsbeek-Jasperse (PvdA), R. A. Meijer (Groep Nijpels), Van Nieuwenhoven (PvdA), Apostolou (PvdA), Ten Hoopen (CDA), Van Boxtel (D66), vacature CD, J. M. de Vries (VVD), B. M. de Vries (VVD), Leerkes (U55+), Van Vliet (D66), Hofstra (VVD), Hoogervorst (VVD).