Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal1995-199624758 nr. 3

24 758
Verzekering tegen geldelijke gevolgen van langdurige arbeidsongeschiktheid en een uitkeringsregeling in verband met bevalling voor zelfstandigen, beroepsbeoefenaren en meewerkende echtgenoten (Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen)

nr. 3
MEMORIE VAN TOELICHTING

ALGEMEEN

1. Inleiding

Dit wetsvoorstel voorziet in een afzonderlijke verzekering tegen geldelijke gevolgen van langdurige arbeidsongeschiktheid en in een uitkeringsregeling in verband met bevalling voor zelfstandigen, meewerkende echtgenoten en overige niet-werknemers met inkomsten uit arbeid.

Het voorstel maakt deel uit van een pakket van wetsvoorstellen waarmee wordt beoogd om de marktwerking op het terrein van de sociale verzekeringen te versterken. Dit pakket vloeit voort uit de afspraken in het regeerakkoord voor de kabinetsperiode 1994–1998 (Kamerstukken II, 1993/94, 23 715, nr. 11). Voor een algemene toelichting op de motieven en doelstellingen die aan dit pakket van voorstellen ten grondslag liggen, wordt verwezen naar het voorstel van wet Premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen (Pemba, Kamerstukken II, 1995/96, 24 698, nrs. 1–2).

Onderdeel van het pakket maatregelen is de voorgenomen totstandkoming van een geïntegreerde arbeidsongeschiktheidsregeling voor werknemers, waarvan de premie ten laste komt van werkgevers. Hierin worden aanspraken voor werknemers uit hoofde van arbeidsongeschiktheid op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) geïncorporeerd in de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Als gevolg hiervan verliest de huidige AAW haar betekenis als volksverzekering. Aangezien het naar het oordeel van het kabinet gewenst is om de sociale bescherming met betrekking tot het risico van langdurige arbeidsongeschiktheid, voor zover er sprake is van feitelijke inkomensderving, voor de huidige kring van AAW-verzekerden op het huidige niveau te handhaven, dient, als onderdeel van het pakket voorstellen, te worden voorzien in een afzonderlijke verzekering voor zelfstandigen, meewerkende echtgenoten en overige niet-werknemers met inkomsten uit arbeid. Het onderhavige wetsvoorstel strekt hiertoe. Ten aanzien van jonggehandicapten en studenten wordt een afzonderlijke wettelijke voorziening tegen de geldelijke gevolgen van arbeidsongeschiktheid voorgesteld in de vorm van het voorstel van Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong), die ten laste komt van de algemene middelen. Bij deze voorziening is derhalve sprake van een brede solidariteit, omdat het om een groep gaat die arbeidsongeschikt is geworden op een tijdstip dat men nog geen inkomen kon verwerven. Het voorwerp van vergoeding is bij deze voorziening veronderstelde inkomensderving ten gevolge van langdurige arbeidsongeschiktheid.

In het voorliggende wetsvoorstel wordt voor zelfstandigen en meewerkende echtgenoten een verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering op minimumniveau voorgesteld. Hierdoor zijn zij van rechtswege verzekerd tegen het risico van langdurige arbeidsongeschiktheid. De verzekering is gebaseerd op het uitgangspunt van feitelijke inkomensderving, hetgeen betekent dat alleen een uitkering kan worden verstrekt wanneer daadwerkelijk inkomen in verband met de uitoefening van het bedrijf of zelfstandig beroep is genoten. De verzekering wordt gefinancierd door een uniforme omslagpremie die door betrokkenen zelf wordt opgebracht. Een dergelijke financieringswijze is in overeenstemming met het uitgangspunt van het regeerakkoord dat de financiële lasten van het arbeidsongeschiktheidsrisico zoveel mogelijk daar worden gelegd waar het ontstaan en het voortbestaan van de arbeidsongeschiktheid worden beïnvloed. De premie wordt geheven als een procentuele premie over de winst uit onderneming van de zelfstandige. Ook de meewerkende echtgenoot wordt voor zover mogelijk in de premieheffing betrokken.

Bij de premieheffing wordt een bij ministeriële regeling vast te stellen maximumpremiegrens alsmede premievrije voet (franchise) in acht genomen.

De onderhavige regeling geldt ook voor andere niet-werknemers met inkomen uit arbeid. In het wetsvoorstel Pemba heeft het kabinet reeds aangegeven dat als randvoorwaarde voor het kabinet bij de integratie van de AAW en WAO geldt dat er voor iedereen van rechtswege een toegankelijke en betaalbare voorziening bij inkomensderving ten gevolge van arbeidsongeschiktheid blijft bestaan. Indien dit wetsvoorstel alleen zou gelden voor zelfstandigen en meewerkende echtgenoten zouden groepen die niet als werknemer in de zin van de WAO worden beschouwd voor het risico van langdurige arbeidsongeschiktheid «tussen wal en schip» raken. Het kabinet acht dit ongewenst en heeft om deze reden voor deze groepen aanvullende regelingen getroffen. Voor de categorie directeuren-grootaandeelhouders wordt een regeling getroffen door hen onder de kring van verplicht verzekerden voor de werknemersverzekeringen, waaronder de WAO, te brengen. Dit wordt geregeld in het wetsvoorstel Invoeringswet premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen (wetsvoorstel Invoeringswet). Groepen niet-werknemers met overig inkomen uit arbeid die «tussen wal en schip» zouden raken omdat zij noch werknemer noch zelfstandige zijn (bijvoorbeeld alphahulpen, geestelijken zonder dienstverband, freelancers zonder dienstverband) zijn onder de kring van verzekerden van de WAZ gebracht. In het vervolg van deze memorie worden zij als beroepsbeoefenaren aangemerkt.

Voor een belangrijk deel wordt in dit wetsvoorstel aangesloten bij de huidige AAW-regeling. Dit geldt onder meer voor de hoogte en duur van de uitkering en het arbeidsongeschiktheidscriterium. Uiteraard is van de AAW afgeweken, waar dit in verband met het gewijzigde karakter van de regeling en de doelgroep noodzakelijk bleek. Voorts zijn in dit wetsvoorstel de voorstellen ter versterking van het inkomensdervingsbeginsel opgenomen uit het eerder bij de Tweede Kamer ingediende wetsvoorstel tot nadere wijziging van de AAW (wijziging van de kring van gerechtigden en van de grondslagvaststelling (Kamerstukken II, 1992/93, 22 968). Dit betekent onder meer dat alleen een uitkering wordt verstrekt als er ook daadwerkelijk inkomen is gederfd. Bij de bepaling van de hoogte van de uitkering wordt steeds uitgegaan van het (winst-)inkomen uit arbeid dat in het jaar voorafgaand aan de arbeidsongeschiktheid als verzekerde werd behaald, met dien verstande dat de uitkering niet meer kan bedragen dan 70% van het minimumloon. Indien dit voor de verzekerde gunstiger is, kan worden uitgegaan van het gemiddelde inkomen in de drie jaar voorafgaand aan de arbeidsongeschiktheid.

In dit wetsvoorstel wordt voorts, waar nodig, aangesloten bij bepalingen uit andere wetten. Hierbij kan met name worden gewezen op bepalingen uit de Wet Financiering Volksverzekeringen, wat betreft het hoofdstuk financiering.

Voorts is er vanuit gegaan dat samenloop van een uitkering op grond van deze wet kan plaatsvinden met een uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet. Via de in die wet geïntroduceerde inkomenstoets vindt anticumulatie van uitkeringsrechten plaats.

Naast deze inhoudelijke wijzigingen ten opzichte van de AAW is voorts gestreefd naar een inzichtelijker opbouw van de artikelen, zodat een hergroepering van de hoofdstukindeling en herschikking van bepalingen heeft plaatsgevonden. Als bijlage is aan deze memorie een concordantietabel toegevoegd, waarin de bepalingen van dit wetsvoorstel en de corresponderende bepalingen van de AAW zijn opgenomen.

De heffing en inning van de premie op grond van de onderhavige wet is opgedragen aan de belastingdienst. De geïnde premies worden gestort in een afzonderlijk Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen dat door het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming (Tica) afzonderlijk zal worden beheerd en geadministreerd. Aangezien het kabinet het niet gewenst acht dat de groep zelfstandigen wordt geconfronteerd met de eventuele meerkosten van de verzekering ten gevolge van het opnemen in de WAZ van beroepsbeoefenaren is in het wetsvoorstel voorzien in een regeling inzake het storten van een rijksbijdrage in het Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen in verband met de eventuele extra uitkeringslasten voor deze groep.

De uitvoering ten aanzien van het verstrekken van uitkeringen en voorzieningen ingevolge deze wet berust bij de bedrijfsverenigingen. In het voorgenomen wetsvoorstel tot wijziging van de uitvoeringsorganisatie sociale verzekeringen (wetsvoorstel Organisatiewet sociale verzekeringen) zal worden voorgesteld om de bedrijfsverenigingen van hun taak te ontheffen. Er zal een nieuwe verdeling van taken en verantwoordelijkheden tussen de uitvoeringsinstellingen en de rechtsopvolger van het Tica worden vastgelegd. Gezien de fase waarin de voorbereidingen van dat wetsvoorstel zich thans bevinden, wordt in dit wetsvoorstel vooralsnog uitgegaan van de bedrijfsverenigingen als uitvoerende instantie.

Dit wetsvoorstel voorziet voorts in een uitkering in verband met bevalling voor vrouwelijke verzekerden. Hiermee wordt tegemoet gekomen aan een reeds geruime tijd levende wens om voor vrouwelijke zelfstandigen en meewerkende echtgenoten een bevallingsuitkering te treffen, analoog aan die voor werkneemsters. De mogelijkheid hiertoe ontstaat door de totstandkoming van een afzonderlijke verzekering voor zelfstandigen. Het onderbrengen van de uitkeringsregeling in verband met bevalling in deze wet is in overeenstemming met het uitgangspunt dat de lasten van de uitkeringen worden opgebracht door de zelfstandigen zelf. De voorgestelde uitkeringsregeling in verband met bevalling geldt voor alle vrouwelijke zelfstandigen, meewerkende echtgenoten en beroepsbeoefenaren. Wat betreft de duur van de uitkering in verband met bevalling wordt aangesloten bij de duur van tenminste 16 weken die voor vrouwelijke werknemers als vertrekpunt geldt. De hoogte van de bevallingsuitkering wordt bepaald op 100% van de uitkeringsgrondslag, die afhankelijk is van het behaalde winstinkomen, maar niet meer kan bedragen dan het minimumloon.

Dit wetsvoorstel regelt de arbeidsongeschiktheidsuitkering van zelfstandigen, meewerkende echtgenoten en beroepsbeoefenaren. In het wetsvoorstel Invoeringswet wordt de intrekking van de AAW geregeld en tevens voorzien in het uitkeringsregime van degenen die thans reeds een uitkering op grond van de AAW hebben en van degenen die reeds vóór de invoering van deze wet arbeidsongeschikt zijn, maar vanwege de wachttijd van 52 weken nog geen recht op AAW-uitkering hebben. In het kader van dat wetsvoorstel wordt geregeld dat zij voortaan uitkering op grond van deze wet zullen hebben dan wel zullen krijgen op het moment dat zij hun wachttijd hebben volgemaakt. Hoewel derhalve hun huidige AAW-uitkering wordt omgezet in ee WAZ-uitkering, blijft hun uitkering materieel beheerst door het AAW-regime. Hiermee wordt gewaarborgd dat oud overgangsrecht – indien op hen van toepassing – ook daadwerkelijk van toepassing blijft. Zij behouden dus een uitkering naar het huidige regime. De financiering van deze bestaande gevallen komt eveneens ten laste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen.

In genoemd wetsvoorstel worden ook de noodzakelijke wijzigingen als gevolg van intrekking van de AAW en de totstandkoming van de WAZ in de overige wetten geregeld.

Meer technische aanpassingen zullen worden ondergebracht in een wetsvoorstel Aanpassingwet.

De opbouw van deze memorie is als volgt. In paragraaf 2 wordt eerst, voor zover relevant, ingegaan op de voorgeschiedenis van deze wet, en meer in het bijzonder op de totstandkoming van de AAW in 1976, de inhoud van de huidige AAW en de inhoud van genoemd wetsvoorstel 22 968 tot nadere wijziging van de AAW. Vervolgens wordt in paragraaf 3 aandacht besteed aan de uitgebrachte adviezen en commentaren. In paragraaf 4 komen de hoofdlijnen van het wetsvoorstel aan de orde. Achtereenvolgens wordt ingegaan op de wenselijkheid van een verplichte verzekering; de kring van verzekerden; recht, hoogte en duur van de uitkering; de financiering via een uniforme premie; de wijze van premieheffing en -inning; de uitkering in verband met bevalling; enkele overige aspecten in verband met het recht op uitkering en de uitvoering en implementatie van de regeling. In paragraaf 5 wordt aandacht besteed aan de beheersing van het volume en met name aan de mogelijkheden van preventie en reïntegratie en het recht van regres van de bedrijfsvereniging op de veroorzaker van de arbeidsongeschiktheid. In paragraaf 6 wordt ingegaan op de handhavingsaspecten van de regeling, waarbij met name de administratieve boete aan de orde komt. Dit algemeen gedeelte van de memorie wordt afgesloten met een tweetal bijzondere aspecten. Het betreft de rechtsbescherming en de informatievoorziening.

2. Voorgeschiedenis

2.1. Totstandkoming van de AAW

De totstandkoming van de AAW in 1976 werd met name ingegeven door de wenselijkheid om voor zelfstandigen en jonggehandicapten tot een regeling te komen die bescherming zou bieden tegen het risico van langdurige arbeidsongeschiktheid. Voor beide groepen werd het treffen van een wettelijke regeling destijds urgent geacht. Vóór de totstandkoming van de AAW in 1976 hadden zelfstandigen geen aanspraken op grond van enige sociale verzekering voor dit risico. Door de Sociaal-Economische Raad (SER) werd aanvankelijk, in zijn advies uit 1965 inzake verplichte verzekering tegen arbeidsongeschiktheid voor anderen dan loontrekkenden, nog een afzonderlijke arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zelfstandigen bepleit. Volgens het toenmalige kabinet kleefden daaraan echter overwegende bezwaren. Als bezwaren werden onder meer genoemd: problemen met betrekking tot een goede afbakening van de kring van zelfstandigen en de noodzaak van individuele registratie van verzekerden.

De invoering van een volksverzekering die plaatsvond na langdurige discussie werd in de memorie van toelichting op het wetsvoorstel gemotiveerd met de overweging dat het bij langdurige arbeidsongeschiktheid gaat om een sociaal risico. Dat sociaal risico geldt voor de gehele bevolking en dient daarom gedekt te worden door middel van een volksverzekering.

Wat zelfstandigen betreft werd overwogen dat zij wat betreft de maatschappelijke consequenties van langdurige arbeidsongeschiktheid in hoge mate vergelijkbaar zijn met werknemers. Voorts werd overwogen dat zij slechts in geringe mate particulier verzekerd waren tegen het risico van arbeidsongeschiktheid. Ten aanzien van jonggehandicapten werd het gerechtvaardigd geacht om het recht op een eigen inkomen en zelfontplooiing voor deze groep via een sociale verzekeringswet tot stand te brengen, waar mogelijkheden in de particuliere verzekeringssfeer ontbraken (Kamerstukken II, 1974/75, 13 231, nr. 1–4, blz. 42 e.v.). Voor werknemers, voor wie reeds een regeling bestond in de vorm van de WAO, werd de AAW een bodemvoorziening die, samen met de WAO-uitkering, in één bedrag werd uitgekeerd.

De AAW is in de loop van de tijd herhaaldelijk gewijzigd, dit met name met het oog op gelijkberechtiging. Voor een overzicht moge worden verwezen naar hoofdstuk 2 van het wetsvoorstel tot nadere wijziging van de AAW (Kamerstukken II, 22 968, nr. 3, blz. 6 e.v.).

2.2. Huidige AAW

De AAW voorziet thans voor alle ingezetenen tot 65 jaar in een uitkering op minimumniveau tegen de gevolgen van inkomensderving vanwege langdurige arbeidsongeschiktheid. De AAW is vooral van praktisch belang gebleken voor zelfstandigen en jonggehandicapten.

De verzekerde zelfstandige of meewerkende echtgenoot heeft recht op een uitkering op grond van de AAW, wanneer hij arbeidsongeschikt is en een wachttijd van 52 weken heeft doorlopen. Voorts is in de wet nog als voorwaarde voor toekenning van het recht op uitkering opgenomen dat de verzekerde in het jaar dat voorafgaat aan het intreden van de arbeidsongeschiktheid tenminste een inkomen uit of in verband met arbeid in het bedrijfs- of beroepsleven ter hoogte van 48 maal het minimumloon per dag heeft verworven (entree-eis, in 1996 f 4 842,72). In het Inkomensbesluit AAW is aangegeven wat onder inkomen uit of in verband met arbeid in het bedrijfs- of beroepsleven moet worden verstaan.

Als gevolg van een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 23 juni 1992 is artikel 6, tweede lid, van de AAW, waarin de hoogte van de entree-eis is vastgelegd, echter inmiddels feitelijk buiten toepassing verklaard. De voorwaarde voor recht op uitkering dat in het refertejaar inkomen uit of in verband met arbeid moet zijn verworven blijft echter van kracht. Voldoende is dat in het refertejaar enig inkomen is genoten. De Raad is van oordeel dat de hoogte van de entree-eis in strijd is met de derde Richtlijn van de EG en artikel 26 van het internationale verdrag inzake burgerlijke en politieke rechten. Volgens de Raad is de hoogte van de entree-eis discriminatoir omdat vrouwen veel vaker dan mannen minder verdienen dan het vereiste inkomen. De Raad vindt het stellen van een inkomenseis op zichzelf wél geoorloofd, omdat de AAW bedoeld is om het derven van inkomen te compenseren. Daarnaast is volgens de Raad een rechtvaardigingsgrond het voorkomen van kleine «snipperuitkeringen». De huidige hoogte van de entree-eis is echter niet geschikt en noodzakelijk om deze doeleinden te verwezenlijken.

De hoogte van de AAW-uitkering is afhankelijk van de mate van arbeidsongeschiktheid, die tot uitdrukking komt in een bepaald arbeidsongeschiktheidspercentage, en van de uitkeringsgrondslag. Met ingang van 1 augustus 1993 geldt op grond van de Wet Terugdringing Beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen (TBA) een nieuw arbeidsongeschiktheidscriterium, waarbij voor de schatting van de resterende verdiencapaciteit van de belanghebbende uitgegaan wordt van wat iemand nog wél kan. Bij de schatting van de arbeidsongeschiktheid worden derhalve, net als voor werknemers, ook functies in loondienst geduid, waarbij voor de functies in loondienst de hoogste loonwaarde in aanmerking wordt genomen.

De mate van arbeidsongeschiktheid wordt derhalve gevonden door een vergelijking tussen het inkomen dat betrokkene vóór de arbeidsongeschiktheid behaalde (maatman)inkomen, waarbij voor zelfstandigen in de uitvoeringspraktijk in beginsel wordt gekeken naar het gemiddelde van de behaalde winst over de laatste drie jaar, en de resterende verdiencapaciteit, uitgaande van het inkomen dat betrokkene maximaal nog zou kunnen verdienen.

Aangezien de AAW een verzekering op minimumniveau is, is de uitkeringsgrondslag in beginsel gelijk aan het wettelijk minimum (jeugd) loon. Dit is de «algemene» grondslag. De AAW-uitkering kan derhalve in beginsel niet meer bedragen dan 70% van het geldende minimumloon, ook wanneer in het jaar voorafgaand aan de arbeidsongeschiktheid meer inkomen is genoten. Betrokkene kan zo nodig een aanvulling tot het relevante sociaal minimum verkrijgen via een toeslag op grond van de Toeslagenwet, voor zover de gezinssituatie daartoe aanleiding geeft.

Uitgangspunt van de AAW is dat sprake moet zijn van feitelijke inkomensderving, hetgeen impliceert dat de uitkering wordt gerelateerd aan het feitelijk verdiende inkomen. Wanneer de zelfstandige of de meewerkende echtgenoot in het refertejaar parttime heeft gewerkt en ten gevolge daarvan de winst of de toegerekende winst minder bedraagt dan het minimumloon wordt de grondslag bepaald op basis van de feitelijk behaalde of toegerekende winst. Dit is de zgn. «individuele» grondslag. Wanneer sprake is van parttime arbeid is geregeld in het Besluit regels arbeid van normaal te achten duur. De individuele grondslag wordt bepaald aan de hand van het Besluit gemiddeld per dag verworven inkomen AAW.

Op het uitgangspunt van feitelijke inkomensderving is in de huidige AAW voor jonggehandicapten en zgn. «bijzondere groepen», onder wie bepaalde zelfstandigen en meewerkende echtgenoten een uitzondering gemaakt. Op grond van de wet worden jonggehandicapten uitgezonderd van de inkomensdervingseis. Verder worden, op grond van het Besluit verzekerden, die geacht worden voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid inkomen te hebben verworven (Stb. 1980, 263), onder meer zelfstandigen en hun meewerkende echtgenoten die voltijds hebben gewerkt geacht inkomen te hebben verworven, waarmee zij aan de entree-eis hebben voldaan en kunnen zij derhalve in aanmerking komen voor een AAW-uitkering op basis van de algemene grondslag. Voldaan moet worden aan de voorwaarde dat in het refertejaar tenminste zes maanden voltijds is gewerkt. De voltijdwerkende zelfstandige en meewerkende echtgenoot die verlies hebben geleden komen niet alleen in aanmerking voor een uitkering, maar ontvangen ook een uitkering gerelateerd aan het minimumloon. Verzekerden zonder inkomen worden op grond van het Besluit normaal te achten duur geacht arbeid van normaal te achten duur te hebben verricht, zodat voor hen de algemene grondslag geldt.

Voor voltijdwerkende zelfstandigen en voltijdwerkende meewerkende echtgenoten resulteert derhalve bij arbeidsongeschiktheid een uitkering, gerelateerd aan het minimumloonniveau, ook indien feitelijk een lager inkomen of zelfs een negatief inkomen werd behaald.

Samengevat kan sprake zijn van de volgende situaties:

– wie in het refertejaar een inkomen heeft behaald op of boven het minimumloon, kan aanspraak maken op een AAW-uitkering, gerelateerd aan het minimumloon;

– wie minder dan het minimumloon heeft verdiend, maar voltijd heeft gewerkt, kan eveneens aanspraak maken op een AAW-uitkering, gerelateerd aan het minimumloon; – wie «enig inkomen», maar minder dan het minimumloon heeft verdiend en parttime heeft gewerkt, kan aanspraak maken op een AAW-uitkering, gerelateerd aan het verdiende inkomen.

Zoals alle verzekerden betalen zelfstandigen aan de financiering van de financiële lasten van de AAW door premiebetaling. De huidige AAW-premie zit in de eerste schijf, als onderdeel van de loonheffing. Over het inkomen in de eerste schijf wordt nu een uniform, voor iedereen geldend percentage aan AAW-premie geheven. Hierbij wordt rekening gehouden met de heffingsvrije voet. In 1996 bedraagt het premiepercentage 6,7 % over het belastbaar inkomen tot ten hoogste f 45 325,-. De maximumpremie bedraagt derhalve f 3 037,-.

De huidige AAW-premie wordt geïnd door de belastingdienst. De geïnde AAW-premies worden in het Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds (Aaf) gestort. Daaruit worden de AAW-uitkeringen gefinancierd.

Het aantal (ex)zelfstandigen dat in 1994 een AAW-uitkering heeft, bedroeg eind 1994 ca. 58 000. In onderstaande tabel wordt een overzicht gegeven van het aantal zelfstandigen dat sinds de totstandkoming van de AAW een uitkering ontving.

Tabel 1. Overzicht van het aantal zelfstandigen dat aangewezen is op de AAW

 1976197719781979198019811982198319841985198619871988198919901991199219931994
Zelfstandige                   
personen (x 1000)18.333.737.840.242.044.445.946.747.548.149.451.252.955.559.158.760.160.658.2
uitk. jaren (x 1000)3.631.435.636.437.940.941.140.540.741.843.244.646.249.963.054.953.352.949.9
lasten (mln gld)57520653707755806846847874835853832801864113310071000994943

In de tabel zijn niet begrepen sociale lasten en uitvoeringskosten.

Ruim de helft van de zelfstandigen met een AAW-uitkering heeft een mate van arbeidsongeschiktheid die ligt tussen de 80 en 100%.

Voor het eerste jaar van arbeidsongeschiktheid en voor inkomensderving boven het AAW-niveau na het eerste jaar hebben zelfstandigen de mogelijkheid zich particulier te verzekeren.

Voorts kunnen zelfstandigen en meewerkende echtgenoten thans onder bepaalde voorwaarden een vrijwillige verzekering op grond van de ZW en WAO afsluiten voor het risico van ziekte en arbeidsongeschiktheid. De bedrijfsvereniging is verplicht om betrokkene voor de vrijwillige verzekering te accepteren, indien deze voordien tenminste drie jaar onafgebroken verplicht verzekerd is geweest op grond van een wettelijke voorziening tegen geldelijke gevolgen van ziekte. Uiteraard is de vrijwillige verzekering op grond van de WAO alleen interessant voor het risico dat niet wordt gedekt door de AAW.

2.3. Wetsvoorstel 22 968 tot nadere wijziging van de AAW

In het kader van dit wetsvoorstel zijn voorts de voorgenomen maatregelen in het kader van genoemd wetsvoorstel 22 968 tot nadere wijziging van de AAW van groot belang.

Mede naar aanleiding van uitspraken van het Hof van Justitie van 13 december 1989 en van de Centrale Raad van Beroep van 23 juni 1992 kwam het vorige kabinet tot de conclusie dat het uitgangspunt dat sprake moet zijn van feitelijke inkomensderving in de AAW niet consistent en consequent is uitgewerkt. Dit gold met name voor de in de wet opgenomen entree-eis en voor de positie van bijzondere groepen.

Allereerst hebben bepaalde groepen (bijvoorbeeld voltijdwerkende zelfstandigen met een laag of negatief winst-inkomen) recht op AAW-uitkering zonder dat sprake is van feitelijke inkomensderving, maar wel van een verlies van arbeidscapaciteit als gevolg van arbeidsongeschiktheid. Andere groepen die eveneens geen inkomen derven (bijvoorbeeld bijstandsontvangers en verzorgers van jonge kinderen) hebben geen recht op uitkering, terwijl er toch ook sprake is van verlies van arbeidscapaciteit. Dit levert niet te motiveren verschillen in rechtspositie op. Daarnaast bestaan er thans niet te rechtvaardigen verschillen in uitkeringshoogte. Het uitgangspunt van de AAW is verzekering van inkomensderving wegens verlies aan verdiencapaciteit. Daaruit volgt dat de uitkeringshoogte verband moet houden met het feitelijk gederfde inkomen.

Het kabinet achtte het noodzakelijk de wet te wijzigen en daarbij de volgende uitgangspunten te formuleren:

– er wordt uitsluitend recht op uitkering verleend indien ten gevolge van arbeidsongeschiktheid daadwerkelijk inkomen in verband met arbeid in het bedrijfs- of beroepsleven is gederfd;

– de uitkering wordt gerelateerd aan het feitelijk gederfde inkomen.

In het kader van genoemd wetsvoorstel stelde het vorige kabinet, met het oog op de wenselijkheid om het inkomensdervingsbeginsel in de AAW te versterken, de volgende maatregelen voor:

– arbeidsongeschikten hebben recht op uitkering indien in het refertejaar arbeid in het bedrijfs- of beroepsleven is verricht, gericht op het verwerven van inkomen;

– afschaffing van de entree-eis;

– de uitkering bedraagt nimmer meer dan 70% van het feitelijk genoten arbeidsinkomen;

– met name met het oog op vooral bij zelfstandigen wisselende inkomensvorming wordt een middelingsregeling ingevoerd, inhoudende dat (indien zulks gunstiger is) niet het inkomen in het refertejaar maar het gemiddelde inkomen in de drie jaar voorafgaand aan de arbeidsongeschiktheid bepalend is voor de hoogte van de uitkeringsgrondslag.

Als gevolg van de voorgestelde afschaffing van de inkomenseis zouden kruimeluitkeringen kunnen ontstaan. Het vorige kabinet achtte dit aanvaardbaar. Belangrijke overweging om kruimeluitkeringen te accepteren was het karakter van een arbeidsongeschiktheidsuitkering: het betreft een langlopende uitkering, zodat ook lage inkomens een functie als inkomensbron kunnen vervullen. De «baten» voor uitkeringsgerechtigden wogen dus zwaarder dan de kosten voor de uitvoering.

De voorgestelde middelingsregeling kwam voort uit de wens om de nadelen van fluctuaties in het inkomen van zelfstandigen enigszins te ondervangen. Door een deel van de Sociaal-Economische Raad (SER) is in zijn Advies wijziging AAW, ABW, IOAW en IOAZ van 18 januari 1991 ten aanzien van zelfstandigen een regeling voorgesteld op grond waarvan het hoogste jaarinkomen in de drie jaar voorafgaand aan de arbeidsongeschiktheid als uitkeringsgrondslag wordt genomen. Het vorige kabinet heeft dit voorstel niet overgenomen, onder meer gezien de daaraan verbonden aanzienlijke meerkosten.

De behandeling van dat wetsvoorstel is niet verder gekomen dan tot het uitbrengen van het verslag door de Tweede Kamer (Kamerstukken II, 1992/93, 22 968, nr. 5). Het huidige kabinet acht het zeer gewenst dat het voorliggende wetsvoorstel wordt gebaseerd op het principe van feitelijke inkomensderving en wordt uitgewerkt langs de lijnen van het reeds bij de Kamer ingediende wetsvoorstel. Het voornemen bestaat om laatstgenoemd wetsvoorstel in verband hiermee in te trekken.

3. Uitgebrachte adviezen

Door de SER is, naar aanleiding van een adviesaanvraag van 6 februari 1995, op 21 april 1995 advies uitgebracht over de kabinetsvoornemens inzake de ZW, WAO en AAW. Voor een algemene weergave van het advies terzake van de WAO en AAW alsmede het commentaar daarop van het kabinet moge worden verwezen naar de memorie van toelichting op het wetsvoorstel Pemba. In deze memorie wordt volstaan met een weergave van het advies van de SER, voor zover dit specifiek betrekking heeft op de voorgestelde verzekering voor zelfstandigen.

In hoofdstuk 5 van zijn advies van 21 april 1995 ging de SER in op de voorgestelde arbeidsongeschiktheidsregelingen voor niet-werknemers. De nieuwe arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zelfstandigen stuitte bij de SER niet op bezwaren. De raad constateerde dat het voornemen om afzonderlijke regelingen te treffen voor werknemers, zelfstandigen en jonggehandicapten aansluit bij de opvattingen die de raad in 1965 heeft uitgesproken in zijn advies over verzekering van arbeidsongeschiktheid van niet-werknemers.

De SER achtte de overwegingen van het kabinet om bij de verzekering voor zelfstandigen af te zien van invoering van premiedifferentiatie overtuigend, met name vanwege de slechts zeer beperkte effecten op het volume. Ook de overwegingen van het kabinet om ten aanzien van zelfstandigen af te zien van de aanvankelijk door het kabinet overwogen mogelijkheid om uit te stappen achtte de raad overtuigend, met name vanwege de daaruit voortvloeiende afkalving van het draagvlak.

De SER kon voorts de door het kabinet gemaakte afweging ten aanzien van de keuze van de premiegrondslag onderschrijven. Het kabinet geeft daarbij de voorkeur aan winst uit onderneming boven de belastbare som. De SER zag de voorgestelde premiegrondslag als een verbetering. De raad achtte het gegeven dat bij premieheffing over de belastbare som ongewenste effecten zouden optreden bij een aanzienlijke groep zelfstandigen die tevens looninkomen genieten op zichzelf reeds een belemmering om voor dat alternatief te kiezen. Aan de suggestie van de SER om de uit de voorgestelde premiegrondslag voortvloeiende inkomenseffecten via een heffingsvrije voet te mitigeren is in de verdere uitwerking van de voorstellen door het kabinet gevolg gegeven.

Naar het oordeel van de SER lag het in de rede dat de meewerkende echtgenoot op enigerlei wijze in de premieheffing wordt betrokken. De raad was van mening dat dit via de voorgestelde premiegrondslag in belangrijke mate wordt gerealiseerd. In situaties, waarin de meewerkende echtgenoot zelfstandig inkomen in de vorm van een arbeidsbeloning ontvangt, lag het volgens de SER in de rede deze als grondslag voor de premieheffing te hanteren. In situaties, waarin geen arbeidsbeloning wordt ontvangen, maar doorgaans een meewerkaftrek wordt genoten, is van belang dat de premieheffing voortaan over de winst uit onderneming plaatsvindt, waarbij de premiegrondslag niet door de meewerkaftrek wordt verlaagd, zoals nu het geval is. De raad constateerde dat, afgezien van de situatie waarin de winst de maximumpremiegrens overstijgt, de meewerkende echtgenoot in die situaties reeds zonder nadere maatregelen in de premieheffing wordt betrokken.

De SER onthield zich tenslotte van een oordeel over de vraag of voor directeuren-grootaandeelhouders en overige restgroepen op enigerlei wijze een wettelijke regeling moet worden getroffen.

De SER onderschreef voorts, mede gelet op de resultaten van onderzoek op dit terrein, de wenselijkheid van een wettelijke regeling in verband met bevalling voor zelfstandigen en meewerkende echtgenoten. Ten aanzien van de hoogte van de bevallingsuitkering overwoog de SER dat, in aanmerking nemend dat het gaat om een voorziening in het kader van de zelfstandigenverzekering, ook zou kunnen worden aangesloten bij een maximering van 70% van het minimumloon. De SER merkte hierbij echter terecht op dat dit ertoe zou leiden dat vrouwelijke zelfstandigen en meewerkende echtgenoten die thans vrijwillig verzekerd zijn op grond van de ZW – op zich een kleine groep – er ten opzichte van het kabinetsvoorstel op achteruit zouden gaan. Mede om die reden stelt het kabinet voor om, net als voor werknemers het geval is, niet te kiezen voor 70%, maar voor 100% van de relevante grondslag, met als maximum het minimumloon.

Naar het oordeel van het kabinet kan uit het advies van de SER de conclusie worden getrokken dat de raad in algemene zin kan instemmen met de hoofdlijnen van de voorgenomen regeling.

Ten aanzien van de categorieën verzekerden die inkomensvormende arbeid verrichten maar niet onder deze wet of de WAO vallen en thans verzekerd zijn voor de AAW zijn, zoals reeds eerder opgemerkt, inmiddels aanvullende regelingen getroffen zodat zij ook na de onderhavige herziening van de arbeidsongeschiktheidsregelingen van rechtswege verzekerd zullen zijn. Hierop wordt nader ingegaan in paragraaf 4.2.

Naar aanleiding van een daartoe strekkend verzoek van 21 maart 1995 heeft de Ziekenfondsraad voorts op 22 juni 1995 commentaar geleverd over de gevolgen voor de sociale ziektekostenverzekeringen van de kabinetsvoornemens inzake versterking van de marktwerking in de ZW en WAO. De raad beveelt onder meer aan om de regeling voor zelfstandigen en jonggehandicapten titel voor ziekenfondsverzekering te laten zijn, indien betrokkenen een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangen, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van tenminste 45 %. Een daartoe strekkende wetswijziging is opgenomen in het wetsvoorstel Invoeringswet.

Na advisering door de SER zijn de voorstellen uit de adviesaanvraag nader uitgewerkt in een aantal wetsvoorstellen. Over het onderhavige wetsvoorstel is op 15 mei 1995 technisch commentaar gevraagd aan het Tica. Aan het College van toezicht sociale verzekeringen (Ctsv) is op 15 mei 1995 verzocht om een toets te verrichten op de toezichtsaspecten van dit wetsvoorstel. Voorts is op 24 augustus 1995 de Registratiekamer om commentaar gevraagd, waar het betreft de informatie-aspecten van het voorliggende wetsvoorstel.

Het Tica heeft bij brief van 20 juli 1995 een uitvoerig commentaar uitgebracht. Het Tica ging in zijn commentaar onder meer in op de kring van verzekerden, de uitvoering, de financiering, premieheffing en -inning, de arbeidsongeschiktheidsuitkering, de uitkering in verband met bevalling, samenloopsituaties, het regresrecht en het invoeringstraject. Op het commentaar van het Tica zal op de desbetreffende onderdelen van deze memorie nader worden ingegaan.

Het Ctsv heeft op 15 september 1995 verslag gedaan van de uitkomsten van de toets op toezichtsaspecten. Het Ctsv verwachtte geen majeure problemen bij het toezicht op de uitvoering van de WAZ, mede gezien het feit dat dit wetsvoorstel in hoge mate lijkt op de huidige AAW. Op de kanttekening van het College ten aanzien van de samenloop tussen de WAZ en de WAO zal in het vervolg van deze memorie worden ingegaan.

De Registratiekamer heeft op 11 september 1995 zijn opvattingen kenbaar gemaakt. De Registratiekamer gaf aan in te kunnen stemmen met de wijze waarop in dit wetsvoorstel en de huidige Organisatiewet sociale verzekeringen (Osv) aspecten in verband met gegevensverstrekking en geheimhouding, gegevensuitwisseling tussen bestuursorganen en beleids- en toezichtsinformatie zijn vormgegeven.

4. Hoofdlijnen van het wetsvoorstel

4.1. Uitgangspunten

Voor de totstandkoming van een afzonderlijke arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zelfstandigen hanteert het kabinet de volgende uitgangspunten:

a. de wenselijkheid van een verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zelfstandigen, meewerkende echtgenoten en beroepsbeoefenaren;

b. handhaving van recht op en hoogte en duur van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, uitgaande van de reeds voorgenomen maatregelen uit wetsvoorstel 22 968;

c. de financiering van de verzekering door de zelfstandigen en, voor zover mogelijk, door hun meewerkende echtgenoten, alsmede beroepsbeoefenaren door middel van een landelijk uniforme omslagpremie over het verzekerde inkomen;

d. de wenselijkheid van een uitkering in verband met bevalling voor vrouwelijke verzekerden;

e. de heffing en inning van de premies in het kader van de verzekering vinden plaats door de belastingdienst;

f. de beoordeling of betrokkene voor een uitkering en voorzieningen in aanmerking komt en de verzorging van de uitkering en daarmee samenhangende aspecten vindt plaats door de bedrijfsverenigingen.

Op basis van deze uitgangspunten worden hierna de hoofdlijnen van het wetsvoorstel nader toegelicht.

4.2. Wenselijkheid van intrekking van de AAW en van een verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zelfstandigen, meewerkende echtgenoten en beroepsbeoefenaren

Het onderhavige wetsvoorstel moet naar het oordeel van het kabinet worden gezien in het licht van het streven om een eigentijdse invulling te vinden van een juiste balans tussen de uitgangspunten van publieke solidariteit en eigen verantwoordelijkheid.

Het complex wetsvoorstellen tot herziening van het stelsel van arbeidsongeschiktheidsregelingen, de Pemba, de WAZ, de Wajong en de bij deze drie wetsvoorstellen behorende Invoeringswet, vormt het sluitstuk van een gedurende een reeks van jaren in gang gezette wijziging van het stelsel van sociale zekerheid waarbij een omslag is gemaakt naar een activerend stelsel. In het verleden is het stelsel vooral vorm gegeven als een publieke verzekering waarbij weinig invulling was gegeven aan en weinig ruimte was voor eigen verantwoordelijkheid en eigen initiatief. Een stelsel waarbij bescherming, het waarborgen van inkomen, voorop stond en het voorkomen van het verlies en het wederom ongedaan maken hiervan te weinig aandacht kregen. Een dergelijk stelsel kent zijn grenzen in die zin dat de mogelijkheid om risico's af te wentelen op het collectief te nadrukkelijk aanwezig is. In dit stelsel was geen juiste balans (meer) aanwezig tussen solidariteit enerzijds en eigen verantwoordelijkheid en, in het verlengde hiervan, eigen initiatief anderzijds. Het stijgende volume in de sociale zekerheid en met name in de arbeidsongeschiktheidsregelingen is hier een nadrukkelijk bewijs van. Vanuit het uitgangspunt dat er minder nadruk moet komen te liggen op de publieke verzekering en dat er meer ruimte moet worden gecreëerd voor eigen verantwoordelijkheid en initiatief is het stelsel omgevormd tot een meer activerend stelsel. Een publieke verzekering met een brede solidariteit is en blijft noodzakelijk daar waar risico's kunnen optreden die zo groot zijn dat zij op individueel niveau niet gedragen kunnen worden. Echter daar waar particuliere verzekeringen het risico kunnen dragen is er ruimte voor de publieke verzekering om terug te treden.

Voor dit kabinet zijn de voorstellen tot het vormgeven van een meer activerend stelsel binnen de arbeidsongeschiktheidsregelingen aan een aantal uitdrukkelijke randvoorwaarden gebonden. Deze betreffen de plicht voor alle werknemers om tegen arbeidsongeschiktheidsrisico verzekerd te zijn en het recht van werkgevers om voor alle werknemers (zonder selectie) een betaalbare verzekering tegen dit risico te kunnen afsluiten. Ook dienen hoogte en duur van de uitkeringsrechten na de overgang naar het nieuwe stelsel te zijn gewaarborgd.

Naar de mening van het kabinet is het in verband met het voorgaande gewenst om de AAW in te trekken. Allereerst verliest de AAW zijn betekenis als volksverzekering als gevolg van de invoering van premiedifferentiatie en de mogelijkheid van een eigen risico in de WAO. De WAO wordt immers in verband hiermee een geïntegreerde arbeidsongeschiktheidsverzekering voor werknemers, waarvan de geïntegreerde premie ten laste komt van de werkgever. Voorts past het «opsplitsen» van de AAW in categoriale regelingen in het beleid ten aanzien van een activerend stelsel. Deze aanpak biedt ondermeer het voordeel dat de premielast preciezer kan worden toegedeeld. Dit is in lijn met het uitgangspunt dat de financiële lasten van het risico zoveel mogelijk daar worden gelegd waar het ontstaan en voortbestaan van de arbeidsongeschiktheid worden beïnvloed.

In dit opzicht komt het kabinet derhalve terug op de destijds, bij de totstandkoming van de AAW, gehuldigde opvatting dat het risico van langdurige arbeidsongeschiktheid het beste gedragen kan worden door de gehele bevolking en wel via een algemene omslagpremie. Weliswaar blijft in de opvatting van het kabinet ruimte voor het gezamenlijk dragen van lasten, maar daarbij staat het kabinet een zodanige invulling van de solidariteitsgedachte voor ogen dat betrokkenen direct worden aangesproken op de eigen verantwoordelijkheid en de lasten niet kunnen worden afgewenteld op anderen of het collectief. Hierbij moet er een betaalbare en draagbare verzekering ontstaan, waarbij solidariteitselementen indien noodzakelijk moeten worden ingebracht. Dit laatste wordt voluit ingebracht in de Wajong. Het gaat daarbij immers om een voorziening voor een groep personen die op een tijdstip arbeidsongeschikt is geworden waarin men nog niet in zijn eigen inkomen kon voorzien. Ook in de WAZ wordt voorzien in het aanbrengen van een solidariteitselement buiten de eigen kring, nl. daar waar wordt voorzien in een rijksbijdrage. In de WAZ wordt voorgesteld de zelfstandigen de eigen lasten te laten opbrengen. De groep beroepsbeoefenaren met overig inkomen niet zijnde loon en niet zijnde winst wordt geconfronteerd met dezelfde premie als de zelfstandigen. Voor zover dit niet voldoende is ter dekking van de lasten wordt dit aangevuld door middel van een rijksbijdrage. Ook bij «het opsplitsen» van de AAW in categoriale regelingen blijft derhalve sprake van belangrijke elementen van solidariteit.

Ook bij het intrekken van de AAW en het creëren van categoriale regelingen moet blijven worden voldaan aan de randvoorwaarde dat iedereen van rechtswege verzekerd moet blijven tegen de gevolgen van inkomensverlies bij arbeidsongeschiktheid. Het intrekken van de AAW mag er niet toe leiden dat groepen die ten gevolge van arbeidsongeschiktheid geconfronteerd worden met een verlies van inkomen geen uitkering meer zouden ontvangen. Dit resulteert erin dat:

– werknemers en met hen gelijkgestelden (onder wie directeuren-grootaandeelhouders) verzekerd zijn op grond van de WAO;

– zelfstandigen, hun meewerkende echtgenoten en beroepsbeoefenaren verzekerd zijn op grond van de WAZ;

– jonggehandicapten en studenten aanspraken kunnen ontlenen aan de Wajong.

Hiermee wordt het bereik van de kring van verzekerden van de huidige AAW omvat. Wel wordt in dit kader rekening gehouden met de voorgenomen versterking van het inkomensdervingsbeginsel.

Zoals hiervoor aangegeven, was een van de motieven voor de totstandkoming van de AAW dat zelfstandigen – de hoofdgroep van de WAZ-verzekering – er niet in voldoende mate toe waren overgegaan om het risico van langdurige arbeidsongeschiktheid door middel van een particuliere verzekering te dekken. Het kabinet acht dit motief ook nu nog van groot gewicht.

Nu de AAW in het kader van deze operatie haar betekenis als volksverzekering verliest, acht het kabinet het ten behoeve van de sociale bescherming van zelfstandigen geboden om voor hen een afzonderlijke verplichte wettelijke verzekering te treffen.

De wenselijkheid van een dergelijke regeling wordt ingegeven door de volgende overwegingen:

– ingeval het aan zelfstandigen zelf zou worden overgelaten om zich voor dit risico particulier te verzekeren dan wel van enigerlei vorm van verzekering af te zien, is het risico groot dat een groot gedeelte van de zelfstandigen vanwege een optimistische inschatting van het eigen risico dan wel vanuit kostenoverwegingen, zal afzien van een dergelijke verzekering. Vanwege de aard van dit risico is dit ongewenst. Ingeval toch arbeidsongeschiktheid zou intreden, is bovendien het gevaar niet denkbeeldig dat dit zou leiden tot afwenteling van kosten op de Algemene bijstandswet.

– verzekeraars kunnen geen garantie bieden dat de toegankelijkheid van een betaalbare particuliere verzekering voor alle personen behorend tot deze categorie is gewaarborgd. Dit hangt samen met het feit dat het bij zelfstandigen gaat om individuele contracten, waarbij de inschatting door de verzekeraar van het individuele risico in sterke mate bepalend is voor acceptatie en de hoogte van de premie.

– ten slotte is van belang dat de voorstellen tot wijziging van de arbeidsongeschiktheidsverzekeringen niet als oogmerk hebben om wijziging te brengen in de sociale bescherming van zelfstandigen.

Om voor alle zelfstandigen een toegankelijke, betaalbare verzekering met voldoende draagvlak voor de financiering te creëren acht het kabinet derhalve een verplichte verzekering noodzakelijk, waarbij in beginsel alle zelfstandigen verplicht zijn te voorzien in de financiering van de regeling. Deze regeling dient ook te gelden voor meewerkende echtgenoten en beroepsbeoefenaren.

Het kabinet heeft overwogen of in deze regeling, net zoals het geval is in het wetsvoorstel tot wijziging van de WAO, de mogelijkheid zou moeten worden geschapen om voor een bepaalde periode eigen-risicodrager te worden. Introductie van deze mogelijkheid levert echter bij zelfstandigen c.s. eigensoortige vraagstukken op. Met name van belang zijn de gevolgen voor het draagvlak van de publieke verzekering. Bovendien geldt ook hier de overweging dat het risico bestaat dat een groot gedeelte van de zelfstandigen vanwege een optimistische inschatting van het eigen risico dan wel vanuit kostenoverwegingen, zal afzien van een dergelijke verzekering, hetgeen kan leiden tot afwenteling van kosten op de Algemene bijstandswet. Daarnaast geldt dat de mogelijkheid tot eigen-risicodragen voor zelfstandigen c.s. nauwelijks zal leiden tot extra inspanningen om arbeidsongeschiktheid te voorkomen.

Bij de keuze tussen de publieke verzekering en eigen-risicodragen met de mogelijkheid van een particuliere verzekering speelt voor de hoogte van de premie slechts het individuele risico een rol. Vooral voor jongere ondernemers zou dit kunnen leiden tot de keuze om eigen-risicodrager te worden. Omdat de hoogte van de premie afhankelijk is van het individuele risico (en niet zoals bij werknemers van het collectieve risico van meerdere werknemers binnen een bedrijf of bedrijfstak) zou dit eerder dan in de verzekering voor werknemers ertoe kunnen leiden dat slechts de slechtere risico's in de publieke verzekering achterblijven, hetgeen door het steeds smaller wordende draagvlak én de relatief hoge uitkeringslasten al snel tot onverantwoord hoge premies kan leiden. Voorts zou het introduceren van de mogelijkheid van eigen-risicodragen leiden tot twee premies (nl. één voor degenen die niet voor het dragen van eigen risico kiezen en één voor de periode daarna) hetgeen complicaties voor de premieheffing oplevert.

Deze overwegingen hebben het kabinet gebracht tot het voorstel zelfstandigen c.s. niet de mogelijkheid te bieden om eigen-risicodrager te worden.

Het kabinet geeft derhalve aan de onderhavige regeling de voorkeur boven een terugkeer naar de situatie van vóór 1976, waarbij veel zelfstandigen niet voor het langdurig arbeidsongeschiktheidsrisico bleken te zijn verzekerd.

4.3. Kring van verzekerden

Van rechtswege verzekerd voor deze verzekering zijn zelfstandigen, meewerkende echtgenoten en beroepsbeoefenaren.

In de huidige AAW zijn zelfstandigen niet afzonderlijk als groep verzekerden gedefinieerd. Dit is in een volksverzekering als de AAW ook niet nodig: de kring van verzekerden wordt gevormd door ingezetenen en door niet-ingezetenen die vanwege het verrichten van arbeid in dienstbetrekking in Nederland aan de loonbelasting zijn onderworpen. Zelfstandigen die ingezetene zijn vallen onder de AAW. Daarnaast vallen op grond van de Verordening (EEG) nr. 1408/71 van 14 juni 1971 ook zelfstandigen die ingezetene zijn van een andere EU-lidstaat dan wel van een staat die partij is bij het verdrag van de EER (Europese Economische Ruimte) onder de werkingssfeer van de AAW, indien zij hier te lande een bedrijf of zelfstandig beroep uitoefenen.

Voorgesteld wordt om als zelfstandigen aan te merken natuurlijke personen, jonger dan 65 jaar, die als zelfstandige ondernemer gericht zijn op het behalen van winst uit onderneming in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Wat de hoofdgroep van de regeling betreft kan aldus worden aangesloten bij fiscale begrippen en gegevens, hetgeen tot een zo eenduidig mogelijke uitvoering kan leiden van enerzijds de premieheffing eninning, anderzijds de beoordeling van het recht op uitkering.

Een persoon geniet winst uit onderneming indien voor zijn rekening een onderneming wordt gedreven. Daaronder wordt ook degene begrepen die, anders dan aandeelhouder, medegerechtigd is tot het vermogen van een onderneming. Wat betreft het begrip onderneming zijn voor de fiscus de volgende elementen van belang:

– een duurzame organisatie van arbeid en kapitaal

– deelnemen aan het maatschappelijk verkeer

– oogmerk is het behalen van winst

– die redelijkerwijs ook te verwachten moet zijn.

De beoordeling of sprake is van een onderneming is afhankelijk van de beoordeling van de feitelijke situatie (bijv. BTW-nummer, bedrijfspand, personeel, adverteren, vergunningen, inschrijving bij de Kamer van Koophandel, presentatie naar buiten, etc.).

Zelfstandigen zijn in het algemeen als zodanig bekend bij de belastingdienst:

– men is als ondernemer aangifte- en belastingplichtig voor de Wet op de Inkomstenbelasting 1964 en uit dien hoofde bij de belastingdienst ook als zodanig bekend. Ook kan een ondernemer belang hebben bij het doen van aangifte met het oog op fiscale tegemoetkomingen (zelfstandigenaftrek, verrekening van verliezen e.d.)

– de belastingdienst ontvangt van de Kamers van Koophandel en fabrieken de inschrijving van nieuwe ondernemers. Deze informatie wordt gebruikt voor de beoordeling van de belastingplicht. Verder heeft de belastingdienst zelf beleid om nieuwe ondernemers te achterhalen. De aanvang van de verzekering kan doorgaans worden bepaald aan de hand van bijvoorbeeld een ingevuld startersformulier, de datum van afgifte BTW-nummer, de melding bij de bedrijfsvereniging (ingeval er personeel is).

Door aansluiting bij fiscale begrippen en gegevens en de uitvoering van de premieheffing en -inning door de belastingdienst wordt de kring van verzekerde zelfstandigen in eerste instantie vastgesteld door de belastingdienst. Evenals nu het geval is, vindt eerst toetsing van het verzekerd-zijn door de bedrijfsvereniging plaats, wanneer betrokkene een aanvraag indient voor een uitkering.

Het Tica werpt in zijn commentaar de vraag op of de zelfstandige die verlies lijdt wel verzekerd is. Dit is inderdaad het geval. Voorwaarde om als zelfstandige in de zin van de WAZ te worden aangemerkt is dat betrokkene winst geniet als bedoeld in de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Onder winst genieten in de zin van die wet wordt niet alleen positieve winst verstaan, maar ook negatieve winst. Dit houdt in dat een zelfstandige die verlies lijdt ook voor de WAZ verzekerd is. Of betrokkene bij arbeidsongeschiktheid daadwerkelijk in aanmerking komt voor een uitkering is, naast de mate van arbeidsongeschiktheid, afhankelijk van het gerealiseerde winst-inkomen in de referteperiode. Op grond van dit wetsvoorstel geldt daarbij de winst die behaald is in het boekjaar, onmiddellijk voorafgaand aan het intreden van de arbeidsongeschiktheid, als uitgangspunt. Indien het gerealiseerde winst-inkomen echter in de drie boekjaren, voorafgaande aan de arbeidsongeschiktheid hoger was wordt de uitkering berekend over het gemiddelde winst-inkomen in die laatste drie jaar, waarbij uiteraard steeds als maximum het minimumloonniveau geldt. Toepassing van deze middelingsregeling heeft dus tot gevolg dat zelfstandigen die het laatste jaar verlies leden, maar de laatste drie jaar gemiddeld een positief winst-inkomen behaalden, wel voor een uitkering in aanmerking komen.

Voorts merkt het Tica op dat bij zelfstandigen in het algemeen pas achteraf blijkt of winst of verlies wordt gemaakt, hetgeen het problematisch maakt om tijdig een vervangende particuliere verzekering af te sluiten.

Deze opmerking van het Tica is op zich juist. Het kabinet zou daaruit echter niet de conclusie willen trekken dat het problematisch zou zijn tijdig een vervangende particuliere verzekering af te sluiten. De mogelijkheid van het behalen van wisselende inkomsten en de onzekerheid die daaromtrent op voorhand bestaat is immers inherent aan het zelfstandig ondernemerschap. Een zelfstandige zal zich dan ook vooraf af moeten vragen in welke mate en tegen welke kosten hij zich aanvullend particulier wil verzekeren.

Het wetsvoorstel beoogt de zelfstandige, waar hij of zij ook woont, als verzekeringsplichtig aan te merken, mits de werkzaamheden in Nederland worden uitgeoefend. Op basis van Verordening (EEG) nr.1408/71 en een aantal bi- en multilaterale verdragen inzake sociale zekerheid valt degene die in een EU- of verdragsstaat woont en die in Nederland als zelfstandige werkzaam is onder de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving. Het opnemen van een specifieke bepaling terzake in de nationale wetgeving is daarom voor deze mensen niet strikt nodig. Om ieder misverstand te vermijden en om te bereiken dat ook zelfstandigen die in een ander land dan een EU- of verdragsstaat wonen verzekerd zijn, is in de WAZ expliciet opgenomen dat de verzekeringsplicht op grond van deze regeling zich ook uitstrekt tot degene die buiten Nederland woont en binnen ons land als zelfstandige werkzaam is.

Tot de kring van verzekerden behoren voorts meewerkende echtgenoten die jonger zijn dan 65 jaar en, anders dan als werknemer of als zelfstandige, meewerken in de onderneming van de echtgenoot. Op grond van de huidige AAW kan ook de in de onderneming meewerkende echtgenoot van de zelfstandige in aanmerking komen voor een AAW-uitkering. Met betrekking tot de vaststelling van hun AAW-rechten moet onder meer de omvang van de verrichte arbeid worden vastgesteld, evenals het aandeel in het winst-inkomen dat aan de meewerkende echtgenoot moet worden toegerekend. Waar in deze memorie overigens wordt gesproken over meewerkende echtgenoten, wordt hiermee niet alleen op gehuwde personen gedoeld, maar tevens op de daarmee in het kader van dit wetsvoorstel gelijkgestelde samenwonende partners.

Door het meewerken van de echtgenoot in het bedrijf van de zelfstandige wordt bijgedragen aan de inkomensvorming uit het bedrijf. De meewerkende echtgenoot is als het ware niet los te zien van de zelfstandige. De noodzaak tot regeling van de positie van de meewerkende partner in enigerlei vorm vloeit bovendien voort uit de richtlijn nr. 86/613/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 11 december 1986 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van zelfstandig werkzame mannen en vrouwen, de landbouwsector daarbij inbegrepen, en tot bescherming van het moederschap. Deze richtlijn verplicht de lidstaat tot het nemen van de nodige maatregelen ten behoeve van meewerkende echtgenoten, indien in de lidstaat voor zelfstandigen een op eigen bijdragen gebaseerd stelsel van sociale zekerheid bestaat. De lidstaat kan daarbij kiezen tussen een regeling, waarbij de meewerkende echtgenoot zich op vrijwillige basis en tegen betaling van een eigen bijdrage kan aansluiten of een regeling die hen onderbrengt in het stelsel van sociale zekerheid waarvoor de zelfstandige in aanmerking komt. Het kabinet heeft voor het laatste gekozen, teneinde een optimale sociale bescherming voor betrokkenen te bieden.

Door betrokkene zal aannemelijk moeten worden gemaakt dat sprake is van meewerken in de onderneming van de zelfstandige. Dit kan mede op basis van de huidige fiscale faciliteiten worden vastgesteld. Als de echtgenoot of daarmee gelijk te stellen partner van de ondernemer meewerkt zijn er in fiscaal opzicht twee mogelijkheden:

a. de meewerkende echtgenoot ontvangt op grond van een schriftelijke overeenkomst een reële arbeidsbeloning die tenminste f 12 148,- per jaar (1995) bedraagt; de arbeidsbeloning verlaagt de winst uit onderneming van de zelfstandige en de meewerkende echtgenoot is over de arbeidsbeloning belasting en premie verschuldigd;

b. de meewerkende echtgenoot ontvangt een dergelijke beloning niet; de ondernemer komt in aanmerking voor een meewerkaftrek als de meewerkende echtgenoot tenminste 525 uur per jaar in de onderneming werkt. De hoogte van de meewerkaftrek is een bepaald, forfaitair vastgesteld percentage van de winst en afhankelijk van het aantal uren dat per kalenderjaar in beslag wordt genomen door het meewerken. De meewerkaftrek varieert van 1,25% tot maximaal 4% van de winst.

In de meeste gevallen vindt de meewerkaftrek toepassing: in 1993 betrof het blijkens gegevens van het Ministerie van Financiën ca. 90 000 maal toepassing van de meewerkaftrek en 11 000 maal toepassing van de arbeidsbeloning.

Veelal kan voor de beoordeling of betrokkene meewerkende echtgenoot is, bij de toepassing van één van beide fiscale faciliteiten worden aangesloten. In sommige gevallen is dit echter niet mogelijk. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn, wanneer wel is meegewerkt in het bedrijf, maar voor minder dan 525 uur. In dergelijke gevallen zal op andere wijze aannemelijk moeten worden gemaakt dat daadwerkelijk is meegewerkt in de onderneming.

Aangezien alleen ingeval van een reële arbeidsbeloning sprake is van zelfstandig inkomen, kan alleen dan premie bij de echtgenoot zelf worden geheven. Hierop wordt nader ingegaan in paragraaf 4.6. Dit betekent dat de belastingdienst ten aanzien van meewerkende echtgenoten alleen in die situaties in eerste aanleg de verzekeringsplicht kan vaststellen. De bedrijfsvereniging zal in het kader van de beoordeling of sprake is van een recht op uitkering nader moeten beoordelen of sprake is van verzekerd zijn in de zin van deze regeling.

Op basis van de huidige gegevens wordt de kring van verzekerde zelfstandigen en meewerkende echtgenoten blijkens gegevens van het Ministerie van Financiën gevormd door ca. 560 000 zelfstandigen en, uitgaande van toepassing van fiscale faciliteiten, ca. 100 000 meewerkende echtgenoten. In totaal gaat het dan om ca. 660 000 verzekerde zelfstandigen en meewerkende echtgenoten.

Ten slotte behoren ook beroepsbeoefenaren tot de kring van verzekerden. Zij zijn onder de kring van verzekerden van de WAZ gebracht, omdat zij, net als zelfstandigen niet als werknemer zijn aan te merken. Het betreft hierbij dus degenen die geen werknemer in de zin van de WAO zijn en evenmin als zelfstandig ondernemer in de zin van de WAZ zijn aan te merken, maar die wel inkomen uit betaalde arbeid verwerven. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan alpha-hulpen, geestelijken, auteurs, sommige tussenpersonen en freelancers. Steeds geldt als voorwaarde dat geen sprake is van een dienstbetrekking of een daarmee gelijkgestelde arbeidsverhouding in de zin van de WAO (men is dan immers verzekerd voor de WAO) en dat evenmin sprake is van winst genieten in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting (men is dan immers reeds als zelfstandige verzekerd voor de WAZ).

Doorgaans betreft het personen die in fiscaal oogpunt vallen onder artikel 22, eerste lid, onderdeel b, van de Wet IB. Hierbij gaat het om alle niet uit winst uit onderneming aan te merken voordelen die worden genoten uit niet in dienstbetrekking verrichte werkzaamheden en diensten.

De precieze omvang van deze categorie WAZ-verzekerden is niet bekend. De omvang van de groep wordt geraamd op ca. 300 000 personen. Voor het overgrote deel betreft het personen met overig inkomen uit arbeid dat onder de WAZ-franchise ligt.

Directeuren-grootaandeelhouders vallen niet onder de kring van WAZ-verzekerden. Zij worden immers onder de kring van verplicht verzekerden voor de werknemersverzekeringen, waaronder de WAO, gebracht. Dit houdt met name verband met de omstandigheid dat directeuren-grootaandeelhouders, ingeval zij zouden worden ondergebracht in de WAZ, voor de premieheffing thans niet afzonderlijk door de belastingdienst zijn te traceren. Door het opnemen van directeuren-grootaandeelhouders in de werknemersverzekeringen worden zij voor deze verzekeringen ook als werknemer beschouwd, zodat aangesloten wordt bij de positie die zij thans ook civielrechtelijk en in fiscaal opzicht innemen. Het opnemen van directeuren-grootaandeelhouders wordt, zoals eerder opgemerkt, geregeld en nader toegelicht in het wetsvoorstel Invoeringswet.

Door het opnemen van directeuren-grootaandeelhouders in de WAO en van beroepsbeoefenaren in de WAZ wordt invulling gegeven aan de randvoorwaarde van het kabinet dat bij de integratie van de AAW en WAO voor iedereen van rechtswege een toegankelijke en betaalbare voorziening bij inkomensderving ten gevolge van arbeidsongeschiktheid blijft bestaan.

4.4. Recht, hoogte en duur van de arbeidsongeschiktheidsuitkering

4.4.1. Algemeen

In het kader van het pakket wetsvoorstellen tot versterking van de marktwerking in de WAO worden ten opzichte van de voorgenomen maatregelen uit wetsvoorstel 22 968 geen wijzigingen in recht, hoogte en duur van de arbeidsongeschiktheidsuitkering voorgesteld.

Voor het recht op uitkering moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:

– er moet sprake zijn van een verzekerde;

– er moet sprake zijn van arbeidsongeschiktheid;

– er moet in het jaar, voorafgaande aan de arbeidsongeschiktheid, arbeid zijn verricht, gericht op het behalen van verzekerd inkomen;

– er moet een wachttijd van 52 weken zijn verstreken, gerekend vanaf de eerste dag van arbeidsongeschiktheid.

Voor de toekenning van het recht op uitkering wordt niet langer de voorwaarde gesteld dat in het refertejaar tenminste een bepaald minimuminkomen is genoten. Ook is bij nader inzien afgezien van het stellen van de voorwaarde dat de verzekerde in het refertejaar arbeid heeft verricht, gericht op het behalen van verzekerd inkomen. In het kader van wetsvoorstel 22 968 werd nog voorgesteld bij ministeriële regeling minimum-eisen te stellen omtrent de omvang van de verrichte arbeid, dit om te voorkomen dat de kring van rechthebbenden wordt uitgebreid met personen die in het refertejaar incidenteel arbeid van geringe omvang hebben verricht. Hiervan heeft het kabinet bij nader inzien afgezien. Nu ten aanzien van zelfstandigen in het onderhavige wetsvoorstel wordt aangesloten bij het genieten van winst in de zin van de Wet IB boet deze overweging aan betekenis in. Die incidentele activiteiten zullen immers steeds of nagenoeg steeds niet te kwalificeren zijn als winst uit onderneming in de zin van artikel 6 van de Wet IB'64. Bovendien is het achterwege laten van minimumeisen omtrent de omvang van de verrichte arbeid in overeenstemming met het uitgangspunt van het kabinet om het inkomensdervingsbeginsel als uitgangspunt te nemen en niet de geleverde arbeidsinbreng.

De hoogte van de uitkering op grond van dit wetsvoorstel is afhankelijk van de mate van arbeidsongeschiktheid, zoals vastgesteld op basis van het huidige arbeidsongeschiktheidscriterium, én van het gederfde inkomen, uitgaande van wetsvoorstel 22 968 tot versterking van het inkomensdervingsbeginsel, met als maximum 70% van het minimumloon.

Ook bij het treffen van een categoriale regeling voor zelfstandigen en beroepsbeoefenaren acht het kabinet het zeer gewenst dat de uitwerking plaatsvindt langs de lijnen van wetsvoorstel 22 968. Hierdoor worden niet te motiveren verschillen tussen rechthebbenden en niet-rechthebbenden alsmede niet te rechtvaardigen verschillen wat betreft uitkeringshoogte voorkomen. Dit betekent dat op grond van de WAZ eerst dan recht bestaat op een uitkering, indien daadwerkelijk inkomen wordt gederfd. Bij derving van inkomen beneden het minimumloon volgt een daaraan gerelateerde uitkering. Het inkomensdervingsbeginsel bestaat er derhalve uit dat de WAZ het inkomensverlies bij arbeidsongeschiktheid verzekert, waarbij uitgegaan wordt van het feitelijk gederfde inkomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de inkomensfluctuaties bij zelfstandigen door het opnemen van een middelingsregeling die inhoudt dat voor de uitkeringsberekening uitgegaan kan worden van het gemiddelde inkomen van de laatste drie jaar als dit hoger is dan het gederfde inkomen in het jaar voorafgaande aan de arbeidsongeschiktheid.

Hiermee wordt tevens een eind gemaakt aan de thans nog in de AAW bestaande situatie dat een uitkering, gerelateerd aan het minimumloonniveau kan worden verkregen, zonder dat een toets plaatsvindt op het feitelijk gederfde inkomen. In navolging van wetsvoorstel 22 968 wordt de uitkering op grond van deze wet gerelateerd aan het feitelijk gederfde winst-inkomen dat in het jaar direct voorafgaand aan de arbeidsongeschiktheid wordt genoten. Wanneer dit inkomen gelijk aan of hoger is dan het minimumloon, is de uitkeringsgrondslag het minimumloon. Wanneer het winst-inkomen lager is dan het minimumloon, geldt het gemiddelde winst-inkomen in de laatste drie jaar voorafgaand aan de arbeidsongeschiktheid – indien dit gemiddelde hoger is dan het inkomen in het refertejaar – als uitkeringsgrondslag. Steeds geldt als maximum-uitkeringsgrondslag een bedrag ter hoogte van het minimumloon. Dit betekent dat een zelfstandige bij volledige arbeidsongeschiktheid op grond van deze wet een uitkering kan ontvangen van 70% van het minimumloon. Indien dit inkomen, gezien de gezinssituatie van betrokkene, ontoereikend is, kan een toeslag worden aangevraagd op grond van de Toeslagenwet. Dit wordt geregeld in het wetsvoorstel Invoeringswet.

Uiteraard blijft voor degenen van wie het bedrijfsresultaat onder het minimumloon blijft, ook na toepassing van de middelingsregeling, de mogelijkheid van inkomensaanvulling tot aan het sociaal minimumniveau bestaan. Betrokkene kan immers bij onvoldoende eigen middelen aanspraak maken op de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen dan wel de Algemene bijstandswet.

Voor bestaande uitkeringsgerechtigden uit hoofde van de AAW treedt geen wijziging in uitkeringsrechten op; zij behouden, ook als zij ondanks een feitelijk gederfde inkomen beneden het minimumloonniveau toch een uitkering gebaseerd op het minimumniveau ontvingen, recht op deze uitkering. Ook personen die vóór inwerkingtreding van deze wet reeds in de wachttijd van 52 weken zitten en daarmee uitzicht hebben op uitkering, zullen uitkering op basis van het huidige regime kunnen ontvangen. Dit wordt geregeld in het wetsvoorstel Invoeringswet.

Wat betreft het inkomen dat uitgangspunt vormt voor de uitkeringsgrondslag geldt het volgende. Via een algemene maatregel van bestuur kunnen hieromtrent nadere regels worden gesteld. Het ligt in het voornemen om daarin aan te sluiten bij de bestaande situatie.

Op grond van het huidige Inkomensbesluit-AAW wordt thans voor zelfstandigen uitgegaan van het begrip winst uit onderneming in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, waarbij bepaalde bestanddelen van de winst daarvan zijn uitgezonderd en andere daaraan zijn toegevoegd. Dit is ook het geval in de Inkomensbesluiten voor de Toeslagenwet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen. Het betreft de volgende, meer incidentele posten, waarbij geen relatie is met jaarwinst die als basis voor de uitkeringsgrondslag dient. Deze posten zijn dus uitgezonderd van het winstbegrip dat gehanteerd wordt voor de uitkeringsvaststelling:

– winst genoten ter vervanging van door een onteigening gederfde of te derven voordelen uit onderneming,

– winst behaald bij of met het staken van een onderneming dan wel met of bij de overdracht of liquidatie van een deel van de onderneming,

– winst bij eindafrekening van de onderneming, ingeval degene voor wiens rekening de onderneming wordt gedreven ophoudt uit de onderneming in Nederland belastbare winst te genieten (bijv. bij huwelijk, waarna de andere echtgenoot de onderneming voortzet of verplaatsing en voortzetting van de onderneming in het buitenland).

Verder is in het Inkomensbesluit vastgelegd dat mede tot de winst worden gerekend bepaalde vergoedingen van de Stichting ontwikkeling en sanering midden- en kleinbedrijf c.q. de Stichting ontwikkeling en sanering voor de landbouw. Niet tot de winst worden gerekend bepaalde uitkeringen uit hoofde van de Algemene bijstandswet.

Ook ten aanzien van meewerkende echtgenoten wordt voor de uitkeringsgrondslag uitgegaan van het behaalde of toegerekende inkomen uit arbeid in de onderneming over het boekjaar voorafgaand aan de arbeidsongeschiktheid dan wel het gemiddeld inkomen over de drie jaar, voorafgaand aan de arbeidsongeschiktheid, wanneer dit gunstiger is, met als maximum het minimumloon. Dit inkomen kan worden gebaseerd op de genoten arbeidsbeloning, dan wel, ingeval geen arbeidsbeloning is genoten of hiervan niet kan worden uitgegaan, op een bepaalde verdeelsleutel. In het laatste geval wordt, ter vaststelling van het deel van de winst dat aan een van beiden toekomt, de winst vermenigvuldigd met de factor a/b, waarbij:

a. = loon van een werknemer met een gelijkwaardige dienstbetrekking als de echtgenoot

b. = som van a en loon van een werknemer met een gelijkwaardige dienstbetrekking als de ondernemer.

Het ligt in de bedoeling de wijze van winsttoerekening, die aansluit bij de huidige praktijk op grond van artikel 10 van het Inkomensbesluit AAW, in het kader van deze verzekering voort te zetten via genoemde algemene maatregel van bestuur.

Ook voor de categorie beroepsbeoefenaren met overig inkomen uit arbeid kan worden aangesloten bij het huidige Inkomensbesluit AAW. In dat besluit wordt namelijk ook aangegeven wat onder inkomen uit arbeid, anders dan winst, wordt verstaan.

In aansluiting bij de AAW bevat dit wetsvoorstel overeenkomstige bepalingen over onder meer de toekenning, herziening, beëindiging en heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering. Deze bepalingen omvatten mede recente wijzigingen van de AAW, ingevoerd met de Wet afschaffing malus en bevordering reïntegratie, die ertoe strekken dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering na een wachttijd van vier weken kan worden toegekend of herzien. Dit is het geval wanneer de arbeidsongeschiktheid, die is voortgekomen uit dezelfde oorzaak als de aanvankelijk vastgestelde arbeidsongeschiktheid, binnen een termijn van vijf jaar is toegenomen.

4.4.2. Samenloop van uitkeringsrechten

4.4.2.1. Algemeen

Bij de totstandkoming van de onderhavige verzekering is van belang op welke wijze voorzien wordt in de samenloop met uitkeringsrechten op grond van andere regelingen. Ook het Tica en het Ctsv hebben met betrekking tot het oorspronkelijke wetsvoorstel vragen gesteld over de samenloop van een WAZ-uitkering met andere uitkeringen. Voor het Tica was niet duidelijk over welke uitkeringen en welke wetten de cumulatie zich uitstrekte. Wat betreft de samenloop van de WAZ met andere regelingen wees het Tica onder meer op de gevolgen van toe- en afname van de arbeidsongeschiktheid ingeval een zelfstandige tevens in loondienst werkt. Ook het Ctsv heeft aandacht gevraagd voor samenloop van een WAZ-uitkering met een WAO-uitkering. Verder informeerde het Tica naar de samenloop met de Anw en samenloopsituaties met WW, ZW, IOAW en IOAZ.

4.4.2.2. Samenloop van uitkeringsrechten op grond van de WAZ en de WAO dan wel de Wajong

Wat betreft de samenloop van uitkeringsrechten op grond van de WAZ en de WAO kan het volgende worden opgemerkt. Hierbij kunnen zich in de praktijk uiteenlopende situaties voordoen. Het is in de eerste plaats mogelijk dat iemand uitvalt die gelijktijdig arbeid als zelfstandige heeft verricht en daarnaast arbeid in loondienst. Betrokkene heeft dan gelijktijdig zowel aanspraak op een WAZ-uitkering als op een WAO-uitkering. Voorts kan zich de situatie voordoen dat iemand werkzaamheden heeft verricht als zelfstandige, uitvalt en voor zijn resterende verdiencapaciteit arbeid in loondienst gaat verrichten, waaruit betrokkene vervolgens eveneens uitvalt. Betrokkene heeft dan eerst recht op toekenning van een WAZ-uitkering, en bij uitval uit arbeid in loondienst, eveneens recht op toekenning van een WAO-uitkering. De spiegelbeeldige situatie kan zich eveneens voordoen.

Met het oog op dergelijke situaties is in het kader van de AAW en WAO een samenloopregeling getroffen (artikel 36a AAW en 46a WAO). Uitgangspunt van de huidige regeling is dat bij samenloop van WAO- en AAW-rechten de AAW-uitkering niet wordt uitbetaald. Van dit uitgangspunt wordt in de volgende gevallen afgeweken:

– indien de WAO-uitkering lager is dan de AAW-uitkering wordt de WAO aangevuld tot het AAW-minimumniveau. Dit wordt technisch bereikt doordat de «AAW-kop» als onderdeel van de WAO-uitkering wordt uitbetaald.

– in gevallen waarin betrokkene voor een substantieel gedeelte WAO-verzekerde arbeid verrichtte en betrokkene daarnaast in betekenende mate als zelfstandige werkzaam is geweest. Indien betrokkene gelijktijdig uitvalt bestaat recht op WAO, en kan daarnaast een gedeeltelijke AAW-uitkering tot uitbetaling komen. Beide uitkeringen samen kunnen boven het minimumniveau uitstijgen. Dit is nader uitgewerkt in het Besluit van 23 december 1986, nr. 86/10 945.

– indien betrokkene eerst recht kreeg op een AAW-uitkering, vervolgens voor zijn resterende verdiencapaciteit als werknemer arbeid ging verrichten en daarna (toegenomen) arbeidsongeschikt werd. In dat geval kan de AAW-uitkering worden herzien en tevens een WAO-uitkering worden toegekend. De AAW-uitkering wordt dan na herziening uitbetaald, voor zover deze de WAO-uitkering overtreft, maar in ieder geval tot het oorspronkelijk toegekende bedrag.

Het kabinet acht het gewenst om zoveel mogelijk bij de bestaande samenloopregeling aan te sluiten. Hierdoor wordt enerzijds een ongewenste cumulatie van uitkeringsrechten voorkomen, terwijl anderzijds wordt bereikt dat de inkomenssituatie voor betrokkenen in de nieuwe constellatie zoveel mogelijk aansluit bij de huidige situatie. Dit is mede gewenst door het opnemen van beroepsbeoefenaren met inkomen uit arbeid in de WAZ. Deze arbeid kan immers niet alleen van betekenende omvang zijn, maar evenzeer van bijkomstige aard, bijvoorbeeld naast een aanzienlijk loon- of winst-inkomen.

Uiteraard moet bij de nieuwe vormgeving wel rekening worden gehouden met verschillen die tussen AAW en WAZ bestaan omdat de WAZ, anders dan de AAW, geen volksverzekering is. Dit betekent ook dat sprake is van twee afzonderlijke verzekeringen. Het object van verzekering van de WAO wordt gevormd door arbeid als werknemer, terwijl het object van verzekering van de WAZ wordt gevormd door arbeid als zelfstandige, meewerkende echtgenoot of als beroepsbeoefenaar.

De verschillen betreffen:

– het maatmaninkomen voor de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van de WAZ heeft alleen betrekking op het inkomen dat als zelfstandige, meewerkende echtgenoot of beroepsbeoefenaar wordt verworven en niet langer op het totale inkomen uit arbeid, zoals thans nog het geval is in het kader van de AAW;

– de uitkeringsgrondslag wordt in de WAZ uitsluitend gerelateerd aan het verzekerd inkomen en niet meer aan het totale inkomen uit of in verband met arbeid.

De samenloopregeling die in het kader van dit wetsvoorstel is getroffen komt in essentie op het volgende neer. Voor personen met uitsluitend een WAZ-inkomen bestaat bij arbeidsongeschiktheid recht op een WAZ-uitkering tegen maximaal 70% van het minimumloon. Voor personen met naast het WAZ-inkomen een looninkomen wordt een anticumulatieregeling in het leven geroepen langs dezelfde lijnen die op dit moment bestaan tussen de AAW-uitkering en de WAO-uitkering. Voor deze situaties, waarbij betrokkene dus werkzaamheden als werknemer én werkzaamheden als niet-werknemer (als zelfstandige of in overige arbeid) heeft verricht, impliceert dit het volgende:

* Als een werknemer die naast inkomen uit arbeid in loondienst overige inkomen uit arbeid verwerft (bijv. winst) in zeer geringe omvang als werknemer heeft gewerkt, kan ingeval van arbeidsongeschiktheid zijn WAZ-uitkering de WAO-uitkering ten hoogste aanvullen tot maximaal 70% van het minimumloon. In deze situatie vormt het winst-inkomen de hoofdinkomensbron. In die zin is deze samenloopsituatie te vergelijken met de situatie, waarin iemand alleen winst-inkomen heeft. Ook in deze laatste situatie kan de uitkering nooit meer zijn dan 70% van het minimumloon.

* Als een werknemer met overig inkomen uit arbeid, overwegend als werknemer heeft gewerkt, kan de WAZ-uitkering ingeval van arbeidsongeschiktheid de WAO-uitkering hoogstens aanvullen tot maximaal 70% van het minimumloon. In deze situatie zullen de inkomsten uit loondienst de hoofdinkomensbron vormen. Deze inkomsten zullen over het algemeen uitstijgen boven het niveau van het minimumloon. In dat geval bestaat er geen behoefte aan aanvulling. Alleen in het geval iemand met zijn looninkomsten onder het minimumloon blijft is er behoefte aan aanvulling. Als voorbeeld kan worden gedacht aan de situatie, waarin iemand 7 uur per dag werkt als werknemer tegen 7/8e van het minimumloon. Hiernaast werkt hij als zelfstandige en verdient hiermee 1/8e van het minimumloon. Op basis van de WAO krijgt hij dan 70% van 7/8e van het minimumloon. Op basis van de WAZ krijgt hij hierop een aanvulling van 70% van 1/8e van het minimumloon

* Heeft iemand looninkomen en daarnaast overig inkomen, beide in betekenende mate, dan worden beide inkomensposities als gelijkwaardig naast elkaar bestaand beschouwd. Uit beide inkomensposities kan men dan, net als thans het geval is, een uitkering ontvangen, ook als de WAO-uitkering op zichzelf reeds boven het minimumniveau uitstijgt. Wel wordt bij de vaststelling van de uit te betalen WAZ-uitkering rekening gehouden met de WAO-uitkering in die zin dat de WAZ-uitkering alleen gedeeltelijk tot uitbetaling kan komen.

Daarnaast bestaat de situatie van volgtijdelijke samenloop. Hierbij kan worden gedacht aan de situatie dat betrokkene eerst vanwege arbeidsongeschiktheid als zelfstandige een WAZ-uitkering ontvangt, vervolgens voor zijn resterende verdiencapaciteit in loondienst gaat werken, waarna (toegenomen) arbeidsongeschiktheid optreedt. Alsdan kan herziening van de WAZ-uitkering en tevens toekenning van een WAO-uitkering en derhalve samenloop van uitkeringsrechten plaatsvinden. Ook in deze situaties wordt aansluiting gezocht bij de bestaande regelgeving. De herziene WAZ-uitkering kan de WAO-uitkering tot ten hoogste 70% van het minimumloon aanvullen, maar wordt, ingeval van toename van de arbeidsongeschiktheid, in elk geval tot de oorspronkelijke omvang uitbetaald.

In de spiegelbeeldige situatie, waarin iemand eerst een WAO-uitkering heeft, vervolgens WAZ-verzekerde arbeid verricht, waarna hij (toegenomen) arbeidsongeschikt wordt komt de WAZ-uitkering alleen tot uitbetaling voor zover deze de toename van de WAO-uitkering overtreft.

Voorts zijn twee aspecten nog van bijzonder belang. Dit betreft allereerst de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid. Indien nog resterende verdiencapaciteit aanwezig is, moet deze in samenloopsituaties worden toegerekend aan de WAO- of WAZ-uitkering of aan beide. In de huidige situatie is een dergelijk toerekeningsvraagstuk niet aan de orde, omdat de AAW als volksverzekering voor de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid uitgaat van het totale inkomen uit arbeid. In de nieuwe constellatie is toerekening van de resterende verdiencapaciteit dan wel, ingeval inkomen wordt verworven, van het verworven inkomen wel van belang voor de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid die ten grondslag ligt aan de WAZ- resp. de WAO-uitkering. Voor de diverse situaties die zich in de praktijk kunnen voordoen is gedetailleerde regelgeving nodig. Gezien de omvang en de mate van gedetailleerdheid van deze wet is ervoor gekozen dit niet in de wet zelf maar in nadere regelgeving te regelen.

In de tweede plaats is van belang dat ingeval van samenloop van uitkeringsrechten slechts één bedrijfsvereniging bevoegd is. Hiermee worden immers eventuele conflicten over de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid en de uitkeringshoogte bij voorbaat voorkomen. Bovendien is dan één bedrijfsvereniging belast met de reïntegratie-inspanningen en bestaat voor betrokkene één loket. In dit wetsvoorstel is geregeld dat als bevoegde bedrijfsvereniging geldt de bedrijfsvereniging waar betrokkene als werknemer verzekerd is (ingeval van gelijktijdige samenloop) dan wel het eerst een uitkering ontvangt (bij volgtijdelijke samenloop).

Het is ook mogelijk dat zich een samenloop van uitkeringsrechten op grond van de WAZ en de Wajong voordoet. Daarin wordt voorzien door de bepalingen van de Wajong. In het algemeen zal sprake zijn van de volgende situatie. Een jonggehandicapte komt op grond van de Wajong in aanmerking voor een uitkering die gerelateerd is aan het minimumloon. Het is denkbaar dat betrokkene, ingeval van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid, zijn resterende verdiencapaciteit invult met werkzaamheden als zelfstandige. Betrokkene verwerft dan naast zijn gedeeltelijke Wajong-uitkering winst-inkomen.

Een andere mogelijkheid is dat bij het verrichten van werkzaamheden als zelfstandige betwijfeld wordt of sprake is van algemeen geaccepteerde arbeid. In dat geval wordt dit inkomen geanticumuleerd met de Wajong-uitkering. Op grond van de Wajong wordt na drie jaar betrokkene geschat op zijn werkelijke verdiensten. Als hij dan nog gedeeltelijk arbeidsongeschikt is voor de Wajong, krijgt hij een gedeeltelijke Wajong-uitkering. Daarnaast verwerft hij inkomen uit het bedrijf.

Ingeval betrokkene er vervolgens niet in slaagt het bedrijf te continueren vanwege (toegenomen) arbeidsongeschiktheid, dan komt betrokkene als WAZ-verzekerde in aanmerking voor een WAZ-uitkering. In die situatie kan er dus een samenloop optreden tussen het recht op Wajong en het recht op WAZ. Op grond van het wetsvoorstel Wajong geldt als hoofdregel dat, bij samenloop met een WAZ-uitkering, de Wajong-uitkering alleen wordt uitbetaald, wanneer het hoger uitkomt dan het WAZ-recht. In een aantal situaties kan deze hoofdregel echter onredelijk uitwerken. Dit kan ook het geval zijn in het hiervoor geschetste geval. Met betrekking tot dergelijke samenloopsituaties zullen op grond van het wetsvoorstel Wajong nadere en zo nodig afwijkende regels worden gesteld.

4.4.2.3. Overige samenloopsituaties

Ook andere samenloopsituaties zijn denkbaar. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan samenloop tussen een WAZ-uitkering en een WW-uitkering. Een dergelijke samenloop kan zich voordoen als de WAZ-gerechtigde zijn resterende verdiencapaciteit waarmaakt door arbeid in loondienst te verrichten, waarna betrokkene werkloos wordt. Deze uitkeringen kunnen in beginsel zonder noodzaak van anticumulatie naast elkaar bestaan.

Een andere situatie is de volgende. Zodra betrokkene met arbeid in loondienst meer verdient dan zijn resterende verdiencapaciteit, wordt de arbeidsongeschiktheid in beginsel herzien. Indien echter twijfel bestaat of sprake is van algemeen geaccepteerde arbeid, waartoe betrokkene met zijn krachten en bekwaamheden in staat is, wordt de uitkering niet direct herzien, maar kunnen gedurende maximaal drie jaar de inkomsten worden geanticumuleerd met de uitkering. Het wetsvoorstel voorziet in de mogelijkheid van een ministeriële regeling, op grond waarvan nadere regels kunnen worden gesteld omtrent de inkomsten uit of in verband met arbeid waarmee de uitkering kan worden geanticumuleerd. Het ligt in het voornemen daarin ook te voorzien in het geval van samenloop met loondervingsuitkeringen, zoals een WW-uitkering of, indien van toepassing, een ZW-uitkering, met het oog op de situatie dat betrokkene vanwege de arbeid in loondienst in bedoelde periode werkloos of ZW-gerechtigd wordt.

Ook kan zich samenloop voordoen met een IOAZ-uitkering. Bij de IOAZ gaat het om een minimumbehoefteregeling voor oudere of gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ) met een langdurig arbeidsverleden. Met name kan worden gedacht aan de situatie dat iemand als zelfstandige gedeeltelijk arbeidsongeschikt wordt en zijn bedrijf moet staken. Indien betrokkene aan de voorwaarden van de IOAZ voldoet bestaat recht op een IOAZ-uitkering. De IOAZ heeft een aanvullend karakter, hetgeen betekent dat de IOAZ-uitkering de WAZ-uitkering aanvult tot het sociaalminimum.

Wat betreft mogelijke samenloop van een WAZ-uitkering met een uitkering op grond van de Anw kan het volgende worden opgemerkt. Op grond van de Anw wordt rekening gehouden met inkomsten uit of in verband met arbeid. In het Inkomens- en samenloopbesluit-Anw wordt aangegeven welke inkomsten als inkomen uit of in verband met arbeid worden beschouwd. In dat besluit zal worden aangegeven dat WAZ-uitkeringen als inkomen uit of in verband met arbeid worden beschouwd. Via de Anw wordt derhalve voorzien in anticumulatie van uitkeringsrechten.

4.5. Financiering via een landelijk uniforme omslagpremie door de zelfstandigen

4.5.1. Gevolgen voor de vaststelling van het premiepercentage WAZ

Voorgesteld wordt om in de financiering van de verzekering te voorzien door middel van een landelijk uniform vastgestelde premie. Met deze premie wordt voorzien in de uitkerings- en overige lasten op grond van deze wet.

De hoogte van de premie wordt zodanig vastgesteld dat de premie-inkomsten van zelfstandigen lastendekkend zijn voor wat betreft hun eigen uitkeringslasten. Naast de zelfstandigen zijn ook beroepsbeoefenaren ondergebracht in de WAZ. Het kabinet acht het ongewenst dat zelfstandigen als gevolg van deze keuze nadelige gevolgen ondervinden. Om deze reden is voorzien in (de mogelijkheid van) een rijksbijdrage mocht de premie, die door beroepsbeoefenaren wordt opgebracht, niet lastendekkend zijn.

Deze aanpak biedt het voordeel dat de premie voor de verzekering voor zelfstandigen door de zelfstandigen zelf wordt opgebracht, hetgeen in lijn is met het uitgangspunt dat de financiële lasten van het risico zoveel mogelijk daar worden gelegd waar het ontstaan en voortbestaan van de arbeidsongeschiktheid worden beïnvloed. De solidariteit tussen alle verzekerden onderling wordt derhalve vervangen door de solidariteit tussen zelfstandigen onderling.

Financiering via een uniforme omslagpremie sluit voorts het meest aan bij de huidige situatie voor zelfstandigen.

Consequentie is dat het draagvlak ten opzichte van de bestaande AAW smaller wordt: een qua omvang beperkte groep moet de uitkeringslasten van een eveneens beperktere doelgroep opbrengen. Van belang hierbij is dat de inkomensvorming bij zelfstandigen veelal een wisselend verloop heeft, zodat een grotere marge in acht genomen zal moeten worden bij het vaststellen van de premiehoogte.

Zelfstandigen betalen thans een AAW-premie over het totale inkomen (winstinkomen en inkomen uit arbeid, al dan niet uit dienstbetrekking), voor zover dit inkomen valt binnen de eerste belastingschijf. De totale grondslag van dit premieplichtig inkomen bedraagt voor zelfstandigen ca. 13,6 mld. Uitgaande van een AAW-premie van 6,7% (het premiepercentage voor 1996) genereren zelfstandigen thans derhalve ca. 910 mln aan premie-inkomsten.

De verwachte uitgaven uit hoofde van de WAZ voor zelfstandigen bedragen naar verwachting per saldo ca. 945 mln. Per saldo bedraagt de lastenverzwaring voor zelfstandigen thans derhalve ca. 35 mln. Daarnaast heeft de uitbreiding van de verzekering met het zwangerschaps- en bevallingsverlof een uitgavenverhogend effect van ca. 85 mln tot gevolg. Het kabinet acht deze lastenverzwaring acceptabel en betaalbaar, uitgaande van de keuze voor een betere kostentoerekening naar afzonderlijke groepen.

Op de hoogte van de WAZ-premie, de premie-inkomsten en de eventuele rijksbijdrage alsmede de totaal te financieren uitkeringslasten van de WAZ zal in paragraaf 4.6 nader worden ingegaan.

4.5.2. De wenselijkheid van premiedifferentiatie binnen de WAZ

Het kabinet heeft zich de vraag gesteld of ten aanzien van de verzekering uit hoofde van de WAZ niet, net als bij werknemers, een systeem van premiedifferentiatie zou kunnen worden ingevoerd. Het kabinet is tot de conclusie gekomen dat een dergelijk stelsel, anders dan bij werknemers, geen functie kan vervullen, waar het betreft een terugdringing van het volume.

Het doel van een systeem van premiedifferentiatie is in eerste instantie door middel van financiële prikkels zodanige gedragseffecten te bewerkstelligen dat het beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen wordt teruggedrongen. Een systeem van premiedifferentiatie waarbij een zelfstandige direct door middel van financiële prikkels wordt gestimuleerd zijn arbeidsongeschiktheidsrisico terug te dringen lijkt echter onmogelijk.

Wel denkbaar is een systeem waarbij op indirecte weg stimulansen worden ingebouwd. Zo'n systeem legt de kosten daar, waar ze gemaakt worden. Het effect (op het volume) van een dergelijk systeem moet echter zeer gering worden geacht.

Dit kan als volgt worden toegelicht.

Een systeem van premiedifferentiatie voor zelfstandigen zou op zichzelf kunnen worden vormgegeven naar bedrijfstak of zelfs naar risicogroep. De zelfstandigen worden dan van rechtswege ingedeeld in een bepaalde bedrijfstak of risicogroep. Zelfstandigen die behoren tot die bedrijfstak of risicogroep dragen de lasten van arbeidsongeschiktheid binnen de bedrijfstak of risicogroep volledig zelf. Het arbeidsongeschiktheidsrisico, op basis waarvan de premie wordt vastgesteld, zou vervolgens moeten worden bepaald door het gemiddelde risico van de groep (op basis van ervaringscijfers en groepskenmerken). Een verdere differentiatie (bijvoorbeeld in een hoge, lage en middenklasse) op grond van het individuele arbeidsongeschiktheidsrisico is echter onmogelijk. De indeling van zelfstandigen binnen deze klassen vereist de berekening van het arbeidsongeschiktheidsrisico voor elke individuele zelfstandige. Het feitelijke risico (op basis van toetreding tot de arbeidsongeschiktheidsverzekering) kan daarvoor geen maatstaf zijn. Een ondernemer is ofwel niet arbeidsongeschikt (risico is dus nul) ofwel is reeds arbeidsongeschikt (risico is één). Indeling zou dan alleen op basis van persoonskenmerken kunnen plaatsvinden (leeftijd, gezondheidsverklaring etc.). Dit zijn echter kenmerken die niet door de zelfstandige kunnen worden beïnvloed en die niet thuishoren in een sociale verzekering waarvan de onderlinge solidariteit een van de hoofdkenmerken is.

Het meest vergaande niveau van premiedifferentiatie is dus een indeling naar bedrijfstakken, conform de huidige indeling naar bedrijfsverenigingen, of naar risicogroep binnen een bedrijfstak. De bedrijfstak c.q. risicogroep met hoge arbeidsongeschiktheidsrisico's zou dan een hogere premie moeten betalen, de bedrijfstak of risicogroep met lage risico's een lagere premie.

Bezwaar van een dergelijke indeling is dat de onderlinge concurrentieverhoudingen ongemoeid worden gelaten. Niet verwacht mag worden dat de financiële prikkel voor een individuele ondernemer zal toenemen om zijn eigen risico terug te brengen (en dus een premieverlaging te bewerkstelligen). Aangenomen mag worden dat iedere ondernemer ook nu al alles in het werk zal stellen om zijn eigen arbeidsongeschiktheid te voorkomen. Indien bovendien zijn eigen extra inspanningen leiden tot een evenredige premieverlaging van zijn concurrent gaat hiervan nauwelijks een stimulans uit. Vanuit de doelstelling om de instroom door middel van directe prikkels verder te reduceren, is premiedifferentiatie dus niet of nauwelijks geschikt.

Het is wel mogelijk dat een bedrijfstak of risicogroep in totaliteit de kosten van de arbeidsongeschiktheid te hoog vindt. Zelfstandigen uit die bedrijfstak of risicogroep zouden dan gezamenlijk kunnen besluiten inspanningen te verrichten teneinde het risico terug te dringen (bij voorbeeld door extra investeringen). Een dergelijke veronderstelling vereist in de eerste plaats een hoge organisatiegraad van de groep. Daarnaast vraagt dit een hoge solidariteit van betrokkenen. Zelfstandigen die niet meedoen aan de extra inspanningen hebben immers wel voordeel van de premiedaling, maar niet de kosten van de investeringen (het zg. «free-rider» probleem). In de derde plaats moet het ook mogelijk zijn met extra inspanningen het risico terug te dringen; er zullen echter ook sectoren zijn, waarbij dit technisch nauwelijks nog mogelijk is. Tenslotte geldt als bezwaar tegen premiedifferentiatie dat bij nadere differentiatie naar sectoren het risico bestaat dat een te gering draagvlak ontstaat, omdat de doelgroep te klein wordt.

Het kabinet ziet op grond van de hiervoor geschetste overwegingen onvoldoende reden om in dit wetsvoorstel een systeem van premiedifferentiatie op te nemen. Zoals reeds eerder opgemerkt, kan de SER zich in deze benadering vinden.

4.6. Wijze van premieheffing en -inning

De nieuwe, uniforme omslagpremie voor zelfstandigen zal, zoals aangegeven, voor zelfstandigen en, voor zover mogelijk, hun meewerkende echtgenoten gaan gelden, alsmede voor personen met een overig inkomen uit arbeid en dus alleen bij deze groep moeten worden geheven. De premie zal dus niet langer deel uitmaken van het tarief eerste schijf, zoals thans nog wel het geval is met de AAW-premie.

In deze paragraaf wordt allereerst ingegaan op de systematiek van de premieheffing en -inning (paragraaf 4.6.1.) en vervolgens op de inkomensgevolgen (paragraaf 4.6.2.).

4.6.1. Systematiek van de premieheffing en -inning

Wat betreft de door verzekerden te betalen premie, zijn met name drie aspecten van belang:

a. de premiegrondslag;

b. de maximumpremiegrens en een premievrije voet (franchise);

c. het premiepercentage.

Op ieder van deze drie punten zal hieronder nader worden ingegaan. Daarbij zal steeds de uitsplitsing worden gemaakt tussen de groep zelfstandigen en de groep met overig inkomen uit arbeid.

Ad a. De premiegrondslag

Voor de verzekering uit hoofde van de WAZ is een afzonderlijke premiegrondslag noodzakelijk. Het kabinet geeft daarbij de voorkeur aan een procentuele premie die over de winst uit onderneming wordt geheven boven een procentuele premie over de belastbare som.

Premieheffing over de belastbare som houdt in dat vóór premieheffing allerlei inkomenscomponenten worden bijgeteld (rente, huurwaardeforfait, e.d.) en aftrekposten in mindering worden gebracht (persoonlijke verplichtingen, e.d.). Een voordeel van aansluiting bij de belastbare som is dat deze aansluit bij de huidige systematiek voor de inkomensheffing. Voorts kan als voordeel worden gezien dat bij deze grondslag rekening wordt gehouden met verliezen via de bestaande regeling voor verliescompensatie.

Aansluiting bij het begrip belastbare som heeft echter ook belangrijke bezwaren. In de eerste plaats wordt de hoogte van het te betalen bedrag aan premie beïnvloed door de horizontale tariefstructuur (heffingsvrije voeten) en de verticale tariefstructuur (allerlei aftrekposten). De nieuwe regeling betreft een verzekering tegen inkomensderving als gevolg van arbeidsongeschiktheid, waarvan de premie door betrokkenen zelf moeten worden opgebracht. Het ligt daarom niet voor de hand om bij de hoogte van de premie voor deze verzekering uit te gaan van het brede draagkrachtbeginsel, zoals dat wordt gehanteerd bij de belastingheffing en bij inkomensgerelateerde regelingen (bij voorbeeld huursubsidie). Dit is ook niet het geval bij de premieheffing werknemersverzekeringen. Weliswaar is de premieheffing voor de volksverzekeringen thans wel gebaseerd op de belastbare som, maar hierbij hebben andere dan verzekeringsaspecten een rol gespeeld (eenvoud en uniformering van heffing van belasting en premies die iedereen in Nederland verschuldigd is).

Een tweede nadeel van aansluiting bij de belastbare som is dat een zelfstandige dan ook over eventueel looninkomen premie zou moeten betalen. Indien een zelfstandige naast het winstinkomen ook inkomen uit arbeid in dienstbetrekking heeft, zou hij over het totaalinkomen premie verschuldigd zijn, dus ook over het loon, waarover zijn werkgever reeds een arbeidsongeschiktheidspremie heeft betaald. Over dit loon is hij echter niet verzekerd op grond van deze wet. Vanuit de verzekeringsgedachte is dit ongewenst. Het betreft hier een niet te verwaarlozen groep: ca. eenderde van de zelfstandigen geniet ook looninkomen.

Ten slotte is het bezwaarlijk om in een specifieke regeling voor zelfstandigen voor wat betreft de premiegrondslag aan te sluiten bij de belastbare som en bij de uitkeringsgrondslag uit te gaan van winst uit onderneming.

Voorgesteld wordt daarom uit te gaan van een procentuele premie over winst uit onderneming. De nadelen die zijn genoemd bij de belastbare som doen zich hier niet voor. Zoals aangegeven, geeft ook de SER de voorkeur aan winst uit onderneming als premiegrondslag. Aangesloten wordt derhalve bij de winst vóór aftrek van allerlei posten, die geen kostenpost uit hoofde van de bedrijfsvoering zijn.

Uitvoeringstechnisch is deze regeling goed uitvoerbaar.

Ook meewerkende echtgenoten worden voor zover mogelijk in de premieheffing betrokken. Voorgesteld wordt om meewerkende echtgenoten die een zelfstandig inkomen in de vorm van een arbeidsbeloning genieten rechtstreeks in de premieheffing te betrekken. Daarmee wordt aangesloten bij de huidige situatie onder de AAW. De belastingdienst zal bij deze meewerkende echtgenoten derhalve premie heffen en wel over de genoten bruto-arbeidsbeloning.

In overige situaties, waarin geen arbeidsbeloning wordt genoten, is de meewerkende echtgenoot niet premieplichtig en wordt volstaan met premieheffing bij de zelfstandige. In deze situaties wordt, anders dan nu, premie geheven over de winst van de zelfstandige vóór toepassing van de meewerkaftrek. Aangezien de premiegrondslag voor de WAZ wordt gevormd door de winst uit onderneming en niet door de belastbare som zoals dat wel het geval is voor de premieheffing AAW, zal de meewerkaftrek niet langer de premiegrondslag kunnen verlagen. De premiegrondslag winst uit onderneming sluit derhalve aan bij de door de zelfstandige en de meewerkende echtgenoot gezamenlijk behaalde winst, zonder dat hierop een meewerkaftrek is toegepast. In die zin kan is de meewerkende echtgenoot voor zover mogelijk reeds zonder nadere maatregelen in de premieheffing betrokken.

De premiegrondslag voor de beroepsbeoefenaren is het overig inkomen uit arbeid. Dit betreft dus inkomen, niet zijnde winst en niet zijn inkomen uit een dienstbetrekking. Hierop worden de verwervingskosten in mindering gebracht.

Ad b. De maximumpremiegrens en de premievrije voet (franchise)

Voorts ligt het, gelet op de hoogte van de uitkering, in de rede dat een maximumgrens aan de premieheffing wordt gesteld. Bij het wegvallen van de AAW en de totstandkoming van een nieuwe zelfstandigenregeling, waarbij de regeling wordt gefinancierd door de betrokkenen zelf, behoeft niet noodzakelijkerwijs te worden aangesloten bij de huidige premiegrens. De keuze is in zekere zin arbitrair. Voorgesteld wordt dat een maximumpremiegrens bij ministeriële regeling wordt vastgesteld. Aanvankelijk dacht het kabinet daarbij aan een maximumpremiegrens ter hoogte van f 55 000,-.

Het Tica mist blijkens zijn commentaar een motivering van de gemaakte keuze ten aanzien van de hoogte van de maximumpremiegrens in het wetsvoorstel. Met het voorgestelde systeem wordt het equivalentiebeginsel naar het oordeel van het Tica volledig doorbroken.

Erkend zij dat de oorspronkelijk voorgenomen hoogte van de maximumgrens voor de WAZ-premie niet aansluit bij het equivalentiebeginsel. Het kabinet acht dit echter geen overwegend bezwaar. In het kader van de sociale verzekering behoeft niet onverkort toepassing te worden gegeven aan dit equivalentiebeginsel. Zuivere toepassing daarvan zou, gelet op de hoogte van de uitkering, betekenen dat de hoogte van de maximumpremiegrens om en nabij het minimumloon zou liggen. Dit zou tevens betekenen dat de lagere inkomenscategorieën een relatief hoge premie zouden moeten betalen, terwijl hogere inkomenscategorieën een relatief lage premie verschuldigd zouden zijn. In een verplichte sociale verzekering als de onderhavige is het mogelijk om elementen van onderlinge draagkracht te verdisconteren. In het wetsvoorstel WAZ is daarom, zoals gezegd, aanvankelijk een maximumpremiegrens van ca. f 55 000,- voorgesteld. Deze grens achtte het kabinet toen nog een redelijke uitkomst, na weging van de diverse aspecten waarmee rekening diende te worden gehouden: het uitkeringsniveau (indiceert een maximumpremiegrens op minimumloonniveau), de onderlinge draagkrachtverhoudingen (indiceert een veel ruimere premiegrens of zelfs het afzien daarvan).

Vanwege de inkomenseffecten die voor zelfstandigen zouden optreden staat thans echter een hogere maximumpremiegrens voor ogen. Als gevolg van de intrekking van de AAW en de invoering van de WAZ treden voor zelfstandigen inkomenseffecten op.

Deze inkomenseffecten zijn uitgebreid beschreven in de memorie van toelichting Invoeringswet en komen in paragraaf 4.6.2. van deze memorie nogmaals aan de orde.

Ten opzichte van de huidige AAW-premieheffingssystematiek betekende de oorspronkelijk voorgestelde premiegrondslag van f 55 000,- voor zelfstandigen met een winstinkomen tot of net boven het minimumniveau een onevenredig zware inkomensachteruitgang. Zelfstandigen met een winstinkomen op dit niveau zijn thans als gevolg van de fiscale invorderingsvrijstelling geen belasting en premies volksverzekeringen verschuldigd. Premieheffing over de winst vanaf de eerste gulden betekent voor alleenverdieners in deze inkomenscategorieën een koopkrachteffect van ruim –7%; daarentegen ondervinden alleenverdieners met een winstinkomen van bijvoorbeeld f 50 000,- of meer een positief koopkrachteffect. Teneinde een meer evenwichtig koopkrachtbeeld tot stand te brengen is gezocht naar een premiegrondslag, waarbij zoveel mogelijk recht werd gedaan aan het equivalentiebeginsel, echter rekening houdend met onderlinge draagkrachtverschillen. Rekening houdend met beide aspecten heeft het kabinet gekozen voor een franchise van f 23 000,- en een maximumpremiegrens van f 78 000,-. Het kabinet erkent dat deze premiegrondslag een grote solidariteit tussen hogere en lagere inkomenscategorieën betekent. Gezien de uiteindelijke koopkrachteffecten als gevolg van deze premiegrondslag, die een meer evenwichtige spreiding tussen de verschillende inkomenscategorieën te zien geeft, acht het kabinet de voorgestelde premiegrondslag aanvaardbaar.

De premievrije voet zal, evenals de maximumpremiegrens, bij ministeriële regeling worden vastgesteld.

De voorgestelde maximumpremiegrens, alsmede de franchise, gelden tevens voor de groep beroepsbeoefenaren.

Ten aanzien van de franchise geldt, zowel voor de zelfstandigen als voor de groep personen met overig inkomen uit arbeid, één uitzondering.

Personen die zowel inkomen uit een dienstbetrekking als overig inkomen uit arbeid hebben, dan wel zowel inkomen uit een dienstbetrekking als winst uit onderneming, zijn uit hoofde van hun inkomen uit dienstbetrekking al verzekerd uit hoofde van de WAO. Het kabinet acht het ongewenst om die personen, voor wie het inkomen uit dienstbetrekking het hoofdinkomen vormt, te betrekken in de premieheffing voor de WAZ. Dit zou immers een ten opzichte van de huidige situatie extra premielasten voor deze groep personen betreffen. Voor deze categorie geldt om die reden voor de premieheffing WAZ als franchise het inkomen uit dienstbetrekking, met een minimum van f 23 000,-. Op deze wijze zijn personen, die een combinatie van inkomen uit dienstbetrekking en overig inkomen uit arbeid dan wel winstinkomen genieten, geen WAZ-premie verschuldigd ingeval het inkomen uit dienstbetrekking hoger is dan het overig inkomen of winstinkomen. Voor zover het overig inkomen of winstinkomen hoger is dan het inkomen uit dienstbetrekking wordt slechts premie geheven over dat deel van het overig inkomen dan wel winstinkomen dat het inkomen uit dienstbetrekking te boven gaat. Ook hierbij geldt de maximumpremiegrens van f 78 000,-, voor beide inkomens tezamen.

Deze beperking van premieplicht voor de WAZ gaat gepaard met een anticumulatie van uitkeringsrechten. Deze is beschreven in paragraaf 4.4.2.

Ad c. Het premiepercentage

De hoogte van het premiepercentage is afhankelijk van enerzijds het aantal verzekerden, het premieplichtig inkomen, de premievrije voet en de maximumpremiegrens en anderzijds van uitkeringslasten en overige uitgaven die ten laste komen van het arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen. De hoogte van het premiepercentage wordt vastgesteld door het Tica, onder goedkeuring van Onze Minister.

Zoals reeds eerder gesteld zal de premiestelling zodanig plaatsvinden dat de premie-inkomsten van zelfstandigen gelijk zijn aan de uitkeringslasten voor ex-zelfstandigen. Beroepsbeoefenaren met overig inkomen uit arbeid zijn dezelfde premie verschuldigd over hun overig inkomen. Voor zover deze premie-inkomsten niet lastendekkend zijn voor de uitkeringslasten van deze groep personen zal het tekort worden aangevuld door middel van een rijksbijdrage.

In onderstaande tabel is een overzicht gepresenteerd van de verwachte uitkeringslasten voor zelfstandigen (inclusief zwangerschaps- en bevallingsverlof), de uitkeringslasten voor de overige inkomensgroepen (eveneens inclusief zwangerschaps- en bevallingsverlof), alsmede de uitvoeringskosten. Tevens zijn de relevante premiegrondslagen weergegeven, alsmede de hieruit voortvloeiende premiepercentages. Uit dit overzicht blijkt ten slotte de hoogte van de noodzakelijke rijksbijdrage.

Tabel 2. Uitkeringslasten en uitvoeringskosten, alsmede de premiegrondslagen en premiepercentages voor de WAZ

 ZelfstandigenDga'sOverige inkomensgroepenTotaal
(mln gld)     
Uitkeringslasten950 10070 1120
w.v. zwangerschapsverlof85 10 
(mln gld)     
Uitvoeringskosten80 105 95
(mln gld)     
Totaal1030  75 1215
(mln gld)     
Premiegrondslag12,1  0,6 12,7
Premie8,55%  8,55%  
(mln gld)     
Premie-inkomsten WAZ1030  50 1080
Premieschuif Aof 110 110
Rijksbijdrage   25

Het kabinet ging oorspronkelijk uit van een premiepercentage voor de WAZ van 10%. Thans kan dit percentage lager worden vastgesteld. Dit is niet zozeer het gevolg van een lagere uitgavenraming; in het oorspronkelijke wetsvoorstel was uitgegaan van een totale uitgavenraming van 1,2 mld ten laste van zelfstandigen. Hierin waren echter in de eerste plaats ook toen al de lasten van bestaande uitkeringsgerechtigde beroepsbeoefenaren inbegrepen; dit was geregeld in de Invoeringswet. Beroepsbeoefenaren waren echter niet verzekerd uit hoofde van de WAZ en droegen derhalve ook niet bij aan de premie-inkomsten.

Nu de WAZ is uitgebreid met beroepsbeoefenaren met overig inkomen uit arbeid dragen zij wel bij aan de premie-inkomsten ter financiering voor de bestaande gevallen. Het uitgangspunt dat de premiestelling zodanig wordt bepaald dat zelfstandigen alleen de uitkeringslasten van arbeidsongeschikt geworden ex-zelfstandigen opbrengen betekent derhalve voor de zelfstandigen dat zij minder lasten hoeven te financieren, namelijk niet langer de bestaande uitkeringen van beroepsbeoefenaren.

In de tweede plaats worden de directeuren-grootaandeelhouders onder de werknemersverzekeringen gebracht. De uitkeringslasten van arbeidsongeschikte dga's waren begrepen in de totale uitkeringslasten voor zelfstandigen. Aangezien dga's niet verzekerd waren uit hoofde van de WAZ, en dus geen premie-inkomsten genereerden, moesten ook deze lasten door de groep zelfstandigen worden opgebracht. De keuze om de dga's onder de werknemersverzekeringen te brengen betekent dat de uitkeringslasten van bestaande arbeidsongeschikte dga's niet langer door zelfstandigen hoeven te worden opgebracht. Deze lasten kunnen ten laste van het Aof komen; het Aof ontvangt immers de premie-inkomsten van de door dga's verschuldigde WAO-premie. Als gevolg hiervan kunnen de lasten, die voor rekening komen van de zelfstandigen met ca. 110 mln dalen.

Ten aanzien van de lasten van bestaande arbeidsongeschikte dga's staan twee mogelijkheden open. De eerste mogelijkheid is de huidige AAW-uitkeringen van dga's om te zetten naar WAZ-uitkeringen. Dit is beleidsmatig gezien goed verdedigbaar: de WAZ-uitkering is evenals de AAW-uitkering een uitkering op minimumniveau. Een tweede optie is om de AAW-uitkeringen van dga's om te zetten in WAO-uitkeringen. Dit ligt in de lijn met de keuze om dga's onder de werknemersverzekeringen te brengen. Dit vereist echter dat de groep bestaande arbeidsongeschikte dga's uit de administratie te traceren is. Indien dit laatste niet mogelijk blijkt dienen de bestaande AAW-uitkeringen van dga's omgezet te worden in WAZ-uitkeringen. Administratief-technisch is dit geen probleem; dga's vallen thans onder de categorie zelfstandigen. In dat geval moet wel een oplossing worden gevonden voor de financiering van deze lasten. Dit kan plaatsvinden door middel van een premie-overdracht van het Aof naar het WAZ-fonds ter grootte van het genoemde bedrag. Van deze laatste optie is in tabel 2 vooralsnog uitgegaan.

De uitvoeringskosten bedragen in totaal naar verwachting ca. 95 mln. Hierin zijn begrepen de extra kosten van de belastingdienst als gevolg van de nieuwe wijze van premieheffing. De uitvoeringskosten zijn naar rato verdeeld over de verschillende categorieën uitkeringsgerechtigden. In termen van de totale uitkeringslasten (exclusief zwangerschaps- en bevallingsverlof) bedragen de uitvoeringskosten ca. 8,3%; voor de WAO is dit percentage ca. 6,4%. Worden de uitgaven voor het zwangerschaps- en bevallingsverlof meegenomen dan is het aandeel van de uitvoeringskosten ca. 7,7%.

De uitvoeringskosten voor de WAZ zijn verhoudingsgewijs dus hoger dan voor de WAO.

Dit is overigens verklaarbaar. In de eerste plaats betekent de nieuwe wijze van premieheffing door de belastingdienst dat wat betreft de uitvoeringskosten meeruitgaven zullen optreden. Ook valt te verwachten dat het vaststellen van de WAZ-uitkering ingewikkelder – en derhalve met hogere uitvoeringskosten gepaard gaand – zullen zijn dan het vaststellen van de WAO-uitkering. Daarnaast geldt dat voor de uitvoeringskosten van een regeling de vaste kosten niet lineair af- of toenemen met de uitkeringslasten; naarmate met andere woorden de uitkeringslasten van een regeling toenemen zullen de vaste kosten relatief gezien daarvan een geringer aandeel uitmaken.

Bij de voorgestelde wijze van premieheffing is door het Tica een aantal kanttekeningen geplaatst.

Naar de opvatting van het Tica is allereerst onduidelijk of de grondslag voor de premieheffing en de grondslag voor de uitkeringsverstrekking op elkaar zijn afgestemd.

Zoals in paragraaf 4.4. is aangegeven geldt als uitgangspunt dat de grondslag voor de uitkeringsverstrekking wordt gevormd door de winst uit onderneming in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting 1964; slechts in bijzondere situaties is een zekere nuancering van dit uitgangspunt gewenst. Wat de premiegrondslag betreft kiest het kabinet eveneens voor winst uit onderneming in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting. Hierdoor kan tussen de grondslag voor de uitkeringsverstrekking en de premiegrondslag zoveel mogelijk afstemming worden bereikt. Deze afstemming is ten opzichte van de huidige situatie een voordeel. Voor de grondslag van de premieheffing wordt thans immers nog uitgegaan van het begrip belastbaar inkomen, terwijl voor de uitkeringsgrondslag voor een zelfstandige geldt dat de winst in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting uitgangspunt is.

Naar het oordeel van het Tica wordt met de keuze van het kabinet voor premieheffing over winst uit onderneming gekozen voor een zuiverder begrip. Nadeel vindt het Tica dat in SV-land weer een nieuw inkomensbegrip wordt geïntroduceerd, hetgeen ook in strijd zou zijn met de wens om juist te komen tot meer uniformering van loonbegrippen.

De constatering van het Tica dat een nieuw inkomensbegrip wordt geïntroduceerd is op zich juist. Het kabinet acht dit echter niet bezwaarlijk. Bij de WAZ is immers sprake van een afzonderlijke categorie personen, met een eigensoortige inkomensvorming, tot uitdrukking komend in het al dan niet genieten van winst. De keuze voor een afzonderlijke verzekering voor zelfstandigen maakt het mogelijk om bij de premieheffing aan te sluiten bij het winstinkomen. Bovendien is het daardoor mogelijk om voor deze categorie te komen tot een nauwe afstemming tussen de premieheffing en de uitkeringsverstrekking.

De wenselijkheid om te komen tot meer uniformering van loonbegrippen heeft overigens geen betrekking op zelfstandigen, maar op het loon van werknemers en is mede gericht op vermindering van administratieve lasten voor werkgevers. Wat het laatste betreft moge worden verwezen naar het kabinetsstandpunt vereenvoudiging van de premieheffing werknemersverzekeringen (Kamerstukken II, 1994/95, 24 044, nr. 1).

Met betrekking tot de wijze waarop de premieheffing en -inning plaatsvindt kan al met al het volgende beeld worden geschetst. Premieplichtig zijn de verzekerden, te weten zelfstandigen en meewerkende echtgenoten, alsmede beroepsbeoefenaren. Er wordt bij de zelfstandigen premie geheven over de behaalde winst uit onderneming in de zin van hoofdstuk II, afdeling 2 van de Wet IB, bij beroepsbeoefenaren over overig inkomen uit arbeid, en bij meewerkende echtgenoten over de genoten reële arbeidsbeloning, uiteraard voor zover daarvan sprake is. Het premiepercentage wordt, doorgaans voor een kalenderjaar, onder goedkeuring van de Minister vastgesteld door het Tica. Bij de premieheffing wordt een maximumpremiegrens in acht genomen, waarbij de gedachten thans uitgaan naar ca. f 78 000,-. Als franchise geldt een bedrag van f 23 000,- of het inkomen uit dienstbetrekking voor zover dat hoger is.

Het voorgaande wil niet zeggen dat bij iedere verzekerde ook steeds daadwerkelijk premie wordt geheven. Wanneer geen winst of een negatief resultaat is behaald, is geen premie verschuldigd. Ook wordt niet rechtstreeks premie betaald indien sprake is van een meewerkende echtgenoot, zonder dat een reële arbeidsbeloning wordt genoten. Er geldt bovendien voor zelfstandigen en meewerkende echtgenoten, alsmede voor beroepsbeoefenaren een forse premievrije voet.

Voor het recht op uitkering is derhalve, evenals thans, niet vereist dat premie wordt betaald. Het recht op uitkering vloeit voort uit de verzekering van rechtswege. Wel is de hoogte van de uitkering afhankelijk van de behaalde winst of inkomen in de referteperiode, waarbij de mogelijkheid van middeling van de winst of het inkomen over drie jaar geldt.

De belastingdienst wordt belast met de heffing en inning van de premie. Daarbij wordt, evenals nu het geval is, aangesloten bij de regels die gelden voor de heffing en invordering van de inkomstenbelasting. Wat betreft de heffing van premie op grond van deze wet wordt afgezien van de invorderingsvrijstelling en de middelingsteruggave-regeling op grond van artikel 65 respectievelijk 66a van de Wet IB.

Voorgesteld wordt om geen aanslag vast te stellen voor de premie op grond van deze wet, indien voor de inkomstenbelasting geen aanslag wordt vastgesteld. Hiermee wordt voorkomen dat voor (te) kleine bedragen aanslagen worden vastgesteld, met alle administratieve rompslomp van dien. Wat betreft de wijze van inning door de belastingdienst wordt eveneens aangesloten bij het huidige fiscale invorderingsbeleid, zoals dit thans ook plaatsvindt bij de volksverzekeringen, waarbij toepassing kan worden gegeven aan het fiscale beleid inzake uitstel van betaling, boete-oplegging, en dergelijke. Het voorgaande betekent dat premie wordt geheven en geïnd volgens het gangbare fiscale aangifte- en aanslagtraject.

De premie-inning zal plaatsvinden door middel van een voorlopige aanslag, conform de huidige wijze van heffing van loon- en inkomstenbelasting.

Tenslotte is met betrekking tot de premieheffing nog een tweetal aspecten van belang.

Allereerst komen de premies voor de nieuwe regeling in aftrek voor de inkomstenbelasting. Dit is in overeenstemming met het uitgangspunt dat geen belasting over de aanspraak (premie) wordt geheven, wanneer de uitkering belast is.

De aftrekbaarheid van de WAZ-premie wordt gerealiseerd door deze premie aan te merken als persoonlijke verplichting. Hiertoe zijn wijzigingen van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 noodzakelijk, die worden opgenomen in het wetsvoorstel Invoeringswet.

In de tweede plaats is van belang welke premies op de uitkering op grond van deze wet moeten worden ingehouden.

De uitkering uit hoofde van deze wet is een bruto aan het minimumloon gekoppelde uitkering.

De uitkering wordt in de belastingheffing betrokken als periodieke uitkering.

Over de uitkering zelf zijn premies volksverzekeringen en inkomstenbelasting verschuldigd, die worden geheven conform de normale systematiek.

Over de huidige AAW-uitkering wordt een vereveningsbijdrage ingehouden ter hoogte van de premies werknemersverzekeringen. Deze vereveningsbijdrage komt ten goede aan het Aaf. Op deze wijze is het bruto-netto-traject voor AAW-gerechtigden identiek aan dat van werknemers.

Het zou in de rede liggen, conform de systematiek van de werknemersverzekeringen, dat over de WAZ-uitkering de WAZ-premie zou worden geheven. Dit zou echter leiden tot een netto-uitkering die in gunstige zin afwijkt van de netto-uitkering voor ex-werknemers. Om deze reden wordt voorgesteld om het bruto-netto-traject voor de WAZ-uitkering gelijk te stellen aan dat voor werknemers door middel van introductie van een vereveningsbijdrage ter hoogte van de premies voor de werknemersverzekeringen. Deze vereveningsbijdrage komt vervolgens volledig ten goede aan het WAZ-fonds. Op deze wijze blijft de netto-bescherming op minimumniveau voor WAZ-gerechtigden gehandhaafd.

Ingeval betrokkene een uitkering op grond van deze wet ontvangt en uit dien hoofde verplicht verzekerd is voor het ziekenfonds houdt de bedrijfsvereniging tevens de verschuldigde premie ziekenfonds in en draagt zij tevens het werkgeversdeel van de premie ziekenfonds af aan de Centrale Kas van de Ziekenfondsraad.

Het Tica plaatst blijkens zijn commentaar vraagtekens bij het voorstel van een vereveningsbijdrage. Volgens het Tica ligt het niet voor de hand om, wanneer het risico reeds is ingetreden, door te gaan met premieheffen. Bovendien is sprake van het onnodig rondpompen van geld.

De constatering van het Tica dat sprake is van rondpompen van geld is niet geheel onterecht. Inderdaad wordt aldus een inhouding op de bruto-WAZ-uitkering geheven, die in haar geheel weer ten goede komt aan het WAZ-fonds. Ik acht dit geen zwaarwegend bezwaar. Het voorstel om over de WAZ-uitkering een vereveningsbijdrage ter hoogte van de premies werknemersverzekeringen te heffen is niet ingegeven door principiële overwegingen (zelfstandigen zijn immers niet verzekerd voor de werknemersverzekeringen), maar houdt verband met de gevolgen van het bruto-netto-traject. Dit kan als volgt worden toegelicht.

De WAZ-uitkering is, geheel conform de reguliere systematiek, gekoppeld aan het bruto-minimumloon. Over de bruto-uitkering is een gewezen zelfstandige premies volksverzekeringen alsmede belasting verschuldigd. Indien over de bruto-WAZ-uitkering geen verdere inhouding verschuldigd zou zijn zou de netto-WAZ-uitkering hoger uitkomen dan de netto-uitkering van een arbeidsongeschikte werknemer met eenzelfde bruto-uitkering. Dit laatste acht het kabinet ongewenst.

Er staan dan twee wegen open om deze ongewenste uitkomst te voorkomen. De eerste mogelijkheid is om de WAZ-uitkering netto te koppelen aan het minimumloon. Dit is geen aantrekkelijke optie, met name in situaties waarin naast een WAZ-uitkering andere inkomsten worden verworven. In dergelijke situaties zal ten opzichte van de huidige situatie een extra berekening moeten worden gemaakt om, uitgaande van de netto-WAZ-uitkering voor de WAZ-uitkering de verschuldigde belasting en premies volksverzekeringen te bepalen. Dit is voor betrokkenen een omslachtige en weinig doorzichtige methode.

De tweede mogelijkheid is om, in lijn met de huidige systematiek, te kiezen voor een vereveningsbijdrage. Het bruto-netto-traject voor een ex-werknemer en een WAZ-gerechtigde is dan volledig identiek. De netto-uitkering is dan in beide gevallen aan elkaar gelijk. In geval van samenloop met andere inkomsten kan een WAZ-gerechtigde ook op eenvoudige wijze het totale belastbare inkomen bepalen.

4.6.2. Inkomenseffecten

In de memorie van toelichting van het wetsvoorstel Invoeringswet worden de financiële gevolgen van de intrekking van de AAW uitgebreid weergegeven. Hieronder wordt daarom volstaan met een korte weergave van de beschrijving van deze effecten.

Voor zelfstandigen en beroepsbeoefenaren heeft de intrekking van de AAW en de introductie van de WAZ een aantal inkomensgevolgen. De AAW-premie komt te vervallen; daartegenover ondervinden zelfstandigen en beroepsbeoefenaren, evenals werknemers, een negatief effect als gevolg van de stijging van het belastingtarief en de premies volksverzekeringen in de eerste schijf.

De grootste inkomensgevolgen worden evenwel veroorzaakt door de introductie van de WAZ-premie. Deze wordt geheven over de winst uit onderneming dan wel het overig inkomen uit arbeid in plaats van – zoals de AAW-premie – over de belastbare som. Verticale en horizontale tariefstructuren (aftrekposten en tariefgroepen) hebben derhalve geen invloed meer op de hoogte van het verschuldigde premiebedrag. Wel wordt de WAZ-premie als persoonlijke verplichting aftrekbaar voor de loon- en inkomstenbelasting.

4.7. De uitkering in verband met bevalling voor vrouwelijke zelfstandigen, meewerkende echtgenoten en beroepsbeoefenaren

Voorgesteld wordt om in deze wet tevens een uitkeringsregeling in verband met bevalling op te nemen ten behoeve van vrouwelijke verzekerden. Een regeling in verband met bevalling wordt blijkens diverse rapporten reeds geruime tijd voor vrouwelijke zelfstandigen en meewerkende echtgenoten gewenst geacht en wordt thans ook mogelijk door de totstandkoming van een afzonderlijke arbeidsongeschiktheidsverzekering voor deze categorie, die door henzelf wordt gefinancierd.

Thans zijn bedrijfsverenigingen verplicht om vrouwelijke zelfstandigen en meewerkende echtgenoten onder bepaalde voorwaarden toe te laten tot de vrijwillige verzekering op grond van de Ziektewet. Deze mogelijkheid bestaat alleen indien men de laatste drie jaar als werknemer op grond van de Ziektewet verzekerd was. Belanghebbenden kunnen bij ziekte dan wel zwangerschap en bevalling een uitkering op grond van die vrijwillige verzekering ontvangen. Bij zwangerschap en bevalling komt men in aanmerking voor een uitkering ter hoogte van het dagloon gedurende tenminste 16 weken rond de bevalling. Deze periode kan worden uitgebreid indien men voorafgaand aan of na de bevalling ongeschikt tot werken is in verband met de zwangerschap.

In 1992 is in opdracht van het ministerie van SZW onderzoek verricht naar de vrijwillige verzekering op grond van de Ziektewet als mogelijkheid voor zwangerschaps- en bevallingsverlof bij ondernemende en meewerkende vrouwen (Kinderen krijgen verzekerd?, mei 1992). De voornaamste conclusies waren dat slechts een klein deel van de ondernemende en meewerkende vrouwen gebruik maakt van de vrijwillige ziekengeldverzekering. Bij slechts een vijfde van de ondervraagde vrouwen was bekend dat ze via de vrijwillige verzekering recht konden verkrijgen op een uitkering in verband met bevalling. Vrouwen die geen verzekering afsluiten, maar wel van de mogelijkheid op de hoogte zijn zien de kosten als grootste belemmering. Uit dit onderzoek blijkt dat de mogelijkheid tot verzekering van het zwangerschaps- en bevallingsrisico in het kader van de vrijwillige verzekering ingevolge de ZW in de praktijk niet blijkt aan te slaan. De conclusie wordt getrokken dat een vrijwillige verzekering daarvoor niet de aangewezen weg is.

Het vorige kabinet sprak zich naar aanleiding van het onderzoek overigens nog uit tegen een verplichte verzekering in verband met bevalling voor zelfstandigen en meewerkende echtgenoten. Het vorige kabinet wilde wel bezien of verbetering van de voorlichting mogelijk was, maar achtte het voor het overige de eigen verantwoordelijkheid van betrokkenen om zich al dan niet vrijwillig voor de Ziektewet te verzekeren.

Door de Emancipatieraad is ook gepleit voor een zwangerschapsregeling voor alle vrouwen die inkomen uit arbeid verwerven (zie: Advies meewerkende vrouwen van januari 1988 en Advies zwangerschaps- en bevallingsverlof van maart 1988). Een vrijwillige regeling wordt niet wenselijk geacht, omdat door de vrijwilligheid het draagvlak van de regeling klein zal zijn en daardoor de kosten voor veel vrouwen te hoog zullen worden.

Het kabinet is van oordeel dat de voorliggende verzekering een geschikt kader biedt om een uitkering in verband met bevalling voor vrouwelijke zelfstandigen en meewerkende echtgenoten te regelen. Voor werkneemsters is het zwangerschaps- en bevallingsverlof een maatregel met een tweeledig doel. Enerzijds dient het verlof ter bescherming van de gezondheid van de vrouw en het kind. Anderzijds wordt met het verlof beoogd te voorkomen dat vrouwen uit het arbeidsproces treden. Bescherming van de gezondheid van moeder en kind en stimulering van het actief blijven van vrouwen op de arbeidsmarkt na de geboorte van kinderen gelden hier dus als argumenten. Dezelfde argumenten gaan, blijkens de resultaten van het onderzoek naar zwangerschaps- en bevallingsverlof voor zelfstandige en meewerkende vrouwen in het midden- en kleinbedrijf, op voor zelfstandige en meewerkende vrouwen (rapport «Doorwerken rond de bevalling» drs. J. T. F. Nouws en drs. M. T. E. Meijs-Appels, EIM onderzoek 1989). Verder blijkt uit genoemd onderzoek alsmede uit het rapport «zwangerschapsverlof voor boerinnen en tuindersvrouwen» (U. Ph. Blom en J. M. van den Hoek, Landbouw-Economisch Instituut, 1989, onderzoeksverslag 51) dat een ruime meerderheid van de zelfstandige en meewerkende vrouwen vindt dat er iets geregeld moet worden om hen in staat te stellen een periode van verlof te nemen voor en na de bevalling. Uit onderzoek blijkt dat er door desbetreffende vrouwen thans alleen maar verlof wordt genomen als er sprake is van medische complicaties. De meeste van de bij betreffende onderzoeken betrokken vrouwen geven aan dat de belangrijkste belemmering om verlof op te nemen de kosten van vervanging en inkomstenderving zijn. Met een uitkeringsregeling in verband met bevalling kan worden voorkomen dat betreffende vrouwen lang doorwerken en snel weer beginnen, hetgeen schadelijk kan zijn voor zowel de gezondheid van de vrouw als van het kind.

Naar het oordeel van het kabinet maakt het treffen van een afzonderlijke verzekering voor zelfstandigen c.s. het ook mogelijk om daarin een uitkeringsregeling in verband met bevalling op te nemen. Het in de WAZ onderbrengen van een dergelijke uitkeringsregeling is in overeenstemming met het door het kabinet gehanteerde uitgangspunt dat de financiële verantwoordelijkheid zoveel mogelijk bij betrokkenen zelf moet worden gelegd.

Ook de SER onderschrijft, mede op basis van onderzoeksresultaten, dat een wettelijke regeling met een collectieve financiering wenselijk is.

Bij de voorbereiding van de kabinetsvoorstellen zijn ook andere mogelijkheden overwogen om tot een regeling in verband met bevalling te komen, bijvoorbeeld in de vorm van een aparte volksverzekering voor zowel vrouwelijke werknemers als zelfstandigen met een uitkeringshoogte van 70 of 100 procent van het minimumloon. Voor vrouwelijke werknemers zou een dergelijke regeling echter een achteruitgang ten opzichte van de huidige situatie betekenen en bovendien strijdigheid met EG-recht opleveren. Ingevolge de EG-richtlijn 92/85 heeft de vrouwelijke werknemer immers in verband met bevalling recht op behoud van loon of een uitkering die gelijk is aan wat de vrouwelijke werknemer zou ontvangen wanneer zij haar arbeid vanwege gezondheidsredenen zou moeten beëindigen. Een volksverzekering met een uitkering ter hoogte van 100% van het laatstgenoten inkomen ontmoet bezwaren vanuit kostenoogpunt en vanwege het doorbreken van de systematiek van de volksverzekeringen doordat deze geen loongerelateerde uitkeringen kennen. Vanwege genoemde overwegingen is de voorkeur gegeven aan een afzonderlijke regeling in het kader van dit wetsvoorstel.

Het voorstel voor een bevallingsuitkering voorziet in een algemene regeling voor alle vrouwelijke zelfstandigen, meewerkende echtgenoten en beroepsbeoefenaren. Doel van de bevallingsuitkering is om te bevorderen dat de gezondheid van moeder en kind niet wordt geschaad. Dit kan het beste worden bereikt door de regeling een verplicht karakter te geven. Een vrijwillige verzekering zou een te gering draagvlak hebben. De kans is groot dat alleen vrouwen zouden deelnemen die verwachten op korte termijn gebruik te kunnen maken van de regeling, hetgeen de premie voor de vrijwillige verzekering dan fors hoger zou kunnen doen uitvallen.

Door dit voorstel wordt ook invulling gegeven aan de verplichting die Nederland op grond van eerdergenoemde richtlijn, nr. 86/613/EEG heeft om te onderzoeken of en op welke wijze vrouwelijke zelfstandigen en meewerkende echtgenoten tijdens de onderbreking van hun werkzaamheden wegens zwangerschap of moederschap:

– aanspraak kunnen maken op vervangingsdiensten of bestaande sociale diensten

– in aanmerking komen voor uitkeringen in het kader van een stelsel voor sociale zekerheid of een ander stelsel van sociale bescherming.

Qua inhoud wordt in beginsel aangesloten bij de regeling die thans voor vrouwelijke werknemers op grond van het huidige artikel 29a van de Ziektewet geldt. Dit betekent dat recht op uitkering bestaat gedurende tenminste 16 weken rond de bevalling en dat de hoogte van de uitkering 100% van de toepasselijke uitkeringsgrondslag bedraagt, zij het dat hierbij voor vrouwelijke WAZ-verzekerden een maximum van 100% van het minimumloon geldt. De hoogte van de grondslag wordt bepaald door het inkomen dat in het jaar voorafgaand aan de ingangsdatum van het recht op uitkering c.q. de drie jaar daaraan voorafgaande jaren door de vrouwelijke verzekerden is behaald. Indien vanwege het tijdstip van de zwangerschap en bevalling het inkomen ter bepaling van de hoogte van de grondslag niet bekend is, kan de uitkering bij wege van voorschot worden toegekend, onder verrekening met het nadien bekend geworden inkomen.

Anders dan bij werkneemsters het geval is, wordt in deze regeling niet gekozen voor de mogelijkheid om de basisuitkeringsduur van 16 weken te verlengen. De uitgebreide regeling voor werkneemsters houdt in dat niet alleen over de wettelijke verlofperiode van 16 weken rond de bevalling uitkering wordt verstrekt, maar ook gedurende de daarvoor gelegen zwangerschapsperiode en de onmiddellijk op genoemde 16 weken aansluitende periode na de bevalling van maximaal 52 weken waarin ziekte bestaat door of als gevolg van de zwangerschap of de bevalling.

Voor een beperkte regeling pleiten de volgende argumenten:

– het treffen van een voorziening bij ziekte voor vrouwen, ook al is deze gerelateerd aan zwangerschap of bevalling, waar voor mannelijke WAZ-verzekerden geen voorziening bij ziekte wordt getroffen, lijkt nauwelijks te rechtvaardigen. De WAZ voorziet in een uitkering bij langdurige arbeidsongeschiktheid. Indien de uitgebreide bevallingsregeling in de WAZ zou worden opgenomen, zou het element ziekte in deze regeling worden geïntroduceerd, beperkt tot hele specifieke vormen van ziekte die zich uitsluitend bij vrouwen kunnen voordoen. Dit lijkt nauwelijks te verdedigen, nu voor mannelijke WAZ-verzekerden geen enkel recht op uitkering bij ziekte wordt geregeld.

– een belangrijke overweging voor de uitgebreide regeling voor werkneemsters is het recht op gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van onder meer de toegang tot het arbeidsproces en de arbeidsvoorwaarden. Door de uitkering tijdens de verlofperiode, alsmede ziekte ten gevolge van zwangerschap of bevalling, niet ten laste van de werkgever te laten komen, hoeven deze vrouwen om redenen van (mogelijke) zwangerschap niet te passeren ten faveure van mannen. Deze overweging gaat voor WAZ-verzekerden niet op omdat zij niet afhankelijk zijn van een werkgever.

– voor het risico van kortdurende arbeidsongeschiktheid kan de verzekerde zich desgewenst op de particuliere markt bijverzekeren. Sinds 1 september 1994 kan op grond van de Algemene wet gelijke behandeling ongeschiktheid tot werken in verband met zwangerschap en bevalling door de particuliere verzekeraars niet meer uitgesloten worden, noch mag in de premiestelling door verzekeraars enig direct of indirect onderscheid worden gemaakt naar geslacht (behoudens enkele uitzonderingen die overigens niet zien op zwangerschap of bevalling).

– internationale verdragen verplichten niet tot het treffen van een uitgebreide regeling voor zelfstandigen. Met de uitgebreide regeling voor werkneemsters wordt voldaan aan geldende internationale verplichtingen ter zake. Er bestaan geen internationale verplichtingen die nopen tot een soortgelijke regeling voor zelfstandige vrouwen. Zoals reeds vermeld wordt in richtlijn nr. 86/613/EEG alleen aan de lidstaten de opdracht gegeven onder meer te onderzoeken op welke wijze vrouwelijke zelfstandigen en meewerkende echtgenoten tijdens onderbreking van hun werkzaamheden wegens zwangerschap of moederschap in aanmerking kunnen komen voor een uitkering in het kader van een stelsel van sociale zekerheid.

Uitgaande van een uitkeringshoogte van ten hoogste 100% van het minimumloon bedragen de uitgaven in verband met zwangerschap en bevalling naar schatting 95 mln.

Het is mogelijk dat een samenloop van rechten op een uitkering in verband met bevalling en op een arbeidsongeschiktheidsuitkering optreedt. Via nadere regels zal worden bepaald op welke wijze de samenloop van deze uitkeringsrechten zal worden beperkt.

In het wetsvoorstel Invoeringswet wordt, in verband met de regeling die in deze wet wordt getroffen, voorzien in het uitsluiten van het recht op uitkering in verband met bevalling op grond van de vrijwillige verzekering van de Ziektewet voor vrouwelijke WAZ-verzekerden.

Het Tica was blijkens zijn commentaar van mening dat de voorgestelde wettelijke regeling een verbetering is ten opzichte van de huidige situatie. Wel adviseerde het Tica om de uitkering in verband met bevalling te baseren op de inkomensgegevens uit eerdere jaren, omdat wegens het niet gelden van een wachttijd voor deze uitkering, niet kan worden beschikt over actuele winstgegevens.

Met voldoening stelt het kabinet vast dat het Tica de voorgestelde regeling ten principale een verbetering acht.

Wat de wijze van vaststelling van de uitkering betreft wordt het volgende opgemerkt. Terecht constateerde het Tica dat veelal niet kan worden beschikt over actuele winstgegevens. Mede vanwege deze omstandigheid is in het wetsvoorstel dan ook voorzien in de mogelijkheid om de uitkering bij wege van voorschot te betalen. Dit is bijvoorbeeld mogelijk in de situatie dat niet duidelijk is wat de hoogte van de uitkering is omdat actuele inkomensgegevens niet voorhanden zijn.

Het kabinet is van opvatting dat het recht op en de hoogte van de bevallingsuitkering ten principale afgeleid dient te zijn van de actuele gegevens omtrent het verzekerde inkomen. Een uitkering, die gebaseerd zou zijn op inkomensgegevens uit eerdere jaren, zou te weinig recht doen aan de inkomenssituatie waarin de betrokken vrouw zich onmiddellijk voorafgaande aan de ingang van het recht op uitkering bevindt. Wanneer actuele inkomensgegevens ontbreken kan de bedrijfsvereniging door de mogelijkheid om de uitkering bij wege van voorschot (welk voorschot overigens gebaseerd kan zijn op gegevens uit eerdere jaren) te betalen in een later stadium alsnog het definitieve bedrag vaststellen van de uitkering waarop de betrokkene recht had.

4.8. Overige aspecten in verband met het recht op uitkering

In deze paragraaf komen aan de orde:

– het geldend maken van het recht en de betaling

– de overlijdensuitkering

– verzekering voor het ziekenfonds.

4.8.1. Het geldend maken van het uitkeringsrecht en de betaling

Wat betreft de bepalingen met betrekking tot het geldend maken van het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt in beginsel aangesloten bij de huidige AAW.

De belanghebbende dient zich binnen uiterlijk vijf maanden na de aanvang van de arbeidsongeschiktheid te melden bij de bedrijfsvereniging. Hierdoor wordt de bedrijfsvereniging in staat gesteld zo nodig activiteiten te ontplooien in verband met revalidatie en eventueel reïntegratie. Een aanvraag voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering dient uiterlijk binnen 9 maanden te zijn ingediend, zodat de bedrijfsvereniging vóór het einde van de wachttijd een juiste beslissing met betrekking tot toekenning van de uitkering kan nemen. De arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt toegekend voor een periode van drie jaar. Hiermee wordt aangesloten bij de huidige regeling in de AAW. Om uitvoeringstechnische redenen is deze periode vooralsnog vastgesteld op vijf jaar. In het wetsvoorstel Invoeringswet wordt dit nader geregeld.

Wat de uitkering in verband met bevalling betreft, dient de vrouwelijke verzekerde zich uiterlijk drie maanden vóór de beoogde ingangsdatum van de uitkering bij de bedrijfsvereniging te melden. Een aanvraag dient uiterlijk twee weken vóór de beoogde ingangsdatum bij de bedrijfsvereniging ingediend te zijn. De uitkeringsduur is beperkt tot tenminste 16 weken.

In verband met het geldend maken van het recht op uitkering kan de bedrijfsvereniging betrokkene oproepen of door deskundigen laten onderzoeken. Ook kunnen voorschriften worden gegeven in het belang van behandeling en genezing. Voorts kan de bedrijfsvereniging controlevoorschriften opstellen.

Evenals in de AAW is in deze wet een algemene inlichtingenbepaling opgenomen. Op grond van deze bepaling is de verzekerde verplicht aan de bedrijfsvereniging op verzoek of uit eigen beweging mededeling te doen van al datgene dat van invloed is op het recht op of de hoogte van de uitkering. Naast deze algemene inlichtingenbepaling is in artikel 91 van de Osv een algemene verplichting opgenomen om aan de bedrijfsvereniging inlichtingen en gegevens te verstrekken. Deze bepaling zal ook voor verzekerden op grond van de WAZ gelden.

Niet-nakoming van de aan de uitkering verbonden verplichtingen, leidt ertoe dat de bedrijfsvereniging de uitkering tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk, weigert. Wat betreft het opleggen van een administratieve boete bij niet-nakoming van de algemene infomatieverplichting wordt verwezen naar paragraaf 6.

Over de arbeidsongeschiktheidsuitkering en de uitkering in verband met bevalling bestaat aanspraak op een vakantie-uitkering. Deze bedraagt 8% van het uitkeringsbedrag. De vakantie-uitkering wordt steeds in de maand mei uitbetaald over de voorafgaande twaalf maanden, waarop recht op uitkering bestond. De vakantie-uitkering wordt eerder uitbetaald, indien de uitkering eerder wordt beëindigd.

Ook kan de vakantie-uitkering op verzoek van betrokkene eerder worden uitbetaald. Vanwege de beperkte uitkeringsduur zal dit laatste regel zijn bij de uitkering in verband met bevalling.

De arbeidsongeschiktheidsuitkering en de uitkering in verband met bevalling worden als regel in maandtermijnen uitbetaald. De bedrijfsvereniging is bevoegd om de uitkering bij wege van voorschot uit te betalen, indien de hoogte van de uitkering niet vaststaat. Deze kan dan verrekend worden met de definitief vastgestelde uitkering.

De uitkering kan van de verzekerde worden teruggevorderd, wanneer duidelijk is dat deze onverschuldigd is betaald.

Indien de verzekerde die een uitkering ontvangt inkomsten uit arbeid verwerft en niet vaststaat of sprake is van algemeen geaccepteerde arbeid, wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering niet meteen aangepast, maar worden de inkomsten geanticumuleerd op de uitkering. Alsdan blijft het reeds vastgestelde arbeidsongeschiktheidspercentage van toepassing. Binnen een termijn van uiterlijk drie jaar dient te worden beoordeeld of sprake is van algemeen geaccepteerde arbeid, waartoe betrokkene met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Indien de verzekerde na het verstrijken van deze periode deze arbeid nog steeds verricht, wordt ervan uitgegaan dat het om algemeen geaccepteerde arbeid gaat. De termijn van drie jaar geldt niet ten aanzien van deelname in WSW-arbeid. Een en ander sluit aan bij de huidige regeling in de AAW.

Evenals in de AAW is in dit wetsvoorstel bepaald dat bespaarde arbeidsongeschiktheidsuitkeringen in verband met WSW-arbeid worden gestort in 's Rijks kas. Ook hierop wordt in dit wetsvoorstel aangesloten. Wel worden bij de bespaarde arbeidsongeschiktheidsuitkeringen ook de hierover verschuldigde sociale werkgeverslasten betrokken. Voor een toelichting moge worden verwezen naar paragraaf 3.10. van het wetsvoorstel Pemba.

4.8.2. De overlijdensuitkering

Met betrekking tot de overlijdensuitkering wordt in dit wetsvoorstel aangesloten bij de wet tot wijziging van de AOW en enige andere wetten (Stb. 1995, 696). Het betreft met name de volgende onderdelen:

– uitbreiding van de partnerdefinitie met samenwonende bloedverwanten in de tweede graad. Voorheen waren samenwonende bloedverwanten in de tweede graad nog uitgezonderd van de partnerdefinitie. Op grond van genoemde wet werd aan de uitzonderingspositie van deze categorie in de gehele sociale zekerheidswetgeving een einde gemaakt. Voor het voorliggende wetsvoorstel leidt dit ertoe dat samenwonende bloedverwanten in de tweede graad (broers en zussen, grootouders en kleinkinderen) in aanmerking kunnen komen voor een overlijdensuitkering.

– verkorting van de overlijdensuitkering. Voorheen bestond ingevolge de AAW nog recht op een overlijdensuitkering gedurende het restant van de maand van overlijden plus de twee daaropvolgende maanden. Hierdoor varieerde de duur van de overlijdensuitkering nu tussen twee en drie maanden. Conform genoemde wet wordt de duur van de overlijdensuitkering in het voorliggende wetsvoorstel bepaald op één maand.

– het niet opnemen van de slotuitkering.

Voor een meer uitgebreide toelichting op de motieven en doelstellingen van deze wijzigingen moge worden verwezen naar de wet tot wijziging van de AOW.

4.8.3. Verzekering voor het ziekenfonds

Thans zijn AAW-gerechtigden met een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van tenminste 45%, verplicht verzekerd op grond van de Ziekenfondswet. Dit is met name van belang voor zelfstandigen en vroeggehandicapten. Aan de Ziekenfondsraad is commentaar gevraagd over de gevolgen van de kabinetsvoorstellen inzake de Ziektewet, WAO en AAW en in het bijzonder over de vraag of het maatschappelijk wenselijk moet worden geacht dat verzekerden op grond van deze wet en de Wajong onder de verplichte verzekering van de Ziekenfondswet worden gebracht. Naar aanleiding van het positieve advies van de Ziekenfondsraad wordt dit geregeld in het wetsvoorstel Invoeringswet.

4.9. Uitvoering en implementatie

Voorgesteld wordt om de beoordeling van het recht op uitkering en voorzieningen alsmede de verdere uitvoering ten aanzien van de uitkeringsverstrekking te laten plaatsvinden door de bedrijfsverenigingen. Hiermee wordt aangesloten bij de huidige situatie. Bedrijfsverenigingen beschikken over de vereiste kennis en expertise ten aanzien van claim-beoordeling, uitkeringsverstrekking, inzet van reïntegratie-instrumenten, e.d..

In dit wetsvoorstel is, zoals eerder opgemerkt, geabstraheerd van de door het kabinet beoogde wijzigingen van de Osv die op hoofdlijnen zijn vastgelegd in de brief van 30 mei 1995 van het kabinet over de toekomstige uitvoeringsorganisatie werknemersverzekeringen (Kamerstukken II, 1994/95, 24 215, nr. 1). In dit wetsvoorstel wordt niet vooruitgelopen op deze wijzigingen.

Voorgesteld wordt, eveneens in aansluiting bij de huidige AAW, om de uitvoering van de heffing en inning van de premie voor de regeling op te dragen aan de belastingdienst en te laten verlopen via het fiscale traject. Hiervoor pleit dat aangesloten kan worden bij bestaande (fiscale) gegevens en het fiscale traject dat zelfstandigen – de hoofdgroep van de WAZ – reeds moeten doorlopen. De belastingdienst beschikt over een infrastructuur en heffingsstructuur, die geënt is op de zelfstandige ondernemer. De belastingdienst zal de premie-opbrengsten vervolgens af moeten dragen ten behoeve van het arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen dat afzonderlijk wordt beheerd en geadministreerd door het Tica. Ten gunste van dit fonds komen ook vereveningsbijdragen die op de uitkering in mindering worden gebracht, geïnde boeten en de opbrengst van toepassing van het recht van regres van de bedrijfsvereniging. Ten laste van dit fonds komen de uitkeringen, toekenningen van een inkomenssuppletie, de voorzieningen, middelen ten behoeve van een aan te houden reserve, de uitvoeringskosten en overige kosten in verband met de uitvoering van deze wet.

Overwogen is om de uitvoering van de premieheffing en -inning niet op te dragen aan de belastingdienst, maar aan de bedrijfsverenigingen. Hiervan is echter afgezien. De invoering van de uitvoering van de premieheffing en -inning door de bedrijfsverenigingen is een omslachtige weg. Bedrijfsverenigingen zouden daarvoor moeten beschikken over de (fiscale) gegevens van de belastingdienst.

Ten aanzien van de premieheffing zal worden aangesloten bij de heffingssystematiek van de inkomstenbelasting. Dit wil zeggen dat de definitieve heffing geschiedt na afloop van het belastingjaar op basis van de aangifte inkomstenbelasting, waarin de winst uit onderneming door de ondernemer wordt aangegeven en het inkomen uit overige arbeid door de beroepsbeoefenaar. Na toetsing door de belastingdienst wordt de definitieve aanslag voor de WAZ tegelijkertijd met de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen vastgesteld. Betrokkene wordt hierover geïnformeerd door middel van het aanslagbiljet, waarop het verschuldigde bedrag voor de WAZ-heffing is opgenomen. Aan meewerkende echtgenoten, aan wie een arbeidsbeloning wordt toegekend, wordt een afzonderlijke aanslag voor de WAZ opgelegd, waarbij de heffingsgrondslag wordt gevormd door het bedrag van de arbeidsbeloning. Vooruitlopend op de definitieve aanslag wordt reeds in het begin van het belastingjaar een voorlopige aanslag voor de WAZ opgelegd. Het bedrag van deze voorlopige aanslag wordt gebaseerd op historische gegevens die bij de belastingdienst bekend zijn. Blijkt – bijvoorbeeld uit nadere schattingen van de premieplichtige – dat de voorlopige aanslag correcties behoeft, dan kan een nadere voorlopige aanslag worden opgelegd dan wel de voorlopige aanslag worden verminderd. Met betrekking tot bezwaar en beroep ten aanzien van de premieheffing en- inning, het boetebeleid, navordering en vermindering vinden de overeenkomstige bepalingen in de belastingwetgeving toepassing.

Bij de heffing van de premie door de belastingdienst wordt, zoals hiervoor aangegeven, gebruik gemaakt van de bestaande fiscale heffingsinstrumenten in de inkomstenbelastingsfeer als voorlopige aanslag en definitieve aanslag. De voorlopige aanslag inkomstenbelasting wordt thans in de regel opgelegd in de maand januari van het belastingjaar. De hoogte van de voorlopige aanslag wordt gebaseerd op aanslagen over voorgaande belastingjaren. Met ingang van 1997 zal ter zake van de zelfstandigen en de beroepsbeoefenaren een voorlopige aanslag worden opgelegd, die wordt gebaseerd op een met het aangiftebiljet eenmalig meegezonden schattingsformulier. Hierop kan de ondernemer of beroepsbeoefenaar zijn verwachte WAZ-inkomen voor het jaar 1997 opgeven. Ditzelfde geldt in voorkomende gevallen voor meewerkende echtgenoten aan wie naar verwachting een arbeidsbeloning zal worden toegekend. De eerste betalingen op de voorlopige aanslagen-WAZ zijn te verwachten in juni 1997. Met ingang van 1998 zullen de voorlopige WAZ-aanslagen geautomatiseerd worden opgelegd en kan worden aangesloten bij het reguliere traject van de voorlopige aanslagen voor de inkomstenbelasting. Voor de jaren 1997 en 1998 kan dit betekenen dat een vertraging optreedt met betrekking tot de premie-inkomsten. Als gevolg hiervan kan een discrepantie ontstaan tussen de uitgaven en de inkomsten van het WAZ-fonds gedurende deze jaren. Hierop zal nader worden ingegaan in de memorie van toelichting van de Invoeringswet.

De definitieve aanslagen van de WAZ zullen tegelijkertijd met de definitieve aanslag voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het eerst in de loop van 1998 worden opgelegd.

De invoering van de WAZ-heffing vergt voor de belastingdienst een aanpassing van verschillende geautomatiseerde inkomstenbelastingsystemen. Om deze aanpassingen tijdig te kunnen realiseren dienen de vormgeving van de heffingskant van de regeling, de kring van premieplichtigen, de grondslag waarover geheven moet worden e.d. tijdig vast te staan.

De invoering van de WAZ-heffing leidt tot incidentele en structurele uitvoeringskosten voor de belastingdienst en de bedrijfsverenigingen.

De bedrijfsverenigingen hebben thans ook uitvoeringskosten, samenhangend met de arbeidsongeschiktheidsuitkering van zelfstandigen. De uitvoeringskosten van de bedrijfsverenigingen kunnen na invoering van de WAZ worden gedeclareerd bij het WAZ-fonds; er treedt met andere woorden een verschuiving van het Aaf naar het WAZ-fonds op.

Ook voor de belastingdienst betekent de invoering van de WAZ een verandering. Thans int de belastingdienst de premies volksverzekeringen door middel van de gecombineerde heffing in het tarief eerste schijf. De belastingdienst brengt voor deze inning premie-inningskosten in rekening bij de vier desbetreffende fondsen, waarbij het totale bedrag aan premie-inningskosten gelijk over de vier fondsen wordt verdeeld. Intrekking van de AAW heeft gevolgen voor de verdeling van de premie-inningskosten. Het Tica wijst daar ook op in zijn commentaar op het wetsvoorstel. Het meest voor de hand liggend is de premie-inningskosten om te slaan over de drie fondsen van de resterende volksverzekeringen (AOW, Anw, AWBZ). Het ligt niet in de rede om deze kosten ook over het WAZ-fonds om te slaan. De premie-inning voor de WAZ maakt immers geen deel uit van de gecombineerde heffing, maar is een afzonderlijk traject voor de belastingdienst in de premieheffing. De kosten van deze heffing kunnen door de belastingdienst afzonderlijk worden bepaald. De premie-inningskosten voor de gecombineerde heffing blijven dan alleen toegerekend worden aan de premies volksverzekeringen. Deze lijn is ook gehanteerd bij de verschuiving van de financiering van de Algmene kinderbijslagwet (Akw) van premies naar algemene middelen. De totale uitvoeringskosten van de premie-inning voor de volksverzekeringen ondergaan als gevolg hiervan geen verandering. Deze uitvoeringskosten worden voortaan gedeclareerd bij de drie resterende fondsen, hetgeen voor die fondsen tot een zekere verhoging van kosten leidt.

De invoering van de WAZ brengt voor de belastingdienst uiteraard additioneel uitvoeringskosten met zich mee. De belastingdienst schat de omvang van de uitvoeringskosten als volgt in. De premieheffing-WAZ vergt een aanpassing en uitbreiding van de bestaande automatiseringssystemen van de belastingdienst. Ook zijn kosten verbonden aan het handmatig opbouwen van een bestand van zelfstandigen inclusief winstgegevens en het opbouwen van het bestand van beroepsbeoefenaren. Dit is nodig voor het opleggen van de voorlopige aanslagen voor de WAZ in 1997.

Daarnaast zal de belastingdienst zelfstandigen en beroepsbeoefenaren voorlichten over de invoering van de WAZ en moeten automatiseringskosten worden gemaakt.

Het totaal van de werkzaamheden, verbonden aan het opbouwen van een bestand, vergt naar het oordeel van de belastingdienst aan incidentele uitvoeringskosten f 14 mln. De structurele kosten voor de belastingdienst bedragen jaarlijks naar schatting f 6 mln. Deze kosten zullen jaarlijks op nog nader uit te werken wijze worden afgerekend met het WAZ-fonds.

Met betrekking tot de uitvoering en de implementatie van de WAZ heeft het Tica een aantal opmerkingen gemaakt.

Gelet op de ten opzichte van de AAW beduidend kleinere omvang van de doelgroep vroeg het Tica zich allereerst af waarom uitvoering van de WAZ door de bedrijfsverenigingen en niet door een centraal orgaan geschiedt. Het Tica deed geen suggesties, maar noemde wel een aantal voor- en nadelen van beide mogelijkheden.

Zoals eerder is opgemerkt is wat betreft de uitkeringsverstrekking door de bedrijfsverenigingen aangesloten bij de huidige situatie, waarin de claimbeoordeling en uitkeringsverstrekking van de AAW door de bedrijfsverenigingen wordt uitgevoerd.

Uitvoering door een centraal orgaan zou voor zelfstandigen met personeel kunnen betekenen dat zij als werkgever bij een bedrijfsvereniging zijn aangesloten en als zelfstandige bij een centraal orgaan. Nog afgezien van andere overwegingen acht het kabinet dit geen aantrekkelijke optie.

Naar de opvatting van het Tica ligt het inderdaad voor de hand dat de feitelijke premieberekening en inning bij zelfstandigen plaatsvindt door de belastingdienst. Elders in zijn commentaar gaf het Tica aan dat de invloed van premie-inningskosten op de premiehoogte erg hoog zou kunnen zijn. Uit oogpunt van efficiëntie zou volgens het Tica kunnen worden overwogen de premie-inning niet door de belastingdienst te laten verrichten, maar door een uitvoeringsinstelling. Het Tica achtte duidelijkheid noodzakelijk betreffende de berekening van de premie-inningskosten.

De premieheffing WAZ zal zoveel als mogelijk in de bestaande heffingsprocessen inkomstenbelasting worden geïntegreerd. Zo zullen de voorlopige aanslag WAZ en de voorlopige aanslag inkomstenbelasting in de structurele situatie beide op basis van historische gegevens worden vastgesteld en op hetzelfde tijdstip aan de premieplichtige worden verzonden. De definitieve aanslag voor de WAZ wordt evenals de definitieve aanslag inkomstenbelasting gebaseerd op de aangifte inkomstenbelasting. Ook hierbij zullen de definitieve aanslagen op hetzelfde tijdstip worden toegezonden. Ook de inning van niet-betaalde aanslagen WAZ en inkomstenbelasting loopt waar mogelijk parallel. Hierdoor treden ten aanzien van de uitvoeringskosten belangrijke synergie-voordelen op en wordt een hoge mate van efficiëntie bereikt. Deze effecten zijn niet te bereiken bij een afzonderlijke WAZ-heffing door een andere uitvoeringsinstantie.

Een dergelijke instantie zou aanzienlijke kosten moeten maken om zelf een WAZ-verzekerdenbestand op te bouwen en bij te houden, jaarlijks gegevens over de heffingsgrondslag van de premieplichtigen op te vragen, zelfstandig WAZ-aanslagen vast te stellen en controles in te stellen. Naast extra administratieve lasten voor de zelfstandigen zullen de uitvoeringskosten naar verwachting aanzienlijk hoger liggen dan bij heffing door de belastingdienst.

Het Tica wees er op dat het nu, evenals de bedrijfsvereniging, over onvoldoende gegevens beschikt om het premiepercentage jaarlijks te kunnen vaststellen en om de hoogte van de uitkering te kunnen bepalen. De daartoe benodigde gegevens zullen naar de mening van het Tica bij de fiscus moeten worden opgevraagd.

Ten behoeve van de vast te stellen premiehoogte zal de belastingdienst jaarlijks een zo juist mogelijk beeld geven van de omvang van de premiegrondslag. Hierover zullen nadere afspraken moeten worden gemaakt tussen het Tica en de belastingdienst.

Het Tica achtte verder zowel aan fiscale als aan SV-kant grote systeemaanpassingen noodzakelijk. Het Tica wees erop dat ten behoeve van de invoering moet worden voorzien in informatieverstrekking aan belanghebbenden, instructie aan de uitvoeringskantoren, het inrichten van nieuwe werkprocessen, de opbouw van informatiesystemen en de vaststelling van premies. Het wees ook op het belang om «winst uit onderneming» op te nemen in een geautomatiseerd systeem, de wenselijkheid dat alle gegevens vanuit één centraal punt dan wel een directe verbinding beschikbaar zijn.

Het kabinet is zich ervan bewust dat de door het Tica aangedragen punten aandacht verdienen met het oog op de voorbereiding op en implementatie van de WAZ. Hiervoor is nog intensief overleg en afstemming vereist tussen vertegenwoordigers van het Tica, de bedrijfsverenigingen en de belastingdienst. Het kabinet zal dit afstemmingsoverleg waar mogelijk ondersteunen en stimuleren.

Wat betreft de informatieverstrekking aan – verschillende categorieën –belanghebbenden wees het Tica erop dat de voorlichting niet alleen door de bedrijfsverenigingen kan plaatsvinden, maar dat ook de overheid hierin een actieve taak heeft.

Onderkend wordt dat terzake van de voorlichting aan potentiële belanghebbenden een taak is weggelegd voor de overheid. Anders dan voor de categorie van bestaande uitkeringsgerechtigden zijn potentiële belanghebbenden immers niet bekend bij de bedrijfsvereniging. Het kabinet heeft het uitdrukkelijke voornemen in de behoefte aan voorlichtingsactiviteiten te voorzien door middel van gerichte voorlichtingsactiviteiten.

5. Volumebeheersing

Volumebeheersing richt zich op beperking van de uitkeringsafhankelijkheid en bevordering van deelname aan arbeid, hetzij in loondienst, hetzij als niet-werknemer, bijvoorbeeld als zelfstandige.

In dit verband wordt in de volgende paragrafen ingegaan op:

– de mogelijkheden tot volumebeperking via preventie- en reïntegratiemaatregelen

– invoering van het regresrecht.

5.1. Mogelijkheden tot preventie en reïntegratie

De mogelijkheden voor de bedrijfsvereniging als poortwachter zijn, wat preventiemogelijkheden betreft, beperkt. De verantwoordelijkheid om ziekte en arbeidsongeschiktheid te voorkomen berust bij de verzekerde zelf, terwijl de bedrijfsvereniging in het eerste ziektejaar slechts een beperkte rol heeft.

Evenals thans het geval is, dient de verzekerde zich uiterlijk binnen vijf maanden na aanvang van de ziekte bij de bedrijfsvereniging te melden. Dit stelt de bedrijfsvereniging in staat om zo nodig inspanningen, gericht op revalidatie, te verrichten. Ook kunnen de mogelijkheden tot reïntegratie worden bezien.

Wat betreft de mogelijkheden om de reïntegratie-kansen van betrokkene te bevorderen wordt in dit wetsvoorstel aangesloten bij het huidige instrumentarium. Dit instrumentarium is bijeengebracht in Hoofdstuk III, afdeling 1, 4. Deze paragraaf over reïntegratie-maatregelen omvat onder meer de voorzieningen tot behoud, herstel of bevordering van de arbeidsgeschiktheid die thans deel uitmaken van de AAW. Als voorbeeld kan worden gewezen op de zgn. werkvoorzieningen die de zelfstandige in staat kunnen stellen zijn bedrijf, onder de nodige aanpassingen, te blijven uitoefenen, zodat uitkeringsafhankelijkheid kan worden voorkomen of beperkt. Het is mogelijk dat werkvoorzieningen worden verstrekt, voordat betrokkene arbeidsongeschikt raakt.

Zoals ook aangegeven in de Wet Amber, omvat de bevoegdheid voor de bedrijfsvereniging om een werkvoorziening te verstrekken ook de mogelijkheid om in voorkomende gevallen betrokkene in staat te stellen opnieuw een bedrijf of zelfstandig beroep te beginnen. Voor degene die geen beroep op de reeds bestaande kredietfaciliteit voor startende ondernemers op grond van het Bijstandsbesluit zelfstandigen kan doen, noch langs andere weg de nodige financiële ondersteuning kan krijgen, kunnen op grond van deze wet voorzieningen worden verstrekt. Deze voorzieningen, bestaande uit investeringen van het uitvoeringsorgaan ten behoeve van de start van een bedrijf of zelfstandig beroep, kunnen worden overwogen, indien de arbeid als zelfstandige als de enige of allerbeste mogelijkheid voor iemand zou moeten worden gezien om zijn arbeidsgeschiktheid te verbeteren. Bovendien moet aannemelijk zijn, dat betrokkene ook de capaciteiten bezit als zelfstandige te werken en zich als zodanig te handhaven. Voorts spelen daarbij ook nog aspecten een rol als de hoogte van de investeringen en het «rendement» dat de investeringen aan te verwachten vermindering van de arbeidsongeschiktheid zullen opleveren. Gelet op het grote belang dat aan de reïntegratie moet worden gehecht zal de uitvoerende instanties er op gewezen worden dat deze instrumenten ook daadwerkelijk dienen te worden ingezet in de daarvoor in aanmerking komende gevallen.

Analoog aan de Wet Amber wordt in dit wetsvoorstel een inkomenssuppletie voor oudere zelfstandigen voorgesteld.

De inkomenssuppletie biedt een faciliteit voor gedeeltelijk arbeidsongeschikte zelfstandigen die hun bedrijf voortzetten. Bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid moet sinds de Wet TBA ook rekening worden gehouden met geschiktheid voor functies in loondienst en de daaruit voortvloeiende resterende verdiencapaciteit. In bepaalde gevallen heeft dit tot gevolg dat het voor de belanghebbende niet meer mogelijk is om het eigen bedrijf voort te zetten, omdat het verschil tussen de werkelijke verdiensten in het eigen bedrijf en de theoretische verdiencapaciteit in functies in loondienst voor betrokkene niet is te overbruggen. De inkomenssuppletie biedt de mogelijkheid om dit «gat» tijdelijk te verkleinen. De inkomenssuppletie zal nader worden uitgewerkt in een algemene maatregel van bestuur. De inkomenssuppletie zal maximaal 20% van de theoretische verdiencapaciteit van betrokkene bedragen en in vier jaar worden afgebouwd. De regeling staat open voor zelfstandigen die gedeeltelijk arbeidsongeschikt zijn, hun eigen bedrijf voortzetten en geconfronteerd worden met een verschil tussen de werkelijke verdiensten en de theoretische verdiencapaciteit.

Voorts is in dit wetsvoorstel een garantieregeling voor oudere arbeidsongeschikte WAZ-verzekerden opgenomen. Het is een feit dat de arbeidsmarktpositie van oudere zelfstandigen c.s. zwak is. Het kabinet is van oordeel dat voor deze groep personen een financiële prikkel gewenst is teneinde te bereiken dat zij zich ook in de uitkeringssituatie blijven oriënteren op een herintreding in het arbeidsproces. Dit is de reden dat, analoog aan de voorgestelde regeling voor werknemers in het kader van de Wet Amber, voor deze groep een specifiek op WAZ-verzekerden toegesneden garantieregeling wordt voorgesteld. Deze regeling houdt in dat bij aanvaarding van werkzaamheden als WAZ-verzekerde de grondslag die laatstelijk voor de arbeidsongeschiktheidsuitkering gold, wordt gegarandeerd voor de duur van vijf jaar. Dat betekent dat, indien binnen vijf jaar opnieuw recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontstaat dan wel de uitkering binnen vijf jaar wordt herzien in verband met toegenomen arbeidsongeschiktheid, de nieuwe grondslag niet minder kan bedragen dan de grondslag die laatstelijk gold.

Voor de goede orde wordt ten slotte opgemerkt dat de overige bepalingen tot bevordering van reïntegratie die in het kader van de Wet Amber zijn opgenomen, ook van betekenis kunnen zijn voor WAZ-verzekerden, voor zover zij arbeid in dienstbetrekking gaan verrichten. Hierdoor kunnen zij op grond van de werknemersverzekeringen in aanmerking komen voor de in die wet voorgestelde reïntegratie-instrumenten.

Zoals in de memorie van toelichting van het wetsvoorstel Pemba reeds is aangekondigd zal het totaal aan reïntegratiebevorderende maatregelen overigens worden gebundeld in een Wet op de Reïntegratie.

5.2. Recht van regres op degene die de arbeidsongeschiktheid heeft veroorzaakt

Het regresrecht van de uitvoeringsorganen van de sociale verzekeringen is het recht om de kosten van een door het betrokken orgaan verstrekte uitkering te verhalen op degene die door zijn onrechtmatig handelen er de oorzaak van is dat een persoon een beroep moet doen op een bepaalde sociale verzekeringsuitkering. In het huidige wettelijke systeem bestaat alleen voor de werknemersverzekeringen een regresrecht. In het verleden is er van afgezien om ook voor de volksverzekeringen, zoals de AAW, een regresrecht tot stand te brengen. Het uitgangspunt van de volksverzekeringen was dat zowel het risico dat een verzekerde schade zou lijden was verzekerd, als het risico dat een verzekerde een schade zou veroorzaken welke zou leiden tot een uitkering of verstrekking ingevolge een van de volksverzekeringen.

Consequentie van dit uitgangspunt is dat de kosten van bepaalde maatschappelijke activiteiten, bijvoorbeeld deelname aan het verkeer en de daarmee gepaard gaande onveiligheid, voorzover die leiden tot AAW-uitkeringen voor rekening komen van het collectief. De premies voor de sociale verzekeringen zijn derhalve hoger dan strikt noodzakelijk is, terwijl de premies voor de (al dan niet verplichte) aansprakelijkheidsverzekeringen relatief laag zijn, zeker in vergelijking met de ons omringende landen. Zowel vanuit beleidsmatige overwegingen (degene die schade veroorzaakt dient die ook te vergoeden), als financiële overwegingen acht het kabinet een dergelijke ruime werkingssfeer van de volksverzekeringen niet langer gewenst.

Deze overwegingen hebben geleid tot een adviesaanvraag aan de Raad van State over een wetsvoorstel tot uitbreiding van het regresrecht naar de volksverzekeringen. De Raad van State heeft inmiddels negatief geadviseerd over dit wetsvoorstel, aangezien de Raad wil vasthouden aan het oude uitgangspunt van de volksverzekeringen.

In het kader van het onderhavige wetgevingstraject verliest de AAW als volksverzekering tegen het risico van arbeidsongeschiktheid evenwel haar betekenis. Daarmee bestaat ook geen reden meer om toepassing van het regresrecht in de arbeidsongeschiktheidsregelingen te beperken. De totstandkoming van een afzonderlijke verzekering voor zelfstandigen c.s. is derhalve aanleiding om, analoog aan de WAO, ook in dit wetsvoorstel een regresrecht in te voeren.

Het regresrecht wordt in dit wetsvoorstel geregeld door in hoofdstuk 4 van deze wet bepalingen op te nemen, die de relatie met het burgerlijk recht regelen en waarin aan de bedrijfsvereniging een regresrecht wordt toegekend. Inhoudelijk is de regeling gelijk aan die in de WAO, en de daarop gebaseerde jurisprudentie: de rechter moet bij het vaststellen van de schadevergoeding rekening houden met de aanspraken die de verzekerde krachtens deze wet heeft. Vervolgens kan de bedrijfsvereniging de door haar gemaakte kosten op de schadeplichtige verhalen. Omdat het regresrecht in het verlengde ligt van de schadevergoedingsvordering van het slachtoffer is dit verhaal aan een maximum gebonden. De bedrijfsvereniging kan niet méér verhalen dan het bedrag dat betrokkene zou kunnen vorderen als de betreffende sociale verzekering niet zou hebben bestaan. Dit maximum wordt het civiel plafond genoemd. Hierbij wordt uitgegaan van een netto-schadevergoeding, derhalve zonder heffing van belastingen en premies. Met de invoering van een regresrecht in deze wet is een besparing van naar schatting 15 mln. gemoeid.

Het Tica onderschreef het voornemen om het regresrecht in te voeren in de voorgestelde afzonderlijke regeling voor zelfstandigen. Het benadrukte dat het van groot belang is dat het regresrecht in de praktijk is uit te voeren. Het Tica was van mening dat de bestaande onduidelijkheden omtrent de omvang van het regres van de bedrijfsvereniging niet met de WAZ worden opgelost. Hierdoor stuit de uitoefening van het regresrecht door de bedrijfsverenigingen naar het oordeel van het Tica in de praktijk op zeer grote uitvoeringstechnische problemen.

Met betrekking tot de opmerking van het Tica dat de problemen op het gebied van het regresrecht onvoldoende zijn opgelost wil het kabinet het volgende opmerken.

Het kabinet is van mening dat met de hier getroffen regeling de belangrijkste problemen op het gebied van het regresrecht zijn opgelost. Het regresrecht dat in dit wetsvoorstel is opgenomen komt overeen met dat in de WAO. Het kernprobleem van de uitoefening van het regresrecht in het kader van de huidige WAO is dat de berekening van het regres in een aantal gevallen omstreden is, en de opbrengst in het gunstigste geval gering. Dit wordt in belangrijke mate veroorzaakt door het feit dat in de huidige situatie alleen recht op regres bestaat, voorzover dit uitgaat boven de AAW-verhaalsbodem. Doordat in het kader van de wetsvoorstellen marktwerking de verhaalsbodem, met de AAW, komt te vervallen is de berekening van de omvang van het regesrecht ten principale een stuk eenvoudiger geworden. Regres wordt nu mogelijk vanaf de eerste gulden tot het zogenoemde civiel plafond. De materie wordt voorts verduidelijkt in die zin dat het kabinet als beleidslijn heeft aangegeven, dat in aansluiting op recente jurisprudentie van de Hoge Raad uitgegaan moet worden van een regresrecht op netto-niveau. Dit betekent uiteraard niet dat daarmee ook alle problemen op het gebied van het regresrecht zijn opgelost. Het blijft altijd mogelijk dat bedrijfsvereniging en aansprakelijkheidsverzekeraar van mening verschillen over andere onderdelen van het regres, bijvoorbeeld omtrent de mate van schuld of de voor regres in aanmerking komende uitkeringselementen. Waar het hier gaat over individuele schadeclaims, is het niet eenvoudig daarvoor in algemene termen regels te stellen. Deze zouden dan op zich weer reden kunnen zijn voor nieuwe procedures. In het kader van de versterking van de marktwerking in de sociale verzekeringen lijkt het ook minder gewenst in dit stadium reeds tot gedetailleerde regelgeving over te gaan. Zoals ook reeds bij de behandeling van het wetsvoorstel Anw is aangegeven, gaat de voorkeur van het kabinet er naar uit om op meer algemeen niveau regels te stellen, en verwacht het kabinet dat de hoge kosten van het voeren van procedures voor partijen aanleiding zal zijn tot een collectieve afdoening van regresclaims te komen. In dit verband realiseert het kabinet zich dat ten gevolge van de vele problemen en procedures uit het recente verleden de verhoudingen tussen de uitvoeringsinstellingen en de schadeverzekeraars verstoord zijn. Dit zal moeten veranderen. Met de veel grotere rol die particuliere verzekeraars in de sociale verzekeringen gaan spelen, mag van hen ook verwacht worden dat zij zich ten opzichte van de uitvoeringsinstellingen toeschietelijker opstellen. Ook omgekeerd zullen bedrijfsverenigingen de tegenstellingen niet op de spits moeten drijven. Teneinde één en ander te vergemakkelijken is in dit wetsvoorstel een aanknopingspunt voor collectivering opgenomen. Het is in het belang van beide partijen om tot een regeling over afdoening van regreszaken te komen. Het kabinet gaat er van uit dat partijen daar gezamenlijk uit zullen komen, waarbij het Tica wellicht een bemiddelende rol kan spelen.

6. Handhavingsaspecten

Wat betreft de mogelijkheden voor bedrijfsverenigingen om misbruik en oneigenlijk gebruik van de verzekering tegen te gaan valt te wijzen op de volgende aspecten.

Van groot belang is dat het recht op en de hoogte van de uitkering adequaat kan worden vastgesteld. Daartoe zijn in dit wetsvoorstel, in navolging van de AAW, algemene en specifieke informatieverplichtingen opgenomen voor de belanghebbende. Van belang is voorts dat verstrekte gegevens kunnen worden geverifieerd, met name bij de belastingdienst. Hierin wordt voorzien door de informatieplicht die berust op artikel 97 van de Osv.

In dit wetsvoorstel wordt aangesloten bij de recent ingevoerde maatregelen in het kader van de wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid. Dit betekent dat in het voetspoor van deze wijzigingen ook in dit wetsvoorstel de verplichting voor de bedrijfsvereniging om in bepaalde nader omschreven situaties een maatregel of een boete op te leggen wordt ingevoerd. Onderscheid wordt gemaakt tussen maatregelen en boeten. Een maatregel wordt opgelegd bij overtreding van bepalingen die gericht zijn op beperking van de instroom en op bevordering van de uitstroom. Het kan niet worden geaccepteerd dat betrokkene een beroep doet op de uitkering of dat de uitkering langer voortduurt dan feitelijk noodzakelijk is. Ook bij overtreding van de controlevoorschriften wordt een maatregel opgelegd.

De boete wordt geïntroduceerd voor de gevallen waarin de belanghebbende zijn rechtsplicht tot het verstrekken van alle inlichtingen die van belang kunnen zijn voor het recht op uitkering of de hoogte daarvan niet of niet behoorlijk is nagekomen. Deze plicht bestaat uit het naar waarheid beantwoorden van mondeling of schriftelijk gestelde vragen en het uit eigen beweging of desgevraagd verstrekken van correcte en relevante informatie.

Verder wordt voorgesteld om de uitvoeringsorganen een verplichting tot het sanctioneren op te leggen. Ook worden enige voorstellen gedaan met betrekking tot de herziening van de uitkering en de terugvordering van ten onrechte betaalde uitkering.

De administratieve boete die ingeval van misbruik wordt opgelegd komt bovenop de terugbetalingsverplichting.

De administratieve boete moet als een criminal charge worden aangemerkt in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Dat betekent dat in elk geval de administratieve boete voor volledige toetsing vatbaar is door een rechterlijke instantie die voldoet aan artikel 6, eerste lid, van het EVRM, dat wil zeggen een eerlijke en openbare behandeling binnen een redelijke termijn door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie die bij wet is ingesteld. De geldende rechtsgang voldoet zonder meer aan deze eisen. Daarnaast dient in de bestuurlijke fase aan een aantal eisen voldaan te worden. In de voorgestelde regeling zijn daarom bepalingen opgenomen met betrekking tot het zwijgrecht van degene aan wie een boete wordt opgelegd, de plicht van de bedrijfsvereniging om betrokkene te wijzen op het zwijgrecht in mondelinge verhoorsituaties, tolkenhulp en een ruimere hoorplicht dan op grond van de Algemene wet bestuursrecht nodig is.

Op de specifieke elementen van het in navolging van de wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid voorgestelde boetesysteem wordt ingegaan in de artikelsgewijze toelichting.

7. Overige onderwerpen

7.1. Rechtsbescherming

Met betrekking tot de rechtsbescherming dient onderscheid te worden gemaakt tussen het fiscaal en het sociaal verzekeringsrechtelijke traject.

Het fiscale traject heeft betrekking op de premieheffing en -inning en voorziet in een verplichte bezwaarschriftprocedure alvorens beroep kan worden ingesteld bij één van de belastingkamers van de gerechtshoven.

Het sociaal verzekeringsrechtelijke traject ziet met name toe op de claimbeoordeling en de verstrekking van voorzieningen. Overeenkomstig de voorschriften van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient in deze geschillen eerst een verplichte bezwaarschriftprocedure te worden ingesteld alvorens een beroep kan worden gedaan op de administratieve rechter.

In de huidige arbeidsongeschiktheidswetten geldt thans maar voor een beperkt aantal geschillen de verplichte bezwaarschriftprocedure. Het gaat hierbij om beschikkingen inzake het verzekerd zijn, de verschuldigde premie en voorzieningen. Voor de overige beschikkingen is ingevolge artikel IV, deel 6 Overgangs- en slotbepalingen van de Wet voltooiing eerste fase herziening rechterlijke organisatie de invoering van de verplichte bezwaarschriftprocedure uitgesteld tot 1 januari 1997.

Aangezien de beoogde datum van inwerkingtreding van deze wet samenvalt met de datum waarop de verplichte bezwaarschriftprocedure integraal in de arbeidsongeschiktheidswetten dient te worden ingevoerd, is het niet noodzakelijk in dit wetsvoorstel bij de thans bestaande, van de Awb afwijkende regeling aan te sluiten.

Omdat zowel in het fiscale als het sociaal verzekeringsrechtelijke traject geschillen kunnen voorkomen over bepalingen inzake de verzekeringsplicht, is voor die gevallen voorzien in de mogelijkheid van het instellen van cassatie. Hiermee wordt voorkomen – het Tica verwees hiernaar in zijn advies – dat tussen de administratieve rechter en de belastingkamers verschillen in uitleg van de betreffende bepalingen zal ontstaan.

7.2. Informatievoorziening

In het voorafgaande is aangegeven welke organen betrokken zijn bij de uitvoering van deze wet. Om hun taken en bevoegdheden adequaat te kunnen uitoefenen hebben zij informatie nodig. De benodigde informatievoorziening valt uiteen in drie onderdelen:

a. informatieverplichtingen voor verzekerden

b. gegevensuitwisseling tussen bestuursorganen (met name belastingdienst en bedrijfsverenigingen)

c. beleids- en toezichtsinformatie.

In het algemeen geldt dat de informatievoorziening in het kader van de WAZ aansluit bij de huidige situatie.

a. Informatieverplichtingen verzekerden

Ter zake van de premieheffing en -inning dient de verzekerde aan de belastingdienst tijdig inzicht te verschaffen ter vaststelling van de premieplicht en in het behaalde c.q. verwachte verzekerde inkomen. Op basis van de behaalde winst kan de definitief verschuldigde premiehoogte worden vastgesteld; op basis van een schatting van het verzekerde inkomen kan een voorlopige aanslag van te betalen premie worden opgelegd.

Wat betreft de vaststelling van recht en hoogte van die uitkering dient de verzekerde alle relevante informatie aan de bedrijfsvereniging te verstrekken. Vastgesteld moet onder meer worden of betrokkene voor deze wet is verzekerd, of sprake is van arbeidsongeschiktheid, of de wachttijd van 52 weken is verstreken, of in het refertejaar arbeid is verricht, gericht op het behalen van verzekerd inkomen, wat het behaalde inkomen is geweest, e.d. Hiervoor zijn verschillende gegevens noodzakelijk. Op de verzekerden rust de plicht om aan de bedrijfsvereniging alle gegevens en inlichtingen te verschaffen die nodig zijn voor een correcte vaststelling van het recht op en de hoogte van een (eventuele) uitkering. Deze verplichting is in algemene zin geformuleerd in artikel 91 van de Osv. Daarnaast zijn in de WAZ algemene en specifieke inlichtingen- en medewerkingsverplichtingen opgenomen.

Wat betreft het recht op uitkering in verband met bevalling dient de belanghebbende zich tijdig bij de bedrijfsvereniging te melden en een verklaring van een arts of verloskundige over de vermoedelijke bevallingsdatum te overleggen.

De voorgestelde aanpak brengt met zich dat, evenals nu het geval is, de verzekerde zowel gegevens aan de belastingdienst dient te verstrekken als aan de bedrijfsvereniging, dit laatste uiteraard alleen voor zover betrokkene aanspraak maakt op een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Bij een aanvraag om uitkering zullen in principe dezelfde gegevens moeten worden overlegd die ook reeds voor de belastingaangifte zijn gebruikt. Als er een definitieve aanslag is vastgesteld kan deze aanslag worden gebruikt. Uitgangspunt is dat de bedrijfsverenigingen de noodzakelijke inkomensgegevens opvraagt bij de personen die een uitkering aanvragen. Dit laat onverlet dat ten behoeve van de verificatie van deze informatie de gegevens van de belastingdienst gebruikt zullen worden. Hierop zal in het vervolg nog verder worden ingegaan.

Op de verzekerde rust geen verplichting om zich bij de bedrijfsvereniging te melden als verzekerde. Van een dergelijke meldingsplicht is afgezien omdat deze extra administratieve lasten voor zowel de zelfstandige ondernemers – de hoofdgroep van de regeling – als de uitvoeringsorganisaties met zich mee brengt, terwijl een afzonderlijke «verzekerdenadministratie» voor WAZ-verzekerden een geringe toegevoegde waarde heeft. Het kabinet meent dat het de voorkeur geniet om de belastingdienst als de authentieke, primaire bron voor gegevens over zelfstandige ondernemers aan te wijzen. Voorwaarden hiervoor zijn wel dat de gegevensverzamelingen van de belastingdienst betrouwbaar en actueel zijn en dat de benodigde gegevens op een efficiënte wijze voor de bedrijfsverenigingen beschikbaar zijn. De gegevensverzameling van belastingdienst voldoet in principe aan de eerste voorwaarden. Alle bestaande ondernemingen zijn reeds bij de belastingdienst bekend op grond van eerdere belastingaangiften, en er kan vanuit worden gegaan dat startende ondernemers zich tijdig bij de belastingdienst kenbaar zullen maken in verband met de fiscale voordelen die hieraan verbonden zijn. Dit betekent dat ook zonder verplichte melding de belastingdienst beschikt over een redelijk betrouwbaar en actueel overzicht van zelfstandige ondernemers. Indien mocht blijken dat de betrouwbaarheid en de actualiteit van de gegevens onvoldoende is voor een rechtmatige en doelmatige uitvoering van de WAZ, zal bekeken worden of aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn. Wat betreft de tweede voorwaarde zij verwezen naar het volgende onderdeel van deze paragraaf.

Het Tica merkte op dat de inkomensgegevens die nodig zijn voor het vaststellen van de uitkering niet als zodanig beschikbaar zijn bij de bedrijfsverenigingen. Deze gegevens zullen hetzij opgevraagd moeten worden bij de verzekerden zelf dan wel opgevraagd of geverifieerd moeten worden bij de belastingdienst.

Ook in de huidige situatie dienen inkomensgegevens bij de verzekerde of de belastingdienst te worden opgevraagd dan wel geverifieerd. In die zin stelt de introductie van de WAZ bedrijfsverenigingen niet voor een volslagen nieuwe situatie. Wel moet worden erkend dat de voorgestelde mogelijkheid van middeling van inkomens over de laatste drie jaar de omvang van de benodigde inkomensgegevens doet toenemen. Hetzelfde geldt voor het voorstel om voortaan steeds uit te gaan van het gederfde inkomen, met als maximum het minimumloon. Beide voorstellen zijn overgenomen uit het eerder bij de Tweede Kamer ingediende wetsvoorstel tot nadere wijziging van de AAW. In de huidige situatie kan nog een AAW-uitkering worden verstrekt, die is gerelateerd aan het minimumloon en losstaat van het winstinkomen. In dergelijke gevallen moet thans uiteraard wel worden vastgesteld dat sprake is van een voltijdwerkende zelfstandige, hetgeen uitvoeringstechnisch ook de nodige werkzaamheden met zich meebrengt.

Uit het voorgaande kan de conclusie worden getrokken dat inderdaad sprake zal zijn van een toename van benodigde inkomensgegevens. Het kabinet onderschrijft de mening van het Tica dat de benodigde gegevens op een zo efficiënt mogelijke wijze beschikbaar moet zullen zijn. In het volgen de onderdeel zal hierop worden ingegaan.

b. Gegevensuitwisseling tussen bestuursorganen

Het beleid van het kabinet is er op gericht om door middel van gegevensuitwisseling tussen bestuursorganen te bewerkstelligen dat sociale verzekeringen en voorzieningen rechtmatige en doelmatig kunnen worden uitgevoerd. Met het oog hierop zijn in verschillende sociale zekerheidswetten bepalingen opgenomen die bestuursorganen verplichten dan wel de bevoegdheid geven desgevraagd gegevens aan elkaar en aan derden te verstrekken.

Deze bepalingen zijn onverkort van toepassing op de in het kader van de WAZ noodzakelijke gegevensverstrekkingen tussen bestuursorganen. Concreet gaat het hierbij om de volgende gegevensstromen:

– de belastingdienst is op grond van artikel 97 Osv verplicht om de bedrijfsverenigingen en uitvoeringsinstellingen alle gegevens te verschaffen die zij nodig hebben voor de uitvoering van de wet;

– de bedrijfsverenigingen en uitvoeringsinstellingen zijn verplicht om de belastingdienst alle noodzakelijke gegevens te verstrekken krachtens de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 103 Osv;

– in dezelfde algemene maatregel van bestuur is ook vastgelegd aan welke andere organen de bedrijfsverenigingen en uitvoeringsinstellingen gegevens mogen dan wel moeten verstrekken.

Het Tica wees erop dat de belastingdienst op grond van artikel 97 Osv verplicht is de bedrijfsverenigingen en uitvoeringsinstellingen alle gegevens te verschaffen die zij nodig hebben voor uitvoering van deze wet, maar dat de wijze waarop dit moet geschieden niet is vastgelegd. Vanuit doelmatigheidsoverwegingen achtte het Tica het gewenst dat alle gegevens vanuit één centraal punt of één directe verbinding beschikbaar zijn.

Het kabinet is met het Tica van mening dat een efficiënte en effectieve opzet van de gegevensuitwisseling tussen de belastingdienst en de bedrijfsverenigingen onontbeerlijk is. Zoals hiervoor is aangegeven maken de bedrijfsverenigingen bij de uitvoering van de WAZ in belangrijke mate gebruik van gegevens die de belastingdienst over zelfstandig ondernemers verzamelt en beheert. In principe gaat het kabinet ervan uit dat de betrokken organisaties zelf verantwoordelijk zijn voor het bepalen van de wijze waarop de informatie-uitwisseling dient plaats te vinden. Wel moet in acht worden genomen, dat het beleid van het kabinet er nadrukkelijk op gericht is om de gegevensuitwisseling tussen bestuursorganen zoveel mogelijk langs elektronische weg te laten verlopen. Uitgangspunt hierbij is het zogeheten RINIS-concept. RINIS (=Routeringsinstituut voor (Inter)-nationale informatiestromen) is naar de mening van het kabinet een noodzakelijke voorwaarde om te komen tot een efficiënte en doeltreffende elektronische gegevensuitwisseling, niet alleen tussen de belastingdienst en de bedrijfsverenigingen maar in het algemeen tussen bestuursorganen. In het afstemmingsoverleg tussen het Tica, bedrijfsverenigingen en de belastingdienst zullen, in lijn met het kabinetsbeleid, afspraken moeten worden gemaakt over de gegevensuitwisseling in het kader van de WAZ.

c. Beleids- en toezichtsinformatie

Van belang zijn voorts de noodzakelijke informatiestromen vanuit de uitvoeringsorganisaties in de richting van het Tica, de toezichthouder en de centrale overheid. Ook hierbij geldt dat de uitvoeringsorganisaties op grond van de bestaande regelingen reeds verplicht zijn om de benodigde informatie te leveren.

Het Tica is verantwoordelijk voor het vaststellen van het premiepercentage en voor het beheer en de administratie van het WAZ-fonds. Om deze taken adequaat te kunnen uitvoeren zal het Tica informatie moeten verkrijgen van zowel de bedrijfsverenigingen als de belastingdienst.

De belastingdienst zal het Tica inzicht moeten geven in de omvang van de verzekerdenpopulatie en de hoogte van de verzekerde winstsom. Tevens zullen er gegevens over de uitvoeringskosten moeten worden geleverd. De informatie die het Tica van de bedrijfsverenigingen nodig heeft, betreft voornamelijk het aantal verstrekte uitkeringen, de uitkeringslasten en de uitvoeringskosten per bedrijfsvereniging.

Het Ctsv is belast met het toezicht op de uitvoering van de WAZ. In verband hiermee heeft het Ctsv volume- en financiële gegevens nodig over zowel de premieheffing als de uitkeringsverstrekking. Daarnaast zullen de bedrijfsverenigingen en de belastingdienst informatie dienen te verstrekken over de wijze waarop de WAZ wordt uitgevoerd. Belangrijke onderwerpen hierbij zijn handhaving en de volumebeheersing door bedrijfsverenigingen. Het Ctsv houdt ook toezicht op de doelmatigheid van de uitvoering. Hiervoor heeft het College informatie nodig met betrekking tot de uitvoeringskosten van de bedrijfsverenigingen en de belastingdienst.

De centrale overheid heeft informatie nodig om haar beleid te kunnen ontwikkelen en evalueren. De informatiebehoeften van de overheid betreffen in principe alle aspecten van de WAZ. In de huidige situatie is het Ctsv belast met de informatietaak op het terrein van de sociale verzekeringen en verkrijgt de overheid de benodigde beleidsinformatie over de distribuerende kanten van de WAZ primair via het Ctsv. De beleidsinformatie over premieheffing en -inning is afkomstig van de belastingdienst.

In het kader van het wetsvoorstel post-nOsv zal worden voorgesteld om de informatietaak van het Ctsv over te hevelen naar de rechtsopvolger van het Tica. Deze wordt dan verantwoordelijk voor het verzamelen en beschikbaar stellen van beleidsinformatie over de uitvoering van (onder andere) de WAZ. De consequenties van deze verandering zullen in het invoeringstraject van het wetsvoorstel post-nOsv worden meegenomen.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Artikel 1. Algemene begrippen

In dit artikel worden enkele begrippen die in deze wet nog vaker terugkomen, omschreven.

Artikel 2. Begrip arbeidsongeschiktheid

Wat de omschrijving van het begrip arbeidsongeschiktheid betreft is in het algemeen gedeelte van deze memorie reeds aangegeven dat het de bedoeling is om geen wijziging aan te brengen op dit punt. Daarom is het arbeidsongeschiktheidscriterium, zoals dat reeds in de AAW gold, qua strekking niet aangepast.

Het arbeidsongeschiktheidsbegrip is een van de centrale begrippen uit dit wetsvoorstel. Aan de hand van de vraag of en zo ja in welke mate de verzekerde als arbeidsongeschikt is aan te merken, wordt bepaald welk recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering bestaat en hoe hoog de aanspraken van de verzekerde zijn. In het arbeidsongeschiktheidscriterium, zoals dat onder andere in artikel 5 van de AAW is neergelegd, wordt arbeidsongeschiktheid, geheel of gedeeltelijk, geformuleerd als het «als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken geheel of gedeeltelijk niet in staat zijn om met arbeid te verdienen, hetgeen gezonde personen, met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan met arbeid gewoonlijk verdienen» (artikel 5, eerste lid). Deze zinsnede is opgenomen bij gelegenheid van de Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen (TBA). In het achtste lid van artikel 5 worden zwangerschap en bevalling met ziekte gelijkgesteld.

In verband met de opname in dit wetsvoorstel van dit arbeidsongeschiktheidscriterium behoeft dat laatste onderdeel nadere aandacht, aangezien ten opzichte van het AAW-criterium een tekstuele wijziging heeft plaatsgevonden.

De gelijkstelling van zwangerschap en bevalling met ziekte spoort niet met het gangbare spraakgebruik en handhaving daarvan is bovendien voor de toepassing van de relevante wetsbepaling niet nodig. Het niet handhaven van de gelijkstelling komt voorts overeen met de in de Wet uitbreiding loondoorbetalingsplicht bij ziekte (Wulbz) opgenomen bepaling, strekkend tot schrappen van de gelijkstelling. Het is evenwel geenszins de bedoeling om een persoon die als gevolg van zwangerschap of bevalling arbeidsongeschikt is uit te sluiten van WAZ-uitkering. Daarom is in het eerste en tweede lid «ziekte of gebreken» aangevuld met «zwangerschap of bevalling». Daarmee wordt bereikt dat de vrouwelijke verzekerde die als gevolg van zwangerschap of bevalling arbeidsongeschikt is geworden, onder gelijke voorwaarden als verzekerden die als gevolg van ziekte of gebreken arbeidsongeschikt zijn geworden, in aanmerking komt voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering.

De betekenis van het tweede en derde lid kan als volgt worden toegelicht. Als er bij aanvang van de verzekering sprake is van bijvoorbeeld 50% arbeidsongeschiktheid en de verzekerde werkt 19 uur per week dan wordt op grond van het tweede lid bij de bepaling van het zogenoemde maatmaninkomen (soortgelijke persoon) en de resterende verdiencapaciteit uitgegaan van 19 uur per week. Indien na verloop van tijd de arbeidsgezondheidskundige toestand van deze verzekerde verbetert en hij meer uren, bijvoorbeeld 30, per week kan werken, zal de verzekerde naar zijn verminderde arbeidsongeschiktheid worden beoordeeld. Zijn arbeidsongeschiktheidspercentage vermindert dan, uitgaande van de oorspronkelijke gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid. Dat vloeit voort uit het derde lid. Neemt daarna de arbeidsongeschiktheid weer toe, bijvoorbeeld tot 30 uur, dan wordt bij de maatman en de resterende verdiencapaciteit niet uitgegaan van 20 uur maar van 30 uur per week.

Het vierde lid van het overeenkomstige artikel 5 van de AAW is in dit artikel niet overgenomen, aangezien voor deze wet dat lid betekenis mist.

Ten aanzien van het vierde lid van dit artikel kan worden opgemerkt dat alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is moet worden betrokken bij de vraag of en zo ja, in welke mate de verzekerde arbeidsongeschikt is. Dat betekent dat bij de toepassing van het arbeidsongeschiktheidscriterium uitsluitend relevant is wat de verzekerde nog kan doen en niet wat hij vroeger gekund en gedaan heeft. Bij de vraag wat de verzekerde nog aan arbeid kan verrichten is van belang de arbeid waartoe de verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Dat de arbeid op iemands krachten moet zijn berekend, betekent dat de belasting van de betrokken arbeid de belastbaarheid van de persoon niet te boven mag gaan. De bekwaamheden zien op de functie-eisen, zoals opleiding, ervaring en vaardigheden die voor de betrokken arbeid nodig zijn. Voor zelfstandigen betekent deze omschrijving van het begrip arbeid dat bij de vaststelling van de arbeidsongeschiktheid niet alleen wordt gekeken naar arbeid als zelfstandige, maar ook naar functies in loondienst. Zoals in paragraaf 4.4 van het algemeen deel van deze toelichting reeds naar voren is gebracht wordt echter bij de vaststelling van het maatmaninkomen alleen gekeken naar de inkomsten die als verzekerde zijn genoten en niet naar eventuele werkzaamheden die betrokkene niet als verzekerde heeft verricht. De uitkeringsgrondslag wordt dan uitsluitend gerelateerd aan het winstinkomen en niet meer aan overig inkomen uit of in verband met arbeid.

In het geval arbeidsongeschiktheid ontstaat uit één werkzaamheid als verzekerde kan de mate van die arbeidsongeschiktheid zonder meer worden bepaald op basis van het verschil tussen het maatmaninkomen en de resterende verdiencapaciteit. Anders is dat wanneer ter zake van meer dan een werkzaamheid arbeidsongeschiktheid ontstaat. Te denken valt daarbij onder meer aan het tezelfdertijd intreden van arbeidsongeschiktheid uit arbeid als zelfstandige en als werknemer of een volgtijdelijke samenloop van een recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van deze wet en een ontstaan van een recht op WAO-uitkering. Het berekenen van de resterende verdiencapaciteit zou in zo'n geval niet rechtvaardig kunnen uitwerken indien deze volledig zou worden afgemeten aan zowel de arbeid als zelfstandige als de arbeid als werknemer. Voor situaties als deze dienen afwijkende regels te kunnen worden gesteld met betrekking tot de mate van arbeidsongeschiktheid en met name de toerekening van de resterende verdiencapaciteit. Het negende lid voorziet daarin.

Artikel 3. De verzekerde

Met dit artikel wordt de kring van verzekerden afgebakend. Met betrekking tot die kring wordt, wat de zelfstandigen betreft, grotendeels aangesloten bij de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (Wet IB). In artikel 4 wordt verder uitgewerkt wie als zelfstandige wordt aangemerkt. De tweede categorie verzekerden – nader uitgewerkt in artikel 5 – wordt gevormd door de beroepsbeoefenaren, zijnde personen die anders dan uit hoofde van een dienstbetrekking in de zin van de WAO inkomen uit tegenwoordige arbeid verwerven als bedoeld in de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (Wet IB). De derde categorie verzekerden wordt gevormd door meewerkende echtgenoten. Dat zijn die personen die echtgenoot of partner zijn van een zelfstandige en in diens bedrijf arbeidsinbreng leveren. In artikel 6 wordt het begrip meewerkende echtgenoot nader uitgewerkt.

Tevens zijn verzekerd degenen die niet meer als verzekerde werkzaam zijn. Het gaat daarbij allereerst om diegenen die geen arbeid meer verrichten, wegens ontstane arbeidsongeschiktheid. Dat zijn de personen die arbeidsongeschikt zijn geworden en uit dien hoofde hun werkzaamheden niet meer (geheel) verrichten, maar nog geen recht op uitkering hebben in verband met het feit dat zij niet eerder dan na 52 weken arbeidsongeschiktheid een uitkering kunnen krijgen. Daarnaast bestaat de mogelijkheid dat de verzekerde na de wachttijd van 52 weken geen recht op uitkering heeft, omdat hij op dat moment niet arbeidsongeschikt is. Artikel 7, vijfde lid, bepaalt dat in dat geval toch recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering ontstaat, indien betrokkene binnen vier weken na afloop van de wachttijd alsnog arbeidsongeschikt is. Gedurende het tijdvak van die vier weken moet, als betrokkene geen arbeid verricht, toch worden bepaald dat deze persoon als verzekerde wordt aangemerkt. Daarin voorziet het tweede lid, onderdeel b. Artikel 20 geeft nog een ruimere termijn, waarbinnen een uitkering kan worden toegekend, na een aanvankelijke intrekking of niet-toekenning. Ook de persoon die op grond van dat artikel recht heeft op heropening of toekenning van uitkering wordt als verzekerde aangemerkt. Een en ander is geregeld in het tweede lid, onderdeel d en e. Een volgende categorie personen die verzekerd is wordt gevormd door de personen die recht hebben op een arbeidsongeschiktheidsuitkering (tweede lid, onderdeel c). Hierbij kan worden opgemerkt dat het niet van belang is of ook daadwerkelijk uitkering wordt ontvangen. Het kan zijn dat een uitkering niet tot uitbetaling komt omdat de bedrijfsvereniging bijvoorbeeld een sanctie oplegt of de uitkering niet wordt betaald, omdat inkomsten worden genoten die in mindering worden gebracht op de uitkering (zie artikel 57, eerste lid, onderdeel a). Ook personen die recht hebben op een bevallingsuitkering op grond van deze wet zijn verzekerd. Het is van belang om te bepalen dat genoemde groepen personen ook als verzekerd worden aangemerkt. Aan het verzekerd zijn is namelijk een aantal rechten en verplichtingen gekoppeld, zoals een recht op verhoging van de uitkering in verband met toegenomen arbeidsongeschiktheid, de mogelijkheid om in aanmerking te komen voor een werkvoorziening en een verplichting tot naleving van bepaalde door de bedrijfsvereniging gestelde voorschriften.

Voor alle duidelijkheid kan met betrekking tot dit artikel nog worden opgemerkt dat het niet zo is dat iemand ofwel verzekerd is op basis van het eerste lid, ofwel op basis van het tweede lid. Het verzekerd zijn op basis van het eerste lid sluit het verzekerd zijn op basis van het tweede lid niet uit. Andersom geldt dat evenzeer. Het is mogelijk dat een persoon recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering en daarnaast verzekerde werkzaamheden verricht. Alsdan is hij als uitkeringsgerechtigde verzekerd op grond van het tweede lid en wat zijn werkzaamheden betreft op grond van het eerste lid.

In het derde lid is – net als bij de overige sociale verzekeringswetten – de mogelijkheid opgenomen om bij algemene maatregel van bestuur de kring van verzekerden uit te breiden dan wel te beperken.

Artikel 4. Zelfstandige

In dit artikel wordt het begrip «zelfstandige» nader uitgewerkt. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de persoon die in Nederland woont en degene die niet in Nederland woont, maar wel in Nederland een bedrijf of beroep uitoefent. In het eerste lid, onderdeel a, wordt aangesloten bij het ondernemersbegrip voor de binnenlandse belastingplicht. Het gaat om de persoon die in Nederland woont en die winst geniet als bedoeld in Hoofdstuk II, afdeling 2, Wet IB. Winst kan zowel positief als negatief (verlies) zijn.

Voor de zelfstandige die niet in Nederland woont, maar wel zijn onderneming in Nederland drijft, verwijst artikel 4, eerste lid, onderdeel b, naar artikel 49, eerste lid, onderdeel a, van de Wet IB. Dat artikel betreft hetgeen een in Nederland wonende persoon geniet als winst uit binnenlandse onderneming, zijnde het bedrag aan gezamenlijke voordelen die worden verkregen uit een onderneming die, of een gedeelte van een onderneming dat wordt gedreven door een in Nederland aanwezige vaste inrichting of vaste vertegenwoordiger. Door verwijzing naar artikel 48, vierde lid, worden de bepalingen over winst uit onderneming als bedoeld in hoofdstuk II, afdeling 2, Wet IB van overeenkomstige toepassing verklaard.

Voorgaande omschrijving van het begrip zelfstandige impliceert dat een onderneming die in handen is van een rechtspersoon, zoals een naamloze vennootschap of een besloten vennootschap, niet wordt aangemerkt als onderneming, door een natuurlijk persoon gedreven. Verder geldt de verzekeringsplicht alleen de zelfstandige, jonger dan 65 jaar. Deze grens sluit aan bij wat binnen de sociale verzekeringen gebruikelijk is.

Artikel 5

De tweede categorie verzekerden – de beroepsbeoefenaren – zijn personen die anders dan uit hoofde van een dienstbetrekking in de zin van de WAO inkomen uit tegenwoordige arbeid verwerven als bedoeld in de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (Wet IB). Het betreft hier onder meer alpha-hulpen, ander huishoudelijk personeel werkzaam op minder dan drie dagen per week, geestelijken en meewerkende echtgenoten van zelfstandigen die wel een arbeidsbeloning ontvangen.

Artikel 6. Meewerkende echtgenoot

De groep meewerkende echtgenoten bestaat uit de echtgenoten of de ongehuwde partners die – anders dan in dienstbetrekking, als zelfstandige of als beroepsbeoefenaar – meewerken in het bedrijf of beroep van hun echtgenoot of levenspartner. Een situatie waarin geen arbeidsbeloning wordt ontvangen kan zich bijvoorbeeld voordoen wanneer de zelfstandige ten aanzien van de arbeidsinbreng van zijn echtgenoot fiscale meewerkaftrek in de zin van artikel 44n van de Wet IB geniet.

Evenals ten aanzien van de zelfstandige geldt dat de meewerkende echtgenoot en de daarmee gelijkgestelde persoon jonger dan 65 jaar moet zijn.

De in het tweede lid neergelegde uitzondering «tenzij het personen betreft tussen wie bloedverwantschap in de eerste graad bestaat» vloeit voort uit het voorstel tot wijziging van de Algemene Ouderdomswet en een aantal andere wetten, waarin de desbetreffende bepaling van het partnerbegrip op overeenkomstige wijze gestalte is gegeven. De overweging om de uitzondering voor bloedverwanten in de eerste of weede graad, te vervangen door een uitzondering alleen voor bloedverwanten in de eerste graad, is in dat voorstel nader toegelicht.

Artikel 7. Het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering

In dit artikel wordt het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering geregeld, een recht dat uitsluitend kan ontstaan als de betrokkene op het moment waarop zijn arbeidsongeschiktheid intrad verzekerd was. Van belang is hierbij op te merken dat niet gedurende de volledige 52 weken voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid arbeid als verzekerde hoeft te zijn verricht. Het kan bijvoorbeeld zo zijn dat iemand gedurende een aantal jaren als werknemer werkzaam is geweest en vervolgens als zelfstandige aan de slag is gegaan. Mocht deze persoon na een aantal maanden arbeidsongeschikt raken, dan verhindert het eerste lid van dit artikel het ontstaan van een recht op uitkering op grond van deze wet niet. Met het oog daarop is in het eerste lid in ruime zin aangegeven dat arbeid in het bedrijfs- of beroepsleven moet zijn verricht, gericht op het verwerven van winst of inkomsten.

Wat het tijdstip van ingang van het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering betreft is goeddeels aangesloten bij hetgeen de AAW reeds regelde. Er bestaat een wachttijd van 52 weken, waarbij perioden van arbeidsongeschiktheid die elkaar met onderbreking van minder dan vier weken opvolgen, worden bijeengeteld. De arbeidsongeschiktheid moet ook na ommekomst van het tijdvak van 52 weken voortduren. Arbeidsongeschiktheid van de verzekerde, die bestaat voordat hij 17 jaar is geworden, wordt eveneens meegeteld. Een recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering kan dus eerder ingaan dan het moment waarop de verzekerde 18 jaar wordt. Ten aanzien van de vrouwelijke verzekerde die recht heeft op uitkering in verband met bevalling gedurende ten minste 16 weken is in het vierde lid van dit artikel geregeld dat die periode meetelt voor de wachttijd van 52 weken.

Als na ommekomst van de wachttijd blijkt dat de verzekerde op dat moment niet arbeidsongeschikt is komt hij toch in aanmerking voor arbeidsongeschiktheidsuitkering, als hij binnen vier weken weer arbeidsongeschikt is. Het gaat hierbij om vier onafgebroken weken. Wanneer niet binnen vier weken arbeidsongeschiktheid intreedt, gaat bij daarna intredende arbeidsongeschiktheid een nieuwe wachttijd van 52 weken in. Op grond van het zesde lid wordt arbeidsongeschiktheid van minder dan 25% niet aangemerkt als arbeidsongeschiktheid in de zin van deze wet.

Artikel 8. Grondslag van de uitkering

Ten aanzien van de hoogte van de uitkering is voor een belangrijk deel aangesloten bij de regeling zoals deze is voorgesteld in het wetsvoorstel tot wijziging van de AAW (Kamerstukken II, 1992–1993, 22 968). Uitgegaan wordt van het beginsel van feitelijke inkomstenderving, waarbij een maximumgrens is aangelegd, waarover uitkering kan worden vertrekt. De uitkering wordt gerelateerd aan de inkomsten die als verzekerde feitelijk zijn verworven in het boek- of kalenderjaar voorafgaande aan het intreden van de arbeidsongeschiktheid. Als middeling van de inkomsten over de laatste drie boek- of kalenderjaren voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid leidt tot een hoger bedrag aan inkomsten per jaar wordt dat hogere bedrag als uitkeringsgrondslag gehanteerd. Bij algemene maatregel van bestuur (AMvB) op basis van het tiende lid zullen overigens nog nadere regels worden gesteld omtrent winst en inkomsten, waarbij bepaalde inkomstenbronnen onder het winst- of inkomstenbegrip vallen dan wel daarvan worden uitgesloten, alsmede over de periode waarover de uitkeringsgrondslag berekend moet worden.

Ten aanzien van meewerkende echtgenoten, bij wie geen sprake is van direct aanwijsbare inkomsten, zal aan de hand van nadere regels moeten worden bepaald wat de inkomsten van deze verzekerde zijn geweest. Deze vaststelling kan bijvoorbeeld, als ten aanzien van de arbeidsinbreng fiscale meewerkaftrek wordt genoten, plaats vinden aan de hand van de hoogte van de door de zelfstandige opgevoerde meewerkaftrek. Deze meewerkaftrek is namelijk afhankelijk van het aantal uren arbeidsinbreng van de echtgenoot en voorts gerelateerd aan de winst die de zelfstandige behaalt. Verder zal bij de vaststelling van de inkomsten van de meewerkende echtgenoot een vergelijking met het loon dat een werknemer met dit werk over dat aantal uren verdient, kunnen worden gemaakt. Daarmee kan tot een reële grondslagvaststelling voor meewerkende echtgenoten worden gekomen. De nadere regelgeving met betrekking tot inkomsten van de meewerkende echtgenoot zal plaatsvinden in genoemde AMvB op grond van het tiende lid.

De grondslag bedraagt maximaal het minimumloon. Op grond van het zevende lid wordt daaronder verstaan het minimumloon per maand dat voor de betrokkene geldt uit hoofde van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, gedeeld door 21,75.

Artikel 9. Percentage arbeidsongeschiktheidsuitkering

De hoogte van de uitkering is niet alleen afhankelijk van de grondslag, maar tevens van de mate van arbeidsongeschiktheid. Deze wet kent, evenals de AAW, zes arbeidsongeschiktheidsklassen. Tot 25% arbeidsongeschiktheid bestaat geen recht op uitkering, gelet op het feit dat op grond van artikel 7, zesde lid, arbeidsongeschiktheid tot dat percentage buiten beschouwing blijft. De klassen beginnen dus te lopen vanaf 25% arbeidsongeschiktheid. De maximale arbeidsongeschiktheidsuitkering bedraagt 70% van de grondslag, bij een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80–100.

Indien een uitkeringsgerechtigde door bijvoorbeeld studie nieuwe bekwaamheden verwerft en met deze bekwaamheden aan de slag gaat, leidt het rekening houden met die nieuw verkregen bekwaamheden er toe dat bij de nadere vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid een vergelijking wordt gemaakt met een persoon die diezelfde bekwaamheden bezit.

Zoals bij de vaststelling van de arbeidsongeschiktheid in eerste aanleg wordt gekeken naar de krachten en bekwaamheden die een verzekerde heeft voor het verrichten van algemeen geaccepteerde arbeid, zo is het ook van belang deze gedurende de loop van het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering te bezien. Daarin wordt voorzien door herbeoordeling van de verzekerde. Een scholing of opleiding kan tevens bijdragen tot verhoging van de bekwaamheden. Uiteindelijk kunnen deze zodanig zijn dat deze leiden tot intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, welke intrekking overigens niet eerder ingaat dan een jaar na afronding van die scholing of opleiding (zie artikel 19). Ingeval de verzekerde een voor hem wenselijk geachte scholing of opleiding weigert te volgen of de goede afronding daarvan tegenwerkt, worden hem de bekwaamheden toegerekend als had hij de scholing of opleiding afgerond. Hij wordt alsdan in dezelfde situatie gebracht als de verzekerde die wel door middel van scholing of opleiding werkt aan verhoging of uitbreiding van zijn bekwaamheden. In de artikelen 12, vijfde lid en 19, tweede lid, wordt geregeld dat in zo'n geval de uitkering kan worden herzien of ingetrokken.

Artikel 10. Verhoging arbeidsongeschiktheidsuitkering

Met dit artikel wordt een tegemoetkoming geregeld voor de verzekerde die extra kosten maakt in verband met oppassing en verzorging. De tegemoetkoming bestaat uit een verhoging van de arbeidsongeschiktheidsuitkering tot de grondslag. Het gaat om de verzekerde die ten minste 80% arbeidsongeschikt is en voorlopig blijvend hulpbehoevend is. Wordt de verzekerde in deze toestand opgenomen in een inrichting en worden de kosten van verblijf in die inrichting door een verzekeraar betaald, dan geldt de verhoging van de uitkering niet.

Artikel 11. Buiten aanmerking laten van arbeidsongeschiktheid

Met dit artikel wordt in een tweetal situaties de mogelijkheid voor de bedrijfsvereniging geschapen om arbeidsongeschiktheid (al dan niet volledig) buiten aanmerking te laten. Allereerst geldt dat voor gehele arbeidsongeschiktheid bij aanvang van de verzekering. Ingeval sprake is van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid bij aanvang van de verzekering geldt artikel 2, tweede lid. Voorts kan gehele of gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid buiten beschouwing worden gelaten, die binnen een half jaar na aanvang van de verzekering intreedt, als deze naar medische maatstaven voorzienbaar was. Het is in dit verband niet relevant of de verzekerde het ontstaan van de arbeidsongeschiktheid zelf voorzag.

De mogelijkheid voor de bedrijfsvereniging om arbeidsongeschiktheid buiten aanmerking te laten, bestaat ook wanneer er sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid, die voorvloeit uit dezelfde oorzaak als de oorspronkelijke arbeidsongeschiktheid die buiten aanmerking kon worden gelaten. Deze bevoegdheid bij toename geldt, ongeacht of de bedrijfsvereniging van haar eerdere bevoegdheid ten aanzien van de ingetreden arbeidsongeschiktheid gebruik heeft gemaakt.

Op grond van artikel 2, tweede lid, kan de verzekerde die bij aanvang van de verzekering al gedeeltelijk arbeidsongeschikt is, nog slechts voor zijn resterende arbeidsongeschiktheid recht krijgen op uitkering. Dit geldt ook ten aanzien van de verzekerde bij wie gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid buiten aanmerking is gelaten op grond van het eerste lid. Uit het feit dat nog slechts de resterende arbeidsongeschiktheid als basis voor het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering dient, vloeit voort dat alleen de mate waarin de resterende arbeidsgeschiktheid is afgenomen, bepalend is voor het vast te stellen arbeidsongeschiktheidspercentage. Wanneer de resterende arbeidsgeschiktheid geheel is weggevallen is er alsdan sprake van gehele arbeidsongeschiktheid.

Artikelen 12, 13, 14, 15. Herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering

Deze vier artikelen regelen de herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering. Deze artikelen komen overeen met hetgeen in de artikelen 26 tot en met 29 van de AAW is opgenomen. Artikel 12 geeft het uitgangspunt aan. De uitkering wordt herzien wanneer de verzekerde op grond van enige bepaling in deze wet voor een hogere of een lagere uitkering in aanmerking komt. Zo'n herziening kan plaatsvinden gedurende de gehele looptijd van het recht op uitkering. De bedrijfsvereniging beoordeelt in ieder geval binnen één jaar na ingang van de arbeidsongeschiktheidsuitkering of er gronden zijn tot herziening van de uitkering. Het is mogelijk dat een uitkeringsgerechtigde die deelneemt aan een voor hem gewenste scholing of opleiding juist door het volgen daarvan minder arbeidsongeschikt wordt. Het vijfde lid van artikel 12 voorkomt dat in een dergelijk geval de uitkering tijdens de duur van de opleiding of scholing wordt herzien. Door verwijzing naar artikel 9, derde lid, wordt overigens wel bewerkstelligd dat herziening tijdens de opleiding of scholing wel mogelijk is indien betrokkene onvoldoende meewerkt aan het bereiken van een gunstig resultaat daarvan. Wel kan worden opgemerkt dat een herziening wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid tijdens het volgen van opleiding of scholing mogelijk blijft.

In artikel 13 worden regels gesteld ter zake van toeneming van de arbeidsongeschiktheid ten aanzien van de verzekerde die minder dan 45% arbeidsongeschikt is. Herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van artikel 13 vindt plaats zodra de toeneming van de arbeidsongschiktheid 52 weken heeft geduurd. Voorwaarde daarbij is dat de toeneming voortvloeit uit dezelfde oorzaak als die welke aan de eerder toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkering ten grondslag lag. Komt de toeneming kennelijk voort uit een andere oorzaak dan vindt geen herziening plaats. Wel vindt herziening plaats, ook al is er sprake van een kennelijk andere oorzaak, als de uitkeringsgerechtigde, naast zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering, arbeid als bedoeld in artikel 7, eerste lid, verricht op het moment dat de arbeidsongeschiktheid intreedt, of heeft verricht in de 52 weken voor de toeneming van de arbeidsongeschiktheid. Het voorgaande impliceert dus dat herziening niet plaats vindt als hij deze arbeid niet in die 52 weken heeft verricht en er is sprake van een kennelijk andere oorzaak die aan de toeneming ten grondslag ligt. Bij het herzieningsregime op grond van dit artikel geldt, evenals in artikel 7, derde lid, dat arbeidsongeschiktheidsperioden die elkaar met onderbreking van minder dan vier weken opvolgen worden samengeteld.

Artikel 14 geeft regels met betrekking tot herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering van de verzekerde die 45% of meer arbeidsongeschikt is. De regeling vervat in de artikelen 13 en 14, vindt geen toepassing bij toename van de arbeidsongeschiktheid binnen vier weken na ingangsdatum van de arbeidsongeschiktheidsuitkering of herziening. Alsdan geldt artikel 15.

Artikel 16. Herziening bij toeneming arbeidsongeschiktheid binnen vijf jaar

Dit artikel komt overeen met artikel 29a van de AAW, zoals ingevoerd met de Wet Amber. Dit artikel bepaalt dat de arbeidsongeschiktheids-uitkering wordt herzien, zodra de toegenomen arbeidsongeschiktheid onafgebroken vier weken heeft geduurd. Voorwaarde is dat de toeneming van de arbeidsongeschiktheid moet zijn ingetreden binnen vijf jaar na de datum van toekenning van de arbeidsongeschiktheidsuitkering of de herziening van de uitkering en dat de toeneming van de arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als die welke ten grondslag lag aan de bestaande uitkering. De termijn van vijf jaar hangt samen met de plicht van de bedrijfsverenigingen om dossiers vijf jaar te bewaren. Voor de bepaling van de wachttijdperiode van vier weken geldt op grond van het tweede lid de regel dat perioden van toegenomen arbeidsongeschiktheid bij elkaar worden opgeteld, wanneer zij elkaar met tussenpozen van minder dan vier weken opvolgen. Hieruit volgt dat bij onderbrekingen van langer dan vier weken een nieuwe wachttijdperiode van vier weken aanvangt. Het, anders dan in de AAW, gekozen tijdvak van vier weken sluit aan bij de overeenkomstige tijdvakken die in deze wet zijn opgenomen.

Het kan voorkomen dat zowel recht op herziening bestaat op grond van artikel 13 als op grond van dit artikel 16. Waar sprake is van zo'n samenloop van mogelijkheden wordt toepassing gegeven aan dit artikel, nu op die grond eerder recht op herziening bestaat. In verband hiermee is bepaald dat herziening op grond van dit artikel plaatsvindt in afwijking van artikel 13. Indien herziening op basis van dit artikel plaatsvindt, hoeft geen herziening op basis van artikel 13 meer plaats te vinden. Dat maakt overigens artikel 13 niet overbodig, omdat dat artikel uiteraard nog toepassing dient te vinden in gevallen waarin sprake is van toeneming van de arbeidsongeschiktheid na afloop van de in dit artikel genoemde vijf jaar.

Het kan zonder nadere voorziening ook voorkomen dat zowel recht op herziening bestaat op grond van dit artikel, als op grond van artikel 14. In het kader van artikel 14 is de oorzaak van de toegenomen arbeidsongeschiktheid niet relevant, terwijl de toepassing van dat artikel niet is gebonden aan een termijn van vijf jaar. In dit geval levert toepassing van artikel 16 geen extra voordeel op. In verband hiermee is bepaald dat dit artikel geen toepassing vindt, indien recht bestaat op herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van artikel 14.

Evenmin vindt dit artikel toepassing, indien recht op herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering bestaat op grond van artikel 15, onderdeel a tot en met c. Toepassing van laatstgenoemd artikel werkt gunstiger uit dan toepassing van dit artikel, aangezien de herziening van de uitkering dan direct ingaat, in plaats van na vier weken.

Artikel 17. Hernieuwde grondslagvaststelling bij toeneming arbeidsongeschiktheid

Als bij toeneming van de arbeidsongeschiktheid herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering aan de orde is, vindt hernieuwde grondslagvaststelling plaats, als dat leidt tot een hogere grondslag. Dit kan aan de orde zijn, als de verzekerde met zijn restcapaciteit hogere arbeidsinkomsten is gaan verwerven dan hij ontving voorafgaand aan het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid.

Artikel 18. Overige gronden voor herziening of intrekking

Dit artikel komt overeen met het in de Wet van 25 april 1996, Stb. 1996, 248 (Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid) opgenomen artikel 26a van de AAW. Dit artikel laat onverlet de uit hoofde van andere bepalingen voortvloeiende herziening of intrekking. Mogelijkerwijs bestaat in een concreet geval samenloop met andere bepalingen inzake herziening of intrekking. Alsdan verdient het de voorkeur om in één beschikking ter zake de betrokken onderdelen te noemen. Dit artikel kan overigens ook ter reparatie dienen, namelijk als andere bepalingen geen volledig uitsluitsel kunnen bieden in de toepassing. Het artikel maakt geen onderscheid tussen gevallen waarin eigen toedoen van de verzekerde een rol speelt en gevallen waarin daarvan geen sprake is, maar het de verzekerde duidelijk kon zijn dat er met de toegekende uitkering iets mis was. In het laatste geval is er geen reden de verzekerde extra bescherming te bieden. Het verdient overigens wel de voorkeur dat de bedrijfsvereniging in alle gevallen een afweging maakt met betrekking tot de herziening c.q. intrekking, aan de hand van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, en dat niet de wet zelf de verschillende gevolgen dwingend verbindt aan de omstandigheid dat verzekerde al dan niet door eigen toedoen heeft bijgedragen aan foutieve toekenning. Toepassing van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur kan er onder omstandigheden ook toe leiden dat de bedrijfsvereniging zal moeten afzien van herziening of intrekking. Het tweede lid van dit artikel geeft voor een beoordeling van de bedrijfsvereniging op dat punt de basis.

Het gaat in dit artikel niet om het opleggen van een maatregel of sanctie. Het artikel strekt uitsluitend tot correctie, tot herstel in de rechtmatige toestand. In het artikel is in het eerste lid een viertal gronden aangegeven op basis waarvan de bedrijfsvereniging tot correctie (herziening of intrekking) moet overgaan, behoudens, zoals hiervoor vermeld, in gevallen waarin het tweede lid toepassing vindt.

Artikel 19. Einde van het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering

Het eerste lid van dit artikel geeft een tweetal eindigingsgronden aan van het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering. In verband met de ingang van het recht op ouderdomspensioen op grond van de Algemene ouderdomswet op de eerste dag van de maand waarin men 65 jaar wordt, eindigt het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering per diezelfde dag. De tweede grond voor eindiging van het recht op arbeidsongeschiktheids-uitkering is het einde van de arbeidsongeschiktheid, dan wel een daling van de arbeidsongeschiktheid tot beneden 25%. Anders dan bij de eerste eindigingsgrond, eindigt hierbij het recht niet op een bij deze wet vastgestelde dag, maar op een door de bedrijfsvereniging te bepalen dag. Dat zal in de praktijk de dag zijn, met ingang waarvan de bedrijfsvereniging krachtens haar beschikking van oordeel is dat de arbeidsongeschiktheid is geëindigd, dan wel tot beneden 25% is gedaald. De ingangsdatum van de intrekking als gevolg van eindiging van de arbeidsongeschiktheid of een vermindering van de arbeidsongeschiktheid tot minder dan 25% kan echter niet later zijn gelegen dan drie maanden na de dag waarop die intrekking is aangezegd. Deze aanzegging zal in de regel plaatsvinden bij het kenbaar maken door de bedrijfsvereniging dat er sprake van eindiging of vermindering van de arbeidsongeschiktheid is.

Het tweede lid komt overeen met hetgeen in artikel 12, vijfde lid, met betrekking tot de herziening van de uitkering is bepaald. Het is mogelijk dat een uitkeringsgerechtigde die deelneemt aan een voor hem gewenste scholing of opleiding juist door het volgen daarvan minder arbeidsongeschikt wordt. Het tweede lid voorkomt dat in een dergelijk geval de uitkering tijdens de duur van de opleiding of scholing wordt ingetrokken. Door verwijzing naar artikel 9, derde lid, wordt overigens wel bewerkstelligd dat intrekking tijdens de opleiding of scholing wel mogelijk is indien betrokkene onvoldoende meewerkt aan het bereiken van een gunstig resultaat daarvan.

Ingeval verzekerde een scholing of opleiding met succes heeft afgerond en in verband hiermee tot intrekking van arbeidsongeschiktheidsuitkering zou moeten worden geconcludeerd, gaat die intrekking niet eerder in dan één jaar na voltooiing van de scholing of opleiding. Als de verzekerde binnen dat jaar inkomsten is gaan verwerven, worden die inkomsten op de voet van artikel 57 geanticumuleerd.

Artikel 20. Toekenning uitkering binnen vijf jaar na intrekking of niet-toekenning

Dit artikel komt overeen met artikel 32a van de AAW, zoals ingevoerd bij de Wet Amber.

Dit artikel geeft aan dat een arbeidsongeschiktheidsuitkering na een wachttijd van vier weken wordt toegekend wanneer opnieuw arbeidsongeschiktheid intreedt en aan twee nadere voorwaarden is voldaan. De eerste voorwaarde is dat de arbeidsongeschiktheid is ingetreden binnen een tijdvak van vijf jaar na de datum van intrekking van een eerdere arbeidsongeschiktheidsuitkering of na de wachttijdperiode van 52 weken, waarbij geen recht bestond op een arbeidsongeschiktheidsuitkering. De tweede voorwaarde is dat de ingetreden arbeidsongeschiktheid voorkomt uit dezelfde oorzaak als die welke ten grondslag lag aan de ingetrokken uitkering dan wel aan de ongeschiktheid tot werken in de wachttijdperiode van 52 weken.

Voor de bepaling van de wachttijdperiode van vier weken geldt op grond van het tweede lid de regel dat perioden van toegenomen arbeidsongeschiktheid bij elkaar worden opgeteld, wanneer zij elkaar met tussenpozen van minder dan vier weken opvolgen. Hieruit volgt dat bij onderbrekingen van langer dan vier weken een nieuwe wachttijdperiode van vier weken aanvangt.

Ook bij toepassing van dit artikel kan sprake zijn van een situatie dat eveneens recht bestaat op heropening van de uitkering op grond van artikel 21. Aangezien toepassing van laatstgenoemd artikel gunstiger uitwerkt, omdat heropening van de uitkering daarbij direct plaatsvindt in plaats van na vier weken, is bepaald dat dit artikel geen toepassing vindt, indien recht op heropening bestaat op grond van artikel 21. Voorts vindt dit artikel geen toepassing voor zover ten aanzien van de betrokkene artikel 29b van de Ziektewet (ZW) toepassing kan vinden. Deze laatste omschrijving omvat overigens ook de situatie dat dat artikel daadwerkelijk toepassing vindt. Dit onderdeel komt overeen met de in het kader van de Veegwet TAV, TBA, TZ in de Wet Amber aangebrachte wijziging van artikel 32a AAW. De situatie waar het in dit geval om draait is dat een verzekerde zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering verliest wegens einde van zijn arbeidsongeschiktheid. Vervolgens aanvaardt hij een dienstbetrekking. Valt hij binnen vijf jaar na intrekking van zijn WAZ-uitkering uit wegens arbeidsongeschiktheid, dan zou op basis van artikel 20 recht bestaan op toekenning terwijl betrokkene op basis van artikel 29b van de ZW recht op ziekengeld ter hoogte van zijn dagloon kan krijgen, althans wanneer hij in de drie jaar voorafgaand aan zijn dienstbetrekking recht had op WAZ-uitkering of de wachttijd voor die uitkering heeft doorgemaakt. In zo'n geval gaat de werking van artikel 29b ZW voor, teneinde samenloop tussen een ZW-uitkering c.q. WAO-uitkering en een WAZ-uitkering te voorkomen. Voorts kan, bij voortdurende arbeidsongeschiktheid, de werking van artikel 20 ongunstig uitvallen, wanneer het dagloon voor de WAO-uitkering lager is dan de grondslag van de oorspronkelijke WAZ-uitkering. Om dat te voorkomen wordt in de WAO (artikel 43a) bepaald dat het WAO-dagloon niet lager uitvalt dan de grondslag van de eerdere WAZ-uitkering. In het vierde lid van dit artikel wordt geregeld dat bij toekenning van de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van dit artikel de grondslag niet lager uitvalt dan de grondslag van de eerdere uitkering.

Artikel 21. Heropening van de uitkering

In een aantal situaties bestaat, nadat het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering is ingetrokken, recht op heropening van de uitkering. In alle gevallen gaat het om een heropening zonder wachttijd. In het eerste en vierde lid betreft het een heropening na intrekking van de uitkering, waarbij kan worden vermeld dat in de situatie, bedoeld in het vierde lid, de arbeidsongeschiktheid moet zijn voortgekomen uit dezelfde oorzaak als de arbeidsongeschiktheid die ten grondslag lag aan de ingetrokken arbeidsongeschiktheidsuitkering. In het tweede en derde lid, gaat het om heropening van de uitkering die was ingetrokken na een daaraan voorafgaande herziening.

Artikel 22. Recht op uitkering in verband met bevalling

De redenen voor het opnemen van een uitkeringsregeling in verband met zwangerschap en bevalling zijn in het algemeen deel van deze toelichting reeds aangegeven. Tevens zijn daarbij de overwegingen genoemd die aanleiding hebben gegeven een beperktere regeling te treffen voor de groep verzekerden uit hoofde van deze wet, dan voor werkneemsters.

Recht op uitkering in verband met bevalling hebben de verzekerde als bedoeld in artikel 3 en de verzekerde die arbeidsongeschikt is geworden en in de wachttijd verkeert. De opsomming van deze groep verzekerden komt overeen met de doelgroep onder de werknemers die op basis van de verplichte verzekering op grond van de Ziektewet aanspraak kan maken op uitkering in verband met bevalling. Ten aanzien van het uitkeringsrecht over deze 16 weken gelden dezelfde regels als die voor werkneemsters gelden. Het recht op uitkering gaat in op een door de verzekerde te bepalen dag. Die dag ligt tussen de momenten waarop de bevalling binnen zes, respectievelijk vier weken is te verwachten. De verzekerde moet de dag vanaf welke zij recht op uitkering wil doen gelden doorgeven aan de bedrijfsvereniging. Dat is geregeld in artikel 33. De dag waarop de bevalling is te verwachten moet blijken uit een verklaring van de verloskundige of arts. Vanaf de ingangsdatum van het recht op uitkering in verband met de bevalling duurt het recht 16 weken. Als de bevalling later dan de uitgerekende dag plaatsvindt, eindigt het recht op uitkering even zoveel dagen later als de bevalling «te laat» heeft plaatsgevonden. Dit is verwoord in het vierde lid. Ingeval de bevalling meer dan zes weken voor de uitgerekende datum plaatsvindt, heeft de verzekerde geen recht op uitkering gehad voorafgaande aan haar bevalling. Alsdan begint het recht op uitkering op de bevallingsdatum te lopen en eindigt het 16 weken later.

Er kan zich, bij voorbeeld omdat betrokkene recht heeft gekregen op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, een samenloopsituatie voordoen. Voor zo'n samenloopsituatie kunnen op basis van artikel 58 regels worden gesteld.

Artikel 23. De hoogte van de uitkering

De hoogte van de uitkering in verband met bevalling is 100% van de grondslag. De grondslagberekening vindt plaats volgens de berekening die in het tweede tot en met vijfde lid van artikel 8 is neergelegd. Daarbij wordt gekeken naar de winst of inkomsten in het boek- of kalenderjaar of de drie boek- of kalenderjaren vóór de ingangsdatum van het recht op uitkering.

Artikel 24. Recht op vakantie-uitkering

In dit artikel is het recht op vakantie-uitkering neergelegd. Het recht op vakantie-uitkering bestaat over elke maand waarin recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering of uitkering in verband met bevalling bestaat. Het is niet van belang over hoeveel dagen in een maand recht op uitkering bestaat, dus als een uitkeringsrecht op de tweede van een maand eindigt, bestaat ook over die maand recht op vakantie-uitkering, die uiteraard gerelateerd is aan het bedrag waarop over die maand recht bestaat.

Artikel 25. Hoogte van de vakantie-uitkering

De vakantie-uitkering bedraagt acht procent van het bedrag aan uitkering waarop in de twaalf maanden, voorafgaande aan de maand mei, recht bestond. Indien sprake is van samenloop van uitkering met inkomsten uit arbeid, wordt een bedrag aan uitkering in aanmerking genomen, nadat verrekening met die inkomsten op basis van artikel 57 heeft plaatsgevonden. Indien op basis van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag het percentage van de vakantie-uitkering wordt gewijzigd, wijzigt het percentage in het eerste lid overeenkomstig. Het vierde lid regelt dat voor de ambtshalve toekenning van de vakantie-uitkering geen formele beschikking en een mededeling over de bezwaar- en beroepsmogelijkheden hoeft te worden afgegeven.

Artikel 26. Recht op vakantie-uitkering over overlijdensuitkering

Dit artikel bepaalt dat recht op vakantie-uitkering bestaat over de overlijdensuitkering (artikel 60). De hoogte van de vakantie-uitkering over deze uitkeringen is gelijk aan de hoogte, genoemd in artikel 25.

Artikel 27. Inkomenssuppletie gedeeltelijk arbeidsongeschikte zelfstandigen

Bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid zal tevens rekening moeten worden gehouden met geschiktheid van de zelfstandige voor functies in loondienst en de daaruit voortvloeiende restcapaciteit. Dit artikel voorziet erin dat ter overbrugging van het verschil tussen de werkelijke verdiensten uit het bedrijf en de theoretische verdiencapaciteit inkomenssuppletie kan worden toegekend. De inkomenssuppletie zal nader bij algemene maatregel van bestuur worden uitgewerkt. De inkomenssuppletie zal maximaal 20% van de theoretische verdiencapaciteit bedragen en geleidelijk in vier jaar worden verminderd. De inkomenssuppletie staat open voor zelfstandigen die gedeeltelijk arbeidsongeschikt zijn, het eigen bedrijf voortzetten en geconfronteerd worden met een gat tussen de werkelijke verdiensten en de theoretische verdiencapaciteit.

Artikel 28. Garantie voor oudere arbeidsongeschikten

Zoals in het algemeen deel van de toelichting reeds is aangegeven, wordt voorgesteld om oudere uitkeringsgerechtigden bij aanvaarding van verzekerde werkzaamheden de garantie te bieden dat bij hernieuwde arbeidsongeschiktheid de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt gebaseerd op tenminste de eerder gehanteerde uitkeringsgrondslag. Voor oudere uitkeringsgerechtigden kan deze terugval in inkomsten een drempel opwerpen om weer werkzaamheden te gaan verrichten. Teneinde deze gerechtigden zekerheid te geven, is in dit artikel een garantieregeling voor hen neergelegd. Wanneer zij binnen vijf jaar na de datum van aanvang van de werkzaamheden opnieuw recht krijgen op toekenning van een uitkering op grond van deze wet, wordt de uitkeringsgrondslag niet lager gesteld dan de grondslag die laatstelijk voor de datum van aanvaarding van werkzaamheden aan hun uitkering ten grondslag lag. Deze bepaling is overigens alleen noodzakelijk voor diegenen die door aanvaarding van de werkzaamheden hun arbeidsongeschiktheidsuitkering geheel verliezen. Voor diegenen die worden geconfronteerd met een lagere arbeidsongeschiktheidsuitkering of met anticumulatie van inkomsten op de arbeidsongeschiktheidsuitkering geldt dat er geen sprake is van intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, waardoor het niet kan voorkomen dat een nieuwe en eventueel lagere grondslag wordt vastgesteld bij toename van de arbeidsongeschiktheid.

Artikel 29. Voorzieningen

Op grond van dit artikel kan de bedrijfsvereniging de verzekerde in aanmerking brengen voor voorzieningen die strekken tot behoud, herstel of ter bevordering van de arbeidsgeschiktheid. De kring van verzekerden op grond van deze wet is ruim omschreven. Dit betekent dat bijvoorbeeld ook de persoon die arbeidsongeschikt is geworden, doch vanwege de wachttijd nog geen recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft, in aanmerking kan worden gebracht voor voorzieningen. Naast de verzekerde kunnen ook gewezen verzekerden, of personen die een uitkering hebben gehad, in aanmerking komen voor een voorziening. Het moet in dat geval wel gaan om voorzieningen die reeds tijdens de verzekering zijn verstrekt. De voorzieningen die kunnen worden verstrekt zijn in eerste instantie werkvoorzieningen. Daarnaast kunnen ook voorzieningen worden verstrekt die tevens leiden tot verbetering van zijn levensomstandigheden, maar daarbij geldt in elk geval de eis dat deze ook strekken tot verbetering van de arbeidsgeschiktheid. De voorzieningen ter verbetering van de leefomstandigheden zijn beperkt tot vervoersvoorzieningen en het beschikbaar stellen van een blindengeleidehond. Op basis van het vierde lid zullen regels worden gesteld omtrent de te verstrekken voorzieningen. Deze zullen in nauwe samenhang met vergelijkbare regelingen omtrent voorzieningen worden getroffen. In dit verband is ook de afbakening met regelingen op andere terreinen op basis waarvan voorzieningen kunnen worden getroffen, zoals op het terrein van de gezondheidszorg, van belang.

Artikel 30. Overeenkomstige toepassing artikel 18 op voorziening

In artikel 18 is geregeld in welke gevallen de bedrijfsvereniging de beschikking omtrent toekenning van de arbeidsongeschiktheidsuitkering in elk geval herziet of intrekt. Deze gevallen gelden eveneens met betrekking tot beschikkingen inzake voorzieningen.

Artikel 31. Toelage en vergoeding

Deze bepaling is deels gelijkluidend aan artikel 58 van de AAW. Het treffen van revalidatiemaatregelen kan er toe leiden dat een verzekerde geen of slechts gedeeltelijk arbeid kan verrichten, waardoor zijn inkomsten geheel of gedeeltelijk wegvallen. Dit artikel voorziet in de mogelijkheid compensatie voor dat inkomensverlies te verlenen. Anders dan in de AAW is de toelage gemaximeerd tot de grondslag, die de basis heeft gevormd voor de uitkering. Wel kan de bedrijfsvereniging, als het bedrag aan gederfde inkomsten meer bedraagt dan de grondslag, een hogere toelage verlenen. Voorts bestaat de mogelijkheid voor de bedrijfsvereniging om tijdens de voorziening een vergoeding te verlenen wegens kosten van onderhoud en huisvesting.

Artikel 32. Melding gedurende wachttijd

Dit artikel beoogt de bedrijfsvereniging bijtijds op de hoogte te doen zijn van een ingetreden arbeidsongeschiktheid. Een melding dient plaats te vinden binnen vijf maanden na het intreden van de arbeidsongeschiktheid. Door een tijdige melding kan de bedrijfsvereniging zo nodig maatregelen nemen en inspanningen verrichten, gericht op revalidatie van de verzekerde. Er is bij de melding nog geen sprake van een aanvraag voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Op basis van artikel 34 dient de bedrijfsvereniging de verzekerde uiterlijk vier maanden voor het tijdstip waarop de wachttijd van 52 weken verstrijkt in kennis te stellen van de mogelijkheid een aanvraag voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering in te dienen. Doet de verzekerde de melding niet of niet tijdig dan leidt dat er op grond van artikel 34, derde lid, toe dat de bedrijfsvereniging niet gehouden is deze kennisgeving binnen de aldaar gestelde termijn te doen.

Zijn er onderbrekingen in de arbeidsongeschiktheid van minder dan vier weken, dan tellen die op grond van het tweede lid niet mee voor het vijf-maandstijdvak. Dat lid komt overeen met hetgeen in artikel 7, derde lid, is bepaald.

Artikel 33. Melding tijdens zwangerschap

Evenals voor de melding van arbeidsongeschiktheid is ook vereist dat de vrouwelijke verzekerde die zwanger is, zich meldt. Deze melding is van belang enerzijds voor een tijdige uitkeringsverstrekking, anderzijds heeft de bedrijfsvereniging ook tijd nodig om na te gaan op basis van welke grondslag de uitkering in verband met bevalling moet worden verstrekt. Een uiterste dag van melding, gelegen drie maanden voor de uitgerekende bevallingsdatum, zoals het eerste lid bepaalt, lijkt daarvoor redelijk. Bij de melding moet door de verzekerde worden aangegeven op welk moment zij haar recht op uitkering wil laten ingaan. Zoals in artikel 22 is aangegeven, ligt die ingangsdatum tussen de zes en vier weken voor de vermoedelijke bevallingsdatum. Ten bewijze van haar zwangerschap en haar verwachte bevallingsdatum zal zij ook (een copie van) de zwangerschapsverklaring moeten overleggen. Vanzelfsprekend kunnen zich situaties voordoen, waarbij een melding als hiervoor omschreven binnen de gestelde termijn niet haalbaar is. Daarbij zou onder andere kunnen worden gedacht aan langdurige ziekenhuisopname van betrokkene. In zo'n situatie kan de bedrijfsvereniging op grond van het tweede lid ten gunste van verzekerde afwijken van de wettelijke termijn.

Artikel 34. Toekenning arbeidsongeschiktheidsuitkering op aanvraag

Deze bepaling is overeenkomstig artikel 24 van de AAW opgesteld, met enige wijzigingen voor zover het de verzekerdengroep betreft. De arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt uitsluitend op aanvraag toegekend. Die aanvraag moet worden gedaan uiterlijk binnen negen maanden na aanvang van de arbeidsongeschiktheid, dan wel uiterlijk drie maanden voor het verstrijken van het tijdvak waarover de uitkering is toegekend. Het tijdvak waarover uitkering wordt toegekend is drie jaar. Evenwel zal in het invoeringstraject voorlopig een tijdvak worden gehanteerd overeenkomstig artikel XVIII van de Wet TBA. Op grond van dat artikel geldt vooralsnog een toekenning voor een periode van vijf jaar.

De bedrijfsvereniging moet de verzekerde tijdig op de hoogte stellen van het feit dat hij een aanvraag om uitkering of voortzetting van de uitkering kan doen. Tijdig wil zeggen: uiterlijk vier maanden voor het einde van de wachttijd, dan wel vier maanden voor het einde van het tijdvak van drie (vijf) jaar waarover de uitkering is toegekend. Doet zij dat niet dan wordt een aanvraag beschouwd bijtijds te zijn ingediend. Doet de bedrijfsvereniging haar kennisgeving te laat dan geldt dat een aanvraag binnen een maand daarna bijtijds is ingediend. Op grond van het derde lid geldt de kennisgevingsverplichting, zoals in het tweede lid beschreven, niet als de verzekerde het ontstaan van zijn arbeidsongeschiktheid niet of niet tijdig aan de bedrijfsvereniging meldt. Deze meldingsplicht staat vermeld in artikel 31. Ingeval van niet-tijdige melding moet de bedrijfsvereniging de kennisgeving binnen drie maanden na het tijdstip van melden doen. In dit verband kan overigens worden opgemerkt dat, ook al heeft betrokkene de melding niet (tijdig) gedaan, dit geen consequenties voor hem behoeft te hebben. Het ontbreken van de melding of een niet-tijdige melding laat immers onverlet dat hij zijn aanvraag om toekenning of voortzetting nog wel binnen de op grond van het vierde lid bepaalde termijn kan indienen.

Voorts is van belang op te merken dat wanneer de bedrijfsvereniging niet binnen de wettelijk vastgelegde termijn een beschikking afgeeft over een aanvraag tot voortzetting, de uitkering doorloopt volgens de oorspronkelijke toekenning, totdat zij een nieuwe (andere) beschikking heeft getroffen. Het Tica kan ten slotte bepalen dat uitkeringen kunnen worden verstrekt over een andere periode dan de in het eerste lid bedoelde drie jaar. Te denken valt hierbij vooral aan verzekerden ten aanzien van wie een herbeoordeling nauwelijks zin heeft, zoals degenen die langdurig in een verpleeginrichting zijn opgenomen.

Artikel 35. Ingangsdatum uitkering

Als eerste dag waarop recht bestaat op een uitkering geldt de eerste dag na afloop van een tijdvak van 52 weken arbeidsongeschiktheid. Op deze eerste dag begint de uitkering te lopen. Wanneer de verzekerde de uitkering te laat aanvraagt, dan heeft dat tot consequentie dat een uitkering niet eerder kan beginnen te lopen dan vanaf een jaar voorafgaande aan de aanvraag. Dat betekent dat de verzekerde die meer dan een jaar na ommekomst van de wachttijd van 52 weken de uitkeringsaanvraag doet, een deel van zijn aanspraken verspeelt. Wel bestaat de mogelijkheid voor de bedrijfsvereniging om in situaties waarin toepassing van deze regel tot bijzondere hardheid zou leiden af te wijken van die regel. Een toekenning van de uitkering kan op grond van het derde lid echter niet ingaan op of na de eerste dag van de maand waarin de verzekerde 65 jaar wordt.

Artikel 36. Herziening en heropening op aanvraag of ambtshalve

Indien een verzekerde van mening is dat er termen zijn voor herziening van zijn uitkering kan hij een aanvraag indienen tot herziening van zijn uitkering. In geval de bedrijfsvereniging echter een herbeoordeling wenselijk acht, dan wel op basis van artikel 12 tot een beoordeling overgaat, zal zij eigener beweging dienen te beslissen over herziening van de uitkering. In dat geval is sprake van een herziening ambtshalve. Bij heropening ligt dat evenwel anders. Een heropening volgt immers steeds na een eindiging van het recht op uitkering (zie artikel 21). Wanneer een uitkering is geëindigd is de verzekerde niet meer rechtstreeks bij de bedrijfsvereniging in beeld. Alsdan is een heropening ambtshalve niet aan de orde en ligt het voor de hand om, als er na eindiging weer sprake is van arbeidsongeschiktheid, de verzekerde de aanvraag om heropening te laten doen.

Artikel 37. Ingangsdatum herziening en heropening uitkering

In de artikelen 12 tot en met 15 is aangegeven welke tijdvakken gelden alvorens een herziening van de uitkering plaatsvindt. Het eerste lid van dit artikel haakt hierop aan door aan te geven dat de herziening ingaat op het moment dat de verzekerde voor de herziening in aanmerking komt. Evenals bij de aanvraag om uitkering en voortzetting van uitkering, geldt dat herziening en heropening niet eerder kunnen ingaan dan een jaar voor de datum van aanvraag om herziening of heropening. Voor herziening die leidt tot een verlaging van de uitkering in verband met afgenomen arbeidsongeschiktheid geldt als ingangsdatum de dag die de bedrijfsvereniging aangeeft als dag waarop de arbeidsongeschiktheid is verminderd. Evenals in artikel 19, eerste lid, onderdeel b, geldt ook hier dat de herziening uiterlijk ingaat drie maanden na de aanzegging daarvan. Evenals in artikel 19, derde lid, neergelegd met betrekking tot de intrekking van de uitkering, wordt met het vierde lid van dit artikel beoogd de verzekerde die opleiding of scholing heeft voltooid de gelegenheid te bieden gedurende een jaar na afronding naar passend werk te zoeken. In dat jaar wordt de verzekerde niet geconfronteerd met een verlaging van zijn uitkering. De ingangsdatum van de heropening van de uitkering spreekt voor zich. Een heropening van de uitkering kan op grond van het zesde lid echter niet ingaan op of na de eerste dag van de maand waarin de verzekerde 65 jaar wordt.

Artikel 38. Toekenning uitkering in verband met bevalling

Dit artikel regelt dat de uitkering in verband met bevalling op aanvraag wordt toegekend. Aangezien het in deze gaat om een kortdurende uitkering en de vrouwelijke verzekerde ruime termijnen worden geboden alvorens de melding, bedoeld in artikel 33 en de aanvraag te doen, is afgezien van het opnemen van een bepaling die de bedrijfsvereniging verplicht betrokkene in kennis te stellen van de mogelijkheid een aanvraag te doen, welke verplichting wel geldt in verband met de aanvraag om arbeidsongeschiktheidsuitkering.

De verzekerde kan de aanvraag doen op hetzelfde moment als waarop zij de melding doet, maar verplicht is zij daartoe niet. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat zij de aanvraag uiterlijk twee weken voor de door haar gekozen ingangsdatum van het recht op uitkering moet doen. De bedrijfsvereniging kan ten gunste van de verzekerde van die regel afwijken. Deze afwijkingsmogelijkheid komt overeen met de regel, vervat in artikel 33, tweede lid.

Artikel 39. Toekenning andere uitkeringen op aanvraag of ambtshalve

In dit artikel wordt ten aanzien van de overige uitkeringen en verstrekkingen bepaald op welke wijze deze worden verstrekt. Ten aanzien van de vakantie-uitkering is bepaald dat deze ambtshalve wordt verstrekt. Alleen wanneer de verzekerde de vakantie-uitkering op een ander moment wenst te ontvangen dan de in deze wet geregelde maand mei, zal hij een aanvraag daartoe bij de bedrijfsvereniging moeten indienen (zie ook artikel 59). De wijze van toekenning van een voorziening, toelage en vergoeding spreekt voor zich. Met betrekking tot de inkomenssuppletie wordt in de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 27 geregeld langs welke weg deze wordt toegekend.

Artikel 40. Oproep en onderzoek door of namens bedrijfsvereniging

Met de in dit artikel aan de bedrijfsvereniging toegekende bevoegdheden kan worden bewerkstelligd dat zij die gegevens verkrijgt die het mogelijk maken een oordeel te geven over het recht op uitkering, de mate van arbeidsongeschiktheid, de hoogte van de grondslag, het treffen van voorzieningen en andere met de arbeidsongeschiktheidsuitkering verband houdende aspecten. Ten opzichte van de AAW (artikel 14) is in onderdeel a toegevoegd de verzekerde. De aan de bedrijfsvereniging toegekende bevoegdheden moeten zich ook over deze persoon uitstrekken, in verband met mogelijke toepassing van artikel 11, eerste lid. In verband met het recht op en de hoogte van bevallingsuitkering kunnen verder vragen nodig blijken die op basis van dit artikel aan de vrouwelijke verzekerde kunnen worden gesteld.

De bevoegdheden op basis van het eerste lid kunnen worden uitgeoefend door de bedrijfsvereniging of door een door haar aangewezen deskundige. Indien de bedrijfsvereniging een onderzoek nodig oordeelt vindt dat onderzoek plaats door een door haar aangewezen deskundige. Een aangewezen deskundige kan, op grond van het derde lid, op zijn beurt andere deskundigen aanwijzen voor het oproepen, ondervragen of onderzoeken van een verzekerde. Ten aanzien van de uitkering in verband met bevalling, is het, gelet op de objectieve mogelijkheid tot vaststellen van de zwangerschap, niet nodig tot onderzoek door een deskundige van deze verzekerde over te gaan.

Artikel 41. Vergoeding kosten en tijdverlies

Onze Minister stelt regels vast op basis waarvan aan opgeroepenen en hun eventuele begeleiders kosten worden vergoed. Het orgaan dat de oproep heeft gedaan is verantwoordelijk voor de toekenning en betaling van de kosten, vermeld in dit artikel.

Artikel 42. Voorschriften van medische of administratieve aard

Ten aanzien van arbeidsongeschikten kunnen door de bedrijfsvereniging, of door de door haar aangewezen deskundige voorschriften worden gegeven, die strekken tot genezing, behandeling of bevordering van de arbeidsgeschiktheid. In geval van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid kunnen voorschriften worden gegeven omtrent inschrijving als werkzoekende bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie.

Artikel 43. Controlevoorschriften

Gedurende de loop van het uitkeringsproces, waaronder ook begrepen de wachttijdperiode voor ingang van de uitkering, moet de bedrijfsvereniging controlevoorschriften kunnen geven om dat uitkeringsproces in goede banen te doen leiden. Zo zijn op basis van de AAW controlevoorschriften gesteld met betrekking tot vakantie van degene die arbeidsongeschikt is. Die voorschriften hebben betrekking op de verplichte melding van het voornemen vakantie te houden. Het ligt voor de hand dat op basis van dit artikel soortgeljke voorschriften zullen worden gesteld. Voorts kan de bedrijfsvereniging ook controlevoorschriften stellen in verband met de verplichting voor de verzekerde informatie te verstrekken met betrekking tot het uitkeringsproces. De controlevoorschriften moeten worden goedgekeurd door het College van toezicht sociale verzekeringen. Het niet of niet behoorlijk naleven van de controlevoorschriften leidt op grond van artikel 45 tot tijdelijke of blijvende gehele of gedeeltelijke weigering van de uitkering of toelage.

Artikel 44. Gevolgen weigeren onderzoek

Het niet voldoen aan de verplichtingen die op grond van dit artikel worden gesteld aan de personen, genoemd in artikel 40, leidt tot een weigering van de uitkering, toelage of voorziening. Het gaat daarbij om de personen die in de wachttijd zitten, die een uitkering ontvangen of daarop aanspraak maken, alsmede de personen ten aanzien van wie een voorziening wordt getroffen of overwogen. Van belang is op te merken dat wanneer de betrokken persoon een van de relevante verplichtingen niet is nagekomen, een sanctie wordt opgelegd. De formulering op dit punt komt overeen met de in de AAW (artikel 16) gebezigde formulering. Ter zake bestaat er voor de bedrijfsvereniging geen vrijheid af te zien van het opleggen van een sanctie, zij het dat op basis van artikel 46 de maatregel moet worden afgestemd op de ernst van de gedraging van de betrokkene en de mate waarin de gedraging hem verweten kan worden en dat wanneer dringende redenen aanwezig zijn de bedrijfsvereniging kan besluiten van het opleggen van een maatregel af te zien.

De in dit artikel neergelegde sanctieplicht is overgenomen uit de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid (Stb.1996, 248) op grond waarvan in de sociale zekerheidswetten, waaronder ook de AAW, bepalingen zullen worden opgenomen onder meer omtrent administratieve sancties. De voorstellen die ter zake van de AAW zijn gedaan zijn in dit wetsvoorstel overgenomen.

De sanctie die in het eerste lid van dit artikel is opgenomen, geldt tevens in gevallen waarin sprake is van toeneming van de arbeidsongeschiktheid, voortgekomen uit dezelfde oorzaak als de arbeidsongeschiktheid zelf.

Artikel 45. Gevolgen niet-naleving voorschriften

Een gelijke maatregel als omschreven in artikel 44, wordt getroffen ten aanzien van de verzekerde die de voorschriften, genoemd in artikel 42 of 43 niet heeft opgevolgd. Daarnaast is nog een aantal andere omstandigheden in dit artikel opgenomen die leiden tot een maatregel. De verplichting, bedoeld in artikel 91, vierde lid van de OSV, betreft de verlening van inzage in een identiteitsdocument door de verzekerde op verzoek van de bedrijfsvereniging. De maatregel komt overeen met hetgeen in de bij de toelichting op artikel 44 genoemde wet ter zake van artikel 19 van de AAW is opgenomen.

Artikel 46. Afstemming maatregel op ernst gedraging

Dit artikel komt overeen met het in de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid opgenomen artikel 20 AAW. De bedrijfsvereniging dient bij oplegging van maatregelen de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht te nemen. Dat brengt mee dat de factoren in het eerste lid genoemd, moeten worden meegewogen.

Evenals bij het herzieningsartikel (artikel 18), de boete-oplegging (artikel 47) en de terugvordering (artikel 62) het geval is, stelt deze wet de verplichting daartoe voorop. Daarbij wordt echter steeds tot uitdrukking gebracht dat van een absolute verplichting geen sprake is in die zin dat om dringende redenen van uitoefening van die verplichting kan worden afgezien. De bedrijfsvereniging legt deze beslissing neer in een beschikking. Wordt voor de desbetreffende gedraging een boete opgelegd, blijft oplegging van een maatregel achterwege.

Artikel 47. Boete bij niet-nakoming inlichtingenverplichting

Dit artikel komt overeen met het in de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid opgenomen artikel 20a AAW. Wanneer de algemene verplichting tot het verschaffen van alle informatie die relevant is voor het recht op en de hoogte van de uitkering niet wordt nageleefd legt de bedrijfsvereniging een boete op. Deze algemene verplichting geldt op grond van artikel 69 de verzekerde, diens wettelijke vertegenwoordiger en instellingen aan wie in plaats van aan de verzekerde de uitkering wordt betaald (inrichtingen en gemeenten, bedoeld in artikel 56). Van het opleggen van boete zijn de instellingen evenwel uitgesloten. Mocht als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting door de instelling herziening van de uitkering noodzakelijk blijken, dan werkt dat terug naar de uitkeringsgerechtigde of zijn wettelijke vertegenwoordiger. Het tweede lid komt overeen met artikel 46, eerste lid. Het derde lid komt overeen met artikel 18, tweede lid, 46, tweede lid en 62, tweede lid. Uitzonderingen moeten mogelijk zijn indien de boete voor de betrokkene onaanvaardbare consequenties heeft. Daarbij moet het om incidentele gevallen gaan, gebaseerd op een individuele afweging van alle relevante omstandigheden. Van algemene of categoriale afwijkingen kan geen sprake zijn. De verplichting, in het vierde lid opgenomen, tot het verstrekken van informatie ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de boete is nodig naast de bestaande algemene informatieplicht, aangezien het hierbij niet gaat om inlichtingen met betrekking tot de uitkering. De niet-nakoming van deze inlichtingenverplichting, wordt evenals dat bij de AAW geldt, strafbaar gesteld op grond van artikel 108 van de Organisatiewet sociale verzekeringen. Een en ander zal in het invoeringstraject worden geregeld.

Het strafkarakter van de boete brengt mee dat alleen de dader zelf daardoor moet worden getroffen. Een nog niet geïnde boete vervalt dan ook op grond van het vijfde lid van rechtswege bij overlijden van de dader, zonder dat daarvoor een intrekking van de boetebeschikking nodig is.

Artikel 48. Voorschriften rond voorgenomen boete-oplegging

Dit artikel komt overeen met het in de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid opgenomen artikel 20b AAW. Wanneer de betrokkene aan een handeling van de bedrijfsvereniging redelijkerwijs de conclusie kan verbinden dat hem een boete zal worden opgelegd, geldt het zwijgrecht. Doorgaans zal dat pas aan de orde zijn, wanneer kennis is gegeven van het voornemen tot boete-oplegging, hoewel dat ook eerder kan zijn, bijvoorbeeld als de betrokken verzekerde of diens wettelijke vertegenwoordiger, opgeroepen voor een gesprek inzake de beoordeling van de rechtmatigheid van de uitkeringsverstrekking, aangeeft niet te hebben voldaan aan de hem geldende inlichtingenverplichting. In dat geval zal de bedrijfsvereniging moeten wijzen op het zwijgrecht. De cautie, dat wil zeggen het uitdrukkelijk wijzen op het zwijgrecht, is uitsluitend van toepassing indien de betrokkene mondeling om informatie is gevraagd.

De bedrijfsvereniging moet de betrokkene in kennis stellen van het voornemen een boete op te leggen en de gronden waarop dat voornemen rust. In artikel 6, derde lid, onderdeel a, van het EVRM is het recht vastgelegd van degene tegen wie een vervolging is ingesteld, om in een taal die hij verstaat op de hoogte te worden gesteld van de beschuldiging. Het derde lid voorziet hierin. In het vierde lid is een ruimere hoorplicht ingevoerd dan op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geldt. In de situatie dat betrokkene zijn zienswijze geeft (vijfde lid), moet gewaarborgd zijn dat deze de gestelde vragen volledig begrijpt en zich ook verstaanbaar kan maken. Om die reden is de zorgplicht voor de bedrijfsvereniging stringenter geformuleerd. Als redelijkerwijze kan worden aangenomen dat aan een taalhulp geen behoefte bestaat kan worden afgezien van een taalhulp. Daarbij kan worden gedacht aan een verzekerde die al langere tijd een uitkering ontvangt, waaruit kan worden afgeleid dat hij bekend is met de in het uitkeringsproces gebezigde taal, of dat de verzekerde zich ook naar de bedrijfsvereniging toe zelfstandig of met hulp heeft weten uit te drukken.

Artikel 49. Voorschriften rond boetebesluit

Dit artikel komt overeen met het in de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid opgenomen artikel 20c AAW. De bedrijfsvereniging zal degene die zij een boete oplegt in haar beschikking duidelijk moeten informeren over de wijze en de termijn van betalen van de boete. Tevens zal betrokkene moeten worden meegedeeld dat hem bij niet-tijdige betaling tenuitvoerlegging overeenkomstig artikel 53 boven het hoofd hangt.

Op grond van het tweede lid moet de in het besluit vervatte informatie zoveel mogelijk in een voor de betrokkene begrijpelijke taal worden meegedeeld. Dit lid komt overeen met het derde lid van het vorige artikel.

Artikel 50. Niet-oplegging van boete

Dit artikel komt overeen met het in de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid opgenomen artikel 20d AAW. Hangende een onderzoek van het OM wordt de boete-oplegging opgeschort. Het tweede lid geeft, samen met het voorgestelde artikel 99, uitwerking aan het una via-beginsel. Zodra de bedrijfsvereniging een boete heeft opgelegd, kan wegens dezelfde gedraging geen strafrechtelijke afdoening meer volgen (artikel 99). Aan de andere kant kan geen administratiefrechtelijke boete meer worden opgelegd indien ter zake van de gedraging strafvervolging is ingesteld die zover is gevorderd dat het onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen dan wel het recht op strafvervolging is vervallen door een schikking met het OM op de voet van artikel 74 Wetboek van Strafrecht. Het derde lid geeft een informatieplicht ter zake aan het OM.

Artikel 51. Termijnstelling van boete

Dit artikel komt overeen met het in de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid opgenomen artikel 20e AAW. Teneinde voldoende effectiviteit te bewerkstelligen is het noodzakelijk dat tussen de kennisgeving en de oplegging van de boete niet te veel tijd ligt. Daarom is één jaar als uiterste termijn aangehouden, te rekenen vanaf het moment dat de betrokkene op grond van artikel 48, vierde lid, in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze over de voorgenomen boete-oplegging naar voren te brengen. Als aangifte is gedaan of proces-verbaal opgemaakt, begint de termijn te lopen vanaf de dag dat het OM de bedrijfsvereniging heeft meegedeeld dat geen strafvervolging wordt ingesteld. Uit een oogpunt van rechtszekerheid wordt een boete hoe dan ook niet opgelegd als vijf jaar na de gedraging zijn verstreken.

Artikel 52. Afwijking 8:69 Awb

Dit artikel komt overeen met het in de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid opgenomen artikel 20f AAW. Aansluitend op hetgeen de Hoge Raad heeft geoordeeld inzake de fiscale boete, waarbij de boete naar analogie van hetgeen geldt voor straffen in het commune strafrecht door de rechter kan worden verhoogd, wordt in dit artikel bepaald dat de rechter in (hoger) beroep het bedrag van de boete ten nadele van de betrokkene kan wijzigen. Uiteraard wordt deze wijziging in elk geval begrensd door de maximale hoogte van de op te leggen boete.

Artikel 53. Boetebesluit executoriale titel

Dit artikel komt overeen met het in de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid opgenomen artikel 20g AAW. Het besluit tot oplegging van een boete levert een executoriale titel op die met toepassing van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering (Rv) kan worden tenuitvoergelegd. Ten aanzien van het besluit tot terugvordering is datzelfde geregeld in artikel 63. Overigens hoeft van de executoriale kracht die een boetebesluit oplevert niet altijd onmiddellijk gebruik te worden gemaakt.

Dit artikel geeft een zekere voorkeur aan met betrekking tot de volgorde van te hanteren executie-wijzen. Voorop staat de verrekening, tussen dezelfde partijen en met uitkering of andere verstrekking op grond van deze wet, de WW, de Ziektewet, de WAO, de AAW, de Wamil of een toeslag op grond van de Toeslagenwet (tweede lid). Daarna volgt inhouding door een ander uitvoeringsorgaan met afdracht aan de boete-oplegger (derde en vierde lid; pseudo-verrekening). De derde mogelijkheid is executie met de middelen van Rv. De bepalingen zijn alle imperatief, ofschoon het wenselijk kan zijn af te wijken van de aangegeven volgorde, dan wel om tegelijkertijd of achtereenvolgens verschillende vormen toe te passen. Deze mogelijkheid is neergelegd in het zesde lid. Kosten voortvloeiend uit additionele werkzaamheden, noodzakelijk om tot invordering te komen bij niet-tijdige betaling, komen voor rekening van de betrokkene. In het achtste lid worden de artikelen 479b tot en met 497g Rv, behoudens 497e Rv, van overeenkomstige toepassing verklaard op executoriaal derdenbeslag.

Het in het negende lid bepaalde over de beslagvrije voet volgt met betrekking tot de echte verrekening al uit het eerste lid van artikel 6:135 BW en voor de tenuitvoerlegging met toepassing van Rv uit dat wetboek. Dit lid is echter nodig voor de pseudo-verrekening.

Het niet nakomen van de verplichting om informatie te verschaffen die van belang is voor de tenuitvoerlegging van de boete leidt tot verlies van de bescherming die de beslagvrije voet anders biedt.

Artikel 54. Betaalbaarstelling

De arbeidsongeschiktheidsuitkering en uitkering in verband met bevalling wordt door de bedrijfsvereniging betaald, in principe over tijdvakken van telkens een maand. Het kan voorkomen dat de bedrijfsvereniging heeft vastgesteld dat recht op uitkering bestaat, maar dat nog niet kan worden vastgesteld welk bedrag aan uitkering moet worden betaald. Dat kan bijvoorbeeld te maken hebben met het feit dat de grondslag van de uitkering nog niet vaststaat. Dat is bij voorbeeld het geval bij de bevallingsuitkering, waarbij veelal uitkering moet worden betaald vrij korte tijd nadat de melding en de aanvraag is gedaan en waarbij het nogal eens zal voorkomen dat geen relevante inkomensgegevens voorhanden zijn. In verband daarmee heeft de bedrijfsvereniging de mogelijkheid om de uitkering bij wijze van voorschot te verlenen. Dit voorschot wordt dan naderhand verrekend met het definitief vastgestelde uitkeringsbedrag. In een drietal situaties gaat de bedrijfsvereniging over tot schorsing of opschorting van de betaling van de uitkering. Dat is het geval wanneer zij op grond van duidelijke aanwijzingen van oordeel is of het gegronde vermoeden heeft dat geen recht (meer) bestaat op uitkering, dan wel recht op een lagere uitkering of dat de verzekerde een van de verplichtingen, genoemd in artikel 44, 45, of 69 niet is nagekomen. Het niet nakomen van een van die verplichtingen leidt op grond van artikel 19, wat de arbeidsongeschiktheidsuitkering betreft tot herziening of intrekking. In het derde lid wordt ook de uitkering in verband met bevalling genoemd. Veelal zal bij deze uitkering wel het recht kunnen worden vastgesteld, maar het verstrekken van onjuiste inlichtingen kan tot gevolg hebben dat een te hoge uitkering wordt betaald. Op het moment dat de bedrijfsvereniging van oordeel is dat dat het geval is, schort zij de betaling op dan wel, als de uitkering al is gestart, schorst zij de betaling. Voor alle duidelijkheid wordt opgemerkt dat de bedrijfsvereniging niet lichtvaardig kan overgaan tot schorsing of opschorting. Er moeten duidelijke aanwijzingen of gegronde vermoedens bestaan dat zich een van de omstandigheden, genoemd in dit lid, voordoet.

Overmaking van een uitkering naar het buitenland brengt meer kosten met zich dan wanneer de uitkering binnenslands wordt uitbetaald. De kosten van overmaking naar het buitenland worden dan ook in mindering gebracht op de uitkering.

De uitkeringsgerechtigde kan een ander machtigen de uitkering in ontvangst te nemen. Hij kan die machtiging elk moment weer intrekken. In het vijfde lid is bepaald dat aan de machtiging, respectievelijk de intrekking van de machtiging zo spoedig mogelijk moet worden voldaan. In principe bij het eerstvolgende betalingstijdvak, maar als dat gelet op het tijdstip waarop de machtiging is gedaan, respectievelijk ingetrokken, niet mogelijk is, met ingang van het daaropvolgende betalingstijdvak.

Artikel 55. Inhouding vereveningsbijdrage

Dit artikel regelt de inhouding van de zogenoemde vereveningsbijdrage op de uitkering. Ten aanzien van de persoon die uitkering ontvangt, wordt geen premie op grond van deze wet geheven. Dat vloeit voort uit artikel 70. In dit verband kan overigens worden opgemerkt dat een persoon die naast een uitkering andere (verzekerde) inkomsten verwerft voor die andere inkomsten wel premieplichtig is. Wat de vereveningsbijdrage betreft is de regeling zo dat de uitkeringsgerechtigde wat de inhouding betreft op gelijke wijze wordt behandeld als een werknemer.

Artikel 56. Betaling aan instellingen

Op grond van het eerste lid kan de bedrijfsvereniging de uitkering tot het bedrag van de eigen bijdrage in de verpleegkosten op grond van de AWBZ zonder machtiging van de verzekerde betalen aan de Ziekenfondsraad.

Het tweede lid biedt de mogelijkheid voor de bedrijfsvereniging om de uitkering in plaats van aan de uitkeringsgerechtigde, te betalen aan een inrichting waar de verzekerde is opgenomen of aan de gemeente die de desbetreffende opnamekosten betaalt. Die mogelijkheid bestaat indien de uitkeringsgerechtigde niet in staat is kwijting te verlenen voor de betaling van uitkering. Betaling vindt echter eerst plaats nadat een daartoe strekkend verzoek is gedaan door de inrichting of de betrokken gemeente. Voor het na toepassing van het eerste lid resterende bedrag kan het tweede lid nog toepassing vinden. Op grond van artikel 3:41 Awb moet bekendmaking van besluiten geschieden door toezending of uitreiking aan de belanghebbende. Op grond van artikel 3:45 Awb moet melding worden gemaakt van de bezwaar- en beroepsmogelijkheden. Vasthouden aan deze voorschriften zou in het geval dat na toepassing van het tweede lid een herzieningsbeschikking wordt getroffen, een onevenredige belasting kunnen opleveren voor de bedrijfsvereniging. Daarom is in het vierde lid van dit artikel met betrekking tot het eerste lid de toepasselijkheid van genoemde Awb-artikelen uitgesloten.

Artikel 57. Inkomsten uit arbeid tijdens uitkering

In het algemeen zal werkhervatting door de uitkeringsgerechtigde leiden tot herziening of intrekking van de uitkering. Wanneer echter geen zekerheid bestaat dat deze arbeid valt aan te merken als arbeid genoemd in artikel 2, vierde lid, kan ten aanzien van de verzekerde nog geen schatting op die arbeid plaatsvinden. Alsdan wordt het uitkeringsrecht niet herzien of ingetrokken, maar vindt een vermindering van het bedrag van de uitkering plaats. Deze anticumulatie vindt plaats alsof de arbeid die de verzekerde aanvangt, wel algemeen geaccepteerde arbeid is. Op basis van de aldus verrichte fictieve schatting, wordt dan de uitkering verminderd met het bedrag van de inkomsten. Wanneer de inkomsten zodanig zijn dat er bij wel algemeen geaccepteerde arbeid een arbeidsongeschiktheid van minder dan 25% zou resteren, wordt de uitkering niet betaald. Toepassing van het eerste lid kan over maximaal drie jaar plaatsvinden. Na afloop van dat tijdvak geldt de aangevangen arbeid als arbeid in de zin van artikel 2, vierde lid. De driejaarstermijn geldt niet ten aanzien van degene die WSW-arbeid verricht. In die gevallen worden over de gehele duur van die arbeid de inkomsten daaruit op de uitkering in mindering gebracht. Een en ander staat in het derde lid. De als gevolg daarvan niet betaalde uitkeringen komen ten gunste van 's Rijks kas (vierde lid). Op grond van het vijfde lid worden bij ministeriële regeling regels gesteld met betrekking tot het eerste lid. Deze regeling voorziet in elk geval in gelijkstelling van inkomsten in verband met arbeid, zoals uitkeringen uit hoofde van het verrichten of verricht hebben van de arbeid, genoemd in het eerste lid, met inkomsten uit arbeid. In het zesde lid wordt geregeld dat bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat ook bij andere arbeid dan WSW-arbeid de driejaarstermijn niet geldt. Dit lid komt overeen met artikel 33, vijfde lid, AAW.

Artikel 58. Samenloop van arbeidsongeschiktheidsuitkering met andere uitkeringen

In het eerste, tweede en derde lid van dit artikel worden de hoofdregels weergegeven bij gelijktijdige samenloop van WAO- en WAZ-uitkering. Onder gelijktijdige samenloop wordt in dit verband verstaan de situatie waarin een persoon ter zake van arbeidsongeschiktheid met ingang van dezelfde dag aanspraak heeft op een WAO- en een WAZ-uitkering.

In het eerste lid is geregeld dat in die situatie de uitkering op grond van de WAZ niet tot uitbetaling komt, tenzij de WAO-uitkering lager is dan 70% van het minimumloon per dag, of de persoon in kwestie in het kalenderjaar onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van de arbeidsongeschiktheid in betekenende mate geregeld zowel WAO-verzekerde arbeid als WAZ-verzekerde arbeid heeft verricht.

In het tweede lid is geregeld dat als de WAO-uitkering lager is dan 70% van het minimumloon per dag, de WAZ uitkering de WAO-uitkering aanvult tot ten hoogste 70% van het minimumloon.

In het derde lid is aangegeven dat de WAZ-uitkering van een persoon die voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid in betekenende mate zowel WAO-verzekerde arbeid als WAZ-verzekerde arbeid heeft verricht tot een nader te bepalen bedrag tot uitbetaling komt. De wijze waarop dit bedrag moet worden vastgesteld, alsmede hetgeen onder «in betekenende mate» moet worden worden verstaan, zal worden opgenomen in de algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het achtste lid van dit artikel. Het ligt in het voornemen bij het opstellen van deze regels aan te sluiten bij het thans bestaande Besluit van 23 december 1986, nr. 86/10 945 op grond van artikel 36a, achtste lid, van de AAW betreffende regels ingeval van samenloop AAW-uitkering met een WAO-uitkering (Stcrt. 1986, 250).

In het vierde lid is een regeling getroffen voor de (volgtijdelijke) samenloopsituatie waarin een persoon eerst WAZ-uitkeringsgerechtigd is en daarna tevens WAO-uitkeringsgerechtigd wordt. Deze situatie zal zich kunnen voordoen als de WAZ-uitkeringsgerechtigde voor zijn resterende verdiencapaciteit werkzaamheden als werknemer gaat verrichten en uit dien hoofde arbeidsongeschikt wordt. Indien de arbeidsongeschiktheid ter zake van laatstgenoemde werkzaamheden tevens leidt tot een herziening van de WAZ-uitkering dan kan, op grond van het bepaalde in het vierde lid, de herziene WAZ-uitkering de WAO-uitkering tot ten hoogste 70% van het minimumloon aanvullen, zij het dat de WAZ-uitkering in elk geval tot uitbetaling komt naar het niveau van voor de herziening. Met deze regeling wordt aangesloten bij de regeling zoals die thans geldt voor de volgtijdelijke samenloop van AAW- en WAO-uitkering (zie artikel 36a, tweede lid, AAW). Het voorgaande impliceert, dat in de situatie waar de arbeidsongeschiktheid uit WAO-verzekerde werkzaamheden niet leidt tot een herziening van de WAZ-uitkering, de WAZ-uitkering volledig naast de WAO-uitkering tot uitbetaling komt.

Het vijfde lid regelt de omgekeerde situatie van het vierde lid, dat wil zeggen dat eerst sprake is van een WAO-uitkering en nadien tevens van een WAZ-uitkering. In dat geval komt de WAZ-uitkering tot uitbetaling voorzover zij hoger is dan het bedrag waarmee de WAO-uitkering na herziening door toeneming is verhoogd.

Het zesde lid, betreffende de vakantie-uitkering, komt overeen met het voormalige vijfde lid van artikel 36a, AAW en behoeft geen verdere toelichting. Dit laatste geldt ook ten aanzien van het zevende lid, dat als zevende lid was opgenomen in het eerdergenoemde artikel 36a, AAW.

Het achtste lid, onderdeel a, voorziet in de mogelijkheid tot het stellen van nadere regels. Zoals hiervoor bij de bespreking van het derde lid reeds is aangegeven, zullen deze regels in ieder geval betrekking hebben op het begrip «in betekenende mate» en op de omvang van de WAZ-uitkering die tot uitbetaling komt in de situatie waar een persoon voorafgaande aan het intreden van de arbeidsongeschiktheid, in een substantiële omvang zowel WAZals WAO-verzekerde werkzaamheden heeft verricht.

Op grond van het achtste lid, onderdeel b, kunnen regels worden gesteld inzake de samenloop van arbeidsongeschiktheidsuitkering met arbeidsongeschiktheidsuitkeringen op grond van andere wetten, dan de WAO. Eenzelfde bepaling is opgenomen in het wetsvoorstel Pemba en het wetsvoorstel Wajong. Tevens kunnen op grond van dit onderdeel regels worden gesteld bij samenloop van een arbeidsongeschiktheidsuitkering en een bevallingsuitkering op grond van deze wet of een andere wet. Dit kan zich bij voorbeeld voordoen ten aanzien van de verzekerde wier recht op bevallingsuitkering ingaat tegen het einde van de wachttijd voor de arbeidsongeschiktheidsuitkering of voor de arbeidsongeschiktheids-uitkering op grond van de WAO. Alsdan kan zich de situatie voordoen dat een recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering ingaat terwijl het recht op bevallingsuitkering nog niet is geëindigd. Het ligt in deze situatie in de rede de arbeidsongeschiktheidsuitkering niet tot uitbetaling te doen komen. Voorts kan de situatie zich voordoen dat zowel uit hoofde van deze wet als uit hoofde van de ZW recht bestaat op een bevallingsuitkering. In deze situatie ligt het in de rede, de samenloop te beperken zodanig dat indien de ZW-uitkering hoger is dan 100% van het minimumloon per dag, de bevallingsuitkering op grond van de WAZ niet tot uitbetaling komt. Indien de ZW-uitkering lager is dan eerdergenoemd bedrag dan ligt het in de rede, dat de bevallingsuitkering op grond van de WAZ niet tot uitbetaling komt voor zover deze uitkering tezamen met de bevallingsuitkering op grond van de ZW meer bedraagt dan 100% van het minimumloon per dag.

Het negende lid komt overeen met hetgeen in artikel 43 van de AAW was bepaald en behoeft geen nadere toelichting.

Artikel 59. Betaling van vakantie-uitkering

In het eerste lid wordt aangegeven dat de vakantie-uitkering in de maand mei wordt betaald. Er wordt dan uitgekeerd het bedrag over de twaalf maanden voorafgaand aan die maand. Er zijn evenwel situaties denkbaar waarin het in de rede ligt de vakantie-uitkering op een ander tijdstip te betalen. Dit geldt allereerst wanneer een recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering eerder dan in mei eindigt. Dit zal zich tevens voordoen bij het recht op uitkering in verband met bevalling, welk recht immers een duur van ongeveer 16 weken kent. Los hiervan heeft de bedrijfsvereniging de bevoegdheid vakantie-uitkering op een ander tijdstip uit te betalen als de verzekerde daartoe een verzoek doet. In tegenstelling tot hetgeen artikel 56 van de AAW bepaalt, zijn in dit lid alle afwijkingen ten opzichte van betaling in de maand mei opgenomen. Het treffen van een ministeriële regeling ter zake is dan niet nodig.

De overeenkomstige toepassing in het tweede lid van de artikelen 54, 56 en 60 betreft de toepasselijkheid van een aantal artikelen over de betaling. Voor zover voor de vakantie-uitkering niet anders is geregeld, gelden deze artikelen ook voor de vakantie-uitkering. Het gaat om de artikelen over de betaalbaarstelling, de uitbetaling aan instellingen en de betaling van overlijdensuitkering.

Artikel 60. Overlijdensuitkering

Op grond van dit artikel wordt na overlijden van de uitkeringsgerechtigde de arbeidsongeschiktheidsuitkering dan wel de uitkering in verband met bevalling enige tijd doorbetaald. Deze doorbetaling vindt plaats in de vorm van een overlijdensuitkering. Rechthebbend ten aanzien van de overlijdensuitkering is allereerst de langstlevende echtgenoot indien de overledene niet duurzaam gescheiden leefde van de andere echtgenoot. Indien er geen langstlevende echtgenoot is, zijn rechthebbend de minderjarige wettige en natuurlijke kinderen. Indien ook die er niet zijn, zijn rechthebbend de personen ten aanzien van wie de overledene grotendeels in de kosten van het bestaan voorzag en met wie hij in gezinsverband leefde. Ten aanzien van deze laatste groep rechthebbenden kan worden opgemerkt dat deze zowel (bloed)verwanten van de overledene kunnen zijn, als ook personen kunnen zijn die geen familierechtelijke betrekkingen met de overledene hebben gehad. Genoemde volgorde is dwingend, in die zin dat als er een rechthebbende is als bedoeld in onderdeel a, er geen volgende rechthebbenden meer zijn.

Het kan zijn dat de overledene op de dag van zijn overlijden geen recht op uitkering had. Het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering eindigt immers op de eerste dag van de maand waarin de verzekerde de leeftijd van 65 jaar bereikt. Indien de verzekerde om die reden geen recht meer heeft op uitkering en hij overlijdt voor de dag waarop hij 65 jaar zou worden, wordt niettemin toch overlijdensuitkering verstrekt aan de rechthebbende(n). Dat wordt geregeld in het tweede lid, door deze persoon gelijk te stellen met een uitkeringsgerechtigde.

In het derde lid is de gelijkstelling neergelegd van niet met elkaar gehuwde personen met echtgenoten. Deze gelijkstelling komt overeen met die welke in andere sociale verzekeringswetten is neergelegd. De leden drie en vier van artikel 5 zijn daarbij van toepassing. De voorheen in ZW, WAO en AAW bestaande uitzondering voor bloedverwanten in de eerste of tweede graad, is vervangen door een uitzondering alleen voor bloedverwanten in de eerste graad. Dat leidt ertoe dat wanneer een uitkeringsgerechtigde een gezamenlijke huishouding voert met een bloedverwant in de tweede graad, dat wil zeggen een broer of zus, dan wel een grootouder of kleinkind, en ook overigens aan de omschrijving van artikel 5, derde lid, voldoet, na zijn overlijden deze bloedverwant als echtgenoot aanspraak kan maken op overlijdensuitkering.

In het vijfde lid is de hoogte van de overlijdensuitkering aangegeven. Uitgangspunt bij de berekening is de hoogte van de uitkering op de dag van overlijden. Voor degene op wie het tweede lid van toepassing is, is bepalend de uitkeringshoogte op de laatste dag van zijn uitkeringsrecht.

Gerekend vanaf de dag volgend op de dag van overlijden van de uitkeringsgerechtigde is de overlijdensuitkering gelijk aan het bedrag van een maand uitkering. Een voorbeeld ter verduidelijking. Een uitkeringsgerechtigde overlijdt op 10 januari. Tot en met die dag bestaat recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering of uitkering in verband met bevalling. Vanaf 11 januari tot en met 10 februari wordt de uitkering doorbetaald in de vorm van overlijdensuitkering. De uitkeringshoogte op 10 januari is bepalend voor de hoogte van de overlijdensuitkering over de daarop volgende dagen in de periode van 11 januari tot en met 10 februari.

Zou de overledene in kwestie op 20 januari 65 jaar zijn geworden, dan is zijn recht op uitkering geëindigd op 31 december van het voorafgaande jaar. In dat geval is de uitkeringshoogte op 31 december bepalend voor de hoogte van de overlijdensuitkering in de periode van 11 januari tot en met 10 februari.

Overlijdt de uitkeringsgerechtigde op een zaterdag of een zondag, dan bestaat over die dag geen recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering of uitkering in verband met bevalling. Alsdan is de uitkeringshoogte op de vrijdag daaraan voorafgaand bepalend.

Met het zesde lid wordt voorkomen dat onbedoeld een voortijdig einde aan de overlijdensuitkering komt. Dat zou kunnen gebeuren in de situatie dat een verzekerde op 15 januari overlijdt terwijl hij op 4 februari 65 jaar zou zijn geworden. Consequentie zou dan zijn dat met ingang van 1 februari de uitkering eindigt. Dit is ongewenst. In verband hiermee wordt in het zesde lid artikel 19, eerste lid, onderdeel a, in verband met het overlijden van de uitkeringsgerechtigde buiten werking gesteld. Aanspraak op overlijdensuitkering bestaat ook als een vrouwelijke verzekerde overlijdt die recht had op een bevallingsuitkering. In dit verband is uitsluitend van belang dat zij dat recht had en niet over hoeveel weken zij dat recht al had gehad. Dat betekent dus dat wanneer de vrouw overlijdt en op dat moment 14 weken recht heeft gehad op bevallingsuitkering, de overlijdensuitkering toch over een maand wordt uitbetaald. Met het oog daarop is in het zesde lid van dit artikel tevens artikel 22, derde lid, buiten toepassing verklaard.

De overlijdensuitkering wordt in een bedrag ineens uitbetaald. De uitbetaling geschiedt eerst na een daartoe strekkend verzoek van de rechthebbende of rechthebbenden. Dit is verwoord in het zevende en achtste lid.

Afhankelijk van de dag van overlijden, het moment waarop de overlijdensmelding bij de bedrijfsvereniging binnenkomt en de dag waarop de reguliere uitkering wordt betaald, zal het in de praktijk vaak voorkomen dat de reguliere uitkering al over de gehele maand is betaald op het moment dat de uitkeringsgerechtigde overlijdt. Om te voorkomen dat over een bepaalde, na het overlijden gelegen periode, zowel een reguliere uitkering als een overlijdensuitkering wordt betaald, wordt in het negende lid bepaald dat de overlijdensuitkering wordt verminderd met het bedrag aan uitkering dat over na het overlijden gelegen dagen reeds was betaald.

Over het bedrag aan overlijdensuitkering bestaat recht op vakantie-uitkering. Dat is neergelegd in artikel 26.

Artikel 61. Verjaringstermijn

De inhoud van dit artikel spreekt voor zich.

Artikel 62. Terugvordering

Dit artikel komt overeen met het in de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid opgenomen artikel 48 AAW. In dit artikel is de verplichting neergelegd tot terugvordering van al hetgeen in het kader van de uitkeringsrelatie onverschuldigd is betaald. Het gaat om een terugvordering van de persoon aan wie of de instelling waaraan de uitkering is betaald. Dat betekent een terugvordering niet alleen van de verzekerde zelf, maar ook van andere personen en instellingen die in plaats van de verzekerde uitkering hebben ontvangen op grond van deze wet. Een terugvordering van willekeurige derden die bijvoorbeeld als gevolg van een foutieve overboeking gelden hebben ontvangen, kan niet op de voet van dit artikel plaatsvinden. In die situatie is immers geen sprake van betaling van verstrekkingen op grond van deze wet. Alsdan zal op de voet van het BW terugvordering van onverschuldigde betaling moeten plaatsvinden.

Terugvordering vindt plaats van achteraf onverschuldigd verstrekte uitkeringen of voorzieningen als gevolg van een herzienings- of intrekkingsbeslissing, genoemd in artikel 18. Door deze beslissing komt de rechtsgrond aan een reeds verleende uitkering of voorziening geheel of gedeeltelijk te ontvallen. Het kan bij zo'n beslissing gaan om zowel de inhoudelijke aspecten van de uitkering, zoals het recht op uitkering en de verlaging van de uitkering bij wege van maatregel, als om vergissingen, zoals rekenfouten. Beide leiden tot herstel van het toekenningsbesluit. Dat op grond van het eerste lid hetgeen overigens onverschuldigd is betaald ook teruggevorderd wordt, heeft ermee te maken dat er ook terugvordering moet plaatsvinden in de gevallen dat er geen sprake is van een herzienings- of intrekkingsbeslissing. Dat doet zich bijvoorbeeld voor als er een goed besluit is getroffen, doch abusievelijk een hoger bedrag wordt betaald dan het besluit vermeldt. De in het eerste lid gekozen formulering impliceert tevens dat in de gevallen waarin achteraf, als gevolg van een rechterlijke uitspraak, wijziging in het recht op uitkering optreedt terugvordering plaatsvindt.

Het tweede lid komt overeen met hetgeen in artikel 18, tweede lid, 46, tweede lid, en 47, derde lid, is bepaald. Uitzonderingen moeten mogelijk zijn indien de terugvordering voor de belanghebbende onaanvaardbare consequenties heeft. Daarbij moet het om incidentele gevallen gaan, gebaseerd op een individuele afweging van alle relevante omstandigheden. Van algemene of categoriale afwijkingen kan geen sprake zijn. Toepassing van dringende redenen dient te geschieden met inachtneming van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Bij dringende redenen behoeft niet alleen aan financiële omstandigheden te worden gedacht. Ook immateriële omstandigheden kunnen een rol spelen. Wat de financiële omstandigheden kan nog worden bedacht dat in het algemeen voldoende bescherming wordt geboden door de beslagvrije voet (zie artikel 63, tweede lid, jo. 53, negende lid). Dringende redenen worden niet gevormd door doelmatigheidsoverwegingen, in die zin dat op grond van een kosten-batenafweging van uitoefening van de verplichting door de bedrijfsvereniging kan worden afgezien. Uit een oogpunt van rechtszekerheid, rechtsgelijkheid en preventieve werking is het consequent ten uitvoer leggen van deze besluiten van groot belang.

Evenals bij een besluit tot boete-oplegging is bepaald (zie artikel 49, eerste lid), zal in een terugvorderingsbesluit informatie moeten worden verstrekt over de wijze van tenuitvoerlegging van dat besluit. Het derde lid voorziet daarin.

Het vierde lid komt overeen met artikel 47, vierde lid. De niet-nakoming van deze inlichtingenverplichting zal in het invoeringstraject strafbaar worden gesteld op grond van artikel 108 van de Organisatiewet sociale verzekeringen. Voorts leidt niet-nakoming van deze inlichtingenverplichting tot verlies van de bescherming van de beslagvrije voet.

Artikel 63. Besluit als executoriale titel

Dit artikel komt overeen met het in de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid opgenomen artikel 48a AAW. Evenals een boetebesluit (artikel 53, eerste lid), levert het besluit tot terugvordering een executoriale titel op.

Artikel 64. Nadere regels

Dit artikel komt overeen met het in de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid opgenomen artikel 48b AAW. Evenals bij het treffen van maatregelen (artikel 46, derde lid) en in geval van opleggen van boete, is terwille van afstemming op het concrete geval ter zake van terugvordering regelgeving nodig. In de wetgeving kan niet verder worden gegaan dan het aangeven van enkele kaders. Ten aanzien van de reikwijdte van deze gedelegeerde regelgeving kan worden verwezen naar paragraaf 10 «Nadere regelgeving» van eerdergenoemde wet.

Artikel 65. Onvervreemdbaarheid van verstrekkingen

Teneinde te bereiken dat de op basis van deze wet verleende uitkeringen zoveel mogelijk beantwoorden aan het doel waarvoor zij worden verstrekt, te weten een inkomensvoorziening, wordt in dit artikel bepaald dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering, de verhoging van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, de uitkering in verband met bevalling, de voorziening, de inkomenssuppletie, de toelage noch de vergoeding op grond van artikel 31, in eigendom kan worden overgedragen of kan worden beleend dan wel verpand. Met geen beding kan daarvan worden afgeweken. Op de arbeidsongeschiktheidsuitkering, de uitkering in verband met bevalling, de vakantie-uitkering, de inkomenssuppletie en de toelage kan overigens wel beslag worden gelegd.

Artikel 66. Niet voor beslag vatbare verstrekkingen

Een aantal verstrekkingen op grond van deze wet is uitgezonderd van de mogelijkheid tot beslaglegging. Dat zijn de verhoging van de arbeidsongeschiktheidsuitkering in verband met hulpbehoevendheid, de voorzieningen, de vergoeding, bedoeld in artikel 31, en de overlijdensuitkering.

Gelet op het feit dat een verleende voorziening niet vatbaar is voor beslag, ligt het in de rede ook de vergoeding beslagvrij te houden. Deze vergoeding houdt namelijk rechtstreeks verband met de verstrekte voorziening. Dat geldt niet voor de toelage, bedoeld in artikel 31, die veeleer het karakter heeft van een tegemoetkoming wegens gederfde inkomsten en als zodanig overeenkomt met een uitkering, die dat karakter eveneens heeft.

Artikel 67. Samenloop aanspraken

Wanneer de arbeidsongeschiktheid van een verzekerde is ontstaan door toedoen van een ander, die daarvoor naar burgerlijk recht verplicht is tot schadevergoeding, moet worden voorkomen dat langs twee wegen schadevergoeding kan worden verkregen. Met het oog daarop is in dit artikel bepaald dat de rechter die oordeelt over de schadevergoeding naar burgerlijk recht, rekening houdt met de aanspraken die de verzekerde op grond van deze wet heeft.

Artikel 68. Regresrecht

In hoofdstuk 5.2 is ingegaan op de achtergronden van het voorstel tot uitbreiding van het regresrecht. Over de omvang van het regres is het volgende bepaald. De rechter moet bij het vaststellen van de schadevergoeding rekening houden met de aanspraken die de verzekerde krachtens deze wet heeft (artikel 67). Vervolgens kan de bedrijfsvereniging de door haar gemaakte kosten op de schadeplichtige verhalen. Omdat het regresrecht van de bedrijfsvereniging in het verlengde ligt van de schadevergoedingsvordering van de verzekerde is dit verhaal aan een maximum gebonden. Dit wordt gedaan door een fictie op te nemen: de bedrijfsvereniging kan niet méér verhalen dan het bedrag dat de verzekerde zou kunnen vorderen als de betreffende sociale verzekering niet zou hebben bestaan. Dit maximum wordt het civiel plafond genoemd.

Om de hoogte van het regres te kunnen vaststellen moet de rechter dus eerst de hoogte van de schadevergoeding van het slachtoffer vaststellen, zoals die zou zijn geweest als er geen sociale verzekeringen waren geweest. De rechter gaat er dan van uit dat in die situatie het slachtoffer een schadevergoeding ontvangen zou hebben uit een particuliere verzekering. Aangezien dergelijke uitkeringen in het algemeen niet aan de heffing van belasting en sv-premies onderworpen zijn, gaat het bij het maximaal verhaalbare bedrag om een netto bedrag. Deze systematiek is door de Hoge Raad een aantal malen bevestigd, laatstelijk bij arrest van 25 februari 1995, NJ 1995, 608 (Sterpolis/Staat).

Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat de bedrijfsvereniging in plaats van de periodieke verstrekkingen de contante waarde daarvan kan vaststellen in de vorm van een jaarlijkse afkoopsom, die de totale schade als gevolg van het veroorzaken van arbeidsongeschiktheid weerspiegelt.

Artikel 69. Verplichting tot verstrekken van inlichtingen

Dit artikel behelst de algemene verplichting tot het verstrekken van alle mededelingen die van invloed kunnen zijn op het recht op, de hoogte en het bedrag van de uitkering. Deze verplichting geldt allereerst de verzekerde, zoals omschreven in artikel 3. Reeds bij aanvang van de verzekering kunnen zich omstandigheden voordoen die van invloed zijn op het recht op uitkering. In dat verband rust op de verzekerde die (nog) geen aanspraak maakt op uitkering de algemene inlichtingenverplichting. Daarnaast gaat het om de verzekerde die een arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft, om de verzekerde die in de wachttijd verkeert en de verzekerde die aanspraak maakt op uitkering. Afgezien van de verzekerde is diens wettelijke vertegenwoordiger mededelingsplichtig. Tot slot betreft de verplichting de instelling waaraan de uitkering wordt betaald op grond van artikel 56.

De inlichtingenverplichting strekt zich tevens uit over de aanspraak op vakantie-uitkering. De inlichtingenverplichting geldt tevens de vrouwelijke verzekerde die aanspraak maakt op uitkering in verband met bevalling, de verzekerde ten aanzien van wie een voorziening wordt getroffen of overwogen of aan wie een inkomenssuppletie, toelage of vergoeding is verleend.

Het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting voorvloeiend uit dit artikel, kan op grond van artikel 18 of 30 leiden tot herziening of intrekking van uitkering, en op grond van artikel 47 leiden tot een boete. Daarnaast wordt op grond van artikel 54 de betaling van uitkering geschorst of opgeschort, als de bedrijfsvereniging op grond van duidelijke aanwijzingen van oordeel is of het gegronde vermoeden heeft dat de verzekerde of diens wettelijke vertegenwoordiger de inlichtingenverplichting niet of niet behoorlijk heeft nagekomen.

Artikel 70. Premieplicht

Met dit artikel wordt aangegeven wie premieplichtig zijn voor de verzekering op grond van deze wet. De opbrengst van de premies dienen, naast een aantal andere bronnen – zie artikel 78 – tot dekking van alle uitgaven die voor deze wet moeten worden gedaan. Dat betreft niet alleen de uitkeringen, voorzieningen en toelagen, maar ook de kosten die uitvoering van deze wet door bedrijfsverenigingen en belastingdienst met zich brengt en de middelen die noodzakelijk zijn voor instandhouding van een reserve van het Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen. De uitgaven die ten laste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen komen, staan vermeld in artikel 79.

Ten aanzien van de verzekerden bij wie premie wordt geheven, wordt aangesloten bij de in artikel 4, 5 en 6 omschreven kring van respectievelijk zelfstandigen (onderscheiden naar in Nederland wonend en niet in Nederland wonend), beroepsbeoefenaren, meewerkende echtgenoten/partners. Op de voet van dit artikel vindt premieheffing en -inning door de belastingdienst plaats. Ten aanzien van personen, bedoeld in artikel 3, tweede lid, geldt een ander regiem. Ten aanzien van hen vindt op de uitkering inhouding van vereveningsbijdrage plaats. Overeenkomstig de regel, neergelegd in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, eindigt de premieplicht met ingang van de eerste dag van de maand waarin de verzekerde de leeftijd van 65 jaar bereikt.

Artikel 71. Maatstaf voor premieheffing

In het eerste lid van dit artikel is de grondslag voor de premieheffing neergelegd: het premie-inkomen. Dit premie-inkomen bestaat uit het gezamenlijke bedrag aan winst uit onderneming, winst uit binnenlandse onderneming en de anders dan uit dienstbetrekking genoten inkomsten uit tegenwoordige arbeid. Het begrip «winst uit onderneming» ziet op een netto-bedrag, dat wil zeggen na aftrek van de daarmee gemoeide kosten. Om voor de anders dan uit dienstbetrekking genoten inkomsten uit tegenwoordige arbeid eenzelfde benadering te bewerkstelligen is bepaald dat deze inkomsten worden verminderd met de aftrekbare kosten die betrekking hebben op de inkomsten uit tegenwoordige arbeid. Deze benadering heeft tot gevolg dat bij samenloop tussen loon uit dienstbetrekking in de zin van de WAO en andere inkomsten uit arbeid, de aftrekbare kosten die zien op het loon uit dienstbetrekking, in aftrek komen op de andere inkomsten uit arbeid en dientengevolge de premiegrondslag verminderen. Splitsing van deze kosten, in een deel dat ziet op het loon uit dienstbetrekking en een deel dat ziet op de andere inkomsten uit tegenwoordige arbeid, is uitvoeringstechnisch bezwaarlijk. Daaraan zij toegevoegd dat het meestal zo zal zijn dat het grootste deel van de kosten wordt opgeroepen door de andere inkomsten uit tegenwoordige arbeid.

In het tweede lid van dit artikel is de maximumpremiegrens neergelegd. Zoals reeds is vermeld in hoofdstuk 4.5 van het algemeen deel van deze memorie van toelichting is geen premie verschuldigd over het premie-inkomen voor zover dit een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag te boven gaat.

Artikel 72. Franchise en tarief

In het eerste lid is de zogenaamde franchise opgenomen. Deze franchise ziet op het deel van het premie-inkomen waarover geen premie is verschuldigd. De franchise bestaat in de eerste plaats uit een basisbedrag dat bij ministeriële regeling wordt vastgelegd. In de tweede plaats komt in de franchise de afstemming op de werknemersverzekering tegen arbeidsongeschiktheid (de WAO) tot uiting. Indien het bedrag van de inkomsten uit dienstbetrekking hoger is dan het basisbedrag van de franchise, geldt het bedrag van de inkomsten uit dienstbetrekking in de zin van de WAO als franchise.

Het tweede en derde lid van dit artikel betreft de vaststelling van het premiepercentage voor de verzekering op grond van deze wet, die opgedragen is aan het Tica. Het Tica stelt daarbij tevens vast voor welk tijdvak dat percentage geldt. In het algemeen zal die vaststelling per kalenderjaar plaatsvinden, ofschoon vaststelling voor een korter tijdvak tevens tot de mogelijkheden behoort. Het ligt voor de hand deze vaststellingstaak in handen te leggen van het Tica, aangezien bij deze instantie ook de kennis aanwezig is over de op basis van deze wet verleende uitkeringen, en het Tica tevens het beheer voert over het Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen. Voorts komt premievaststelling door het Tica ook overeen met hetgeen in artikel 10 van de Wet financiering volksverzekeringen (WFV) is bepaald ten aanzien van de vaststelling van de premie voor de AAW-verzekering. De vaststelling van het premiepercentage is onderworpen aan de goedkeuring van Onze Minister. Indien het door het Tica vastgestelde percentage of de door hem vastgestelde periode niet tot goedkeuring leidt, stelt in plaats van het Tica de Minister het percentage of de periode vast.

Artikel 73. Gemiddeld premiepercentage

Zoals aangegeven zal in de praktijk de vaststelling van het premiepercentage per kalenderjaar plaatsvinden. Ingeval echter een wijziging in het percentage optreedt op een andere datum dan 1 januari, zal een herberekening moeten plaatsvinden. Dit geschiedt op basis van een ministeriële regeling, die een gemiddeld premiepercentage aangeeft voor bij die regeling aan te wijzen tijdvakken.

Artikel 74. Heffing van premie

Met dit artikel wordt bereikt dat de regels die gelden voor de heffing en invordering van de inkomstenbelasting, op dezelfde manier worden toegepast bij de heffing en de invordering van de premie die verschuldigd is op grond van deze wet. Dat betekent dat zowel de formele bepalingen in de Wet IB, als die in de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) en de Invorderingswet 1990 overeenkomstig worden toegepast, alsmede de op die wetten gebaseerde lagere regelgeving, zoals die inzake uitstel van betaling. Voorts is hierdoor de fiscale regeling inzake bezwaar en beroep, zoals onder andere geregeld in de AWR en de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken, van overeenkomstige toepassing, alsmede de uitsluiting van de toepassing van boek 8 Awb in artikel 8:4, onderdeel g, Awb. Deze opzet heeft tevens tot gevolg dat bijvoorbeeld ook de regeling inzake heffingsrente met betrekking tot de inkomstenbelasting overeenkomstig wordt toegepast voor de premie. Daarmee is de premie echter nog geen inkomstenbelasting geworden. Zo wordt door deze opzet verrekening van loonbelasting met premie (artikel 15 AWR) niet mogelijk en heeft het een en ander geen gevolgen voor de toepassing van artikel 14, vijfde lid, van de Wet op de vermogensbelasting 1964.

Het is de opzet om de heffing en de invordering van de premie zoveel mogelijk te combineren met die van de inkomstenbelasting. Daartoe is in het derde lid bepaald dat de aanslag voor de premie gelijktijdig met die voor de inkomstenbelasting of premie volksverzekeringen wordt vastgesteld. In artikel 62 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 is geregeld dat de inkomstenbelasting bij wege van aanslag wordt vastgesteld. Met de uitsluiting van de toepassing van artikel 64 van de Wet op de inkomstenbelasting wordt beoogd een zelfstandig criterium voor het niet opleggen van premie-aanslagen uit te sluiten. In plaats hiervan wordt geheel aangesloten bij het opleggen van een aanslag inkomstenbelasting. Met de regeling in het vierde lid wordt namelijk bereikt dat ondernemers die een aanslag inkomenstenbelasting ontvangen, altijd een verplichte premieaanslag krijgen opgelegd. Dit is niet alleen het geval indien aan de ondernemer een verplichte aanslag inkomstenbelasting wordt opgelegd, maar ook bij de vaststelling van een zogeheten nihil-aanslag. Indien geen aanslag inkomstenbelasting wordt opgelegd blijft ook de premieaanslag achterwege. Dit is het geval in de situaties dat geen aangiftebiljet aan de ondernemer is uitgereikt of de termijn voor het opleggen van de aanslag is verstreken. In dat geval neemt de inspecteur een besluit om geen aanslag op te leggen.

Overigens kan worden opgemerkt dat ten aanzien van ondernemers bijna altijd een aanslag inkomstenbelasting zal worden vastgesteld, ook in gevallen dat geen belasting hoeft te worden betaald (nihil-aanslag). De omstandigheid dat geen aanslag premie wordt vastgesteld omdat geen aanslag inkomstenbelasting wordt vastgesteld, is overigens niet van belang voor beantwoordeling van de vraag of iemand is verzekerd, dan wel of recht op uitkering bestaat.

Artikel 75. Rijksbijdragen

In dit artikel (dat gelezen moet worden in combinatie met bepaalde in artikel 78, onderdeel e) is geregeld dat het Rijk een financiële bijdrage levert als de uitgaven ingevolge deze wet ten behoeve van beroepsbeoefenaren, de gelden die van hen uit hoofde van premieheffing worden verkregen, overtreffen. Voor de redenen die hebben geleid tot een dergelijke bijdrage, zij verwezen naar het algemeen deel van de toelichting.

Artikel 76. Nadere regels

Voor een aantal situaties behoeven de in de wet opgenomen bepalingen inzake maatstaf, tarief en heffing aanvullende regelgeving. Deze wet biedt hiertoe in dit artikel de mogelijkheid. Daarbij kan onder meer worden gedacht aan de situatie dat de verzekerings- en premieplicht niet het gehele kalenderjaar bestrijkt, bijvoorbeeld door het bereiken van de 65-jarige leeftijd of bij overlijden.

Artikel 77. Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen

De opbrengsten van premies en andere middelen die op grond van deze wet worden opgebracht en de uitgaven die op grond van artikel 79 moeten worden gedaan, worden ten gunste, respectievelijk ten laste gebracht van een Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen. Evenals dat voor andere sociale verzekeringsfondsen geldt, zoals het Algemeen Werkloosheidsfonds, maakt dit fonds onderdeel uit van het Tica en wordt het apart beheerd en geadministreerd.

Artikel 78. Bedragen ten gunste van Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen

Dit artikel somt op welke bedragen ten gunste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen komen. Afgezien van de premies zijn dat de vereveningsbijdrage die op de verstrekte uitkeringen in mindering worden gebracht, de geïnde boeten wegens niet of niet-voldoende naleving van de inlichtingenverplichting en de bedragen die de bedrijfsvereniging int door toepassing van het recht van verhaal.

Artikel 79. Uitgaven ten laste van Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen

Dit artikel somt de bedragen op die ten laste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen worden gebracht. Dat zijn in eerste instantie alle uitkeringen die op basis van deze wet worden gedaan, te weten arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, uitkeringen in verband met bevalling, vakantie-uitkeringen en overlijdensuitkeringen. Voorts komen de inkomenssuppletie voor gedeeltelijk arbeidsongeschikte zelfstandigen, de voorzieningen en toelagen en vergoedingen op grond van artikel 31 ten laste van het fonds.

Premies die wettelijk zijn verschuldigd door de bedrijfsvereniging over de uitkering, zonder dat deze op de uitkering in mindering kunnen worden gebracht, komen tevens ten laste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen. Te denken valt hierbij onder andere aan het deel van de premie op grond van de Ziekenfondswet dat de bedrijfsvereniging verschuldigd is. Toelagen door het Tica verleend op basis van artikel 87 en de kosten die uitvoering van deze wet met zich brengt komen ten slotte ook ten laste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen. Wat dit laatste betreft kan worden opgemerkt dat het hierbij niet alleen om door de bedrijfsvereniging gemaakte uitvoeringskosten gaat, maar ook om de uitvoeringskosten die de belastingdienst maakt in het kader van deze wet.

Artikel 80. Uitvoering door bedrijfsverenigingen

Op grond van deze wet hebben de bedrijfsverenigingen tot taak de verzekering uit te voeren. Het gaat hierbij om alle aspecten rond het recht op uitkering, het geldend maken van het recht op uitkering en de betaling van uitkering. Maar niet alleen deze aspecten van de uitvoering van de verzekering zijn van belang. De bedrijfsvereniging heeft onmiskenbaar, naast de belastingdienst, ook een taak met betrekking tot de vaststelling van de verzekeringsplicht. Immers, ten aanzien van een groot deel van de personenkring van verzekerden kan, op het moment dat uitkering wordt aangevraagd, niet met zekerheid worden vastgesteld dat er sprake is van verzekeringsplicht. Veelal zal over de periode voorafgaand aan de aanvraag niet op grond van een aanslag van de belastingdienst de verzekeringsplicht naar voren komen. Een definitieve aanslag inkomstenbelasting wordt meestal geruime tijd (gemiddeld driekwart jaar) na afloop van het belastingjaar opgelegd. In het geval dat een persoon die niet zelfstandig inkomsten geniet, bijvoorbeeld de meewerkende echtgenoot, een uitkering aanvraagt, zal over voorliggende jaren in het geheel geen verzekeringsplicht via aanslag zijn vastgesteld. Alsdan is het verzekerd zijn van betrokkene geheel ter beoordeling aan de bedrijfsvereniging.

Het voorgaande laat onverlet dat op grond van deze wet ook de belastingdienst uitvoerende taken heeft, zoals de premieheffing, die vaststelling van verzekeringsplicht impliceert, en premie-invordering.

Artikel 81. Bevoegde bedrijfsvereniging

Dit artikel regelt de bevoegde bedrijfsvereniging voor zelfstandigen, beroepsbeoefenaren, meewerkende echtgenoten en personen die recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering of uitkering in verband met bevalling hebben. De zelfstandige is verzekerd bij de bedrijfsvereniging waarbij hij als werkgever voor zijn personeel is aangesloten. Als hij geen werknemers in dienst heeft, is dat de bedrijfsvereniging, waarbij hij zou zijn aangesloten als hij wel werknemers in dienst zou hebben gehad. De beroepsbeoefenaar is aangesloten bij de bedrijfsvereniging waarbij hij zou zijn aangesloten indien hij zijn werkzaamheden in dienstbetrekking zou hebben verricht. De meewerkende echtgenoot is verzekerd bij de bedrijfsvereniging waarbij zijn echtgenoot/zelfstandige is aangesloten. De tweede zin van het tweede lid voorziet in aanwijzing van de bevoegde bedrijfsvereniging indien de echtgenoot/zelfstandige zelf niet (meer) verzekerd is voor de WAZ wegens bijvoorbeeld het bereiken van de 65-jarige leeftijd. De persoon die recht heeft op uitkering op grond van deze wet is verzekerd bij de bedrijfsvereniging tegenover welke hij die aanspraak heeft. Datzelfde geldt voor diegenen die in de wachttijd verkeren.

Artikel 82. Bevoegde bedrijfsvereniging bij samenloop

Het eerste lid geeft een regel voor de situatie dat de zelfstandige, de beroepsbeoefenaar, of de meewerkende echtgenoot op grond van zijn werkzaamheden bij meer dan een bedrijfsvereniging is aangesloten. In dat geval geschiedt de toekenning van de uitkering door de bedrijfsvereniging die haar werking uitstrekt over het onderdeel van het bedrijfs- en beroepsleven, waartoe de werkzaamheden in hoofdzaak behoren. Dit laatste wordt vastgesteld aan de hand van de omvang van het bedrag van de winst of de inkomsten die de verzekerde in de periode waarover de grondslag wordt vastgesteld heeft genoten.

In het tweede lid wordt geregeld door welke bedrijfsvereniging de toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering geschiedt indien de verzekerde als gevolg van arbeidsongeschiktheid tevens aanspraak heeft op een uitkering op grond van de WAO. Op grond van het derde lid worden regels gesteld die voorzien in een bevoegde bedrijfsvereniging in de situatie dat een persoon aan wie reeds eerder een WAO- of Wajong- uitkering was toegekend, later tevens recht verkrijgt op toekenning van WAZ-uitkering.

Artikel 83. Bevoegde bedrijfsvereniging bij herziening

In het systeem van deze wet kan een uitkeringsgerechtigde slechts één uitkering op grond van deze wet ontvangen. Heeft hij eenmaal een WAZ-uitkering en werkt hij (wederom) al dan niet gedeeltelijk als zelfstandige, dan is het de bedrijfsvereniging die de oorspronkelijke uitkering heeft toegekend die de uitkering herziet, ook als hij voor zijn werkzaamheden bij een andere bedrijfsvereniging is aangesloten.

Artikel 84. Bevoegde bedrijfsvereniging bij toekenning binnen vijf jaar na intrekking of niet-toekenning

Dit artikel regelt de bevoegde bedrijfsvereniging bij toepassing van artikel 20. De bedrijfsvereniging die aanvankelijk de uitkering heeft ingetrokken, dan wel niet toegekend is de bevoegde instantie voor de latere toekenning van uitkering.

Artikel 85. Bevoegde bedrijfsvereniging bij heropening

Dit artikel regelt de bevoegde bedrijfsvereniging bij toepassing van artikel 21. De bedrijfsvereniging die de uitkering heeft ingetrokken, is de bevoegde instantie voor de latere heropening van uitkering.

Artikel 86. Bevoegde bedrijfsvereniging bij reïntegratiemaatregelen

De bedrijfsvereniging, bevoegd voor de toekenning, herziening en heropening van de uitkering, is tevens bevoegd ten aanzien van de verstrekking van inkomenssuppletie, voorzieningen en toelagen op basis van artikel 31.

Artikel 87. Verlening toelagen

Op basis van dit artikel kunnen instellingen en organisaties zich tot het Tica wenden met een verzoek om een financiële bijdrage in projecten van uiteenlopende aard. Voorbeeld daarvan kan zijn het ontwikkelen van voorzieningen voor gehandicapten. De activiteiten van deze instanties dienen behoud, herstel of bevordering van de arbeidsgeschiktheid tot doel te hebben. Subsidie-aanvragen zullen door het Tica dan ook op basis van deze criteria getoetst.

Artikel 88. Ontheffing wegens gemoedsbezwaren

Dit artikel komt overeen met de artikelen 72 van de AAW en 22 van de WFV. Er zijn personen die overwegende gemoedsbezwaren hebben tegen elke vorm van verzekering dan ook en daarom zichzelf, noch hun eigendommen hebben verzekerd. Voor deze personen bestaat de mogelijkheid ontheven te worden van de verplichtingen op basis van hoofdstuk 6 van deze wet. Het gaat dan met name om ontheffing van de verplichting tot premiebetaling. Ontheffing kan uitsluitend plaatsvinden op verzoek van de gemoedsbezwaarde en wordt verleend door de bedrijfsvereniging.

Artikel 89. Heffing van premievervangende inkomstenbelasting

Is een ontheffing wegens gemoedsbezwaren verleend, dan wordt ten aanzien van de betrokkene een premievervangende inkomstenbelasting geheven. Deze belasting wordt zodanig geheven dat zij dezelfde hoogte heeft als het bedrag dat als premie zou worden geheven indien er geen sprake zou zijn van gemoedsbezwaren.

Artikel 90. Belasting beschouwd als premie voor bepaalde wetten

Door de premievervangende inkomstenbelasting voor deze wet, de Wet op de inkomstenbelasting 1964 en de Invorderingswet 1990 te beschouwen als premie op grond van deze wet wordt bewerkstelligd dat waar in de betrokken belastingwetten wordt gesproken over premie, de premievervangende belasting op dezelfde voet wordt behandeld en dat voor de fiscale behandeling een adequaat onderscheid wordt gemaakt tussen de inkomstenbelasting en de premievervangende belasting.

Artikel 91. Premie ten laste van het Rijk

De premie die als gevolg van ontheffing wegens gemoedsbezwaren niet wordt geheven bij de betrokkene wordt ten laste van het Rijk gebracht en gestort in het Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen.

Artikel 92. Nadere regels

Op grond van dit artikel kunnen met betrekking tot de ontheffing wegens gemoedsbezwaren bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld. Deze regels zullen overeenkomen met de regels, getroffen op basis van artikel 24 van de WFV.

Artikel 93. Begrip belanghebbende

Met dit artikel wordt, in afwijking van de Algemene wet bestuursrecht, een begrip belanghebbende gedefinieerd. Deze inperking van het begrip belanghebbende geldt uitsluitend besluiten inzake het bestaan, het voortbestaan en de mate van arbeidsongeschiktheid. Belanghebbende in deze is de verzekerde wiens aanspraken deze besluiten betreft. Uitgaan van het algemene belanghebbendebegrip van de Awb zou er toe kunnen leiden dat meer personen als belanghebbend zouden kunnen worden aangemerkt in deze kwesties, die toch als overwegend privacygevoelig moeten worden beschouwd.

Artikel 94. Beslistermijnen

Ten aanzien van de termijn waarbinnen een beschikking op aanvraag, dan wel een beschikking ambtshalve moet worden gegeven, kunnen bij AMvB regels worden gesteld. Deze AMvB draagt een tijdelijk karakter. Bij het treffen van deze AMvB zal naar verwachting worden aangesloten bij het Besluit beslistermijnen sociale verzekeringswetten. Het gaat bij deze regels om beschikkingen die de bedrijfsvereniging geeft. De beschikkingen die de belastingdienst afgeeft met betrekking tot verzekeringsplicht, premieplicht en premiehoogte, zijn onderworpen aan de fiscale rechtsgang.

Artikel 95. Beslistermijn bedrijfsvereniging bij bezwaarschrift

Met dit artikel is afgeweken van artikel 7:10 van de Awb, dat zegt dat beslissingen op bezwaar binnen zes of, als er een externe adviescommissie is ingesteld, binnen 10 weken moeten zijn genomen. Voor de bedrijfsvereniging geldt ten aanzien van beslissingen op bezwaar een termijn van dertien weken.

Artikel 96. Medische bezwaarschriftprocedure

Aangezien de beoogde datum van inwerkingtreding van deze wet – 1 januari 1997 – samenvalt met de datum waarop de verplichte bezwaarschriftprocedure integraal in de arbeidsongeschiktheidswetten dient te worden ingevoerd, is in dit artikel voorzien in de mogelijkheid om bij algemene maatregel van bestuur regels te stellen met betrekking tot medische bezwaarschriftenprocedures.

Artikel 97. Beroep in cassatie

Dit artikel opent de mogelijkheid cassatieberoep in te stellen naar aanleiding van een beslissing door de bedrijfsvereniging genomen over het verzekerd zijn. Het betreft de artikelen 3 tot en met 6. Naar aanleiding van een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep over deze beslissing kan een belanghebbende beroep in cassatie instellen. Aangezien ook door de belastingdienst beschikkingen worden afgegeven ter zake van het verzekerd zijn is, om te voorkomen dat tussen de rechter in belastingzaken en de rechter in sociale verzekeringszaken verschil van mening over de uitleg van deze artikelen zou ontstaan, deze cassatiemogelijkheid opgenomen.

Artikel 98. Strafbepaling

Dit artikel komt overeen met artikel 86 van de AAW. Deze bepaling spreekt voor zich.

Artikel 99. Verval van recht tot strafvordering

Dit artikel komt overeen met het in de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid opgenomen artikel 87 AAW. Dit artikel geeft, samen met het voorgestelde artikel 50, tweede lid, uitwerking aan het una via-beginsel. Zodra de bedrijfsvereniging een boete heeft opgelegd, kan wegens dezelfde gedraging geen strafrechtelijke afdoening meer volgen. Aan de andere kant kan geen administratiefrechtelijke boete meer worden opgelegd indien ter zake van de gedraging strafvervolging is ingesteld die zover is gevorderd dat het onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen dan wel het recht op strafvervolging is vervallen door een schikking met het OM op de voet van artikel 74 Wetboek van Strafrecht.

Artikel 100. Overtredingen

Dit artikel komt overeen met het in de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid opgenomen artikel 88 AAW en behoeft geen nadere toelichting.

Artikel 101. Buiten toepassingverklaring van Algemene termijnenwet

De Algemene termijnenwet geeft regels voor de berekening van termijnen in verband met de zaterdag, zondag en algemeen erkende feestdagen. Op grond van die wet moet een bij wet gestelde termijn die op een van de genoemde dagen eindigt, worden verlengd tot de eerstvolgende dag, niet zijnde een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag. Als erkende feestdag gelden Nieuwjaarsdag, tweede Paas- en Pinksterdag, Koninginnedag, Hemelvaartsdag en de beide Kerstdagen. Goede Vrijdag is met deze dagen gelijkgesteld. De Algemene termijnenwet geldt onder meer niet voor termijnen, die zijn omschreven in meer dan 12 weken, drie maanden of in een of meer jaren.

Met dit artikel wordt ten aanzien van een aantal in deze wet genoemde tijdvakken, de Algemene termijnenwet buiten toepassing verklaard. Dat betreft de tijdvakken van vier weken, genoemd in de artikelen 7, derde en vijfde lid, 13, vierde lid, 14, 15, eerste lid, 16, 20 en 21.

Artikel 102. Inwerkingtreding

Het voornemen bestaat om deze wet in werking te doen treden op 1 januari 1997. Op dit moment kan nog niet worden vastgesteld of alsdan alle artikelen van deze wet tegelijkertijd in werking kunnen treden. Met het oog daarop is de inwerkingtreding bepaald op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, met de mogelijkheid onderdelen op verschillende tijdstippen in te laten gaan.

Artikel 103. Citeertitel

Deze bepaling behoeft geen nadere toelichting.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

R. L. O. Linschoten

BIJLAGE 1

Concordantietabel WAZ-AAW

WAZ-artikelAAW-artikel (tekst miv. 1-8-96)onderwerp
11algemene begrippen
2, lid 1–35, lid 1–3 en 8begrip arbeidsongeschiktheid
2, lid 4–65, lid 5–7idem
2, lid 75, lid 9idem
2, lid 85, lid 10idem
2, lid 9idem
3, lid 14, lid 1de verzekerde
3, lid 2idem
3, lid 34, lid 2idem
4zelfstandige
5beroepsbeoefenaar
6meewerkende echtgenoot
7, lid 1 + 26, lid 1recht op ao-uitkering
7, lid 36, lid 4, onderdeel aidem
7, lid 4meetellende ao-periode
7, lid 5 + 66, lid 5 + 6recht op ao-uitkering
8, lid 110, lid 1grondslag uitkering
8, lid 2–6idem
8, lid 710, lid 2idem
8, lid 810, lid 5idem
8, lid 910, lid 8idem
8, lid 1010, lid 6idem
912% ao-uitkering
1013, lid 1verhoging ao-uitkering
11, lid 121, lid 1, onderdeel a en cbuiten aanmerking laten ao
11, lid 221, lid 3idem
11, lid 322idem
12, lid 1–426herziening ao-uitkering
12, lid 532, lid 4niet-herzien ao-uitkering
1327herziening bij < 45% ao
1428herziening bij 45% of meer ao
1529herz. uitk. zonder wachttijd
1629aherz. bij toename ao < 5 jaar
1729b, lid 1 + 2grondslag bij toegenomen ao
1826aoverige gronden herz./intrekk.
19, lid 140, lid 1 resp. 32, lid 1, onder aeinde ao-uitkering
19, lid 232, lid 4idem
19, lid 332, lid 3 jo. 31, lid 4idem
20, lid 1–332a, lid 1, 2, 4uitk. < 5 jaar na intr/niet-toek.
20, lid 4idem
2137, 1–6heropening uitkering
22uitkering i.v.m. bevalling
23hoogte uitk. i.v.m. bevalling
2452recht op vakantie-uitkering
2553, lid 1, 2, 4 en 5hoogte vakantie-uitkering
2655vakantie-uit. over overl.uitk.
2759bink. suppl. gedeelt. ao zelfst.
28garantie oudere ao
29, lid 1 + 257, lid 1 + 2voorzieningen
29, lid 357, lid 1idem
29, lid 457, lid 3idem
3026aart. 18 overeenk. toepassing
3158toelage en vergoeding
32, lid 165melding gedurende wachttijd
32, lid 2idem
33melding zwangerschap
34, lid 1, 2, 4–724toekenning ao-uitkering
34, lid 3idem
35, lid 1 + 225ingangsdatum uitkering
35, lid 340, lid 2idem
36, lid 130, lid 1aanvraag/ambtshalve
36, lid 226, lid 2idem
36, lid 337, lid 7idem
37, lid 1–431, lid 1–4ingangsdatum her. uitkering
37, lid 537, lid 5idem
37, lid 640, lid 2idem
38toekenning uitk. i.v.m. bevalling
39, lid 153, lid 3toekenning andere uitkeringen
39, lid 257, lid 1idem
39, lid 358idem
4014oproep/onderzoek bv
4117vergoeding kosten + tijdverlies
4215voorschriften med./adm. aard
4318controlevoorschriften
4416gevolgen weigeren onderzoek
4519, lid 1gevolgen niet-naleven voorschr.
4620afstemming maatregel
4720aboete
4820bvoorschriften i.v.m. voorg. boete
4920cvoorschriften i.v.m. boete
5020dniet-opleggen boete
5120etermijnstelling boete
5220fafwijking Awb
5320gexecutoriale titel
54, lid 141, lid 1betaalbaarstelling
54, lid 2idem
54, lid 3–541, lid 2–4idem
55, lid 141a, lid 1inhouding vereveningsbijdrage
55, lid 241a, lid 2idem
5645betaling aan instelling
5733inkomsten en uitkering
58, lid 1–8(36a)samenloop uitkeringen
58, lid 943idem
59, lid 153, lid 3betaling vakantie-uitkering
59, lid 255idem
6044 (tekst 1-1-97)overlijdensuitkering
6147verjaringstermijn
6248terugvordering
6348aexecutoriale titel
6448bnadere regels
6550onvervreemdbaarheid verstrek.
66, onderdeel a13, lid 2niet voor beslag vatbaar
66, onderdeel b57, lid 8idem
66, onderdeel cidem
66, onderdeel d44, lid 9idem
6782samenloop aanspraken
68regresrecht
6978inlichtingenverplichting
70premieplicht
71maatstaf voor premieheffing
72tarief
73gem. premiepercentage
74heffing/invoerpremie
75rijksbijdrage
76nadere regels
77oa-fonds zelfstandige
78bijdrage tgv. ao-fonds zelfst.
79uitgaven tlv. ao-fonds zelfst.
8060uitvoering door bv
81, lid 161, lid 1, onderdeel cbevoegde bv
81, lid 2 + 3idem
81, lid 461, lid 1, onderdeel aidem
82, lid 161, lid 2bevoegde bv bij samenloop
82, lid 2 en 3idem
8362bevoegde bv bij herziening
8432a, lid 3bevoegde bv toekennen na...
8539bevoegde bv bij heropening
8663bevoegde bv bij reïntegr.m.
8769verlening toelagen
88, lid 172gemoedsbezwaren
88, lid 2 + 3idem
89premievervangende belasting
90belasting aangemerkt als premie
91premie tlv. rijk
92nadere regels
933abelanghebbende
943bbeslistermijn
9579afwijking Awb
96medische bezwaarschr.proc
9780beroep in cassatie
9886strafbepaling
9987verval recht strafvordering
10088overtredingen
10199buiten toepassing Alg.term.wet