Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1995-1996 | 24757 nr. 4 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1995-1996 | 24757 nr. 4 |
Vastgesteld 19 juni 1996
De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport1, belast met het voorbereidend onderzoek naar dit wetsvoorstel, heeft de eer verslag uit brengen in de vorm van een lijst met vragen. De door de regering gegeven antwoorden worden hieronder afgedrukt.
Hoe verhoudt zich het aantal particulier betaalde zwangerschapsonderbrekingen tot het totaal aantal onderbrekingen? (Blz. 18)
Doet de daling van het aantal particulier betaalde zwangerschapsonderbrekingen zich gelijkmatig bij alle abortusklinieken voor? Zo nee, om welke klinieken gaat het dan vooral? (Blz. 18)
Moet uit de hantering van commerciële tarieven door abortusklinieken worden afgeleid, dat de exploitatie van abortusklinieken mede afhankelijk is van de mate van zogenaamde abortus-toerisme? (Blz. 18)
Worden de kosten van een abortus-provocatus voor Nederlandse vrouwen geheel betaald uit het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten of betalen zij ook een eigen bijdrage? Zo ja, hoe groot is deze? (Blz. 18)
Waarom zijn de tarieven kennelijk niet voor alle cliënten kostendekkend, dus met inbegrip van de eventuele bijdrage uit het algemeen fonds? (Blz. 18)
Is het principieel juist een rijksbijdrage te verstrekken aan particuliere klinieken die met een exploitatietekort worden geconfronteerd? Vormt dit geen precedent? (Blz. 18)
Is het de bedoeling dat de abortusklinieken na 1996 de exploitatie sluitend moeten krijgen zonder rechtstreekse rijksbijdrage? (Blz. 18)
Wat zijn de totale uitgaven voor wachtgelden inclusief de verzelfstandigde organen die onder de verantwoordelijkheid van het ministerie vallen? Om hoeveel personen gaat het op het ministerie en bij de verzelfstandigde organen die onder het ministerie vallen? (Blz 18)
Hoe verhoudt dit bedrag zich tot de totale loonsom van uw ministerie en de verzelfstandigde organen die onder de verantwoordelijkheid van het ministerie vallen? (Blz. 6)
Hoe verhoudt de ontwikkeling van het volume wachtgelders van uw ministerie zich sinds 1990 tot het volume WW'ers in de marktsector? (Blz. 6)
Is het gewenst dat de eindejaarsmarge deels gebruikt wordt voor doorschuiving naar 1998? Kan een overzicht van de onderuitputting op artikelniveau worden gegeven? (Blz. 2)
Waarom kunnen de middelen voor intensivering van jeugdhulpverlening dit jaar niet geheel worden besteed, zodat een bedrag van f 7,2 miljoen wordt doorgeschoven? Waarom is voor deze route gekozen, terwijl andere posten exogeen worden gefinancierd? (Blz. 2)
Wat behelst het organisatie- en ontwikkeltraject dat door de Inspectie in gang is gezet? Waar bestaan de genoemde meerkosten uit? Waar wordt de f 0,06 miljoen precies aan besteed? (Blz. 8)
Wat is de oorzaak dat de voorbereiding langer heeft geduurd dan verwacht? Wat betekent het uitblijven van de toegezegde startsubsidie voor het ontstaan of de toestand van het Waarborgfonds voor de gemeenten en voor de kinderopvang? (Blz. 11)
Kan inzichtelijk worden gemaakt hoe de overboeking naar het ministerie van BiZa in verband met de overdracht van de politieke jongerenorganisaties is opgebouwd? (Blz. 11)
Waar zijn de prognoses voor de uitgaven met betrekking tot de WUV op gebaseerd? (Blz. 12)
Een verlaging van f 4,3 miljoen van de ontvangstenraming wordt gemotiveerd met realisatiecijfers uit het verleden en gefinancierd uit de eindejaarsmarge. Kan de regering toelichten om welke ontvangsten het gaat? Kan uit de motivering worden afgeleid dat de verlaging een structureel karakter heeft? Zo ja, is het niet zo dat de dekking van een tegenvaller met gebruikmaking van de eindejaarsmarge per definitie incidenteel is? (Blz. 15)
Kan de regering uitleggen waarom f 4 miljoen extra nodig is voor onder meer wachtgelden in verband met de afschaffing van de voorcentralisatie conform de Destructiewet; dit mede in het licht van de f 0,7 miljoen die in de ontwerp-begroting is begroot? (Blz. 16)
Welke beleidsmaatregelen op het gebied van hulpmiddelen worden genomen in 1997 en wat zijn de daarvan te verwachte besparingseffecten? (Blz. 16)
Waarom hebben in 1995 de beleidsactiviteiten gericht op kostenbeheersing van medische hulpmiddelen niet plaatsgevonden? (Blz. 16)
Wat is de oorzaak van de meevaller van 20 miljoen gulden in verband met de afdrachtskorting? Wat is precies met de meevaller gebeurd? (Blz. 18)
Waarom moet in 1996 een rijksbijdrage worden betaald aan de privatisering van de gemeentelijke ziekenhuizen, terwijl dat al per 1 januari 1997 zijn beslag zal krijgen? Welke bijdragen worden door andere partners betaald? Wat is de te verwachten collectieve besparing? (Blz. 18)
Hoe verhoudt de rijksbijdrage zich tot de bijdragen van de instellingen en gemeenten aan de overgangskosten? Hoe verhoudt de rijksbijdrage zich tot de te verwachten collectieve besparingen? (Blz. 18)
ENKELE VRAGEN MET BETREKKING TOT DE VOORJAARSBRIEF ZORG (24 727, NR. 2)
Kan nauwkeurig worden aangegeven uit welke posten de mutatie van 0,8 miljard in het Budgettair Kader Zorg bestaat? In welke sectoren zijn er tegenvallers en wat zijn de oorzaken daarvan? (Blz. 2)
Welke compenserende maatregelen is het kabinet van plan te nemen om de overschrijding in de zorgsector te compenseren? (Blz. 2)
Komt de geraamde opbrengst van de prijzenwet geneesmiddelen over het jaar 1996 vanaf 1 juli overeen met het oorspronkelijk geraamde bedrag over deze periode? Zo nee, wat zijn hiervan de oorzaken? (Blz. 2)
ANTWOORDEN VAN DE MINISTER VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT
De Staatssecretaris en ik hebben kennis genomen van het verslag van de bevindingen van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport, vastgesteld op 12 juni 1996, over het voorstel tot wijziging van de begroting van de uitgaven en ontvangsten van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hoofdstuk XVI) voor het jaar 1996 (wijziging samenhangende met de Voorjaarsnota; eerste wijziging).
Een en ander was aanleiding tot het stellen van een aantal vragen. Ter beantwoording daarvan kan ik u het volgende mededelen.
Onderstaand wordt nader ingegaan op een aantal zaken die betrekking hebben op de wijze waarop VWS met de eindejaarsmarge is omgegaan, waarvan de omvang op basis van de onderuitputting 1995 is bepaald.
De onderuitputting 1995 is vooral ontstaan door het gevoerde terughoudende kasbeleid in 1995. Om een bijdrage te kunnen leveren aan de door het kabinet bij Voorjaarsnota afgesproken taakstellende onderuitputting van f 0,8 miljard, is gedurende een periode in 1995 ook door VWS een terughoudend kasbeleid gevoerd. Daarnaast is door vertragingen in de uitvoering, alsmede door een tijdelijke verplichtingenstop op de PEO-uitgaven vanwege het oplossen van knelpunten bij de uitvoering van de Regeeraccoord-taakstellingen eveneens onderuitputting opgetreden in 1995.
In het geval van investeringen en/of investeringsachtige uitgaven kan het gewenst zijn dat het met de eindejaarsmarge gemoeide bedrag deels wordt gebruikt voor doorschuiving naar een later jaar.
In onderhavig geval is de mutatie daartoe, in overleg met het ministerie van Financiën, in het wetsvoorstel opgenomen.
De onderuitputting op artikelniveau zal zijn af te leiden uit de in de artikelsgewijze toelichting van de memorie van toelichting bij de slotwet 1995 opgenomen technische slotwetmutaties.
De betreffende mutaties worden hieronder beknopt weergegeven. Daarbij zij aangetekend dat de financiële verantwoordingen bij de Algemene Rekenkamer zijn ingediend en uit het onderzoek nog wijzigingen kunnen voortvloeien.
| Uitgaven | bedragen x ƒ miljoen |
|---|---|
| (– = minder uitgegeven) | |
| 2201 Personeel en materieel algemeen | –3 994 |
| 2202 VUT-uitkeringen en suppletie wachtgelden trendvolgers | –19 503 |
| 2203 Loonbijstelling | –13 670 |
| 2204 Prijsbijstelling | \ –1 851 |
| 2205 Onvoorzien | –261 |
| 2206 Sociaal en Cultureel Planbureau | 737 |
| 2207 Inspectie jeugdhulpverlening en jeugdbescherming | –208 |
| 2301 Personeel en materieel Inspectie gezondheidszorg | –750 |
| 2401 Welzijn algemeen | –2 491 |
| 2402 Ouderenbeleid | –4 673 |
| 2403 Gehandicaptenbeleid | –845 |
| 2404 Jeugdbeleid | –12 985 |
| 2405 Verzetsdeelnemers, vervolgden en burgeroorlogsgetroffenen | –11 721 |
| 2406 Vluchtelingen en minderheden | –8 960 |
| 2407 Sportbeleid | –357 |
| 2408 Garantie van rente en aflossing van leningen welzijn | 0 |
| 2501 Volksgezondheid algemeen | –8 967 |
| 2502 Volksgezondheidsbeleid | –15 377 |
| 2503 Rijksbijdragen volksgezondheid | –1 834 |
| 2504 Garantie van rente en aflossing van leningen volksgezondheid | –53 |
| 2505 Bijdrage aan begroting VIII inzake doelsubsidies TNO | 49 |
| 2601 Personeel en materieel Inspectie gezondheidsbescherming | –3 283 |
| 2701 Personeel en materieel RIVM | –3 283 |
| –114 280 | |
| Ontvangsten | bedragen x ƒ miljoen |
| (– = minder ontvangen) | |
| 2201 Algemeen | 1 820 |
| 2202 Overige ontvangsten andere begrotingen en organisaties | –511 |
| 2301 Inspectie gezondheidszorg | 842 |
| 2401 Welzijn algemeen | 1 965 |
| 2402 Bijdrage van andere begrotingen | –2 481 |
| 2403 Jeugdbeleid | –4 351 |
| 2501 Volksgezondheid algemeen | –1 419 |
| 2502 Medische tuchtwet | 6 |
| 2503 Registratie geneesmiddelen | 375 |
| 2601 Inspectie gezondheidsbescherming | 890 |
| 2701 RIVM | –8 611 |
| 2702 Bijdrage van begroting XI inzake het RIVM | 2 784 |
| –8 691 |
De verlaging van de ontvangstenraming (ontvangsten-artikel 25.01 Volksgezondheid algemeen) van f 4,3 miljoen heeft voor een bedrag van f 3,1 miljoen betrekking op ontvangsten als gevolg van in voorgaande jaren te hoog verstrekte subsidievoorschotten (artikelonderdeel 01) en voor een bedrag van f 1,2 miljoen op ontvangsten uit diensten voor derden en overige ontvangsten Rijksinstituut voor geneesmiddelenonderzoek (artikelonderdeel 03).
Uit de in de artikelsgewijze toelichting opgenomen motivering kan niet worden afgeleid dat de verlaging een structureel karakter heeft. Gebruikmaking van de eindejaarsmarge is per definitie incidenteel waardoor de compensatie betrekking heeft op de tegenvaller 1996.
Uitgavenartikel 22.01 Personeel en materieel algemeen
De totale uitgaven voor wachtgelden (kerndepartement en buitendiensten VWS) bedraagt over 1996 f 26,8 miljoen. Daarbij gaat het om totaal 598 personen.
Afgezet tegen de totale loonsom van het Ministerie van VWS, zijnde f 391 miljoen bedraagt het aandeel voor wachtgelden 6,9% van deze totale loonsom.
Tot 1 maart jl. werden de wachtgelden decentraal beheerd op DG-niveau (mandatering). Sinds de reorganisatie, die 1 maart jl. z'n beslag heeft gekregen, heeft centralisatie van beheer plaatsgevonden. De koppeling van systemen is nog niet op een zodanige wijze tot stand gekomen, dat historische gegevens op korte termijn kunnen worden geleverd. Ik zal u zo spoedig mogelijk hierover nader schriftelijk informeren.
Uitgavenartikel 22.07 Inspectie Jeugdhulpverlening en Jeugdbescherming
De Inspectie Jeugdhulpverlening is in 1994 gereorganiseerd tot Inspectie Jeugdhulpverlening en Jeugdbescherming. Voor de uitvoering van de kerntaken en aandachtsgebieden die in het organisatierapport «Toezicht op kwaliteit» zijn genoemd, is de inspectie in het najaar 1994 een organisatie- en ontwikkelingstraject gestart om de inspectie-organisatie in te richten naar en de inspectiemedewerkers toe te rusten voor haar nieuwe taken. De inspectie heeft een plan opgesteld en in 1995 op basis daarvan een eenmalig bedrag ontvangen. Aangezien het traject nog niet is afgerond heeft de inspectie in het kader van de Eindejaarsmarge in december 1995 een verzoek ingediend om f 0,1 miljoen van het budget 1995 over te hevelen naar 1996.
Voor de uitvoering van de kerntaken van de inspectie en door de geografische spreiding van de kantoren is een goede communicatie van strategisch belang. De informatievoorziening en bijbehorende systemen moeten de inspectieprocessen ondersteunen. In 1994 en 1995 heeft de inspectie al een deel van de automatiseringsapparatuur vervangen omdat deze sterk was verouderd. De inzet is om ook in 1996 over te gaan tot vervanging van apparatuur. Dit in samenhang met het plan de communicatie tussen de hoofdinspectie en de regiokantoren te verbeteren door middel van een aansluiting op een zgn. Wide Area Network. Teneinde dit te kunnen realiseren is aan dit budget f 0,06 miljoen toegevoegd.
Uitgavenartikel 24.04 Jeugdbeleid
De daadwerkelijke inzet van de intensiveringsmiddelen, die bij de begroting 1996 voor de jeugdhulpverlening zijn toegekend, wordt in nauw overleg met de provincies bepaald. Inmiddels is duidelijk geworden dat de periode, die nodig is om te komen tot een doelgerichte en doelmatige inzet van deze middelen, langer is gebleken dan vooraf geraamd. Teneinde de f 7,2 miljoen beschikbaar te houden voor de jeugdhulpverlening, en niet in te zetten voor andere VWS-beleidssectoren, is gekozen voor de techniek van «intertemporele compensatie». De genoemde f 7,2 miljoen komt daarbij in de jaren 1997 tot en met 1999 in jaarlijkse tranches van f 2,4 miljoen voor de jeugdhulpverlening beschikbaar.
De partijen die het initiatief hebben genomen tot de oprichting van het Waarborgfonds (de VNG en VOG) hebben mij eind 1995 gemeld meer tijd nodig te hebben voor de voorbereidingsfase. Het ging met name om het houden van een risico-analyse, het uitwerken van een reglement dat de condities voor gebruik van het fonds bevat en het sonderen van de acceptatie bij de banken. In reactie op dit verzoek heb ik de termijn waarbinnen het Ministerie over een plan en subsidieaanvraag moest beschikken verlengd van ultimo 1995 naar 1 juni 1996. Binnen deze termijn heeft men inmiddels de vereiste stappen gezet. Gevolg hiervan is dat het moment waarop het Waarborgfonds daadwerkelijk operationeel zal zijn, een half jaar is opgeschoven. Ik verwacht dat aanvragen tot borgstelling per september 1996 bij het Waarborgfonds kinderopvang kunnen worden ingediend.
Politieke jongerenorganisaties
Bij de overdracht van beleidsverantwoordelijkheid van de politieke jongerenorganisaties naar het Ministerie van Binnenlandse Zaken is de verdeling van het budget onveranderd gebleven. Het totale budget van f 1,45 miljoen is opgebouwd uit f 1,08 miljoen structurele subsidies en f 0,37 miljoen projectsubsidies.
Uitgavenartikel 24.05 Verzetsdeelnemers, vervolgden en burgeroorlogsgetroffenen
De prognoses van de WUV-uitgaven vinden plaats door middel van een actuarieel ramingsprogramma. Dit programma wordt ook gebruikt voor de andere wetten voor oorlogsgetroffenen.
Het programma valt uiteen in drie onderdelen:
1 Raming van de instroom van nieuwe uitkeringen aan de hand van onder meer een prognose van de aanvraagontwikkeling en het toekenningspercentage.
2 Raming van de omvang van het bestand van uitkeringsgerechtigden per categorie uitkering. Dit vindt plaats door middel van een actuariële berekening, waarbij onder meer rekening wordt gehouden met geraamde instroom van nieuwe uitkeringen.
3 Vertaling van de volume-ontwikkelingen in een financiële raming. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen periodieke betalingen en incidentele betalingen. Deze laatste houden verband met toekenningen van uitkeringen met terugwerkende kracht en herziening van lopende uitkeringen met name in verband met de jaarlijkse definitieve vaststelling van de uitkeringen.
Voor de ramingen wordt gebruik gemaakt van historische gegevens ten aanzien van aanvraag- en bestandsontwikkeling en samenstelling van de uitgaven, en verwachtingen ten aanzien van toekomstige trends. De ramingen worden opgesteld in overleg met de Pensioen- en Uitkeringsraad.
Uitgavenartikel 25.01 Volksgezondheidsbeleid
De gemeenten die verantwoordelijk waren voor de voorcentralisatie van destructie-materiaal zijn in de gelegenheid gesteld om een financiële vergoeding aan te vragen voor de onvermijdbare kosten die zij moeten maken in verband met het stopzetten van deze activiteit. Gedacht moet worden aan kosten als afschrijving materiaal, wachtgeldvergoedingen en dergelijke.
Uit een voorlopige inventarisatie van de ingediende kosten en de onderbouwing van deze kosten blijkt de aanvankelijk gemaakte schatting van f 0,7 miljoen te laag. Na de toevoeging van f 4,0 miljoen is een meer reëel bedrag beschikbaar. Momenteel is VWS nog bezig deze aanvragen te beoordelen. Een meer definitieve uitkomst van de kosten is derhalve thans nog niet te geven.
Als uitwerking van het beleid op dit dossier worden vanaf 1996 de verzekeraars stapsgewijs voor de medische hulpmiddelen gebudgetteerd. Hiervan wordt in 1996 f 100 miljoen en in 1997 f 200 miljoen besparing verwacht.
In 1996 wordt een projectgroep gestart die primair als opdracht krijgt voor de kostenbeheersingsbeleid hulpmiddelen te ontwikkelen.
In 1995 is er, met betrekking tot de kostenbeheersing medische hulpmiddelen, door een subwerkgroep van de Interdepartementale Werkgroep Geneesmiddelen (IWG) verkennend onderzoek verricht. Voor eventuele uitvoering van het beleid op dit terrein was f 4 miljoen gereserveerd. Het onderzoek heeft niet dusdanige resultaten opgeleverd, dat deze meteen in beleid vertaalbaar waren.
Wel is besloten tot budgettering van verzekeraars.
Mede, gezien de uitkomsten van de IWG, is thans besloten het kostenbeheersingsbeleid op het terrein van de medische hulpmiddelen projectmatig aan te pakken.
Uitgavenartikel 25.03 Rijksbijdragen
De gegevens van de Ziekenfondsraad wijzen uit dat in de jaren 1992 tot en met 1995 respectievelijk 39%, 37%, 35% en 34% van het totaal aantal zwangerschapsafbrekingen particulier werd betaald.
Ook blijkt uit deze gegevens dat geen sprake is van gelijkwaardige spreiding. Slechts voor 9 van de 18 abortusklinieken geldt dat in de periode 1992–1995 een continue daling is opgetreden van het aantal particulier betaalde zwangerschapsafbrekingen. Bij de overige 9 klinieken is over de genoemde periode sprake van een op en neer gaande beweging. In 7 gevallen is het aantal van 1994 op 1995 gestegen. In twee gevallen is sprake van een gelijkblijvend aantal van 1994 op 1995.
De exploitatie van de abortusklinieken is mede afhankelijk van het aantal niet ingezeten abortuscliënten. De tariefstelling geschiedt op grond van artikel 6, eerste lid, onder d, van de Wet afbreking zwangerschap door het Centraal Orgaan Tarieven Gezondheidszorg (COTG).
Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat het bedrag voor een particulier betaalde ingreep gelijk is aan het bedrag dat via het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten (AFBZ) wordt bekostigd.
De tarieven zoals door het COTG worden vastgesteld zijn kostendekkend. Gegeven dit uitgangspunt is tariefsaanpassing noodzakelijk indien – zoals is gebeurd – het totaal aantal zwangerschapsafbrekingen daalt, terwijl de vaste lasten van de klinieken gelijk blijven. Of de daling van het aantal zich voordoet bij de particulier betaalde zwangerschapsafbrekingen – zoals het geval is – of bij de via het AFBZ bekostigde zwanger- schapsafbrekingen maakt voor dit aspect van de zaak geen verschil.
De Nederlandse nationaliteit is in de abortushulpverlening geen criterium. Wel is er in het kader van de bekostiging een onderscheid naar ingezetenen en niet-ingezetenen. Ingezetenen komen in aanmerking voor vergoeding van de kosten van het afbreken van de zwangerschap via het AFBZ. Deze vergoeding belast de AWBZ-premie niet. De totale kosten van zwangerschapsafbreking bij ingezetenen worden gedekt door middel van een specifieke rijksbijdrage aan het AFBZ. Op het verstrekte voorschot vindt afrekening plaats doordat de feitelijk door het Algemeen Fonds betaalde kosten jaarlijks met het voorschot worden verrekend. Er wordt dus geen bijdrage aan vergunninghoudende klinieken verstrekt maar aan het Algemeen Fonds.
De verzekerde is geen bijdrage verschuldigd. Niet-ingezeten vrouwen dienen de behandeling uit eigen middelen te bekostigen.
Voorts ben ik niet voornemens de structuur, te weten hulpverlening voor verzekerden krachtens de AWBZ, te wijzigen.
De «meevaller» van f 20 miljoen in verband met de afdrachtskorting is ontstaan omdat door de vormgeving van de WVA (Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie volksverzekeringen) er juist in de doelgroep van het 40 000 banenplan een specifiek voordeel ontstond door de vermindering lage lonen en de vermindering langdurig werklozen.
De «meevaller» is echter geen echte meevaller want het is alleen een «meevaller» op dit begrotingsartikel, die in het kader van het totaalbeeld geen vrije bestemming had in de overheidsfinanciën. In de besluitvorming (en dus in de overheidsboekhouding) is er bij de lastenverlichting via de WVA namelijk rekening mee gehouden dat het budgettaire voordeel niet voor de werkgevers in de collectieve sector behouden blijft in hun instellingsbudgetten. Het afromen van de «meevaller» op dit begrotingsartikel is derhalve een noodzaak om geen gaten te slaan in het totaalbeeld.
Voor de goede orde zij nog benadrukt dat dit afromen geen nadelige gevolgen heeft voor de werkgevers die deelnemen aan het 40 000 banenplan. Er is nog steeds sprake van een kostendekkende vergoeding van banen in het kader van dit plan.
Privatisering gemeentelijke ziekenhuizen/ zorginstellingen
Er hoeft in 1996 nog geen rijksbijdrage te worden betaald aan de privatisering van de gemeentelijke ziekenhuizen/zorginstellingen. De toevoeging aan de Rijksbijdrage in 1996 van f 15,4 miljoen maakt onderdeel uit van een totaal financieel dekkingsplan. Hierbij wordt, over een aantal jaren heen, dekking geleverd vanuit onder meer de herstructureringsmiddelen. Verder wordt, binnen de gestelde kaders, intertemporeel geschoven. De in 1996 ter beschikking gestelde f 15,4 miljoen komt uit de herstructurerings-middelen. Het meerjarig dekkingsplan is in nauw overleg met het Ministerie van Financiën tot stand gekomen.
In de besluitvorming over deze operatie heeft VWS uitsluitend gekeken naar hetgeen VWS zou willen/kunnen bijdragen en dat op de kostenpost «arbeidskosten». Uiteraard was hierbij het uitgangspunt dat ook de VNG en de instellingen een substantiële bijdrage zouden leveren. Er is echter geen integraal overzicht gemaakt van alle kosten die samenhangen met de operatie. Desalniettemin is in het besluitvormingstraject duidelijk geworden dat er behalve van VWS nog substantiële bijdragen van andere betrokkenen (gemeenten en instellingen) nodig zijn om de dekking van deze privatiseringsoperatie te vervolledigen, op het gebied van de arbeidskosten maar ook voor andere kosten.
De zorg kan door deze overgang f 55 miljoen goedkoper werken. Dit structurele voordeel is gedurende de eerste jaren mede ingezet ter dekking van de incidentele meerkosten. De vrijval is op termijn verwerkt in het totale beeld van het BKZ.
24 727, nr. 2 Voorjaarsbrief zorg
Opwaartse mutatie van f 0,8 miljard
In de zorg doet zich naar huidige inzichten een opwaartse mutatie van f 0,8 miljard voor in 1996.
De bijstelling resulteert voor f 0,5 miljard uit een saldo van vele mee- en tegenvallers. Het grootste deel daarvan betreft een tegenvaller van f 0,34 miljard bij de genees- en hulpmiddelen. De resterende tegenvaller van f 0,14 miljard is het saldo van tegenvallers in een groot aantal sectoren en meevallers in enkele andere sectoren. Tegenvallers doen zich onder andere voor bij ziekenhuizen, specialistische hulp en ziekenvervoer.
De bijstelling van f 0,8 miljard hangt daarnaast voor een kleine f 0,3 miljard samen met besparingsverliezen. Dit bedrag wordt gedomineerd door een besparingsverlies van f 0,2 miljard als gevolg van de vertraging van de prijzenwet geneesmiddelen. Daarnaast wordt nog f 0,04 miljard veroorzaakt door de invoeringskosten van het systeem van eigen bijdragen.
Bij besparingsverliezen gaat het om inschattingen van effecten van (uitstel) van beleid. De tegenvallers zoals gepresenteerd in de Voorjaarsbrief Zorg 1996 hebben het Februari-advies van de Ziekenfondsraad als uitgangspunt. Deze cijfers zijn gebaseerd op een waarneming van de uitgaven in de eerste drie kwartalen van 1995, met uitzondering van de uitgaven AWBZ betaald via het Centraal Administratie kantoor. Dit betreft een voorlopige opgave over geheel 1995. Het gaat hierbij dus in beide gevallen om voorlopige schattingen. Eerst in het JOZ 1997 kan op basis van de daadwerkelijke realisatiecijfers over 1995 een definitief beeld worden geschetst.
In het kader van de begrotingsvoorbereiding 1997 wordt in het kabinet nog gesproken over de maatregelen om de overschrijding in de zorgsector te compenseren. De inzet is dat deze maatregelen zodanig van omvang zijn dat met ingang van 1997 geen overschrijdingen resulteren.
In het JOZ 1997 is het mogelijk om deze maatregelen nader aan te geven.
De beoogde invoeringsdatum van de prijzenwet geneesmiddelen was ten tijde van het FOZ 1996 nog 1 januari 1996. Toen werd rekening gehouden met een effect op de medicijnprijzen vanaf 1 april 1996. Als structureel effect van de wet werd en wordt gerekend met f 0,7 miljard op jaarbasis (of f 0,17 miljard op kwartaalbasis). In het FOZ werd voor 1996 gerekend op een opbrengst van f 0,55 miljard (omdat de wet in slechts drie kwartalen effectief zou zijn).
Dit bedrag is verlaagd naar f 0,35 miljard (zijnde het effect van twee kwartalen). De opbrengst over de periode 1 juli 1996 tot en met 31 december 1996 is dus grosso modo gelijk aan het oorspronkelijk geraamde bedrag.
De minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
E. Borst-Eilers
Samenstelling: Leden: Lansink (CDA), Schutte (GPV), Van Nieuwenhoven (PvdA), voorzitter, Van der Heijden (CDA), ondervoorzitter, Van Heemskerck Pillis-Duvekot (VVD), M. M. H. Kamp (VVD), Doelman-Pel (CDA), Swildens-Rozendaal (PvdA), Vliegenthart (PvdA), Mulder-van Dam (CDA), Versnel-Schmitz (D66), Middel (PvdA), Leerkes (U55+), Nijpels-Hezemans (Groep Nijpels), Fermina (D66), Oedayraj Singh Varma (GroenLinks), Dankers (CDA), Marijnissen (SP), Essers (VVD), Oudkerk (PvdA), Cherribi (VVD), Sterk (PvdA), Van Boxtel (D66), Van Vliet (D66), Van Blerck-Woerdman (VVD).
Plv. leden: Soutendijk-van Appeldoorn (CDA), Van der Vlies (SGP), Lilipaly (PvdA), Esselink (CDA), Rijpstra (VVD), Voûte-Droste (VVD), Smits (CDA), Dijksman (PvdA), Houda (PvdA), Beinema (CDA), Van den Bos (D66), Vreeman (PvdA), Rouvoet (RPF), Boogaard (Groep-Nijpels), Van Waning (D66), Sipkes (GroenLinks), De Jong (CDA), vacature CD, Passtoors (VVD), Kalsbeek-Jasperse (PvdA), J. M. de Vries (VVD), Noorman-den Uyl (PvdA), Bremmer (CDA), Bakker (D66), Hoogervorst (VVD).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-24757-4.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.