24 745
Wijziging van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van het Gemeentefonds voor het jaar 1996 (wijziging samenhangende met de Voorjaarsnota)

nr. 3
VERSLAG HOUDENDE EEN LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 19 juni 1996

De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken1, belast met het voorbereidend onderzoek van het onderhavige wetsvoorstel, heeft de eer van haar bevindingen verslag uit te brengen in de vorm van een lijst van vragen. De vragen en de daarop door de regering gegeven antwoorden zijn hierna afgedrukt. Met de vaststelling van dit verslag acht de commissie de openbare behandeling van het wetsvoorstel genoegzaam voorbereid.

De voorzitter van de commissie,

De Cloe

De griffier voor dit verslag,

Van Hezik

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Artikel 02.01

1

Hoe verhoudt zich de in de Voorjaarsnota opgenomen neerwaartse aanpassing van f 111,9 miljoen in de jaren 1996–2000 tot de bedragen genoemd in de suppletoire begroting Gemeentefonds 1996 en de spreiding daarvan (f 111,9 miljoen in 1996, f 109,0 miljoen in 1997 en 1998 en f 0 miljoen in 1999 en 2000)? (blz. 3)

Zoals is verwoord in de memorie van toelichting bij de eerste suppletoire begroting van het Gemeentefonds voor het jaar 1996 is, in overleg met de VNG, besloten de neerwaartse aanpassing uit hoofde van de normeringssytematiek in ongeveer gelijke delen over de jaren 1996, 1997 en 1998 uit te smeren. Derhalve wordt het Gemeentefonds in 1996 f 111,9 miljoen neerwaarts bijgesteld en in 1997 en 1998 met f 109,0 miljoen.

Voor 1996 resulteert dit in een uitname van f 111,9 miljoen uit het Gemeentefonds ten gunste van de aanvullende post accres Gemeentefonds/Provinciefonds.

Zoals gebruikelijk wordt in de Voorjaarsnota en de eerste suppletoire begroting uitsluitend de begrotingsuitvoering (1996) gepresenteerd. De neerwaartse bijstelling van het Gemeentefonds van f 109,0 miljoen in 1997 en 1998 zal worden verwerkt in de Miljoenennota 1997 en de ontwerpbegroting van het Gemeentefonds voor het jaar 1997.

2

De bijstelling van het accres over 1996 levert een positief resultaat op van f 20,8 miljoen. Wat is hiervoor de verklaring gelet op de onderschrijding van de Rijksbegroting met f 1,1 miljard die zich in de Voorjaarsnota aftekent? (blz. 3)

Het positief resultaat van f 20,8 miljoen is de resultante van het nagecalculeerde accres 1995 en de bijstelling van het accres 1996.

De nacalculatie van het accres 1995 bedraagt – f 350,7 miljoen (zie de memorie van toelichting). Dit is een gevolg van de onderuitputting op de Rijksbegroting in het jaar 1995. Dit bedrag wordt met ingang van het jaar 1996 structureel ten laste gebracht van het Gemeentefonds.

Enerzijds hangt de bijstelling van het accres 1996 samen met de onderuitputting op de Rijksbegroting in 1995. Het accrespercentage 1996 wordt berekend aan de hand van de verhouding tussen de gecorrigeerde netto-rijksuitgaven in 1996 en die in 1995. Indien de gecorrigeerde netto-rijksuitgaven in 1996 onveranderd blijven, stijgt het accrespercentage 1996 evenredig als gevolg van de onderuitputting in 1995; derhalve stijgt het accres 1996 met (globaal) + f 350,7 miljoen.

Anderzijds wordt de bijstelling van het accres 1996 bepaald door de ontwikkeling van de gecorrigeerde netto-rijksuitgaven in 1996. De raming van de relevante rijksuitgaven is iets hoger dan ten tijde van de Miljoenennota 1996.

Een en ander leidt tot een beperkt positief resultaat voor het accres 1996 van het Gemeentefonds van f 20,8 miljoen.

De onderschrijding in 1996 van f 1,1 miljard heeft geen invloed op het accres omdat deze zich met name voordoet op posten die niet behoren tot de rijksuitgaven die relevant zijn voor de normering van het Gemeentefonds en van het Provinciefonds.

Overigens wijs ik er op dat de gemeenten en de provincies middels de junicirculaires van respectievelijk het Gemeentefonds en het Provinciefonds uitgebreid zijn geïnformeerd over de nacalculatie 1995 en de bijstelling van het accres 1996. De Tweede Kamer heeft bij brief van 12 juni 1996 (kenmerk FO96/U1075) van beide circulaires een afschrift ontvangen.

3

Waarom en waardoor worden de uitgaven van de Waarderingskamer met f 0,2 miljoen verhoogd? Gaat het om een incidentele of een structurele verhoging?

Voor hoe lang geldt de afspraak over de financiering van de Waarderingskamer? (blz. 3)

De uitgaven van de Waarderingskamer worden ten opzichte van de ontwerpbegroting 1996 met f 0,2 miljoen verhoogd in verband met een verhoging van de begroting van de Waarderingskamer. Het betreft een incidentele verhoging. Afgesproken is dat de kosten van de Waarderingskamer voor 50% ten laste van de gemeenten komen. Deze afspraak geldt voor onbepaalde tijd.

4 en 5

Heeft over de onttrekking aan het Gemeentefonds van het bedrag voor de Stichting KBO overleg met de VNG plaatsgevonden? Was er overeenstemming? Waarom zijn deze kosten voor onderzoek naar de kwaliteit van hulpmiddelen niet door het ministerie van VWS gefinancierd? (blz. 3)

Wanneer vindt de evaluatie van de stichting KBO plaats? (blz. 3)

Ja. De VNG stemt in met de onttrekking van f 1,6 miljoen aan het Gemeentefonds voor de Stichting KBO onder de voorwaarden dat de uitlichting betrekking heeft op 1996 en 1997 en dat op basis van een evaluatie wordt bezien hoe de financiering van de Stichting KBO nadien zal worden voortgezet. In de loop van 1997 zal de Stichting KBO worden geëvalueerd.

Het bedrag wordt geoormerkt naar de begroting van SZW overgeheveld en geïndexeerd voor loon- en prijsstijgingen. Indien de middelen in de toekomst niet meer nodig zijn voor de Stichting KBO, vloeien ze terug naar het Gemeentefonds.

Bij de totstandkoming van de Wvg werd belang gehecht aan het voortzetten van het GAK/GMD-kwaliteitsonderzoek en heeft SZW als verantwoordelijk ministerie voor de Wvg het voortouw genomen bij de subsidiëring van de Stichting KBO.

Voorts wordt de Stichting KBO voor een deel medegefinancierd door de Ziekenfondsraad. De Ziekenfondsraad heeft voor de financiering van het KBO-programma 1996 een subsidie toegezegd van f 650 000,– waarvoor onderzoek wordt verricht naar AWBZ-hulpmiddelen.

6

Welke extra werkzaamheden moeten de gemeenten verrichten onder invloed van de uitspraak van de Hoge Raad? Zijn met deze inspanningen alle financiële gevolgen van de uitspraak van de Hoge Raad afgedekt? Wat is het thans openstaande saldo van debiteuren bij de gemeenten en om hoeveel gemeenten gaat het? Voor hoeveel en voor welk bedrag aan debiteuren zijn de vorderingen ouder dan 5 jaar en ouder dan 10 jaar? Zijn de financiële gevolgen van het afboeken van schulden vanwege het niet verder kunnen invorderen voor rekening van het rijk? (blz. 4)

Op verzoek van een aantal gemeenten is overleg gevoerd over de vraag welke gevolgen het arrest van de Hoge Raad van 3 maart 1995, Rechtspraak van de week 1995, nr. 51, heeft voor de gemeenten. Gebleken is dat het probleem van tijdelijke aard is en uitsluitend de groep vorderingen betreft, die betrekking heeft op kosten van bijstand gemaakt vóór 1 augustus 1992 en waarbij gemeenten een beschikking hebben gegeven ná 1 augustus 1992. Het overleg heeft geresulteerd in een onderzoeksopdracht naar de gevolgen voor de uitvoeringspraktijk. Het onderzoek heeft aangetoond dat een eenmalige bijzondere inspanning van de zijde van gemeenten moet worden geleverd. Deze inspanning bestaat uit een herstelactie om bij rechtsvorderingen, waarbij stuiting niet op juiste wijze heeft plaatsgevonden, alsnog een verzoekschriftenprocedure bij de kantonrechter veilig te stellen. Over de uitkomsten van het onderzoek en het van rijkswege compenseren (f 5,0 miljoen) van gemeenten in verband met deze eenmalige bijzondere inspanning, is overeenstemming bereikt met de VNG.

Met het eenmalige compensatiebedrag van f 5 miljoen zijn alle kosten in verband met de herstelactie door gemeenten afgedekt.

Het totale openstaande saldo van debiteuren in het kader van het Hoge Raad-arrest ligt op basis van het onderzoek bij benadering tussen de f 230 en f 300 miljoen. Daarbij is niet aan te geven om hoeveel gemeenten het precies gaat.

Op basis van het uitgevoerde onderzoek blijkt dat het aantal vorderingen dat betrekking heeft op de kosten van bijstand met betrekking tot de periode vóór 1 augustus 1992 en waarbij de vervaltermijn op 1 januari 1996 niet meer te stuiten was, 22 000 à 26 000 dossiers betreft. Het saldo van deze vorderingen bedraagt f 100 à f 135 miljoen. Aangezien de nominale bedragen in de regel niet volledig worden afgelost, zal de werkelijke schade naar verwachting lager zijn. Bij het onderzoek is geen onderscheid gemaakt tussen vorderingen ouder dan 5 jaar en ouder dan 10 jaar.

Conform de financiële verhouding Rijk-gemeenten van 90%-10% in de bijstandsverlening (90% komt ten laste van het Rijk) zal 90% van de financiële gevolgen van het afboeken van schulden voor rekening van het Rijk komen.


XNoot
1

Samenstelling: Leden: Van Erp (VVD), V. A. M. van der Burg (CDA), Te Veldhuis (VVD), Van der Heijden (CDA), De Cloe (PvdA), voorzitter, Janmaat (CD), Van den Berg (SGP), Scheltema-de Nie (D66), ondervoorzitter, Apostolou (PvdA), Kalsbeek-Jasperse (PvdA), Zijlstra (PvdA), Van der Hoeven (CDA), Remkes (VVD), Gabor (CDA), Koekkoek (CDA), Nijpels-Hezemans (Groep Nijpels), Oedayraj Singh Varma (GroenLinks), Hoekema (D66), Essers (VVD), Dittrich (D66), Dijksman (PvdA), De Graaf (D66), Cornielje (VVD), Rouvoet (RPF), Rehwinkel (PvdA).

Plv. leden: Korthals (VVD), Dankers (CDA), Van Hoof (VVD), Bijleveld-Schouten (CDA), Liemburg (PvdA), Poppe (SP), Schutte (GPV), Mulder-van Dam (CDA), Jeekel (D66), Van Heemst (PvdA), Noorman-den Uyl (PvdA), Vreeman (PvdA), Verhagen (CDA), Van der Stoel (VVD), Mateman (CDA), Van Wingerden (AOV), Rabbae (GroenLinks), Van Boxtel (D66), H. G. J. Kamp (VVD), Assen (CDA), M. M. van der Burg (PvdA), Bakker (D66), Klein Molekamp (VVD), Leerkes (U55+), Van Oven (PvdA).

Naar boven