24 734
Wijziging van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (XV) voor het jaar 1996 (wijziging samenhangend met de Voorjaarsnota)

24 727
Voorjaarsnota 1996

nr. 4
VERSLAG HOUDENDE EEN LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 18 juni 1996

De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid1, belast met het voorbereidend onderzoek van bovengenoemd wetsvoorstel, heeft de eer verslag uit te brengen in de vorm van een lijst van vragen. Tevens heeft de commissie vragen gesteld over de brief van de minister en de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid inzake de uitgavenontwikkeling sociale zekerheid 1996 (24 727, nr. 3). De daarop door de regering gegeven antwoorden zijn hierbij afgedrukt.

De voorzitter van de commissie,

de Jong

De waarnemend griffier van de commissie,

Nava

A. Wijziging van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (XV) voor het jaar 1996 (24 734)

Algemeen

1

Wat is de totale uitgave van wachtgelden inclusief de verzelfstandigde organen, die onder de verantwoordelijkheid van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid vallen? Om hoeveel personen gaat het bij het ministerie en bij de verzelfstandigde organen die onder het ministerie vallen? Hoe verhoudt dit bedrag zich tot de totale loonsom van het ministerie en de verzelfstandigde organen die onder de verantwoordelijkheid van het ministerie vallen? (blz. 1)

De totale uitgaven aan wachtgelden en uitkeringen inclusief de Arbeidsvoorzieningsorganisatie bedragen f 47 mln.

Het gaat daarbij om 270 personen bij het ministerie en 750 personen bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie.

Zowel bij het ministerie als bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie komen de uitgaven neer op circa 6% van de loonsom.

2

Hoe verhoudt de ontwikkeling van het volume wachtgelders van het ministerie zich sinds 1990 tot het volume ww'ers in de marktsector? (blz. 1)

De volumegroei van het aantal wachtgelden en uitkeringen sinds 1990 bedraagt bij SZW ruim 17% (van 230 personen in 1990 tot 270 personen in 1995). Het aantal WW-gerechtigden nam toe van 177 000 personen in 1990 naar 395 000 personen in 1995, dus met 123%.

Artikelen

3

Is de verlaging van het budget voor de Jeugdwerkgarantiewet in verband met de 23-jarigen-maatregel een tijdelijke beperking van het budget voor gesubsidieerde arbeid? Mag ervan worden uitgegaan dat dit geld op grond van de WIW weer beschikbaar zal worden gesteld voor dit doel? (artikel U 1203)

De herziening van de raming voor de Jeugdwerkgarantiewet in verband met de 23-jarigen-maatregel heeft alleen betrekking op 1996.

De hierdoor niet gewijzigde bedragen voor 1997 en volgende jaren zult u in de ontwerp-begrotingswet 1997 en de bijbehorende meerjarenramingen aantreffen.

Het is overigens de bedoeling dat het budget JWG te zijner tijd in de WIW wordt opgenomen.

4

Hoe kan een verschuiving in de betaaldatum voor het jaar 1996 leiden tot een verhoging van de uitgaven van f 37 miljoen? Krijgen uitkeringsgerechtigden in dat jaar meer inkomen? Hoeveel uitkeringsgerechtigden krijgen een overbruggingsuitkering? Is het daadwerkelijk de bedoeling dat deze uitkering bij beëindiging van de uitkering wordt teruggevorderd? Leidt werkaanvaarding dan altijd tot een beginschuld ter hoogte van een maand uitkering? Wanneer wel en wanneer niet? Indien deze overbruggingsuitkering kwijtgescholden wordt, gaat dat dan ten laste van de rijksuitgaven? (artikel U 1401)

In artikel 73 van de nieuwe Abw is bepaald dat de algemene bijstand achteraf wordt betaald. In de oude Abw was dit niet zo stringent geregeld en vond betaling ook op andere tijdstippen plaats, waardoor dus bij de overgang naar de nieuwe Abw een betalingsverschuiving naar achteren diende plaats te vinden. Om te waarborgen dat niemand door deze verschuiving tijdelijk onder het bestaansminimum terecht zou komen, is een voorschotfaciliteit gecreëerd waarin is opgenomen dat deze faciliteit in de vorm van een overbruggingsuitkering zal worden verstrekt. Gevolg daarvan is dat in het overbruggingsjaar tijdelijk meeruitgaven ontstaan, die in de jaren daarna terugvloeien. De hoogte van deze overbruggingsuitkering wordt bepaald door het aantal dagen dat het betaaltijdstip naar achteren wordt verschoven. Geraamd is dat circa 85 000 uitkeringsge-rechtigden een overbruggingsuitkering zullen krijgen van gemiddeld twee weken, waarvoor totaal f 50 mln uitgaven zijn geraamd. Verwacht wordt dat hiervan in 1996 f 13 mln wordt terugbetaald. Per saldo bedragen de meeruitgaven dus f 37 mln in 1996.

Ten gevolge van de overbruggingsuitkering kunnen bijstandgerechtigden die het aangaat, éénmalig in 1996 op jaarbasis een hogere uitkering krijgen. Daarbij moet worden bedacht dat de overbruggingsuitkering een voorschot betreft. Het is de bedoeling dat de overbruggingsuitkering bij beëindiging van de Abw-uitkering wordt teruggevorderd.

Daar de overbruggingsuitkering naar verwachting gemiddeld ongeveer f 550 zal bedragen, is de verwachting dat werkaanvaarding in het algemeen niet leidt tot een beginschuld ter hoogte van één maand uitkering. Dit zou slechts het geval kunnen zijn wanneer de betaaldatum één maand naar achteren moet worden geschoven. Indien de overbruggingsuitkering zou worden kwijtgescholden, gaat dat voor 90% ten laste van de rijksuitgaven en voor 10% ten laste van de gemeentelijke uitgaven.

5

Wat is de oorzaak van de daling van het bestand ABW ten gunste van de WW? (artikel U 1401)

In de begroting 1996 was rekening gehouden met een bepaalde doorstroom van de WW naar de Abw. Op grond van (voorlopige) realisatiecijfers 1995 lijkt deze doorstroom vertraagd plaats te vinden. Dit betekent dus dat er meer uitkeringsgerechtigden in de WW blijven en minder in de Abw. Er wordt vanuit gegaan dat deze trend zich in 1996 voortzet, waarop is besloten tot een ramingsbijstelling. Voor de vertraagde doorstroom is thans nog geen betrouwbare verklaring te geven.

6

Waarom dalen nog steeds de gemiddelde uitgaven per uitkeringsgerechtigde en wat zijn daarvan de oorzaken? (artikel U 1401)

De gemiddelde uitgaven per uitkeringsgerechtigde zijn in 1995 voor het eerst lager uitgekomen dan in het jaar ervoor. Een deel van de daling is toe te schrijven aan een daling van de bruto kosten in 1995 ten opzichte van 1994. Voor het resterende deel is een betrouwbare verklaring momenteel niet te geven door het nog ontbreken van de benodigde statistische gegevens.

Of de gemiddelde uitkering in 1996 ten opzichte van die over 1995 nog verder zal dalen, valt op dit moment niet te zeggen omdat thans nog niet voldoende declaratie-gegevens beschikbaar zijn.

7

Welke verklaring is er voor de minder dan verwachte instroom in de IOAW als gevolg van de Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen? (artikel U 1402)

Vanwege het nog ontbreken van betrouwbare statistische gegevens is een verklaring niet met zekerheid te geven. Op dit moment vindt door het CTSV een analyse plaats van de uitkomsten van de toepassing van het nieuwe arbeidsongeschiktheidscriterium en de doorstroming naar andere regelingen (waaronder de IOAW).

8

Waarom worden de (vervoers)uitgaven ten behoeve van personen die in AWBZ-inrichtingen verblijven niet beschouwd als AWBZ-uitgaven en verantwoord bij hoofdstuk XVI (VWS)? (artikel U 1407)

De vervoersvoorzieningen maken onderdeel uit van de Wvg. Ze zijn geen onderdeel van het AWBZ-verzekeringspakket.

B. Brief van de minister en de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid inzake de uitgavenontwikkeling sociale zekerheid in 1996 (24 727, nr. 3)

9

Hebben de meevallers van circa 0,5 mld, die in een latere fase van de begrotingsvoorbereiding zichtbaar kunnen worden, alleen betrekking op de AAW/WAO of ook op andere uitgaven? (blz. 2)

De eventuele meevaller van 0,5 miljard heeft alleen betrekking op de AAW/WAO omdat deze raming – zoals in de brief is opgemerkt – thans een behoedzaam karakter heeft. Eventuele meevallende ontwikkelingen zullen worden geanalyseerd aan de hand van de meest recente inzichten van het Centraal Planbureau (de Macro Economische Verkenningen).

10

Wat is de reden voor de verhoging van de raming met 0,1 mld van administratiekosten van een aantal regelingen, waaronder de werkloosheidsregelingen? Indien de reden is gelegen in de toename van het aantal WW-gerechtigden, is dan sprake van dalende administratiekosten elders? (blz. 2)

De administratiekosten in de werkloosheidsverzekeringen (AWf en wachtgeldverzekeringen) zijn opwaarts bijgesteld met f 0,1 miljard voornamelijk wegens een opwaartse volumebijstelling. De administratiekosten in de andere regelingen zijn ook enigszins bijgesteld. Het gaat om een tegenvaller van f 15 mln in de AOW wegens het verwerken van uitvoeringsgegevens van de Sociale Verzekeringsbank en meevallers in enkele andere regelingen waaronder de ZW. Per saldo is het effect in de andere regelingen nagenoeg nihil.

11

Welke gevolgen heeft de verschuiving ter hoogte van 0,3 mld van de Ziektewet-uitgaven buiten de sociale zekerheidssector naar binnen de budgetdisciplinesector voor de ijklijn sociale zekerheid, voor het feitelijk financieringstekort en voor het beleidsrelevante financieringstekort? (blz. 2)

Door aanpassingen in de meting van de Ziektewetlasten heeft er per saldo een verschuiving plaatsgevonden van buiten naar binnen de budgetdisciplinesector sociale zekerheid. Deze statistische mutatie is niet relevant voor de toetsing aan het uitgavenkader sociale zekerheid. In technische zin is dit laatste bereikt door zowel de feitelijke uitgaven als de ijklijn met hetzelfde bedrag van 0,3 miljard te verhogen. Per saldo is daarmee de onderschrijding van het uitgavenkader ongewijzigd gebleven.

De bijstelling is geheel gelocaliseerd in de sociale verzekeringen en beïnvloedt derhalve noch het financieringstekort noch het beleidsrelevante financieringstekort.


XNoot
1

Samenstelling: Leden: Doelman-Pel (CDA), Biesheuvel (CDA), Vliegenthart (PvdA), ondervoorzitter, De Jong (CDA), voorzitter, Scheltema-de Nie (D66), Van Middelkoop (GPV), Schimmel (D66), Rosenmöller (GroenLinks), Van Zijl (PvdA), Bijleveld-Schouten (CDA), Middel (PvdA), Van Hoof (VVD), Boogaard (Groep Nijpels), Noorman-den Uyl (PvdA), Vreeman (PvdA), Adelmund (PvdA), Dankers (CDA), Giskes (D66), Marijnissen (SP), Essers (VVD), Van der Stoel (VVD), Van Dijke (RPF), Bakker (D66), Klein Molekamp (VVD) en Van Blerck-Woerdman (VVD).

Plv. leden: Soutendijk-van Appeldoorn (CDA), Esselink (CDA), Sterk (PvdA), Terpstra (CDA), Van Rooy (CDA), Van der Vlies (SGP), Fermina (D66), Rabbae (GroenLinks), Van der Ploeg (PvdA), Wolters (CDA), Dijksma (PvdA), M. M. H. Kamp (VVD), Nijpels-Hezemans (Groep Nijpels), Kalsbeek-Jasperse (PvdA), Van Nieuwenhoven (PvdA), Apostolou (PvdA), Ten Hoopen (CDA), Van Boxtel (D66), vacature (CD), J. M. de Vries (VVD), B. M. de Vries (VVD), Leerkes (U55+), Van Vliet (D66), Hofstra (VVD) en Hoogervorst (VVD).

Naar boven